Was van de eerste tijden der bekeering af de zetel van den Bisschop dezer Landen, en dit Bisdom behoorde onder 't Aartsbisdom van Keulen.
De Bisschoppen hadden drieërlei betrekking waarin zij beschouwd moeten worden. Zij waren
1o. Bisschoppen, dat is kerkhoofden over deze landen;
2o. Leden van het Duitsche Rijk;
3o. Vorsten van het land en volk van Utrecht en de landen daarömgelegen, met de daarbij gevoegde bezittingen van den Stoel; verdeeld in 't Neder- en Oversticht.
't Oversticht bevat Overijssel met Drenthe en Twente; 't welk door de Veluwe alles met het Nedersticht samenhing; 't geen ook het grootste deel van het Graafschap Hameland, en een groot deel van Teisterbant bevattende: doch de Veluwe werd door den Graaf van Gelder van den Bisschop in leen gehouden; het geen dezen des te machtiger maakte.
Deze Bisschop was dus een allergewichtigst en bij uitstek machtig personaadje, vooral voor het Graafschap van Holland, waar zijn land als geheel indrong.
Vooral daar hij eerst geheel Amstelland, en ook 't Gooiland, bezat; Bodenlo, Woerden, 't Maas-eiland; en in die streek weinig grond overbleef die het eigenlijk Holland uitmaakte: en de Graaf van Holland dikwijls zeer onwillige en weêrspannige Leenmannen, en ook somtijds zeer bijgeloovige onderdanen had.
Bij het vormen van het Bisschopdom waren de Graven bloot temporaire bestuurders en rentmeesters; en de Vorsten voegden de Kerk nu dit, dan dat brok toe, even als zij onverschillig en naar voorkomende convenientie een brok lands van den eenen rentmeester ter aan den ander overbrachten, 't geen zonder con-
sequentie was. Doch toen de Graven vast, erflijk, en Landsvorsten wierden, en hun als zoodanig een rond territoir toekwam; kon dit sine injuria niet meer zijn: en al wat zij ooit pro tempore gehad hadden, kon door de Bisschoppen niet sine injuria gereclameerd worden, gelijk zij echter deden; om dat hun stelling was (even als die van Lodewijk XIV en zijn Hof de Reunion): 't geen eens aan St. Marten was, moet St. Marten weêrom hebben. 't Mag verlaten, verkocht, of verruild zijn geworden, of door later schikkingen van Keizers of Bisschoppen van het Sticht afgenomen (van welk alles in de vroeger tijden geen blijk of geheugen bestaan kon) het doet er niet toe!
I. Als Bisschop gebruikte hij 't geestlijk wapen, de ban. Een ontzachlijk middel in duistere tijden!
Als Bisschop dorst hij, met een Crucifix in de hand door zijns vijands slagorde heen wandelen, zonder dat iemand hem deerde; en ieder viel hem te voet.
Als Bisschop dorst hij, met een knods zijns vijands slagorde langs gaan, en sloeg daar dood, wien 't hem behaagde, zonder iemands tegenweer.
Na een oorlog met hem, lei hij als Bisschop smadelijke openbare boetdoeningen op, van processien in wollen kleederen, ongegord, blootsvoets, met waschkaarsen in de hand, kniebuigingen, enz. enz. die binnen zijn Hoofdkerk, of daar buiten in zijn Zetelstad, verricht moesten worden: en welke een Vorst zich schamen moest. Want daar was altijd een verzetten tegen St. Maarten gepleegd, dat geboet moest worden, al had de Bisschop-zelf ongelijk.
Als Bisschop had hij de geestelijke jurisdietie ook over Holland en Zeeland, en zelfs over de Graven van Holland. En deze jurisdictie betrof niet slechts het louter geestelijke, maar ook alle huwlijkszaken, tes-
tament-geschillen, enz. der wareldlijke personen, en alles wat de ontzachlijke menigte van geestelijken betrof, in deze landen verspreid, door het esprit de corps met hun hoofd vereenigd; en door wie hij zich meester kon maken van den geest en denkwijze des volks, en zelfs der Leenmannen.
