terug  begin  verderprepost

Floris de V

Volgde zijn vader Koning Willem, in Holland, naauwlijks 1½ jaar oud zijnde, op2. Hij was geboren in het jaar 1254 (of het laatst van 1253), en daar zijn oom Floris in dat oogenblik als zijns broeders Stadhouder 's Lands bewind in handen had, was 't natuurlijk dat hij de voogdij over dit nagelaten kind aannam en in deze hoedanigheid de regeering bleef oefenen; waar toe hij als naaste Agnaat volkomen gerechtigd was.

Het kan niet verwonderen, dat de noodlottige dood van den Koning, wiens ontzag, moed, schranderheid en bekwaamheden binnen en buiten 's lands 't Land bevredigd, en de heilzaamste uitwerksels hadden voortgebracht, oude onlusten van binnen en

[p. 159]

buiten het hoofd weder op deden steken. En inzonderheid kon de Erfvijandin van het Hollandsche Huis, de zwarte, en (om een Engelsche uitdrukking te gebruiken) ook zwarthartige Margriet, nu niet stilzitten, daar de slapheid eener Voogdij en het onvast karakter van den Voogd, haar den weerlozen wees in zijn wiegjen prijs scheen te geven. - Zij lag in dit oogenblik wederom allergeweldigst overhoop met haar kinderen, en hare woede tegen de Avennes, nu door geene krachtdadige hescherming ingetoomd, borst straks los; maar dit belettede niet dat tevens de oude nijd en vijandlijke haat, die haar hart tegen Holland vervulde, op een nieuw losbrandde. Koning Lodewijk IX van Frankrijk (St. Louis) liet er zich aan gelegen zijn, om het vuur van oorlog in de eerste beginsels te smooren, en bewerkte op den 24sten September 1256 te Peronne eene dubbele vrede, tusschen Margareta en haar kinderen, en tusschen Vlaanderen en Holland, of liever tusschen zwarte Margriet en den Voogd van den tweejarigen Floris, onkundig hoe gruwelijk hij door eenen ondankbaren bloedverwant, beroofd, geplonderd en opgeöfferd werd.

Het verdrag met Vlaanderen was een vrede-verdrag: waar men uit opmaken kan dat zij wederom met de deur in het huis gevallen was, en Floris de Voogd even als in 1247 zich had laten verrassen, zonder in postuur van verweering te zijn.

De voorwaarden dier vrede - als blijkt, zoo uit eene publicatie van den Voogd Floris op den 13den October uitgegeven, en te Brussel geteekend, als uit die welke Margriet ten zelfden dage en haar zoon

[p. 160]

acht dagen later aldaar teekenden en deden afkondigen - brachten mede, dat Floris de Voogd de oudste dochter van Wijt, haren zoon en opvolger in Vlaanderen, (ook Margarete genaamd) trouwen moest; waarvoor hij voor zich en zijne Erven Zeeland in Leen bekwam, het geen voor een (nb.) Domein van Vlaanderen erkend werd; En dat, zoo zij (de bestemde bruid) sterven mocht, of hij, Voogd, zonder kinderen kwame te overlijden, de jonge Graaf Floris eene van de dochters van Wijt trouwen zou, en dan op gelijke wijze Zeeland in Leen hebben1.

Dat zoo ook Floris (de pupil) zonder erfgenamen uit de Vlaamsche Jonkvrouw kwame te sterven, zijne zuster Machteld aan een van de zoons van Margriet zou moeten huwen en Zeeland in gelijken manier van Vlaanderen in leen houden, en dat in allen gevalle, Zeeland altijd op wie het ook komen en versterven mocht, een leen zou blijven, van Vlaanderen te houden; maar dan (zoo die erfgenaam niet uit een van die drie genoemde persoonen, de Voogd, de pupil Floris, of zijn zuster geboren mocht zijn) voor deze successie, aan Vlaanderen 10,000 Pd. Sterling betalen2.

Terwijl de geschillen over de tollen, de arresten,

[p. 161]

en dergelijke aan de uitspraak van Hertog Hendrik van Brabant verbleven wierden, en (let wel!) Margareet aan alle exceptien en remedien rechtens renuntieert, zoo ten aanzien van 't jus Civile als jus Canonicum; zoowel als aan alle privilegien, 't zij wegens kruisvaart of anders: alles onder Pausselijke ban1.

Ingevolge van welk verblijf Hertog Hendrik dan ook den 15den October het punt van de Hollandsche tollen en arresten bij zijne uitspraak ten voordeele van Holland beslist, en die uitspraak ten zelfden dage door Margareet erkend en aangenomen werd te onderhouden.

De ballingen uit Holland en Zeeland belooft men in Vlaanderen niet te ontfangen.

Wij hebben reeds te vooren de trouwloosheid van Floris in het aangaan van dit tractaat aangewezen, als waar door hij een aanmerklijk deel van het goed zijnes pupils, - 't geen hij voor dezen moest beschermen, behouden, en zorglijk bewaren, met opöffering zelfs van zich-zelven aan hem als zijn wettigen Vorst, - aan zich en zijn bijzonderen tak overbracht; en, zoo veel in hem was, onherroeplijk overbracht; en tevens dat gene dat hij hem liet, van een onvergelijklijk slechter natuur maakte, dan het bij het aanvaarden der voogdije was [z. I Dl. bl. 265-275].

Weshalve het dan ook niet anders dan rechtmatig was, dat Keizer Rudolfus in 1287 op den Rijksdag te Wurtsberg verklaarde, dat hij Voogd zijnde den staat en het recht van zijn pupil niet had kunnen

[p. 162]

deterioreeren, en al dat verrichtte nul en absolutissimae nullitatis was.

Ondertusschen moet men erkennen, dat Willem II zelf de oorzaak van dit onheil was. Had hij in 1252, toen het Rijk Margareet vervallen en het leen ledig verklaarde, Zeeland van 't middel-leenrecht ontheven en aan zich zelven gehouden, dit alles had niet kunnen voorvallen. Maar zijne onbepaalde edelmoedigheid, die den schijn niet gedogen kon, als of hij zich-zelven bevoordeelde, en zijn blinde zucht om zijne ontaarde zuster en laffen zwager goed te doen, vervoerde hem om de slechtst mooglijke partij van dit geval te trekken, en Zeeland van wegens 't Rijk aan Jan van Avennes uit te geven; waardoor, toen Avennes 't op nieuw overgaf, al Willems moeite en arbeid, en al 't menschenbloed dat het gekost had, verloren waren. En dit blijkt het geval geweest te zijn, en is ook na de dood van zijn eenigen steun en beschermer niet te verwonderen. - Waarbij hij dit echter schijnt bedongen te hebben, dat het weder een gaaf en vrij leen werd, en de gemeenschap, die sedert Joanna ingevoerd was, ophield.

Daar dit het geval was, kan men zeker aan Floris den Voogd niet misduiden dat hij zijn verdrag in die zelfde termen sloot; Zeeland bewester-Schelde als Vlaamsch leen erkende, en daar manschap van deed of beloofde: maar zijn ontrouw bestaat, in er zich-zelven persoonlijk meê te laten verleiden, en in het ander gedeelte van Zeeland (een eigen deel van ons Holland en Floris eigen goed, waarop, na de overeenkomst en ruiling met Brabant aangegaan, niemand aanspraak kon maken) aan Vlaanderen toe

[p. 163]

te voegen, en er een leen van dat gewest van te maken1. Dit was inderdaad een gruwelstuk, waar weinige misdaden meê gelijk gesteld konden worden in atrociteit. En dat hij even weinig de persoon van zijn Vorst en pupil eigendunklijk tot een huwlijk verbinden kon, behoeft zekerlijk ook niet eens aangemerkt te worden.

Op dat dit alles nu wel ter deeg vast mocht zijn, verbinden zich voor het onderhouden en achtervolgen van dit verdrag, Graaf Arnolf van Loon, Graaf Adolf van den Berg, Hertog Walram van Luxemburg, de Graaf van Oerepont, de Heeren van Valkenburg, van Diest, van Grimberg, Henrik van Voorne, Simon van Haarlem, Diederik van Teilingen, Jan van Persijn, Nicolaas van Borselen, Godfried van Kruiningen, Hendrik van der Lek, Arn. van Heemskerk (de Kastelein van Torenburg), Willem van Strijnen, Huig van Naaldwijk, en andere. En boven dien de Hertog Hendrik van Brabant zelf.

De Voogd blijft ook niet in gebreke manschap voor zich en zijn geplonderd weeskind aan Margrete te doen; terwijl hij zich boven dien wederom met een bijzonderen eed en bijzondere akte verbindt, dat hij zijn alleruiterste best zal doen, dat Floris V, tot meerderjarigheid gekomen zijnde, deze zijn schelmachtige verdragen bekrachtige; en dat hij zoo Floris reeds vroeg mocht komen te sterven en Holland aan hem kwame, hij dan van het Hollandsch of Oostelijk Zeeland de manschap op nieuw aan Vlaanderen doen zal.

[p. 164]

Dit dus met alle mooglijke zorg en behoedmiddelen in esse zijnde gebracht, was nog niets; want bij Rijks-vonnis van 1252 was Vlaanderen aan het Rijk vervallen verklaard, en het Rijk kende geenen, of geenen anderen Graaf van het Rijks-Zeeland dan Jan van Avennes. En dit Rijks-vonnis bestond nog. Men wendde zich derhalven tot Keizer Richard (die 13 Januarij 1257 Willem was opgevolgd); en deze, de beide partijen daar in ziende overeengekomen, beloofde gereedlijk dat hij 't vonnis te niet zou doen; zoo als hij dan ook vervolgens Margareet met Aalst, Waas, de vier Ambachten en Zeeland bewester-Schelde, verleidde1. - Het geen echter geschieden kon zonder zoodanige tenietdoening.

Floris de Voogd was nu Graaf van Zeeland geworden in plaats van zijn wettigen Vorst, wiens kindsheid aan zijne eerlijkheid toevertrouwd werd; en hij moest nu zijn huwlijk met Jonkvrouw Margrete van Vlaanderen voltrekken. Doch het kwam er niet toe. Het zij ten dien einde, of om daartoe eenige voorbereidsels te maken, (want zij kan toen naauwlijks meer dan 12 jaren oud geweest zijn) naar Brabant getrokken, het zij eenvoudig om zich wederom op een steekspel te vertoonen, (waarvan hij liefhebber was, melis stoke IV, 30), dat te Antwerpen gehouden werd, werd hij daar, bij een ongeluk, gekwetst en overleed aan de wonde op den 26sten Maart 1258.

