[p. 168]
Refereyn.
Milde bermhertighe moghende God vadere
Eeuwich woort / God en mensch warachtich
God heylighe geest / troostelijck beradere
Drye persoonen / een God / altijt eendrachtich
Ick roepe tot u / met woorden clachtich
Om de doot mijns vrients / van herten beswaert
God Vader / weest uus Soons doot ghedachtich
God Sone / laet dalen / u bloet / seer crachtich
God heylige gheest / u goedertierenheyt baert.
Thoont aen uwen knecht / uwen bermhertige
n
aert
Laet den helschen leeu / naer hem niet gapen
Sijn ziele / vanden poorten / der hellen bewaert
Al moet zijn lichaem noch in deerde slapen
Ontfangt den geest / nae dijn beelde gheschapen
Begheer ick hertelijck / roepende mits desen
O Heere wilt der zielen ghenadich wesen.
Heere ontfermt u over mijnen vrient
Door u groote ghenade / niet om gronden
Heeft zijn misdaet / eenige pijne verdient
Schelt hem die quijte / op dat hy ontbonden
Vanden banden des doots / mach werden gevonde
n
Weerdich int landt der levender te gane
Teghen alle zijn onghebeterde sonden
Stelt u onnoosel doot en u open wonden
In u dierbaer bloet / pijnt die af te dwane
Door al u bitter lijden / ick u vermane
Wilt mategen u scherp / rechtveerdich gherichte
Vanden kercker der duysterheyt / pijnt he
m
to
n
tslane
Wilt hem verlichten / metten eeuwighen lichte
Wijst hem den rechten wech voor u aensichte
U natuere is ontfermen soo wy lesen
O Heere wilt der zielen ghenadich wesen.
[p. 169]
Noch bidde ick u Christe / door u bloedich sweet
+
Dat ghy sweette opten berch van Oliveten
Uut vreesen der doot / en uut liefden heet
Door u pijnlijck vanghen / twaer schade vergeten
+
Door tgheesselen / tcroonen / de slaghen ongemeten
+
Die ghy vanden nijdighen Joden ontfingt
Vergeeft uwen knecht / zijn schult onghequeten
Door u minnende herte / uut liefden ghespleten
+
Doen ghy deerlijck mismaect / aen tcruyce hingt
Door den bitteren dranck / met galle ghemingt
Uwen sprakenden mont gheboden om drincken
Bidde ick / die nae mijns vrients salicheyt verlingt
Dat ghy hem dwater der genaden wilt schincken
Och tmoet soe claer zijn / dat eeuwelijc sal blincken
Dus door u bermherticheyt / noyt volpresen
O Heere wilt der sielen ghenadich wesen.
Door tbespotten / bespouwen / spijt / en smerte
+
Schaempte / en schande / die u de Joden deden
Door tsweert des rouwen / dwelck dmaechdelijck herte
+
Van uwer liever moeder heeft doorsneden
Door tbersten der Aderen / door tbreken der leden
Doen ghy naeckt aent Cruyce / wert uutghereckt
+
Laet de siele rusten / int Lant des vreden
Op dat dlichaem met haer / ter selver steden
Eeuwich mach leven / metten salighen verweckt
Door die schae
m
pte die ghy hadt / doen ghy ontdect
Aen tcruyce ghespannen / met ontploken armen
Vanden boosen gheblasphemeert / bespot / beghect
Door u bitter tranen / door tcrimpe
n
/ uwer dermen
+
Door u luyde roepen / door u deerlijck kermen
+
Doen van pijnen der doot / crompen al u pesen
O Heere wilt der sielen ghenadich wesen.
[p. 170]
PRINCE.
Begheerlijck bidde ick met tranen ootmoedich
Ontfermich Prince / eeuwich / en dryvuldich
Nu verhoort my gods sone / door u wo
n
den bloedich
Aen tcruyce ghevloeyt / soe overtuldich
Verghevet mijnen vrient / is hy noch yet schuldich
En ghedenckt / dat ghy zijt mensche gheboren
Natuerlijck lancmoedich / en verduldich
Tontfermen gheneghen / Prince ghehuldich
U edel hantwerck / en laet niet verloren
Rasch helpt my bidden / alle Enghelsche choren
Aldersoetse Maria / moeder der ghenaden
Maechden / Martelaren / en Confessoren
Patriarcken / Propheten / staet hem in staden
Christe Jesu / en wilt u werck niet versmaden
Daer ghy om zijt ghestorven / begraven / verresen
O Heere wilt der sielen ghenadich wesen.
+
Luce. 22. e
+
Ibidem. f.
+
Joan. 9. a.
+
Ibidem. f.
+
Luce. 22 g
+
Sapi. 2. e.
+
Psal. 21. c
+
Hebre. 5 c
+
Mar. 15 d