terug  begin  prepost
[p. 55]

Zesde Brief.

Geliefde Zusje!

 
Gantsch vermoeid
 
Van deez' geheelen dag te schrijven,
 
Zou deze zeker achter blijven,
 
Hield geen belofte mij geboeid.
 
 
 
Doch thands genoodzaakt mij te kwijten,
 
Van deez' mij opgedrongen pligt,
 
Is 't zonder eenig tegenwrijten,
 
Dat ik d'aanvaarden Last verricht:
[p. 56]
 
In hope dat u deze regelen
 
Welvarend worden toegebragt;
 
Hetgeen het antwoord moog bezegelen,
 
Dat ik van uwe hand verwagt!
 
 
 
Maar wat moet ik u toch vertellen?
 
'k Weet niets; mijn schrijfpen loopt in 't wild;
 
En vruchtloos met iets vreemds mijn' moeden geest te kwellen,
 
Waar niet dan moeite en tijd gespild.
 
 
 
Vernoeg u dan met de enkele tijding,
 
Dat ik behouden herwaarts kwam;
 
En tot mijn wettige verblijding
 
Hier niets dan alles goeds vernam:
 
Dat de oude Vrouw, benevens Vader,
 
En ik en onze Janneman,
 
Ons wel bevinden al te gader:
 
En - dat ik niet meer schrijven kan.
[p. 57]
 
Zie daar voldaan aan uw verlangen.
 
Maar (zegt gij naar mij dunkt) is nu de brief al uit?
 
't Verwondert u met recht, een' brief van mij te ontfangen,
 
Die zo verhaast en schielijk sluit.
 
 
 
Doch wie zou langer kunnen schrijven,
 
Terwijl hem 't hoofd te slapen hangt,
 
De veder in de vingren wankt,+
 
En de armen eindlijk van vermoeienis' verstijven?
 
Wien 't lust, maakt brieven van een el!
 
Ik ben verzadigd van dit spel.
 
 
 
Daar bij de tijd ontbreekt me om heden lang te wezen:
 
En zoo gij zotheid wenscht te lezen,
[p. 58]
 
Het Haagsch Genootschap geeft een deel
 
Van Mengelstoffen uit, dat magtig wordt geprezen,
 
Doorloop dat boekje slechts geheel.
 
 
 
Voor 't ov'rig heb ik hier mijn' dank nog bij te voegen,
 
Voor al het mij verschaft genoegen
 
Bij 't jongst verblijf in Utrechts wal.
 
Zeg Moeder: dat wij haar op Zondag zullen wagten,
 
En dat ik haar verzoek betrachten,
 
En aan den Beerenbijt een sleê bezorgen zal.
 
Vaarwel; en hou in uw gedachten,
 
Dat ik uw antwoord als een hlijk
 
Van aller welstand af blijf wagten.
 
Neem dit verzoek in acht,
 
Uws broeders,
 
Bilderdijk.
 
Op Woensdag, te Amsterdam, en op 't comptoir gezeten,
 
Den twaalfden van de maand, van ouds naar d'oogst geheten.
+Indien gij bij geval dit woord niet mogt verst Men hecht daar 't denkbeeld van onzekre
Deze noot van den Dichter is alhier afgedrukt zoo als dezelve door het afscheuren van een klein hoekje, in den brief zelve voorkomt. Ik vermoed, dat dezelve geweest is als volgt: Indien gij bij geval dit woord niet mogt verstaan, Men hecht daar 't denkbeeld van onzekre gangen aan. v. B
prepostterug  begin