De staat van een vierjarig kind eischte een anderen Voogd. Aleid, Koning Willems zuster, sedert

[p. 165]

omtrent een jaar weduwe, trok zich die hoedanigheid aan. Quo jure [met welk recht], zou moeilijk te raden zijn, nisi suo, id est, nullo1. Maar wie zou van eene zoo begunstigde Zuster des Vaders geen tederhartige zucht voor den nagelaten wees verwacht hebben? Zij voedde het kind op, ‘dede hem Walsch en Dietsch leeren,’ en matigde zich aan het Land te regeeren. - De Monniken vonden dit zeer wel, die zij rijkelijk begiftigde, en die niet verder zagen; maar dit konden de Edelen niet dulden, vooral daar zij hare bijzondere raadslieden zoo wel als haar bijzonder belang had. Zij zag welhaast, zich in de voogdij niet te kunnen staande houden, zonder anderen steun dan zich-zelve2, en even zoo eigendunkelijk als zij de voogdij aanvaard had, gaf zij er den Hertog van Brabant (haar vollen Neef) deel in3, die uit Zeeland, waar Aleid met het vorstelijk knaapjen verblijf hield (en waar zij een oud eigen op meende te hebben), twee Edelen in eed nam, om hem ten beste van Land en Graaf met hunnen raad, daad en ondersteu-

[p. 166]

ning1 te dienen. Deze Edelen waren Gerolf en Hendrik van Cats, Ridders. Men weet, dat deze Hertog van Brabant geen Agnaat was, maar door Machteld van Brabant (Floris Grootmoeder) aan hem verwant, en hem in den vijfden graad van bloedverwantschap bestaande.

Het ongenoegen verminderde hier wel eenigzins mede, maar als in 1260 deze Hertog van Brabant, die de zachtmoedige (Mansuetus) bijgenaamd was, overleed, nam het met dubbele krachten weêr toe; en Aleid nam eindelijk (vier jaren na dat zij ze aanvaardde) haar toevlucht tot Keizer Richard, van wien zij in 1262 de investituur van de voogdij verkreeg. Richard vertrok niet zeer lang daar na naar Engeland te rug en liet de zaken des Rijks drijven tot groot nadeel van 't Oppergezag.

De Hollandsche Edelen vervoegden zich toen tot Graaf Otto van Gelder, even zoo aan den jongen Floris vermaagschapt, als mede van Moeders zijde volle Neef van Koning Willem zijnde2. Deze kwam naar Dordrecht, en kondigde aldaar openlijk aan, dat hij des Lands bewind ten nutte van zijnen onmondigen bloedverwant op zich nam, en dadelijk viel men hem door geheel Holland toe.

[p. 167]

Aleid die niet te min etlijke Zeeuwen aan haar snoer had, verzettede zich met geweld tegen hem. Verscheiden gevechten vielen er tusschen wederzijdsche partijen voor; maar de Graaf van Gelder bracht het tot eene algemeene veldslag op Voornouts-ee bij Riemerswaal, waar hij meester bleef, en de hand lei op Aleids huwlijksgoed1.

 

Floris bereikte den ouderdom van zich-zelven en zijn Land te beheeren, en dit was het jaar 1266, wanneer hij in zijn 13de jaar trad. Want deze was de term der meerderjarigheid, die naar het Landrecht van de pubertas Juris Civilis Romani2 niet onderscheiden werd3. Zoo als wij dan ook verscheiden Charters, gedrukt en ongedrukt van Floris V vinden, in dat jaar 1266 als Grave van Holland gegeven, van welke het oudste van den 10den Julij is, en hij zich als toen ook, gelijk uit den inhoud blijkt, in Holland en buiten Zeeland bevond. Doch, dit nam niet weg, dat Aleid, die hem opgevoed had, en dien geest van vrouwelijke intrigue bezat, die men veelal verstand noemt, altijd eenen zeer aanmerklijken invloed op zijn geest behield, die hem allernadeeligst geworden is. 't Was door haar inge-

[p. 168]

ven, dat hij haren zoon Floris het bewind over Zeeland gaf, te samen, naar 't schijnt, met den Kastelein van Zeeland, Albrecht van Voorne en eenige Zeeuwsche Edelen en, na de onmin tusschen Ottoos partij en de hare bevredigd te hebben, op eene niet zeer bevredigende wijze, maar met verongelijking van die de partij tegen Aleid hadden gehouden, gaf hij haar van tijd tot tijd zoo veel deel in het gezag, dat het niet dan aan eene kinderlijke zwakheid voor een oude Gouvernante is toe te schrijven, en velen die verder zagen van hem verwijderde.

 

In 1268 ontstond er een geweldige opstand onder de Kennemerlanders, die eensklaps de sloten der Edelen aantasteden en vernielden en, wil men, de regeering (zoo als wagenaar opteekent) in handen der gemeente trachtten te stellen. Belachlijker kan er niets uitgedacht worden. - Wagenaar schijnt dit zelf te begrijpen, maar ‘vermoedelijk (zegt hij) is 't, dat zij 't met de Edelen, wegens de voogdijschap1, oneens zijn geworden.’ - Zekerlijk zeer vermoedelijk, dat men, om oorlog over de voogdij van een kind te maken, tot na het einde dier voogdij, en nog twee jaar daarna, stil zit, eer men de wapens daar over opvat. Dit is wel mostaart na de maaltijd. Maar wagenaar zag niet verder. - De zaak is deze:

Koning Willem had om de Friezen in bedwang te houden twee nieuwe sloten in Kennemerland doen stichten; Heemskerk, en Torenburg, en daar Kaste-

[p. 169]

leins ter bewaring in gezet. Koning Willem was weldadig, zachtmoedig, rechtvaardig, en wist zich te doen eerbiedigen. Geene onderdrukking derhalve vond er plaats onder zijne regeering; ja hij verlichtte de in- en opgezetenen van steden en platten lande, uit al zijn vermogen. Maar na zijnen dood, palmden de Edelen allengskens wat van die nieuwe voorrechten in, deden zich meer en meer gelden, handelden willekeuriger, en welhaast strekten de sloten, die tegen de Friezen gebouwd waren, om de Kennemers te onderdrukken. Onder Floris vervoogding leed men vrij geduldig, als 't gaat, in 't uitzicht op zijne meerderjarigheid: Maar toen deze daar was, en alles zoo bleef, en de aanhang van Aleid de partij die waarlijk Florisgezind was verdrukte, verloor men 't geduld, rotte samen, vervloekte de Edelen als tyrannen en onderdrukkers enz. en, zoo dra de eerste woeste hoop een der sloten overvallen en in brand gestoken had, was de opstand algemeen, en, geheel onvoorzien zijnde, bij gebrek van maatregelen, niet te stuiten.

De Edelen uit Kennemerland vloden naar Haarlem. De Kennemers stieten daar 't hoofd, wisten van geen steden te belegeren, maar trokken Amstelland in, en dwongen of overreedden Gijsbrecht van Amstel om zich aan hun hoofd te stellen en hen tegen de Hollandsche Edelen aan te voeren. Gijsbrecht die gelegenheid willende gebruiken om zijn eigen leed te wreeken, voerde hen naar Vreeland om daar het slot te belegeren; maar daar hij even weinig belegeraar als slagleveraar was, moest hij opbreken, en poogde toen Utrecht te verrassen. Daar vonden zij een soortgelijk ongenoegen als 't hunne, in gisting; en straks werden er Sche-

[p. 170]

penen in Vroedschappen afgezet, en de Gilden stelden orde op de regeering; en de hoop met Utrechtenaren versterkt vloog naar Eemland en Amersfoort, waar het even zoo ging; en daar de hoop als een sneeuwbal al rollende grooter en grooter wierd, geraakte Gijsbrecht in staat om zijne persoonlijke vijanden Gijsbrecht van Abkou, Willem van Rijzenburg, en Huibert van Vianen, met een onweêrstaanlijke overmacht aan te vallen, zich van hunne sloten meester te maken, en die te vernielen.

Zoodanig een onbesuisde hoop volks, door geen krijgsman dan een Gijsbrecht van Amstel bestuurd, moest weldra van zelfs verloopen. - Echter de nieuw verkoren Bisschop van Utrecht, Jan van Nassau, die niet raadzaam geächt had hun aankomst te Utrecht aftewachten, was naar Graaf Otto III van Gelderland geweken, wien hij om hulp bad. Doch eer daar een genoegzame manschap vergaderd was, werd Gijsbert te rade, die niet af te wachten en beduidde hen, dat zij ter inzameling van den oogst naar huis dienden te keeren: zij begrepen dat dit raadzaam was, gingen uit één; maar daar zij Haarlem voorbij moesten, kwam de lust hun aan, om die stad ook nog in te nemen. Terwijl zij daar vóór lagen, en de wallen wakker verdedigd werden, deed Jan van Persijn bij nacht eenen uitval, en nam eenige wagens van hun, waar meê hij vliegender-vlucht, naar Kennemerland reed, en den brand in verscheiden hunner dorpen stak. Het opgaan van de vlam op een aantal plaatsen teffens ontzettede hen; zij verlieten de stad met achterlating van al hun bagaadje om te gaan blusschen,

[p. 171]

en werden op dezen ordenloozen aftocht deerlijk mishandeld.

Het leger van Graaf Otto trok met den Bisschop nu naar Utrecht, maar werd daar afgewezen, schoon hij Amersfoort weêr bemachtigde, en hij moest zijn verblijf in Deventer nemen. Eerst na twee jaren bekwam hij Utrecht weêr. Maar niet vertrouwende op de Utrechtschen, begreep hij, die niet met al krijgsman was, Gijsbrecht (wien hij voor zeer ontzachlijk hield), zich te vriend te moeten maken, en stelde hem het slot van Vreeland voor eene somme gelds in handen, en even zoo dat van Montfoort aan Herman van Woerden: het geen hem de Stichtenaars nog meerder tot vijanden deed worden.

