[p. 176]
REFEREYN.
WYe
35
is soo wijs / oft van sulcker vroetheyt
Oft ook soo vierich / int contempleren
Die mocht begrijpen / o eeuwige goetheyt
O groote bermherticheyt / niet om werderen
Int begrip van dien / moet tverstant faelgeren
De diepheyt / de breetheyt / en is niet om meten
Want van eeuwen / tot eeuwen sonder cesseren
En hebt ghy u bermherticheyt / niet vergheten
Soo saen als Adam de vrucht had ghebeten
Was hy weerdich te sterven / den eeuwighen doot
Maer door u bermherticheyt / onversleten
Riept ghy Adam waer zijt ghy? doen hy voor u vloot
+
Hem ghelovende / tot trooste / in zijnder noot
Tsaet / waer door / ghy de menschen sout gebenedije
n
Dus mach ic wel segge
n
/ wa
n
t scriftuere tuycht bloot
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
+
U bermherticheyt Cain oock vermaende
+
Hebbende uut nijde zijnen broer versleghen
Maer hy u bermherticheyt niet verstaende
Wanhopende daer af / heeftse verteghen
Doen alle vleesch had besmet zijn weghen
+
Soo dat ghy u van smenschen maecsel beclaechde
Noe heeft u bermherticheyt vercreghen
Doen ghy al de werelt met water plaechde
Hem salverende in de arcke / want u behaechde
+
Sghelijcx u bermherticheyt Abraham naerde
+
Wanneer hem Sara de wel ghedaechde
Nae uwer beloeften Isaac baerde
Gheloovende uut bermhertighen aerde
+
Dat zijn saet al de werelt soude verblijen
Dus seg ick noch / soo ick eerst verclaerde
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
[p. 177]
Als die van Sodoma sonder vreede / sliepen
+
In vleeschlijcken wellust / heel zijnde verslonden
Dat haer feyten / wrake / inden hemel riepen
En u rechtveerdicheyt / moest straffen haer sonden
Door u bermherticheyt niet om gronden
Wout ghijse sparen uut Abrahams bestiere
Om thien rechtveerdighe / hadmenser vonden
+
Maer neent / dus plaechdijse metten viere
+
Niet latende u bermhertighe maniere
Hielt ghy den rechtveerdighen / Loth in dleven
U bermherticheyt was oock by Jacob schiere
+
In Mesopotamiam van Esau verdreven
Ghy hebt Laban gherooft / en Jacob ghegheven
+
Om dat ghy hem naemaels va
n
honger sout vrijen
+
Wert Joseph / Prince in Egipto verheven
+
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
Israel in Egypto ghetracteert qualijck
+
In groote servituten zijnde ghestelt
Als si van verdriete mishopen nalijck
Hebt ghijse verlost / uut Pharaonis ghewelt
Ses hondert duysent mannen / wel ghetelt
+
Bracht ghy door de Roy zee / met drooghen voeten
Vernielende Pharaonem / diese had ghequelt
+
Met allen den vyanden / diese ontmoeten
Het water van Marach / deet ghy versoeten
+
Als tvolck mistroostich van dorste / was kermende
Sendende een Wolcke tot haerder boeten
+
Diese voor de hitte was beschermende
Sdaechs en snachts lichtende / en verwermende
+
Hen spijsende met Manna / sonder vermijen
Veertich jaer / want ghy haers waert ontfermende
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
[p. 178]
Eenendertich Coninghen hebt ghy gheworpen
Onder Israels voeten / met al haerder macht
Haer steden vernielt / Casteelen / en Dorpen
En hebtse int Lant van beloeften bracht
+
Door u bermherticheyt / en niet door hen cracht
Hulpt ghy oock Israel uuten gheweene
Doen Gedeon de Madianiten bevacht
+
Verwinnende met dry hondert volcx alleene
U bermherticheyt was by David / niet cleene
Als ghy hem achter de schapen / hebt vercoren
+
Tot eenen Coninck van Israel reene
En hebt hem eeuwighe bermherticheyt gesworen
+
Hoe dickwil / Israel / verweckte uwen toren
Als si tot u riepen en tquaet wilden af snijen
Ghy hulptse uuter noot / dus achter en voren
U bermherticheyt / duert tot allen tijen.