Door 't welk hij bij aanhoudendheid nu de Friezen, dan de Kenmers opstookte en in roer bracht; de Zeeuwsche opstandelingen ondersteunde; met de Vlamingen samenspande, en aan alle kanten den Hollanderen vijanden berokkende en op den hals zond.
2. Als Lid van het Duitsche Rijk, had hij grooten invloed op den Keizer en Rijkvorsten; zoo door zich zelf, als door de Geestelijke Rijksvorsten, die ter Dagvaard kwamen of zich bij den Keizer onthielden. En dus deed hij Holland oneindig veel kwaad.
3. Als Vorst had hij een land onder zich, misschien 8 of 10 maal grooter, ja meer, dan 't toenmalig Holland, en kon eene ontzachlijke legermacht te veld brengen. En hij was rijk door alle de giften uit geheel zijn bisdom, dat zich over Holland en Zeeland mede uitstrekte; ja beöorloogde ons met ons eigen geld.
Eindelijk als Vorst en Bisschop gaf hij allen Hollandschen verdrevenen wijkplaats, toevlucht, bescherming, - die de Nabuurschap belette dat hem afgesneden kon worden; - en nam dus deel in alle binnenlandsche geschillen.
Die nabuurschap stelde hem ook in staat, ieder oogenblik in 't hart van Holland te vallen, en daar hij van zijn zijde ook voor Holland bloot lag, verwekte dit eeuwige achterdocht en wantrouwen; en tevens zucht om in Holland en ten koste van Holland zijn eigendommen uittebreiden:
Waar van men ook meer dan eens zich bediende,
door van den Keizer de gift van het leen van Holland aan St. Martens zetel te vragen: 't geen ook wel eens toegestaan is geworden; doch nooit in de uitvoering gelukt, ten zij onder Godevaart met de bult.
Het was dus van het eerste belang voor Holland, dat de Stoel van Utrecht bezet was:
1o. Door een goeden, braven Bisschop.
2o. Door een vriend van Holland en deszelfs Graaf: -
Met hetwelk te bereiken alle die ongelegenheden in voordeelen voor Holland verkeerden, en Hollands rust en voorspoed verzekerden.
Met recht dus waren de Graven van Holland altijd daarop bedacht geweest, om zoodanige Bisschoppen op den zetel van Utrecht te helpen plaatsen;
En wanneer dat het geval niet was, trachtten zij in het bisdom of de stad eenen invloed te verkrijgen, die het gezag des Bisschops verlamde, dat hij het niet ten nadeele van Holland gebruiken kon.
De verkiezing des Bisschops was eerst door Hendrik V in 1122 geheel overgegeven. Koenraad III stelde ze aan de twee Kapittelen van St. Martijn en St. Salvator: naderhand aan de vijf Stichtsche Kapittelen bij verdrag gemeen gemaakt, in 1317. Naderhand trok Karel V dit aan zich als Keizer.
Zoo had Willem de II, een gezag in Utrecht.
Zoo Floris V.
Zoo Jan van Henegouwen, door Bisschop Gui, aan wien hij voor zijne verkiezing tot Bisschop Amstelland had uitgegeven, en die de eerste keur of ordonnantie aan de Amsterdammers gaf.
Zoo deed ook Filip de Goede alles wat behoorde om zijn natuurlijke zoon David op dien Stoel te brengen; En Holland was er gelukkig door.
Zoo heeft eindelijk Karel V, ter gelegenheid van de
binnenlandsche beroerten in 't Sticht, waar aan Bisschop Henrik van Beijeren geen redden zag, zijn wareldlijk gezag, als Vorst, met toestemming van zijn Kapittel en Stenden aan Karel V als Hertog van Braband en Graaf van Holland afgestaan en overgedragen in 1528, 't geen Paus Clemens VII, in 1529 bevestigde, en ingevolge waarvan de Keizer in 1534 Utrecht ten naauwste met Holland vereenigde.