 

Deze opstand had uitgeraasd, en alles hernam zijnen plooi in dien hoek, zonder dat er eenige bijzondere schikkingen door Floris gemaakt behoefden te worden. Maar hem lag eene andere zaak op het hart, die hem tot de wapenen dwong. Tot den ouderdom gekomen van de wapenen te voeren, kon en mocht hij niet nalaten wraak van de dood zijns Vaders te nemen, zonder zich de oneer en verachting van al wat Ridderlijk dacht en gevoelde, op den hals te laden; en hij moest dit als zijn eersten en heiligsten plicht aanmerken. Hij trok dan een aanmerklijke legermacht bijéén, en begaf zich daar mede naar Alkmaar, om over Ouddorp langs het gebroken land in West-Friesland te dringen, waar toe hij van dijkers en dijkstoffen voorzien was, die onder bedekking van schutters en lansknechten, den onvasten grond beterden,

[p. 172]

om voor 't ligchaam des legers toeganklijk te zijn. Dezen werden door de Friezen overvallen, en daar het geheele heir op 't gerucht ordenloos toevloog, werd ook dit op de vlucht geslagen en door Alkmaar heen tot aan Heilo gedreven, waar men, den vasten zandgrond onder de voeten hebbende, stand hield, en de Vriezen met groot verlies te rug sloeg en eene volkomen neêrlaag gaf. Men verloor echter 500 man, en de geheele krijgstocht was mislukt. Dit nadeel werd behaald op den 20sten Augustus 1272. En de Friesche oorlog duurde eenige jaren voort (tot 1282), met verschillende voor- en nadeelen ter wederzijde; waaruit men mag opmaken dat de jonge Graaf zijne bevelhebbers niet wel wist te kiezen. De Kenmers toonden zich bij dat alles getrouwe aanhangers en verdedigers van hun Vorst.

 

Floris deed eindelijk de oogen open, en leerde de doortrapte Aleid kennen, door wie zijne beste vrienden van hem vervreemd werden: doch het duurde nog eenige jaren, eer hij, als wij zien zullen, zijne toegenegenheid geheel van haar aftrok, en haar en haar kinderen uit Holland en Zeeland vertrekken deed, het geen hem de Monniken natuurlijker wijze zeer kwalijk afnemen.

 

De beroeringen in het Sticht van Utrecht en het algemeen ongenoegen over het gedrag des Bisschops bij aanhoudenheid voortdurende, en steeds in een hoger maat toenemende, werd Floris in 1274 door de Wethouderschap van die stad zoo wel als door etlijke Edelen van het Bisdom, aangezocht om in een

[p. 173]

bijzonder verbond met hun te treden; het geen hij, ter zake van de vrijheid 's lands van Holland, oordeelde niet te mogen afwijzen. Het kwam derhalve werklijk tot stand, en was ook van duur, vier jaren daarna op nieuw bevestigd wordende. Hij beloofde van zijne zijde bescherming en handhaving tegen wezendlijke verongelijkingen; terwijl die van Utrecht zich aan den Grave verbonden, de stad t'allen tijde voor hem en zijne nakomelingen open te houden, en in de verkiezingen van Bisschoppen zich altijd bij hem te voegen. Welke gevolgen uit dit verdrag sedert gesproten zijn zullen wij naderhand zien.

 

De veelvuldigheid der gebeurtenissen in Floris rereering, en de verscheidenheid van die gebeurtenissen, welke veelal van een geruimen duur waren eer zij afliepen, waardoor zij deels gelijktijdig, deels door elkander inloopende waren, is oorzaak, dat de Chronologie van Floris leven, zoo als men die uit de Schrijvers kan opmaken, overal waar geen schriftlijke acten van zijn, in geweldige wanorde is. - Inzonderheid is er één punt, waarvan zeer veel afhangt, en dat, sedert dat men de tegenstrijdigheid of onvereenbaarheid van den tijd waarin het gesteld wordt, met den loop der zaken leerde inzien, een voorwerp van geschil heeft moeten worden, waar meê wij verplicht zijn ons bezig te houden. Het is Floris huwlijk met Beatrix, waaruit hij twee kinderan verwekt heeft, Jan, zijnen opvolger en Margareet, die zeer jong gestorven is.

[p. 174]

Wij hebben gezien, dat bij het verdrag van den Voogd Floris bedongen was, dat, zoo hij kînderloos sterven mocht, zijn pupil, onze Floris V, eene dochter van Graaf Gui van Vlaanderen trouwen zou, ten huwlijksgift van wie Zeeland door hem in leen van Vlaanderen zou worden behouden. De dood van dien Voogd op het Antwerpsche tornooy was het behoud van Zeeland voor Floris, maar bracht hem naar luid des verdrags, in de termen van verplichting tot het bedongen huwelijk.

Dit huwlijk heeft ook wezendlijk plaats gehad, en Jonkvrouw Beatrix is de dochter van Wijt van Vlaanderen, in wie dit beding vervuld is geworden. Maar wanneer dit geschied moge zijn, is de vraag.

Melis stoke (die zoo dra hij de oude Egmonder Kronijk verliest dezelfde Schrijver niet meer is, en zeer dikwijls verkeerd, en nog meermalen verward of verwarrend schrijft, en telkens met interpolatiën vermengd is, die een knoeier van later tijd kenteekenen,) melis stoke schijnt deze Echtvoltrekking terstond na den uitgang van Graaf Otto van Gelders voogdij, (of misschien wel, nog onder deze voogdij, waaraan men in later tijd een veel langer duur gaf) te stellen (IV, 145). En dit wederlegt zich-zelven. - Op dien grond is het dat wagenaar, op het voorbeeld van anderen, die voltrekking in 1269 of 1270 stelt, wanneer de jonge Graaf 16 jaar oud geweest is. - Maar behalven dat een jongeling zoo vroeg geen huwlijk aanging, 't blijkt van elders, dat hij toen deze Beatrix niet getrouwd heeft; en het is ook tegen allen schijn van waarheid aan, dat (Jan I in 1281 geboren zijnde en Margareet weinig ouder

[p. 175]

zijnde dan haar broeder) dit huwelijk 10 jaren lang onvruchtbaar geweest zoude zijn1. - Kluit beweert, dat Beatrix op den 31sten Mey 1283 nog niet getrouwd was, en het huwelijk eerst in dat jaar voltrokken werd, na dat Guid eene aanzienlijke medegave voor haar bestemde, te weten 10,000 Pd. Vlaamsch, ingevalle hij mocht komen te sterven voor zijn dochter betris2.

Dit bewijs schijnt zeer duidelijk en afdoende. Echter noemt Floris hem reeds den 15den Mey bevorens zijnen Schoonvader. Dit kan bij anticipatie zijn, op een tijd dat hij gereed stond of besloten had haar te trouwen; maar zoo moet dan Jan de I, en zijn oudere zuster Margrete ook bij anticipatie twee en drie jaren voor 't huwelijk geboren zijn, en hier is geen schijn ter wareld voor. Aan den tijd van dit laatste stuk twijfelt kluit, maar niet van het eerstgemelde3.

Echter is er eenige schijn, dat Floris in 1282 nog geen zoon had (kluit ib. et p. 862). Maar dit is ook slechts een schijn, die licht op te lossen is, en Margareet blijft ons altijd in den weg staan. Dat Jan eerst in 1284 of 't begin van 1285 geboren zou zijn als hij gist (p. 872) is eene mogelijkheid, die ik daar laat: maar het is vrij waarschijnlijk, dat Margareet reeds eenige jaren had eer Jan ter wareld kwam (ib. p. 862, 863, No. 4).

[p. 176]

Hoe 't zij, vrij wat is er omgegaan eer Floris tot dit huwlijk overging. Groote geschillen zijn er vooraf tusschen hem en Graaf Wijt van Vlaanderen gevoerd, en de Graaf van Holland trok hevig de partij van zijn Neef Avennes tegen hem, verbond zich met dezen, en toonde zich zeer tegen-Vlaamschgezind. Wij moeten dit stuk weder in zijn verband beschouwen, schoon kortlijk.

Margreet (de Zwarte) had in de Rijkslanden tot aan haar dood, het bewind gevoerd, en Wijt volgde in 1280 haar in Vlaanderen; Avennes de oudste zoon van Aleid, in Henegouwen. Wijt verzuimde Zeeland, Waas enz. van 't Rijk te verheffen, en Keizer Rudolf verklaarde deze Landen vervallen en gaf ze aan Avennes1; te gelijker tijd (namelijk in 1281) het vonnis van Koning Willem in 1252 en de uitgift toen aan Avennes vader gedaan bekrachtigende, dat door Richard te niet gedaan was. Hij gelast den Bisschop van Kamerijk en den Graaf van Luxemburg Avennes in het bezit te stellen. Dit ging niet gemakkelijk: op klachten over wederstand, een nieuw Proces tegen Wijt, waar van de uitslag is dat hij 17 Junij 1282 in de acht of Rijksban gedaan wordt.

Intusschen zijn er gelijke bevelen aan den Officialis van Utrecht en den Graaf van Holland afgegaan tegen Wijt. Rudolf schrijft inzonderheid Floris V aan, dat hij op de trouw die hij 't Rijk verschuldigd is, Avennes in 't bezit van Zeeland zal hebben te stellen, en te handhaven, als daarvan onmiddelijk Leenman des Rijks zijnde. De aanschrijving ge-

[p. 177]

schiedde den 19den December 1282: maar Floris had reeds den 31sten Augustus van dat jaar zich tot bescherming en voorstand van zijn Neef Avennes verbonden tegen al en een iegelijk, Graaf Wijt zelfs niet uitgezonderd - (met wien hij te voren in 1278 een verdrag van onderlinge bescherming had aangegaan, onder exceptie van die genen aan wien hij uit hoofde van Leenverband gehouden was). In 1283 echter (den 15den May) belooft hij zijnen schoonvader Wijt uit al zijn macht tegen Avennes bij te staan, en niet te dulden dat iemand Avennes onderstand doe.

Men ziet hier uit, dat er niet alleen, toen geen geschil over Zeeland tusschen Holland en Vlaanderen was, maar tusschen Henegouwen en Vlaanderen: maar ook, dat in dien tusschentijd iets voorgevallen moet zijn, waar door Floris van zijne aanhangelijkheid aan Avennes te rug gekomen, en op de zijde van Vlaanderen getrokken is; en daar Wijt in dit stuk Floris schoonvader genoemd wordt, heeft kluit vrij wat grond, om het meergedachte huwlijk, of ten minste de overeenkomst van Floris met Wijt en de aanstalte daar toe, in dien tijd, maar geen grond om het later te stellen.

Wij zullen dit verhaal van die twist tusschen Avennes en Wijt laten rusten tot de loop der zaken ons gelegenheid aanbiedt om het weêrop te vatten. Maar alleen trek ik uit alles dit gevolg.

