[p. 143]
Refereyn.
VErdoolde schapen / aerm verloren / kinderen
Doorsiende aylacen / zijn my tranen / by
Christen geloove / achter en voren / hinderen /
Keerdt weder / terstondt / sal gods toren minderen
Tot uus moeders huys / ter rechter banen vry
Groote compassie / doedt dit vermanen / my
Dinckt hoe ghy van deen landt / in da
n
der brakelen / moet
Als ballinghen / onder der ketters vanen tfy
Rasch van u de banden / metten schakelen / doedt
Van Babel / keerdt weder / ter tabernakelen / soet
Van Jacob / men sal u vast geleye / sinden
Tgheloove / is ghevest / met mirakelen / soet
Keerdt weder / ghy suldt soete weye / vinden
Oft u weghen / sullen met ghescreye / inden
De vyandt is neerstich om te betrapen / u
Neempt u selven waer
Keerdt weder keerdt weder verdoolde / schape
n
nu.
Met dit nieuwe Jaer.
Keerdt weder / van u alder booste / weghen
Oft ghy sult daer door / de poorten / der helle
n
naken
Ghy strijdt der waerheyt / in dweste / in dooste tege
n
En spreeckt so dalder goddelooste / pleghen
Soo Wijclef Hus en haer ghesellen / spraken
Keerdt weder / en scheydt u / vanden fellen / draken
Die metter schriftueren / haer fenijn spouwen
Die altijdt om de kercke / te quellen / waken
Tcrisdom versaken nochtans den schijn / houwen
Deghelijcke mannen / en fijn / vrouwen
Schaempt u dat ghy tot sulcken ghespuys / gaet
Om Gods woort te hoore
n
/ en de doctrijn schouwe
n
Van uwen Pastooren / tis groot abuys / Jaet
Schoutse als den vyant / voor u een cruys / slaet
Alse u genaken / zijnt meesters oft knapen / nu
Segt met suchten eenpaer
Keert weder keert weder / verdoolde schapen / nu
Met dit nieuwe / Jaer.
[p. 144]
Totten herder / en Bisschop / va
n
uwer siele
n
/ vliet
Ootmoedelijc / wilt u van uwen val / schamen
Hoe wel men de werelt / vol ketters / crielen / siet
Sy en sullen / de Christen / kercke / vernielen / niet
Al waert / datter duysentmael / meer in tgetal came
n
En de boose geesten / met hen al tsamen
Muegender niet teghen / de helsche Poorten / oock
Hoe seere daer naer in deertsche dal / ramen
Calvinus / Brentius / met haer consoorten / oock
Oft geen tyrannen / hoe hooch van geboorten / oock
Den heylighen gheest / met sinen blinckende / gave
n
Regeert / de kercke / naer der behoorten / oock
Wilt u uut dees fonteyne / drinckende / laven
Laet der ketters / poelen / stinckende / graven
Die om sielen te verslinden / staen en gapen / nu
Scheyt haestelijck van daer
Keert weder keert weder verdoolde / schapen / nu
Met dit nieuwe Jaer.
Keert weder / ter herten / laet u erruer / varen
Oft wilt ghy op u / meer sonde
n
/ en scanden / hoope
n
?
Volcht deerste Christenen die inden fleur / waren
Castijden tvleesch men sach hen geen labeur / spare
n
Lieten hen in haer bloet / in veel landen / doopen
Wilt ghy den Wolf willens inde tanden / loopen?
Duer weerspannige / inobedientie / groot
Ghy muecht deur geen gelt u uut gods hande
n
coopen
Siet hy slater veel deur Pestilentie / doot
Om hem te versoenen / is penitentie / noot
Daer sonde regneert / sal god zijn plagen / stieren
Doen elck zijn oversten reverentie / boot
Doenmen sach vasten / heylighe daghen / vieren
Kercken / en cluysen / naer gods behaghen / chieren
Bedeecht volck beter / hoe si rapen oft schrape
n
/ nu
De waerheyt / blijckt claer
Keert weder keert weder / verdoolde / schapen / nu
Met dit nieuwe / Jaer.
[p. 145]
Repareert u afgebroken kercken / weder
Restitueert dat ghy daer uutgerooft / hebt
Gheeft oock haer goedt / priesters en clercke
n
/ weder
Tcatholijck gheloove / helpt stercken / weder
Twelc ghy vervolcht / en daer teghen gelooft / hebt
De Valsche opinien / die ghy int thooft / hebt
Versaeckt / op dat de plaghen zwichten / moghen
Donnoosel die ghy door u leeren / verdooft hebt
Wildt u oock wederom / te stichten / pooghen
Ghy die duysternis waerdt wildt u lichten / togen
Laet gheen blasphemie uut uwen monde / vlieten
Hoe dicht dat oydt / der Ketters schichten / vloghen
Sy en mochten tscheepken / niet te gronde
n
schieten
Compt laet olie en wijn in u wonden / gieten
Uutgeloopn muncken / verloochende papen / nu
Vreest niet een haer
Keerdt weder / keerdt weder verdoolde schape
n
/ nu
Met dit nieuwe Jaer.
Totten Catholijcke
n
moet ick bysonder / schrijven
Ick moet u oock u groot ghebreck / laken
Al schijndt dat dees nieu leeraers / wonder / drijven
De kerck sal verwinnen / zy sullen tonder / blijven
Verkeerter / niet me wilt u niet soo geck / maken
De Wijseman seydt / de ghene die tpeck / raken
Selen selden wederom onbesmet / keeren
Treckt u herte daer naer / wilt sulcken treck / staken
Wildt u ooren naer uwer wakers trompet / keeren
Die naer tRoomsche geloove / u Gods wet / leeren
Wilt ooc voordt meer / der kercken statuyte
n
achten
Werden zy veracht / wilt ghijse te bet eeren
Wilt van leeraers / die comen van buyte
n
/ wachten
Want zy den quacsalven / die altijt stuyte
n
/ slachten
Den menschen bedrieghen / doet aen u wapen / nu
Want den strijdt is swaer
Keert weder keert weder verdoolde schapen nu
Met dit nieuwe Jaer.
[p. 146]
PRINCE.
Princelijcke coninghen / gheduchtige / Vorsten
Helpt tconcilium / ter perfectien / bringhen
Stort wijsheydt / uut u doorluchtighe borsten
En wilt naer Gods eere / als godvruchtighe dorste
Wilt dovertreders / met correctien / dwinghen
Alle weerspannighen / ter subjectien / dringhen
Datmen Gods dienst / met jolijte / saen
In Cristenrijck / mach onder u protectie / singhen
Den strijdt des heeren grijpt met vlijte / aen
In dOordeel Gods salt u te verwijte / staen
Laet ghy u schapen / in quade seden / sneven
Door u edelheydt / en sult ghy niet quijte / gaen
Van u minste schaepken / sult ghy reden / gheven
Op dat wy alle Christenen / mueghen in vreden / leven
Staet oppe ten is gheen tijt te slapen / nu
Wandt Gods oordeel is naer
Keerdt weder / keerdt weder / verdoolde scapen / nu
Met dit nieuwe Jaer.
Meer suers dan soets.
Conclusio.
Altsamen
Arbeyt in Gods
Acker / fijn
Notabele
Neemt doch
Neerstelijc uwen tijt waer
Natuere is cra
n
c
Nochtans wilt
Nu sober en wacker zijn
Aenmerckt
Altijt den loon
Al valt den strijt swaer.