[p. 81]
Refereyn.
VRuchtbarige / Lia / juechdelijc / groeysele
Warachtighe Moedere / alder puerste maecht
Nazareths rancxken / duechdelijck // bloeysele
Wiens ootmoedich herte / den Vader behaecht
Morghensterre / die claer / door den nevel daecht
Soethertige / Hester / Israels glorie
Bequaemste Jael / die Sisaram plaecht
Strijtbaer Judith / Jerusalems victorie
Svad
er
s dochter / sheylichs geests bruyt / soo
n
s cyborie
Der rechtveerdiger eere / sondaers verblijdinge
Lof seyt u herte / sin / verstant / memorie
Bloemken vry / vander vrouwen vermaledijdinghe
Ave / sonder wee / bracht Gabriel tijdinge
Gratia plena / die gratie hebt vonden
Dominus tecum / om smenschen bevrijdinge
Benedicta tu / bedwingster der helscher honden
In mulieribus / reyne van van erfsonden
Hoe ick u ter eeren mijn stemme laet clincken
Ghy sijt meer lofs weert dan ick can bedincken.
De cracht des alderhoochsten u belommert // heeft
Gods geest is u overcomen / inde dracht
Van alder pijnen / ghy onbecommert // bleeft
Doen ghy theylich der heyligen / ter werelt bracht
Lof Dagheraet / middel tusschen dach en nacht
Daer de sonne der rechtveerdicheyt / heet uutstraelde
Soetmondige sucade / alderhoochst geacht
Wiens hulpe diese begheerde / noyt en faelde
Advocata nostra / die den vyant af taelde
God versoent / den mensch verbidt / en plage
n
mineert
Lof zeeschelpe / daer shemels dau in daelde
Daer de puerste peerle / uut is gegenereert
Lof vrouwe der werelt die in thoochste triu
m
pheert
Poorte des / hemels / ons hope ons leven
U weerde / boven alle creatueren passeert
In Hemel in eerde naest God verheven
Daer denghelen voor knielen / duyvelen voor beven
En alle Sancten / duysentich loven schincken
Ghy zijt meer lofs weert / dan ick can bedincken
[p. 82]
Lof in wiens dienst alle Enghelen wacker // zijn
Lof Jacobs leeder die totten Hemel streckt
Uwen rueck / is als eenen bloeyenden Acker // fijn
Die Isaack heeft / tot benedictien verweckt
Lof suyver lelie / noyt met sonden bevlect
Denghel des vreets / vroech u mondeken custe
Lof Salomons tempel / binnen met goude bedect
Lof vruechdelijck Paradijs / vol van welluste
Lof die dweenende kint / van Bethleem suste
Der Propheten voorweten / der Vaders verlangen
Lof gulden throon / daer Salomon in ruste
Ghy spijsde daer wy al voetsel af ontfangen
Lof soetste mondeken / lof blosende wanghen
Lof Nardus bloemken / lof purpuren gardijne
Die voor sancta sanctorum was ghehangen
Lof Olijve / confortatijve medecijne
Onrottelijcke Arcke / reyn Sethims schrijne
Diemen buyten / en binnen / met goude sach blincken
Ghy zijt meer lofs weert dan ick can bedincken.
Lof schoon Abigail / die David spijse // brochte
Waer door hy liet sincken sijnen toren
Lof voorsienighe maecht die als de wijse // sochte
Den thiende penninck / door tVrouken verloren
Rijckelijcke schatcamer / der hemelscher tresooren
Lof Davids slingere / lof Moyses roede
Die Pharao deedt inde roy Zee versmooren
Dwelck den Israeliten / verginck te goede
Lof Joachims dochterken / edelst van bloede
Sunamijts vrouken / Davids weertste care
Lof blinckende wolcke / die behoede
Voor den brant der sonnen / Disraelsche schare
Lof middelersse / tusschen God en den sondare
Die Gods wrake verbidt / die soude gheschien
Lof schijnende licht / gestelt opten candelare
Der heyliger kercken / daer wy al af sien
Lof havene / daer die schipbrokige toe vlien
Die inde Zee van mistroosten wanen verdrincken
Ghy zijt meer troosts weert / dan ick can bedincken
[p. 83]
PRINCERSSE.
Al const ick met enghelschen tongen // spreken
En al waer ick als Cicero eloquent
Al mocht ic als Paulus / onbedwonghen // preken
Ick en sou niet volprijsen / dit vrouken jent
Wiens maechdelijc herte / vol duechden gheprent
De gheest des Heeren / amoreuselijck raecte
Lof die uuten Hemel troct / door u consent
Den Schepper die hemel / en eerde / maecte
Lof die boven Cherubin / in liefden blaecte
Daer Gods cracht / haer wonderlic in heeft vertoo
n
t
Lof Cedar / die tfenijn / dat Eva smaecte
Hebt verjaecht / en der vrouwe
n
scande verschoont
Bethsabee / aen Salomons rechte hant ghetroont
Lof verheven sanctinne / heerlijck ghecroont
Met twaelf sterren / ghecleet metter Sonnen
Lof die dengelen niet volloven en connen
Dus seg ick broosch vat / wiens sonden stincken
Ghy zijt meer lofs weert dan ick can bedincken.