1o. Dat Floris, tot jaren van onderscheid gekomen, niet gezind was om 't huwelijk door zijn Voogd bedongen, te voltrekken; en dat behalven zijne persoonlijke affectie (waar van straks), de invloed van

[p. 178]

Aleid, van eenen brandenden haat tegen haars mans halve broeders doordrongen, en die zichtbaar zich in Zeeland trachtte te vestigen en daar haren aanhang had, hem daar in 't geheel niet toe aandreef, maar veeleer afkeerig van maakte.

2o. Dat men zelfs aan dien kant op de Erfvolging in Holland het oog reeds hield, en zeer hatelijke stappen deed om zich daar van te verzekeren, het geen noodwendig meêbracht, dat men dit huwelijk moest trachten te keeren.

3o. Dat in 1277 Floris uit Brabant te rug komende, hij eerst door zijn neef Hertog Henrik de karakters en toeleg van Aleid en haar kinderen leerde kennen, zoo wel als zijn waarachtig belang; waar uit dan ook sproot, dat hij bij zijn terugkomst van daar, Aleid en haar stoet deed vertrekken; in 't volgend jaar een verbond met Graaf Wijt maakte, en zekerlijk toen ook het punt van het huwlijk ratificeerde, na waarschijnlijk Beatrix gezien, en wellicht uit meer dochters van Wijt zijne keuze op haar bepaald te hebben. En dat hij ook in dien tijd (1278 of 1279) het huwlijk met haar werklijk voltrokken moet hebben; onverminderd den brief van 31 Mey 1283, welke soodanig allen samenhang en alle berekening overhoop werpt, dat zij noodwendig voor bedorven gehouden moet worden en van veel vroeger tijd zijn, of wel eene andere Betris aangaan; welk laatste zeer mogelijk is, daar Graaf Wijt tweemaal getrouwd is geweest, eerst met Machteld van Betune, en daar na met Izabella van Namen; uit welke twee vrouwen hij vele kinderen verwekt heeft. Nu is deze Betris hij de acte in

[p. 179]

quaestic vermeld als uit Isabella de tweede gemalin geboren; terwijl er onder de negen kinderen uit zijne eerste gemalin eene Beatrix vermeld wordt bij pont. huiterus in Genealogiis Libr. VI Rer. Burgund. welke zekerlijk aan Floris verbonden is; zoo dat deze geheele bruidsgift van 10,000 Pd. Floris niet aangaat.

Graaf Wijt was in 1224 geboren, want hij stierf tachtig jaar oud in 1304. Niet lang was hij Graaf met zijn moeder geweest die in 1279 stierf. Hij had echter kinderen en waarschijnlijk dochters, toen Floris de Voogd het verdrag maakte, en Margareet had toen (1256) negen jaren of daar omtrent1. Beatrix is veel jonger, en twee kinderen zijn er tusschen haar en Margareet, naar het schijnt; zij kan dus verscheiden jaren jonger zijn geweest, en in 1277 een goede 20 jaren gehad hebben. Maar, zoo Margareet in 1256, 9 jaar oud was, en haar moeder nog vier kinderen na haar had, zou een dochter van Izabella in 1267 te jong geweest zijn voor Floris, zoo zij al de oudste uit Izabella was, het geen niet blijkt en niet te vermoeden is, daar deze gemalin buiten haar nog zeven kinderen gehad heeft, waar van blijkt. Het is niet te vermoeden, want die waarschijnlijkheid is niet grooter dan 1: 8; en Wijt zou haar dan wel zijn oudste dochter uit dat huwlijk genoemd hebben, en niet: ‘ka nous avons de notre chiere compaigne Ysabel, Contesse de Namur’2.

Doch wij willen 't nader bewijzen. De eerste gemalin van Graaf Wijt, Machteld van Betune, over-

[p. 180]

leed terwijl hij in Africa was, met Koning Lodewijk de Heilige, die daar stierf in Augustus 12701. Hij moest dus in dien tijd eerst 't huis komen eer hij Izabella trouwde, en daar liep waarschijnlijk een jaar meê heen. Haar eerste kind kon dus niet wel geboren worden voor 1272. Laat het iets minder geweest zijn, dat kan volstrekt niet veel meerder wezen. Stel nu deze Betris, in het Charter van kluit vermeld, het eerste kind van Izabella geweest te zijn (dat zij zeker niet was) zoo was zij in 1283 oud 11 jaren: en (als wij aanmerkten) op die 11 jaren had zij eerst een dochter, en daar na een zoon; en zij zou volstrekt 9 jaar oud zijnde hebben moeten trouwen. En zoo 't waar is dat Jan in 1281 geboren is (en wat strijdt er tegen?) zoo moet die dochter in 1280 gesteld worden, en haar trouwen dus in 1279 (zoo wij ook Floris huwlijk plaatsen): maar dan was zij bij haar huwlijk 7 jaar, waar ik, om de maat vol te meten, nog een half jaar op toegeven wil. Gelooft nu iemand dat Floris een vrouwtjen van achthalf jaar trouwde en aanstonds bezwangerde; Ik mag het lijden. Maar gelooft hij het niet, zoo is het uitgemaakt dat die ongetrouwde Betris uit Ysabel onze Gravinne Beatrix de gemalin van Floris niet was, en hare doteering Floris huwelijk niet aangaat.

De aanschrijving van Keizer Rudolfus in 1282 strijdt daar niet tegen, dewijl, Floris in 't bezit van 't Leen zijnde als onderleenman, de tusschenleenman zonder hem niet ingedrongen kon worden, en zelfs

[p. 181]

is 't opmerklijk, dat in deze aanschrijving Floris bevolen wordt Avennes in 't bezit te stellen cessante conditione (of consideratione, zoo men zekerlijk lezen moet) qualibet1; als of er ondersteld wierd, dat er bij Floris zulke consideration zekerlijk bestaan moesten.

Maar zoo deze aanschrijving meer bevestigt dan tegenstreeft, in de plaatsing van 't huwlijk omtrent dezen tijd; het verbond met Avennes in 1282 schijnt dit gevoelen tegen te zijn, en zoo ook het adres van Floris in 1287 aan den Keizer gemaakt, om verklaring dat zijn Voogd zijne conditie niet had kunnen deterioreren; die hij dan ook verkreeg. - Het schijnt in den eersten opslag wel zoo; maar bij nader inzien is ook dit niet tegen maar vóór. - Floris had tot nog geen manschap aan Gui gedaan; en was in 't bezit gebleven uit hoofde van het verdrag, en de verwachting dat hij een dochter van Wijt ten huwlijk zou nemen; en dit verdrag was voor Vlaanderen zoo voordeelig, dat men hem niet wilde indisponeeren door onheusche aandrangen. Maar dit huwlijk nu voltrokken zijnde, wilde hij (Graaf van Vlaanderen) het bedoelde effect daar van hebben, en de manschap gepraesteerd zien. Hier kon Floris niet tegen hebben, ten aanzien van Zeeland bewester-Schelde, ten opzichte van 't welk hij nu van beter staat geworden was dan zijn vade̅r en grootvader enz. - Maar ten aanzien van het Oostelijk Zeeland (zijn eigen goed en waar Vlaanderen nooit de minste aanspraak op had gemaakt of bij moge-

[p. 182]

lijkheid had kunnen maken!) dit stiet hem tegen de borst, en na de vriendlijke houding die men van die zijde jegens hem in acht genomen had, verwachtte hij zekerlijk niet, dat men daar op staan zou, of hem dit willen afdringen. Dit geschiedde echter, en verontwaardigd door 't gevoel van dit onrecht, verbond hij zich met Avennes, niet met eenig ander inzicht, maar om dit Zeeland te handhaven. En even zoo was het naderhand in 1287, dat hij de verklaring des Keizers vroeg, die Zeeland bewesten volstrekt niet raakte (dit heeft kluit ook zeer wel gezien) maar dit Oostelijk Zeeland. En dus kon hij dit vragen, terwijl hij voor het overige zich aan het verdrag van zijn Voogd hield1. Echter was de vraag algemeener gesteld, zoo dat zij op Zeeland bewester-Schelde (des noods) ook toepasselijk gemaakt worden kon, maar ten dezen aanzien was zij zoo zeer tegen Avennes als tegen Wijt gericht. Echter werd toen (als noodwendig volgen moest) al wat er over Zeeland ooit getwist was geworden, weêr opgehaald; en van daar een aantal verklaringen en geschriften, bij kluit in zijn Codex Diplomaticus te vinden; en al meer en meer omhalende, werd Floris zoo wel als de Keizer steeds meer overtuigd, dat oorspronklijk het rijksleen van Zeeland aan Holland

[p. 183]

behoord had, en niet dan injuriâ aan de Vlamingen uitgegeven was, waarvan in ons algemeen overzicht ten aanzien van Zeeland reeds gesproken is, en nader gehandeld zal worden, als wij tot den oorlog met Wijt gevoerd, gekomen zullen zijn. - Het gevaar naamlijk van de zijde van Avennes was voorbij, en Wijt ondertusschen tegen zijn verzuim van 't verlei door Rudolf in 1288 hersteld en dus in zijn recht gebleven en tegen Avennes bevestigd1.

 

Dus de tijdorde van een zoo voornaam punt als Floris huwlijk met Beatrix van Vlaanderen is, gevestigd hebbende, zullen wij den draad der geschiedenis hervatten. - Wij zagen in 1274 onzen Graaf een verbond met Utrecht sluiten, dat sedert gevolgen had; maar wij moeten verder te rug gaan, om 't behoorlijke licht over zijne geschiedenis te verspreiden, en hem tot zijn Vlaamsche Echtverbintenis in 1278 of 1279 te geleiden.

