terug  begin  verderprepost
[p. 250]

Groningen.

Was van ouds een Keizerlijke Rijksstad, en dus onder geen middelbaar gezag, maar had echter te samen met de Drenthenaars een Regent die den naam van Graaf voerde van wege den Keizer. De zucht der Utrechtsche Bisschoppen om hun zetel aanzienlijker te maken, was oorzaak, dat Keizer Hendrik III hun eindelijk in 1046 een recht en gezag op de stad gaf, (zie mieris 1, 63,) waar van de aart en uitgestrektheid niet wel te bepalen is. Zie idsinga, die de historie van de stad uit echte stukken in 't breede en opzettelijk behandelt.

De Ommelanden waren desgelijks onder 't beheer van verschillende Graven van wegens den Keizer: en tusschen de verschillende districten was geenerlei verband. Dit beheer hield allengskens op, en er ontstond dus een volksregeering in ieder district afzonderlijk, en onafhanklijk van elkander. Om hun vrijheid (als 't heette) te handhaven, verbonden zich de 7 volken (gelijk zij zich noemden) van 't Zeeland, onder den Opstalboom aan zekere wetten of regelen, en kwamen weeklijks op Dingsdag aldaar bij een, het geen echter met het begin der 14de eeuw verviel.

De verdeeldheid der Vetkooperen en Schieringers strekte zich ook tot hen uit, en de Kommissie door Maximiliaan in 1498 aan Albert van Saxen gegeven, begreep ook de Groningers. De stad weigerde daar gehoorzaamheid aan. Zij bleef zich verzetten tegen Karel V toen hij Friesland verkregen had. Zij zocht hulp bij den Bisschop van Utrecht; daar na bij Graaf Edzard van Oost-Friesland, die toeleî om haar onder Frankrijks bescherming te brengen. Vervolgens kwam

[p. 251]

zij in de magt van Karel van Gelder. Ten laatste gaf Stad en Ommelanden zich aan Karel V over, als Hertog van Braband, Graaf van Holland, Heer van Friesland, en Overijssel, en zijne mannelijke en vrouwelijke opvolgers. Schotanus Hist. v. Friesland.

prepostterug  begin  verder