Daar bij de tijd ontbreekt me om heden lang te wezen:
En zoo gij zotheid wenscht te lezen,
[p. 58]
Het Haagsch Genootschap geeft een deel
Van Mengelstoffen uit, dat magtig wordt geprezen,
Doorloop dat boekje slechts geheel.
Voor 't ov'rig heb ik hier mijn' dank nog bij te voegen,
Voor al het mij verschaft genoegen
Bij 't jongst verblijf in Utrechts wal.
Zeg Moeder: dat wij haar op Zondag zullen wagten,
En dat ik haar verzoek betrachten,
En aan den Beerenbijt een sleê bezorgen zal.
Vaarwel; en hou in uw gedachten,
Dat ik uw antwoord als een hlijk
Van aller welstand af blijf wagten.
Neem dit verzoek in acht,
Uws broeders,
Bilderdijk.
Op Woensdag, te Amsterdam, en op 't comptoir gezeten,
Den twaalfden van de maand, van ouds naar d'oogst geheten.
+Indien gij bij geval dit woord niet mogt verst Men hecht daar 't denkbeeld van onzekre†
†Deze noot van den Dichter is alhier afgedrukt zoo als dezelve door het afscheuren van een klein hoekje, in den brief zelve voorkomt. Ik vermoed, dat dezelve geweest is als volgt:
Indien gij bij geval dit woord niet mogt verstaan,
Men hecht daar 't denkbeeld van onzekre gangen aan.
v. B