Wij hebben den tegenzin dien Floris had opgevat tegen dit huwelijk, en die door Aleid opgewekt of versterkt werd, gezien. Floris had ondertusschen een gevoelig hart en dit werkte mede. Men heeft hem in later tijd vele minnarijen te laste gelegd, waar van sommigen volstrekt valsch en andere onzeker zijn, maar ééne geschicht-waarheid staat vast, dat de heldhaftige Witte van Haemstede, die naderhand de verlosser van Holland uit de overheersching der Vlamingen werd, hem het leven te danken had. Men maakt er (de eene gissing, als 't

[p. 184]

gaat, op de andere bouwende) een bastaard van, dien hij bij een dochter van den Heer van Heusden in onecht geteeld zoude hebben; gevolgen van verwarde begrippen uit een half en gedeeltelijk inzicht van eene waarheid gesproten, maar die, en zoo als zij daar ὑςεϱον πϱωτεϱον [achterste voor] neêrgesmeten, en vooral zoo als zij kunstig opgeschikt, onkundig opgevat en verbruikt worden, t'eenenmaal valsch zijn. - Witte van Haemstede is Floris Zoon, en geen bastaard, maar voor zijn huwlijk met Beatrix verwekt; en dit is, wanneer men den tijd van dit huwlijk wel bepaald heeft, ontwijfelbaar. Maar het geen in den eersten opslag, na zoo veel historische auctoriteiten, die hem voor een der doorluchtige bastaarden houden, wier roem over de wareld geklonken heeft, (en waar op men al mede de belachlijke assertie gegrond heeft, dat de bastaards zich door verhevener hoedanigheden dan de kinderen uit een heilig huwlijksbed geteeld onderscheiden; - zeer geliefkoosde stelling in Duitschland, wanneer ik in mijne omwandeling was!) minder aannemelijk schijnt, is dat hij inderdaad uit een huwlijk van Floris geboren is. En bij deze paradox moet ik nog een derde voegen: dat hij naamlijk wel een dochter uit het Huis van Heusden, maar geene dochter van Heusden of die dezen naam voerde, tot moeder had.

Dat Witte van Haemstede geen bastaard, en geen jonger zoon is, blijkt dadelijk uit het wapen, dat hij gevoerd heeft. Hij voerde nooit het filet, waarvan zich geen bastaard ontslaan kan; nooit het lambel of eenige der teekens waardoor de later geborenen zich onderscheiden moeten. - Hij voert den Holland-

[p. 185]

schen Leeuw op het Hollandsche wapenschild, maar met een rad op de borst; en dit is zeker eene brisure, welke in een Vorstelijk geslacht den geenen onderscheidt, die tot de opvolging niet gerechtigd is, maar daarom niet juist van later geboorte.

Maar welk rad voerde hij op de Leeuwenborst: van Heusden, zegt men. - Het is zoo niet. Hij voerde dit rad niet van keel, maar van zilver; en in zekeren zin kan men 't het rad van Heusden noemen, om dat bijna alle de takken uit het huis van Heusden gesproten, het Heusdensch rad gevoerd en behouden hebben, hun wapen alleenlijk door de verandering der kleuren en metalen brekende. Zoo heeft Spierinc, zoo Hedikhuyzen, zoo Heesbeen het rad gouden gevoerd; de eerste op sabel, de andere op lazuur, de derde op keel. Zoo van der Sluis, Drongelen, en Kraaienstein 't rad zilveren, op keel, op lazuur, en (let wel!) zilver, en Wijk eindelijk, miparti sabel en goud met twee raderen, welke takken, allen nevens Heeswijk en van Veen (doch die elk een ander wapen bekomen hebben), uit dit geslacht successivelijk door jonger zonen zijn uitgegaan, van 1168 tot 1303. -

Maar zoo wij nu vragen welk dezer raderen Haamstede op de borst van den Hollandschen Leeuw voert, is de zaak spoedig uitgemaakt. Het is naamlijk het zilveren rad van van der Sluis, en geen ander, dat hem tot brisure dient; of het rad van Heusden maar gebroken, zoo als het van der Sluis kenteekende.

Haamstedes moeder was derhalve wel (als wij zeiden) eene dochter uit het stamhuis van Heusden; maar van den tak van van der Sluis.

[p. 186]

Dat er tusschen Floris en Haamstedes moeder een huwlijk aangegaan geweest moet zijn, is reeds door den Heer van spaan opgemerkt [z. de Opheld.], schoon men niet aanwijzen konne, waarom dit huwlijk geen wettig uitwerksel gehad hebbe. Die reden echter is niet verborgen, maar zij moet ieder in 't oog stralen, zoo dra men haar oppert. Wij zullen ze zoo daadlijk zien uitschitteren; maar moeten eerst deze betrekkingen een weinig uit een zetten.

Jan IV van Heusden was een jonger zoon, en kwam eerst na zijn broeder Willem aan de Heerlijkheid; naamlijk in 1153, dat is, 18 jaar na zijns vaders dood, die in 1135 was voorgevallen. Hij was toen reeds bejaard en overleed in 1192; zoo dat bij 57 jaar na zijns vaders afsterven geleefd heeft, weinig onder of over de 70 jaar oud zijnde, en zag kinderen, kinds- en achter-kinds-kinderen. Bij zijn dood had dus zijn zoon Robert V kinderen en kindskinderen, en leefde ook na hem slechts 10 jaren, te weten tot 1202.

Roberts zoon, Jan V, die bij zijns Grootvaders leven reeds kinderen had, stierf na 33 jaar regeerens in 1235. En zijn zoon Jan VI regeerde 34 jaar en stierf 1279, en men wil dat hij oud geworden is.

Deze verwekte zijnen opvolger Jan VII, en een jonger zoon, Aarnout, die de stamvader der van der Sluizen is.

Jan VII van Heusden is de gene die zijn land (als wij naderhand zien zullen) aan Floris V heeft opgedragen. En

Aarnout, Heer van der Sluis, liet zes dochters na,

[p. 187]

die in het [in de Opheld.] gemeld Instrument voorkomen.

Deze dochters zijn

1.Joanna, die aldaar met haren verkoren Voogd vertijing doet;
2.Jutte, die aan een Heer van Keppel gehuwd is geweest;
3.Elizabeth, gehuwd aan een Heer van Weerdenburch;
4.Beatrix, aan het Huis van van der Dussen;
5.Agnes, die daar Vrouwe van Haemstede genoemd wordt; en
6.Jonkvrouwe arnolda, eene ongehuwde.

Deze agnes was het, die Floris hart veroverde, en, jong, Vorst, en vurig zijnde, en zich door geen banden van een bezwarend verdrag door een ongetrouwen voogd willende laten kluisteren, trouwde hij haar, en teelde hij haar den roemruchtig geworden Witte, die zijn vaderlijk wapen, Holland, met het rad van van der Sluis gebroken heeft; en door zijnen broeder Graaf Jan den I van Holland in 1299 met de heerlijkheid van Haamstede begiftigd is geworden, waar van hij den naam voert. Van 't welk de giftbrief bij scriverius, in zijne Graven van Holland (4o) pag. 256, col. 1, bij uittreksel gedacht wordt. De Graaf noemt hem daarin, Wite, zijnen lieven broeder.

Het schijnt dat deze Witte niet veel vroeger dan in 1278 (misschien 1276) geboren is, en ten tijde der verlossing van Holland in 1304 een jongman van tusschen de 26 en 28 jaren geweest zij.

(Doch hoe is deze Agnes van der Sluis, moeder

[p. 188]

van Witte van Haamstede, door deze gift, Vrouwe van Haamstede geworden, gelijk zij in den vertijingbrief van 1310 voorkomt? - Niet door de gift, aan haren zoon in 1299 gedaan. Dit is klaar. Maar zij was het te voren. - Namelijk:

De Heerlijkheid van Haamstede was aan Floris niet lang voor zijn dood vervallen door de dood van zekeren Jan van Haamstede, een aanzienlijk Edelman, als uit den giftbrief van Jan blijkbaar is (1299). En het is deze Jan van Haamstede met wien zij, na Floris huwelijk met Beatrix, verbonden is geworden, en wiens naam en tytel zij derhalve gevoerd en behouden heeft, schoon het goed aan den Leenheer verviel, en vervolgens aan haar zoon geschonken werd).

Maar het verdrag van 1256 was onder den Paussclijken ban aangegaan. Hoe zeer de sponsalia [trouwbeloften] een kind beneden de 7 jaren oud, niet verbinden kunnen e. 13 x de despons. impuberum; hoe zeer zelfs verbindende sponsalia de futuro [trouwbeloften op tijd] voor sponsalia de praesenti [huwlijksvoltrekking] wijken c. ix de sponsa duor. Hier was 't Pausselijk gezag in gemengd. Het Pausselijk gezag verbond Floris vi summae in rebus matrimonialibus potestatis [uit kracht van het oppergezag in alle huwlijkszaken] van dezen hoogsten Imperans, die extra controversiam, hac parte [buiten tegenspraak, in dit opzicht], over alle Vorsten, Keizers, en Koningen ging, om een dochter van Guy te trouwen; hier was geen ontwijken aan; en geen huwelijk tegen dit gezag aandruischende, kon wettig zijn of wettige effecten voortbrengen. En zoo derhalve was dit huwlijk. Ipso facto was door

[p. 189]

't contraheeren daarvan als huwlijk, Floris in den Pauselijken ban verbannen en dus....? - men moest het wel, toen men dit leerde inzien, geheim houden, dat is, verbergen, dat het een huwlijk was; en de Priesterlijke inzegening, die anders allerkrachtigst is en alle nulliteiten wegneemt, vermocht hier, - waar niets in den weg was, dan een belofte door een Voogd onbevoegdelijk en trouwlooslijk voor een kind in de wieg gedaan, en die naar geen wet of recht verbindende zijn kon, - niets in het allerminste, omdat het gezag van den H. Vader boven alle Sacrament verheven is, en het geen tegen dat gezag geschiedt niets is. Gelukkig evenwel dat het ondanks dat gezag, physique effecten had; want anders ware Holland een Wingewest der Vlamingen geweest en gebleven!

Aleid, die zoo veel ervarenis had, zag misschien dit wel in; maar wat kwaad, zoo Floris nooit een dochter van Guy trouwde, en een huwelijk aanging, waar uit, om de aangevoerde reden, geen opvolger worden kon? wat kwaad zelfs, zoo Floris zich daar door den uitdrukkelijken kerkban op den hals laadde? Des te beter voor haar en haar kinderen, die op de sucessie van den jeugdigen Floris vlamden!

