[p. 158]
Refereyn.
ALs een schaepken // dat voor de
n
wolf / is vluchtende
Ghelijck die staet / tusschen duysent sweerden
Ben ick versaecht / weenende / suchtende
Aensiende mijn wercken / seer cleyne van weerden
Den geest soude geerne / wat goets aenveerden
Tvleesch soect wellust / nae zijn oude pleghe
Mijn leven is eenen strijt / hier opter eerden
Dickwils werde ick verwonnen / selden vecht ick seghe
Dus arm en blint / sitte ick byden weghe
Aelmoes biddende / want hulpe behoeve // ick
De boossche creatueren / en doen my geen deghe
Sy zijn verganckelijc / haer ontrouwe proeve // ick
O Salvator mundi / nae u soe toeve // ick
My en mogen genesen geen ander medecijns
Dit doet my segge
n
/ om mijn sonden bedroeve // ick
Jesu Davids sone / ontfermt u mijns.
Waer sal ick blijven spijse der wormen
Daer soe veel vyanden / om my swermen
Die Tcasteel mijnder sielen swaerlijck bestormen
Ick en heb geen macht / dat ict can beschermen
Dus roepe ic / Davids sone wilt mijns ontfermen
Al eest dat my straft / de woelende schare
Nochtans sonder ophouden / sal ick tot u kermen
Tot dat ick u compste / werde gheware
Mijn begeerte is // dat ick mach sien int clare
Want tot noch toe / heb ick geweest verblint
Hoe ouder / hoe argher / van jare te Jare
My selven ghesocht / en de werelt ghemint
O heere de helle had my langhe verslint
Hadt ghijt niet belet / dus behoeve ick dijns
Wilt my ontfanghen / siet u verloren kint
Jesu Davids sone / ontfermt u mijns.
[p. 159]
Heere gelijck een schaepken sonder herde
Ben ic verre van uwer koyen ghedwaelt
U Godlijcke gheboden / ick overterde
Nochtans eest den wech / die ghy my hebt ghepaest
Ick blijve verloren / ten zy dat ghy my weerhaelt
Want uut my selven / en can ick niet goets gedincken
Dlicht uwer gratien / heeft my dicwils bestraelt
Ick hebt misbruyct / niet gemerckt u minlijc wincken
Ghy roept compt alle die dorst / ick sal u schincken
O levende Fonteyne / diet al moet laven
U heb ic gelaten / Cisternen / die stincken
Putten sonder water / heb ick my ghegraven
Den vyant ghedient / als een van zijnen slaven
Dus is mijn ziele vol dootlijcx venijns
Al heb ick misbruyct u Godlijcke gaven
Jesu Davids sone / ontfermt u mijns.
Ick en weet my waer keeren / soe ben ic verbaest
Als ick dencke / dat ick sal werden ghedaecht
Om rekeninghe te doene metter haest
Ick en weet niet wanneer / heere alst u behaecht
De vyant sal wroegen / conscientie die knaecht
En ick moet daer compareren / alleene
Wat sal ick segghen / o rechter als ghy my vraecht
Voor duysent / en mach ick / antwoorden / niet eene
Soeckt ghy vruchten aen my ghy en vinter geene
Tghene dat ghy my verleent hebt / heb ick verquist
Mijn schult is groot / mijn goet is cleene
En teghen u en helpt / practijcke / oft list
Eest dat mijn rekeninge / int passeren / mist
Soo is my nakende / veel swaer ghepijns
Maer al en heb ick in mijn jeucht / hier niet op geghist
Jesu Davids Sone / ontfermt u mijns.
[p. 160]
Ick mach wel sorghen / voor de langhe reyse
Die ick alleene / sal moeten bestaen
Ten hemel / oft ten helschen forneyse
Ick en weet niet / waer ick van beyden sal gaen
Als ick mijn rekeninghe / gae overslaen
Voorwaer soe naeckt my desperatie
Maer dan peyse ick weder op den Publicaen
Die ootmoedelijck badt / en hy creech gratie
O heere ick doe oock / mijn supplicatie
Ick hope / ghy en sult my niet versmaden
Ick ben bedroghen / door svyants tentatie
Tvleesch heeft my verleyt / de werelt verraden
Tvleesch is cranck / de vyant vol overdaden
De werelt is loos / seer onghelijck haers schijns
Heere ghy zijt alleene / die moecht versaden
Jesu Davids sone / ontfermt u mijns.
Als mijn ghesichte / schriftuerlick betuyghen / siet
Soe mach therte wel beven / voor Gods sententie
O rechtveerdich rechter / men mach u buygen / niet
Al hadde ick Tullius eloquentie
Salomons wijsheyt / Platonis scientie
Darius schat / ten mocht my niet baten
En doe ick hier gheen diligentie
Dat ick Olije / in mijn Lampe mach vaten
Soe moet ick ter hellen / als ballinck verwaten
Want gheen dwase maechden / en gaen inde feeste
Dus mach ick wel roepen / sonder aflaten
Heere sterckt my van binnen / met uwen gheeste
Al heb ick onredelijck gheleeft / als een beeste
In deerde ghewroet / ghelijck de swijns
Ick biechte u mijn sonden / minste / en meeste
Jesu Davids sone / ontfermt u mijns.
[p. 161]
PRINCE.
Alderhoochste Prince / wilt my niet verrasschen
Noch en laet u hantwerck / niet verloren
Niet anders / en ben ick / dan stof / en asschen
Adams generatie / in sonden gheboren
Broosch / cranck van duechden / naeckt gheschoren
In sonden ontfaen / tot quaet gheinclineert
Ick bidde u en straft my niet in uwen toren
Nae u bermherticheyt / my corrigeert
Siende dat tghetal mijnder sonden passeert
Boven tsant der zee / neem ick mijnen keer
Tot uwer ghenaden / mijn herte renoveert
Wilt my niet verstooten / al en quam ick niet eer
Mijn siele is ghewont / natuerken is teer
Ghiet in mijn wonden wat olijen / en wijns
Wascht af mijn misdaet / ghedenckt des niet meer
Jesu Davids sone / ontfermt u mijns.