Heere u bermherticheyt is onnoemelijck
+
Die ghy ghetoont hebt den Israelijten
+
Achab in sonden levende verdoemelijck
+
Als hy zijn misdaet door berou ghinc quijten
Ghy hebt zijns ontfermt / sghelijck de Ninivijten
+
Als si tot u riepen met abstinentien
Ghy hebtse ghespaert / en sonder verwijten
Ontfingt ghy Davidem tot penitentien
Als tvolck gheplaecht wert met pestilentien
+
Stack u bermherticheyt tsweert saen in tschee
De Coninck Manasses vol quader inventien
+
Bermherticheyt begherende / hy vantse ree
Ezechias tot u roepende / met grooten wee
+
Creech bermherticheyt / noch wil ic voorder scrijen
Tot Jonam / want hy vantse int diepste der Zee
+
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
[p. 179]
Int out testament / hebt ghy soe merckelijck
U bermherticheyt ghetoont / maer boven al
Int nieu testament / thoont ghijse seer sterckelijck
Want ghy om te boeten Adams misval
+
Uwen sone hebt ghesonden / int eertsche dal
Legghende op hem alle ons ghebreken
+
Heere u bermherticheden zijn sonder ghetal
Maer inde mensch
eyt
Christi heeftse meest gebleke
n
+
Want noyt sondaer en wert van hem versteken
+
Tbleeck aen Matheum en Zacheum de
n
publicae
n
+
Apostolus Paulus mach oock wel spreken
+
Heere veel bermherticheden hebdy my ghedaen
+
De sondersse die u voeten / met trane
n
quam dwae
n
+
En tCananeesch vrouken dese moetent oock lijen
+
Al had Petrus u versaect / ghy hebten ontfaen
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
+
Met Publicanen / en sondighe menschen
+
Hebt ghy u geweerdicht / te eten te drinckene
Wie sou meerder bermherticheyt moge
n
wenschen
Dan ghy bereet zijt / den sondaer te schinckene
De Moordenaer badt u / hem eens te ghedinckene
+
Ghy gheloefde hem u rijck / niet morghen maer heden
Voor u vyanden / die u pijnden te crinckene
+
Hebt ghy aen tcruys den vader ghebeden
Groot van aen de wolcken tot hier beneden
+
Is u bermherticheyt alder sterckste heere
Al castijt ghy met slaghen ons overtreden
+
U bermherticheyt en vergeet / ghy nemmermeere
U bermherticheyt / is lieflijck / nae Davids leere
+
Een afgrondighe diepheyt / niet om verwijen
Ghy en wilt sondaers doot niet / maer dat hy hem keere
+
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
[p. 180]
PRINCE.
U bermherticheyt hebt ghy wonderlijck
Verthoont in alle u leven excellent
+
Maer int eynde / is zy verthoont bysonderlijck
Makende int Avontmael u testament
+
Om dat u liefde in ons sou blijven gheprent
Liet ghy ons vleesch / tot eender spijsen
En alle de ander Sacramenten gent
Als plaesteren der sielen / weerdich om prijsen
Ten hemel ghevaren / corts nae u verrijsen
+
Hebt ghy ons gesonden / den heylighen gheest
+
Op dat hy ons in alle waerheyt sou wijsen
En ons van scriftueren / doen smaken den keest
Al eest dat wy leven / in sonden ongevreest
Ghy en muecht u handtwerck niet benijen
Dit merckende / doet my segghen meest
U bermherticheyt duert / tot allen tijen.
35
Verbeterd uit
VYe
.
+
Gen. 3. b. c
+
Psal. 135.
+
Gen. 4. b.
+
Gen. 6. c.
+
Sap. 8. b. c
+
Sap. 21. a.
+
Ibidem. 22. d.
+
Gene. 18 c
+
Ibidem. d
+
Sapi. 19. e
+
Gene. 28 c
+
Ibide
m
. 30.
+
G. 3. a
+
Gen. 41. e
+
Exod. 1. b. 5. c.
+
Sapi. 12. f.
+
Sap. 14 ef
+
Sapi. 15. d
+
Sapi. 13. d
+
Sapi. 16 g
+
Josue. 3. b
+
Judicu
m
. 7 f
+
1 Re. 16. c
+
Psal. 88 e
+
Psal. 72. a
+
Psal. 147
+
4 Re. 21. g
+
Jone. 3. b.
+
2. Re. 24 d
+
4 Re. 21. c
+
Isa. 38. a.
+
Jone. 2. b.
+
Joan. 3. b
+
Isai. 53. b
+
Mat. 11 d
+
Mat. 9. a.
+
Luce. 19 a
+
Luce. 18. c
+
1 Cor. 15 b
+
Luce. 7. f.
+
Mat. 15. c
+
Luce. 23 g
+
Mat. 9. b. 11. c.
+
Luce. 13. f
+
Ibidem. e
+
Psal. 35.
+
Habac. 3 a
+
Psal. 68 c
+
Ezech. 1.
+
Joha
n
. 13. a
+
Matt. 26.
+
Acto. 1. b
+
Sap. 2. a.