Maar misschien echter zag zij werklijk met al haar ervarendheid dit zoo niet in; en was zij (hoe slim anders) nu de eenvoudigheid zelve, die nergens erg in had. Het zij zoo! ik gun haar die onnozelheid! doch haar kinderen zagen 't ten minste in: want dit huwlijk voltrokken zijnde, vroeg haar lieve zoon, Jan van Henegouwen, om in den voorbaat te zijn, in 1276 den Keizer 't verlei van Holland na

[p. 190]

Floris dood, als verzekerd dat hij nu geen opvolger hebben kon1. 't Spreekt van zelf, blootelijk in het geval, dat Floris (nu twee en twintig jaar oud zijnde) zonder Erfgenamen mocht komen te overlijden. 't Zelfde vroeg ook de Graaf Herman van Hennenberg, (Floris Oom of Neef) voor zich, zijne gemalin, en zijn zoon Boppo. - Wonderlijk zou dit voorkomen (en het is zonder voorbeeld in de Historie) dat drie lieden zoo veel moeite en kosten doen, om het uitzicht op de Erfenis van iemand te erlangen, die twee en twintig jaar oud, van een bloeiende gezondheid, en boven dien verloofd is aan eene der dochters, onbepaald, van iemand die er verscheiden heeft uittetrouwen: - en nog meer, als men hem (met de meeste) reeds getrouwd stelt: - wonderlijk (zeg ik) indien dit huwelijk ons de sleutel niet gaf. Keizer Rudolf liet hen de leges betalen, en beloofde of vergunde Holland aan den een en den ander met hunne geheele familie, periculo petentis [tot bate of schade des vragers], zoo als men nog doen zou, en - bij voorkomende gelegenheid, doet2.

Dit vierdubbel en wederstrevig verlei was in het

[p. 191]

oog van Jan van Henegouwen van zoo veel gewicht, dat hij welhaast, na de dood van de Gravin van Hennenberg, van haar Gemaal en Weduwnaar 't recht afkocht, dat hem en zijne kinderen daar uit ontstaan was of ontstaan mocht. Hij was dus wel heet op Floris erfvolging. En de l. ult. C. de pactis was niet in practijk. [Zie de Ophelder.]

Het zij dat deze woelingen en bemoeiingen van de betrekkingen zijner Moei tot hem kwamen, of niet; hij vernam welhaast in welk een bedenklijken toestand hij zich gebracht vond. - Hij dacht ernstig, om den oorlog tegen de Friezen met kracht door te zetten; en, wakker en eerzuchtig als zijnen adel, stand, en afkomst voegde, wenschte de eer van Ridder te zijn1. Hij begaf zich naar zijnen Neef den Hertog van Brabant, een der beroemdste mannen van zijn tijd in den wapenhandel, en een oprecht welmeenend man, te braaf om achterdochtig te zijn; en werd ter gelegenheid van een steekspel te 's Hertogenbossche na drie-Konings-dag van het jaar 1277 aldaar Ridder geslagen; waarna hij te rug keerde, en een tijd lang aan zulke verlustigingen toewijdde.

Doch het kon niet missen, of deze rechtschapen Ridder moest hem de verkeerdheid en 't gevaarlijke van zijn gedrag in het niet vervullen van het Vlaamsche verdrag, en het onbestaanbare van zijn huwelijk daar tegen strijdig, onder 't oog brengen. Niets was den Ridder toen heiliger, dan zijn eed van getrouwheid aan woord en bond, en vooral aan de kerk. Het gold hier een verdrag, voor welks

[p. 192]

achtervolging zijne nabestaanden zich verbonden hadden, dat van de zijde dier nabestaanden in den staat waarin zijne zaken zich toen bevonden, voor hem niet onvoordeelig gerekend, ja als 't eenig reddingmiddel tot zijn behoud gerekend was, en door 's Pausen gezag bekrachtigd onverbreeklijk te houden was. Dat dit de strenge denkwijze eens Ridders was, en met den Ridderlijken eed overeenstemde, behoefde weinig betoog; en de ontzettende plechtigheid van het Ridderworden kon niet wel ondergaan worden van iemand die niet voornam, alle verbond hoe hard ook, alle woord dat ter goeder trouw voor hem gegeven was, en vooral alle plicht door den H. Vader hem opgelegd, tot wat koste ook, te vervullen. - Hier behoefde niet eens bij te komen het gedrag van zijne bloedverwanten, die hem beschouwende, als zij deden, bij zijn leven reeds, zich zijn erf betwisteden; het geen hem in den hoogsten graad verontwaardigen moest. - De uitlegging van den Ridderplicht alleen en op zich zelve, gelijk zij in dien tijd geschiedde, kon niet nalaten dat beslissend uitwerksel op Floris gemoed te hebben (die te verr' gegaan was om te rug te keeren en van de Ridderëer af te zien) dat hij zich aan 't verdrag onderwierp. Hij kon ook in der daad niet als Ridder ontfangen worden, zoo hij den kerkban niet ontzag, die hem noodwendig openbaarlijk treffen moest, gelijk hij hem in conscientie reeds oplag, zoo hij ongehoorzaam bleef.

Bij dit tornoy was noodwendig een groote toevloed van Vorsten, Graven en Jonkvrouwen; en wie kan twijfelen of ook Wijt van Vlaanderen was daar met

[p. 193]

eenige dochters? Wie begrijpt niet dat deze hem aanhaalde; en dat hij in de begoocheling van een zoo luisterrijk feest (het eerste van dien aart dat hij bijwoonde, en waarvan hij een zeer voornaam deel was) onder die Jonkvrouwen een dier dochteren, en wel Beatrix die eene Vorstelijke houding en veel bevalligheids bezat, zeer beminnelijk en Wijt zelf een verplichtend man vond? Met één woord, dat hij, eens overtuigd zijnde dat hij niet af kon, zijn voorkeur op te offeren, met of zonder bemiddeling van den Hertog, zijn keur vestigde, en over het aangaan van het huwelijk, hem in de wieg opgeladen, maar dat nu niets meer had dat hem stiet, overeenkwam? Hij leerde daar zekerlijk Aleid en hare verwantschap ook beter kennen; ten minste zijn eerste werk, na zijn t'huis komst, was deze intriguanten te doen vertrekken.

 
Die dat riet, en dede niet wale

zegt melis1, die haar recht lief had, en ook wagenaar, die zeer lief in haar vindt, ‘dat zij zekerlijk hem, wanneer hij zijns vaders dood ter harte nam, het oorlogen afried,’ en dus, hem tot een schande van zijn geslacht maken wilde. Iets dat met haar geheele wijze van handelen niet kwalijk zou samenstemmen, maar echter geheel zonder bewijs bij hem opgḡraapt wordt, alleen om zijne Amsterdamsche hartelijkheid voor de goede sloof te toonen, die 't zoo hard vallen moest, dat Floris in zijn eigen Land ‘nu alles naar zijn zin be-

[p. 194]

stierde,’ en haar met haar kinderen wegzond; waarin hij immers (Graaf van Holland zijnde) ongelijk hebben moest.

Floris had zijne partij gekozen, verliet zijne geliefde Agnes uit plichtbesef, en zijn huwlijk met Beatrix ging voort als wij meldden in den tusschentijd van 1277 tot 1280. Hij verwekte uit deeze Echt twee kinderen. De eerste was eene dochter, Margarete genoemd, van wie het jaar van geboorte onzeker is, en Jan zijn opvolger van wien hierna, die in 1281 geboren zou zijn.

 

Reeds voor eenigen tijd (men brengt den aanvang reeds tot 1275) waren er ongenoegens met de Engelschen ontstaan, van wie de Hollanders wol gewoon waren te halen voor hunne Weverijen, die reeds onder Karel den Groote beroemd waren; en wier land toen ook zilver-mijnen opleverde, waar uit Floris geldmunten voornamelijk toegereed werden. Ter gelegenheid van den oorlog met Vlaanderen in 1274, waar de Weverijen toen niet minder bloeiden, verbood Koning Eduard den uitvoer van Wolle; het geen de Hollandsche of Zeeuwsche Zeevaarders, nu geen werk vindende, op de Engelsche koopschepen deed kruissen en buit maken. Wagenaar noemt dit het oudste voorbeeld van Zeeuwsche Kaapvaart, hem voorgekomen. Lang te voren echter hadden de Vlamingen reeds over hunne kaperijen geklaagd, en het was niets nieuws; ook bracht de staat van handel en zeevaart in die vroeger tijden dit meê. - De vrede en goede verstandhouding herstelde zich in 1281 met het bera-

[p. 195]

men van een huwelijk tusschen 's Konings zoontjen Alfons, en Floris nog in de wieg liggend dochtertjen Margareet. Men vindt het verdrag daar over in de Acta publica Angl. [van rymer]. Het stuk zou zeer vele aanmerkingen kunnen opleveren; maar is zekerlijk niet meer dan een Engelsch ontwerp, dat, zoo als het daar is, niet heeft kunnen aangegaan worden; en dus vindt men er meer, waardoor de Geschiedschrijvers en Publicisten zich laten misleiden. Doch wat van de voorwaarden of bedingen, waarvan men overeenkwam al of niet moge geweest zijn, dit alles werd weldra door den dood van Alfons verijdeld, die in 1284 kwam te sterven.

 

In 1282 ondernam Floris een tocht tegen de Friezen, die eens vooral aan de Friesche onlusten een einde moest maken. Met eene aanzienlijke en welbemande vloot, de Zuiderzee langs gevaren, landde hij te Wijdenes, ter plaatse waar hij voorhad een slot te bouwen, bekwaam om den geheelen Drechterlandschen streek in ontzag te houden. Hij sloeg daar zijn leger neêr1; en welhaast viel er een hevige strijd voor. Nikolaas van Kats, een Zeeuw, gebood Floris leger, sloeg en vervolgde hen twee mijlen verre, en keerde vervolgens te rug; het geen hem algemeen misduid werd. Floris stelde zich-zelf aan het hoofd en vervolgde de behaalde zege, tot Hoogtwoude, waar het aanzien van de plaats daar Koning Willem zoo laag en lafhartig vermoord was alles in woede zette. Hier geschiedde een geweldige

[p. 196]

slachting onder de wederspannelingen. Een oud man bad om 't leven, en ontdekte waar het lijk van den Koning heimelijk begraven, of liever, zoo bloedig als 't was, in verhaasting onder de aarde gestopt was. Het werd opgedolven, en dit overschot van zijnen Vader was Floris de aandoenlijkste trofee. Hij bracht het naar Middelburg en deed het, met behoorlijke lijkdienst vereerd, in de Abdij aldaar bijzetten. Het Slot te Wijdenes werd gebouwd, en leed menigen aanval van de Friezen, maar zij werden afgeslagen.

De Utrechtsche verbindtenis was voor Graaf Floris een zaak van belang, zoo ten aanzien van het in malkander sluiten der landen van Holland en Utrecht en het lichtelijk overslaan van de onlusten uit het eene land naar het ander, maar ook inzonderheid wegens de gevaarlijke nabijheid eens doorgaans baat- en heerschzuchtigen Bisschops, wiens geestelijk gebied over Holland aan zijne wapenen tiendubbele kracht gaf wanneer hij het wilde misbruiken. In staat te zijn om dezen de handen te binden, door meester te zijn in zijn hoofd- en zetelstad, en zijne voorname Edelen aan zich verbonden te houden, was een voordeel zonder wedergâ, dat Floris op al den prijs stelde die het verdiende. Het oogenblik was nu daar, dat hij het betoonen moest.

