terug  begin  verderprepost
[p. 201]

Refereyn.

 
ALderhoochste mogentheyt onbegrijpelijck
 
Drievuldich in persoonen een God onendelijc
 
Die alle dinck hebt gheschapen rypelijck
 
En oock onderhoudende zijt behendelijck
 
Aenhoort my arm sondaer die allendelijck
 
Tot u roepe / suchtende swaerlijck
 
Ay lacen / ick heb ghedoolt soo blendelijck
 
Des is mijn siele bedroeft inwendelijck
 
U milde gratie begheerende eenpaerlijck
 
Mijn crancheyt heere die siet ghy claerlijck
 
Ende alle mijn boosheyt / zijt ghy wetelijck
 
Weer zy heymelijck / gheschiet zijn oft openbaerlijc
 
Int diepste der herten / siet ghy secretelijck
 
Dus bid ick u door u goetheyt onmetelijck
 
Laet my gratie / genieten voorspoedelijck
 
U edel handtwerck / en weest niet verghetelijck
 
Heere vergheeft mijn schult / ic bidts ootmoedelijc.
 
 
 
Soude ick mijn sonden / noemen bysonderlick
 
Twaer my onmogelijck want sy zijn ontellick
 
Leelijck afgrijselijck diepe / en wonderlick
 
Certeyn mijn brooscheyt / en waer niet wel spellick
 
Tvleesch steect / tegen den geest / altijt rebellick
 
En de werelt vecht my ane seer sterckelick
 
Ick Luyster nae haer / want ick ben ghesellick
 
De boose gheest / die is my oock quellick
 
Dit heeft my dicwils / doen sondighen merckelick
 
Met wille / en consente / en oock werckelick
 
Mijnen even mensche zijnde onstichtelijck
 
Al hoor ick schriftuere uut leggen clerckelick
 
Ay lacen dat waeyt / my af soo lichtelick
 
Met openen ooghen / onvoorsichtelick
 
Loop ick ter hellen waert / seer onvroedelick
 
Nochtans roepe ick tot u even ghedichtelick
 
Heere vergeeft mijn schult ick bidts ootmoedelick.
[p. 202]
 
Met bevender herten / ongerustelick
 
Vreese ick heere u oordeel afgrijselick
 
Ick hebbe gheleeft / alsoo wellustelick
 
De ziele verghetende dlichaem spijselick
 
En ick weet soo schriftuere seyt adviselick
 
Dat ghy elcken int oordeel sult zijn verthoonlick
 
Mijn leelick sonden / seer misprijselick
 
En boven al is vreese in my rijselick
 
Dat ick daer selve moet zijn persoonlijck
 
Niet dan de duecht / en wert ghy dan croonlijck
 
En aylacen / die vinde ick in my seer dinlick
 
Maer alle sonden ben ick ghewoonlick
 
Vleeschlijck levende / als mensche sinlick
 
Nochtans heere begeer ick minlick
 
Laet my inde helle niet branden gloedelick
 
Maer op dat ick u rijcke mach sijn gewinlick
 
Heere vergeeft mijn schult ick bidts ootmoedelick.
 
 
 
O heere ghy moecht my verdoemen gherechtelick
 
Want ick u vergramt hebbe menichfuldichlick
 
U godlijcke macht / ghevreest seer slechtelick
 
U gebodt overtreden / onghehuldichlick
 
Voor u bloet gestort / seer overtuldichlick
 
En heb ick u noyt eens gedanct ghereckelick
 
Seynt ghy my lijden ick neempt onverduldichlick
 
Nochtans en castijt / ghy my niet onschuldichlick
 
Ick hebt wel verdient door mijn sonden vleckelick
 
Met duysent middelen / zijt ghy my treckelick
 
Tot penitentien my verwachtelick
 
Maer ick heb geleeft alsoo hertneckelick
 
My grouwelt / als ick des ben ghedachtelick
 
O bermhertighe vader castijt my sachtelijck
 
Straft my niet in uwen toren verwoedelijck
 
Ick roepe tot u met woorden clachtelick
 
Heere vergeeft mijn schult / ick bidts ootmoedelijc.
[p. 203]
 
Mijn eyghen / wercken / zijn my verdoemelijck
 
Want ick heb gheleeft / seer ypocrijtelijck
 
Van mijnen weldaden / my beroemelijck
 
En ander menschen / haer crancheyt verwijtelijck
 
Teghen mijnen naesten / stuerlijck en spijtelijc
 
Heb ick my ghehadt38 / seer ongenadelijck
 
Dat tot wellust des lichaems / scheen profitelijck
 
Heb ick gesocht / seer appetijtelijck
 
Niet achtende al wast / der sielen schadelijc
 
Van eertscher ghenuchten / was ick onversadelijck
 
En hoe meer ghepleecht hoe meer ghebrekelijck
 
O heere al come ick seer misdadelijck
 
Teghen u ben ick mijn biechte sprekelijck
 
O milde vader zijt my niet verstekelijck
 
Weest u verloren kint / niet heel ontgoedelijck
 
Weest nae mijn verdiensten / mijn misdaet niet wrekelijck
 
Heere vergheeft mijn schult ic bidts ootmoedelijc
PRINCE.
 
Princelijck Prince boven alle princen heerlijck
 
Al heb ick tegen u / gesteken / hooveerdelijck
 
En weest u aenschijn / van my niet keerlijck
 
Al heb ick u gratie ontfaen / onweerdelijck
 
Denckt dat ick ben / een cranck / vaetken eerdelijck
 
En dat my de vyant aenvecht / so fierlijck
 
Laet u rechtveerdicheyt / niet snijden sweerdelijck
 
Want ick om gratie / roepe volheerdelijck
 
Al heb ick deertsch goet / bemint seer ghierlijck
 
Gulsich oncuysch / en seer putertierlijck
 
Gram traech geweest mijnen naesten benijdelijck
 
Peynst dat ghy my hebt ghecocht so dierlijck
 
O Heere weest / met mijnder cranckheyt lijdelijck
 
Al heb ick alle duecht geweest vertijdelijck
 
Fonteyne der genaden / zijt op my vloedelijck
 
Wilt my u aenschijn thoonen blijdelijck
 
Heere vergeeft mijn schult ic bidts ootmoedelijck.
38Verbeterd uit gbehadt.
prepostterug  begin  verder