Bisschop Jan van Nassau had aan Gijsbrecht van Amstel het slot van Vreeland, en aan Herman van Woerden dat van Montfoort voor een som gelds te pand gegeven. Dit had in geheel zijn Bisdom een groot ongenoegen verwekt, en in der daad niet zonder grond, daar het aan die zijde de sleutels van het

[p. 197]

Sticht waren. Hij bood dezen Leenmannen de opgeschoten gelden te rug, en vorderde weêromgave van de burchten; maar dezen weigerden. Ondertusschen maakte Gijsbrecht van de Burcht van Vreeland geen ander gebruik dan om gedurig strooppartijen in het Stichtsche te doen, en kwelde de Utrechtschen boven dien met een tol op de Vecht te leggen, waar die sterkte hem meester van maakte. Men trachtte wel geweld tegen hem te gebruiken, maar dit had geen genoegzamen nadruk. Floris derhalve schoot te hulp, en belegerde 't Vreelandsche slot. 't Werd verdedigd door Gijsbrechts broeder Aarnout, die op ontzet van zijn broeder wachtte. Gijsbrecht trok ook met dat oogmerk aan, maar werd geslagen en - gevangen genomen. Vreeland werd overgegeven, en Aarnout desgelijks gevangen.

Beter en langdurig verdedigde zich het slot van Montfoord, maar moest het echter ook opgeven; en Harmen van Woerden was, toen het neep, uit het land geweken. Floris verkreeg Amstelland of de Heerlijkheid van Amstel van den Bisschop voor 4000 pond, en gaf het aan Jan Persijn. De broeders van Aemstel werden door hun evenkniên in Utrecht geöordeeld en van hunne goederen vervallen verklaard. Zij zaten intusschen gevangen in Zeeland, en het duurde eenige jaren, en wel tot het laatst van October 1285 eer er een zoen getroffen werd: waarbij Gijsbrecht Nardingerland, Muiden en Muiderpoort, Windelmerbroek en het Reigersbosch, welk alles hij van 't Sticht in leen hield, aan Graaf Floris afstond; (andere punten gaan wij voorbij) en hij en zijn beide broeders verbonden zich, nooit te-

[p. 198]

gen den Graaf of den Bisschop te dienen. Hun verdere goederen, Amsterdam uitgezonderd (waarvan de gift aan Persijn bevestigd werd) kregen zij van Floris als Leenen te rug, en zij stelden hem in- en uitlandsche borgen voor hunne getrouwheid aan deze overeenkomst of zoen, waaronder de Hertog van Brabant en de Graven van Kleef en Gelder.

Twee jaren later (30 Maart 1287) verzoende Harmen van Woerden na genoeg op gelijken voet. Zijn eigen goed (allodiaal), binnen 't Leen van Woerden of elders gelegen, droeg hij Floris op. Het steenen huis te Woerden moest hij t'allen tijde voor den Graaf openhouden, en boven dien een burcht bouwen tot bescherming van Holland, dien hij den Graaf in leen opdragen en als leen voor hem inhouden zou. Zijne Erfdochter mocht hij niet dan met 's Graven bewilliging uithuwelijken. Geen Hollandsche ballingen mocht hij ontfangen. En voor dit alles stelde hij desgelijks borgen.

Hoe hard deze zoen aan die Heeren vallen moest, is licht te begrijpen. Echter geloofde Floris hen zoo oprecht en hartelijk in dat alles, als hij zelf was. Het leed niet lang of hij maakte Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden tot zijne voornaamste Raden, en gaf hun met voortrekking boven anderen, deel in het bewind; ook verhief hij, bij het instellen der orde van St. Jacob in het jaar 1290, op de groote zaal van zijn paleis in de Hage, 't geen ik gis dat toen volbouwd zal geweest zijn, Gijsbrecht tot een van de twaalf Ridders, toen door hem gekoren; en onder wie de Graaf van Kleef, de Heer van Heusden, de Graaf Lancelot van Hamilton, en

[p. 199]

de voornaamste, oudste en machtigste Hollandsche Edelen waren. [Zie de Opheld. en Bijvoegs.]

 

Omtrent half December 1287 en in de volgende maand Maart waren er ongemeen groote watervloeden in deze landen, waardoor wijd en zijd vele zeedijken bezweken. Een zeer groot gedeelte van Zeeland werd overstroomd; Noord- en Zuid-Holland leed desgelijks ongemeen; maar beide Oost- en West-Friesland stonden meestal onder water. Floris, die de Friesen, zoo al ingetoomd, echter nog niet genoegzaam getemd zag, en zijn recht op hen wilde blijven handhaven en doorzetten, zond Diederijk van Brederode met een deel schepen over de Zuider-zee, die hen, terwijl zij in hun dorpen op de hoogten van een gescheiden zaten en geene vaartuigen hadden om zich te vereenigen of elkander te hulp te komen, met zijn vloot stuksgewijze, de eene partij vóór, de andere na, aantastte, onderwierp, en Floris als Heer van Friesland erkennen deed. Floris zelf volgde kort daarna met eene genoegzame landmacht, en stichtte ten hunnen bedwang vijf sterke sloten, naamlijk Medemelek, Nieuwenburg nabij Alkmaar, Middelburg ten Oosten de Zijp, Eenigenburg, en Nieuwendoorn. Op het slot Toorenburg, door zijn vader gesticht, ontfing hij de afgevaardigden, die hem zoen kwamen afsmeeken en onderwerping betuigen. De Drechterlanders volgden het voorbeeld, en nu gaf hij aan Medemelek stads vrijheden, en stelde keuren en wetten op het bestuur van Drechterland. Ook richtte hij te Medemelek een munt op, gelijk in Holland. Texel onderwierp zich een jaar later. Hij maakte

[p. 200]

nu ook door het leggen van wegen en dijken het land van binnen toeganklijk.

 

Het sterfgeval van den Prins Alfons van Engeland had den band van betrekking tot dat Rijk, pas aangeknoopt zijnde, weêr losgemaakt. De welvaart van beide Landen scheen echter wederzijds te zeer aan eene voortdurende goede verstandhouding te hangen, dan dat men niet getracht zou hebben dien wederom te vernieuwen. - Koning Eduard had eene Dochter, en Graaf Floris een Zoon, en daar was weder een huwelijk mogelijk. Men besloot daartoe, en in het voorjaar van 1285 werd er een verbond tot stand gebracht, waarvan het hoofddoel was beide Vorsten zeer naauw te verbinden. De hoofdzaak was 't huwlijk tusschen 's Graven Zoon en opvolger Jan, en 's Konings Dochter, Elizabeth. Een voornaam bijpunt was wel niet (als 't zou kunnen schijnen) het stichten van een Leenverband tusschen Floris en Eduard, maar echter hem te verplichten door middel van een som van 50,000 Pd. zwarten tournoys, door den Koning ter zake van dit huwlijk te geven, maar dat te rug gegeven zou worden, zoo 't huwelijk door de dood van een der verloofden geen stand mogt grijpen1. Verder werden er een aantal mindere punten bij geregeld, als de bruidschat en het onderhoud van het (gehuwd zijnde) paar, gedurende Floris leven; de weduwgift of doodwaring aan de Gravinne Beatrix na

[p. 201]

Floris dood uit te keeren, en dergelijke. - Eindelijk; zoo de dood van een der Verloofden tusschen beide koomt, het huwelijk van een ander kind van den Koning of Graaf met den overgebleven. Dit verdrag wordt onder den eed, den Pausselijken ban en guarantien van wederzijde [aangegaan]. Jonkheer Jan moest als hij zeven jaar bereikt zou hebben naar Engeland gezonden worden, en daar zijne opvoeding ontfangen; het geen ook vervolgens geschied is.

Floris edelmoedige vervulling van het verdrag van 1256, had hem geheel het hart van den Hertog van Brabant gewonnen, en deze gaf hem blijken van teêrhartige vriendschap1. Hij ontsloeg in 1283 zijnen Neef en deed afstand van alle verband, recht, en aanspraak, dat hij op eenig gedeelte van Floris bezittingen had, en erkende het eiland van Zuid-Holland volkomen vrij.

Maar dit wikkelde hem, die met den Hertog een verbond van onderlinge hulp tegen allen maakte,2 uit erkentenis weldra in een oorlog, die tusschen den Hertog Jan, en Graaf Reinout van Gelder ontstaan was over het Hertogdom Limburg, waarop zij beide recht beweerden. Hij stond den Hertog met Zeeuwsche schepen en krijgslieden bij, die de Borcht ten Nieuwen-Grave, door den Graaf van Gelder gesticht, vernielden, en naar het bericht van ooggetuigen zich wakker kweten3. Hij deed

[p. 202]

echter alles om de zaak te doen bijleggen, en nam persoonlijk geen deel in den veldtocht. Ook Engeland trachtte de strijdende partijen te bevredigen; maar in een zware veldslag, die er bij Woeringen in 't Aartsbisdom Keulen voorviel (en in de geschiedenis vermaard is), op den 5den Junij 1288, werd Graaf Reinoud gevangen en zijn leger vernield. Koning Filip de Schoone van Frankrijk bemiddelde toen een vrede, in 't volgende jaar geteekend, waarbij Hertog Jan als Hertog van Limburg erkend en de Geldersche stad Tiel aan hem afgestaan werd; maar deze daartegen de Bommeler- en Ticlerwaard aan Reinoud afstond: in welke vrede Floris als des Hertogs Bondgenoot begrepen was.

 

Dat na het voltrokken huwelijk met Beatrix, en vooral na het geboren worden van twee kinderen, Wijt van Vlaanderen op het doen van manschap gedrongen heeft, zagen wij reeds; en het kon niet anders. Hij had bij 't verdrag van 1256 geheel de halve inkomst en de helft in alle bewind, gerechtsdwang, eer en voordeel, over Zeeland bewester-Schelde opgegeven, en het van een feudum Commune tot een vrij leen gegeven; alleen om ook Leenheer van het Hollandsch Zeeland te zijn, waar hij geenerlei aanspraak op had of beweerde. Wierd nu de manschap hem niet gedaan, daar zou (gelijk in feudalibus de praecedenten veel afdoen) natuurlijker wijze uitgetrokken zijn, dat Floris de daad van zijn Voogd eatenus [in dezen] niet geadvouëerd had, en hij (Wijt) of zijn opvolgers hadden bij dat fraaie

[p. 203]

verdrag niet gewonnen maar zeer veel verloren: vooral daar Floris tot mondige jaren gekomen zijnde, het tractaat niet bekrachtigd had, als beöogd was. Floris intusschen kon niet van zich verkrijgen dit punt te vervullen, en hij vroeg van den Keizer in 1287 eene uitspraak, of zijn Voogd zijn goed en bezitting had kunnen deterioreren1? Het geen deze met een zeer nadrukkelijk negatif beäntwoordde. (Kluit, Prob. p. 884).

Deze daad toonde Floris volstrekte ongezindheid om bij het genot van de voordeelen van het verdrag, zich aan het bezwaar waarvoor die verkregen waren, te onderwerpen. Hij, van zijne zijde, beschouwde die voordeelen als zijn vooronderlijk recht, aan eenigen zijner voorzaten onrechtvaardig en gewelddadig ontrukt, (origine inspectâ2 had hij gelijk) en dat hij derhalve niet door opdracht van het geen onbetwistbaar het zijne was, had te koopen, maar, in allen gevalle bonâ conscientiâ [in goed geweten] mocht blijven bezitten en exerceeren nu hij 't had, zonder daarvoor tot iets verplicht te zijn. - Graaf Wijt in het tegendeel zag op de possessie, van den tijd van de gevangenis van Graaf Floris den III, bij zijne voorzaten genoten, en rekende de gegeven vrijheid van het oude Zeeuwsche Leen als een ongehouden gift en bewilliging onder tegenbeding van de manschap wegens Oost-Zeeland zoo wel als

[p. 204]

West-Zeeland: en hier was geen vereffenen aan. Hij greep derhalve naar de wapenen, om Floris zijn schoonzoon te dwingen.

Te gelijker tijd was er in Zeeland een groot misnoegen. Men herinnert zich dat velen, ja de meeste der Zeeuwsche Edelen op de hand van Aleid waren: - dat haar zoon Floris het gezag, hem door den jongen Graaf toebetrouwd, misbruikte, om onder den schijn van vereeniging der partijen en zoen maken, de genen die Otto voorgestaan hadden, te drukken. Het wegjagen van Aleid (om het dus met den rechten naam te noemen) in 1277 of 1278, kon dus niet nalaten deze Heeren te ontrusten, en veel van hun invloed en wat zij zich aanmatigden, en aan haar en haar invloed te danken hadden, met haar gezag en invloed te doen óndergaan. Floris verbintenis met Engeland was naar het belang der opkomende en met gunsten en voorrechten overladene steden berekend. Maar wat had de Adel daaruit te wachten, zoo hun de steden boven 't hoofd wiessen? Floris leed geen bijzondere oorlogen onder hen, maar dwong den landvrede te onderhouden; en duldde geen onderdrukkingen, geene afpersingen, geen willekeurigheden tegen geringeren1. Dit was bovenal onaangenaam aan de Zeeuwen, die,

[p. 205]

toen het land een feudum commune was tusschen Vlaanderen en Holland, aan de eene zijde misdoende, bij de andere bescherming hadden, en onder eene dubbele maar altijd oneenige regeering alles gewoon waren geworden te doen, wat hun lustte; ja van elke partij alles verkrijgen konden wat zij wenschten, door inboezeming van de vrees, dat zij tot de andere partij over zouden gaan. ‘Zeker, wij hadden het beter (dachten zij) onder de half-Vlaamsche regeering!’ en zie daar hen gedisponeerd om bij een oorlog Wijt toe te vallen! Het zij dan dat zij Graaf Wijt opening gaven van deze hunne denkwijze, gelijk wel waarschijnelijk is, het zij dat hij 't was, die hen aanzocht om zich bij hem te voegen, op grond dat zijn recht op een verdrag steunde dat ook door eenigen uit hun midden geteekend of gewaarborgd was; hij verzekerde zich van hun genegenheid en toezegging om hem bij te staan in zijne onderneming.

Borsele en Renesse worden inzonderheid bij melis uitgeteekend, waar van de eerste het verdrag van borgtocht mede onderschreef. En de naam van den tweede is sedert toen [tot in mijn leeftijd toe] bekend geweest, waar oproer en eedbreuk tegen een wettig Vorst aanspanden.

De Procurator van 't Egmonder Klooster rammelt, dat Floris hun een belasting opleide, en wel (nb.) van den vierden penning. Belachlijk! en domme Monnikenpraat. Edelen waren niet schot- of belastbaar, en geen Vorst kon in die tijden zoo iets in zijn hoofd krijgen. -1

[p. 206]

Maar dat Floris hun door zijn voorbeeld en aanzoek heeft wenschen over te halen, om na de afgrijslijke verwoesting des watervloeds vrijwillig een deel van hunne inkomsten voor dat jaar, (misschien wel ¼) of aan hun onderhoorigen kwijt te schelden, of ter hulp en nooddruft van de noodlijdenden aan te wenden, dit kan zijn; en dit kan de kwaadaartigheid het opleggen van een vierde penning genoemd hebben. - Maar wat daar van zij, deze samenspanning liep zoo verr' dat in 1289, twee en dertig Zeeuwsche Edelen, wier namen men in 't stuk lezen kan, gezamentlijk bij een Instrument, te Rijssel aanwezig, kluit, Exc. p. 893) aan Graaf Wijt, onder voorgeven van ‘grans et plusieurs grietes et durteis ke nos Sires Florens Cuens de Hollande nos fait et a fait en moult de maniere et longhement, encontre les coustumes dou pays et en contre raison’ voor zich en voor het land tusschen Heidensee en Schelde, en oók ‘pour ceaus qui sont hors de ces lius en l'autre partie de Zelande;’ hulde en manschap beloven te doen zoo hij 't vordert voor hem en zijne Erfgenamen Graven van Vlaanderen, als aan hun rechtmatigen Heer, en hem te helpen om deze zijn heerlijkheid en recht te winnen op den Graaf van Holland; het geen zij op 't Evangelie zweeren te houden.

Om zich tegen zoodanige indruksels van het recht van Graaf Wijt te wapenen, als zekerlijk luider of stiller omgingen, wendt Floris zich tot den Keizer Rudolf, en verkrijgt van hem een diploma, van dato 8 Mey 1290, waarbij niet alleen alles wat door Floris den Voogd betrekkelijk 't leen van Zeeland

[p. 207]

gedaan en beloofd was, van onwaarde verklaard wordt, omdat een Voogd geen macht heeft het goed van zijn pupil te verminderen, maar ook de Zeeuwsche Edelen (met name Renesse, Brederode, de Borselens, Maalstede, Kruiningen, en Kats, benevens hun aanhang) tot hun plicht vermaand worden; met een bedreiging, daar bij.

Floris die wel de gisting bemerkte, maar niet vermoedde tot welk een graad zij gestegen was, brengt of zendt zijne gemalin en zoon naar Middelburg, ten einde een blijk van vertrouwen te geven, en hen tot een gedrag te verplichten dat daaraan beantwoordde; en geeft aan de Stad een bemoedigenden en geruststellenden brief tegen alle geweld van buiten of van binnen, welke den 12den Maart 1290 geteekend is. - Maar het geen hij nooit gedacht had, gebeurde: de Middelburgers betoonden zich getrouw; maar de stad werd aan de eene zijde door de Vlamingen, aan de andere door de Zeeuwen vijandlijk belegerd. De stad schoon niet onvoorzien, en gedekt door een sterk kasteel de Mortier genaamd, verdraagt na eenige weken wederstands, zich op goede voorwaarden te zullen overgeven, indien Floris hen niet in weinige dagen ontzet of vredemaakt (kluit, Exc., p. 344).

Floris in de uiterste verlegenheid, raapt bij één wat hij kan van manschap uit Holland en trekt tot ontzet; komt te Zierixee en gaat zich inschepen. Doch de Hertog van Braband, zijn vertrouwde bondgenoot koomt hem te gemoet, meldt hem den vrede reeds voor hem getroffen te hebben, en beweegt hem persoonlijk met hem naar zijn schoon-

[p. 208]

vader te gaan; terwijl 't Vlaamsche leger Walcheren verlaten zou. - Floris maakt eenige aanmerking, maar de Hertog doet hem de sterkste verzekeringen dat het dus was, dat alles gevonden was, en dat hij van zijne zijde nu daar niet aan ontbreken mocht, door een ontijdigen argwaan die weêr verwijdering geven kon, en zwoer bij alles wat heilig was, hem vrij, gaaf, en blij weêr in Holland te rug te zullen brengen; en dus overreedt hij Floris, die aan zijne rechtschapenheid niet twijfelen kon, om zijne benden te rug te zenden, die met overgroot leedwezen van hem scheidden, en begeeft zich met den braven Ridder die geen erg in het hart had en geen erg denken kon, op den weg, en kwam met hem te Biervliet.

Graaf Wijt, verheugd zijne aankomst te vernemen, doet hem dadelijk gevangen nemen, tot onbegrijplijke ontsteltenis van den Hertog, die zich tot het werktuig gemaakt zag van zulk een verfoeilijk verraad. 't Waren hier de oude Vlaamsche kunstenarijen, die altijd toeleiden om den Vorst wien men beöorlogen ging, in de macht te krijgen ten einde hem dan alles af te dwingen, wat de eigenbaat ingaf, en een edelmoedig gevoerde oorlog nooit verschaffen kon. - De Hertog doet alle moeite, om zijnen Neef uit dit lelijk praedicament door zijne tusschenkomst te redden. De pais wordt dan ook op eene wijze gemaakt, die het schijnt dat of Walcheren, of Wester-Zeeland in 't bijzonder betrof, maar waarvan niets duidelijk uitgedrukt voorkoomt; en Floris wordt geslaakt; terwijl de Hertog zich voor hem in gijzeling stelt.

[p. 209]

In welk jaar dit gebeurd zij is vrij onzeker. - Uit melis stoke zou men opmaken, dat het tusschen 1287 en 1291 gebeurd zij. Butkens stelt het op 1293. (1288 of 1289 is het jaargetal waar wagenaar het op stelt). In 1288 kan het (als huydegoper aanmerkt) niet geweest zijn, om den slag van Woeringen, waar in Borselen en Renesse wegens Floris voor den Hertog van Brabant streden. Mij komt het voor dat het niet anders dan in 1290 geweest kan zijn, en dat dit uit de reeds aangevoerde stukken genoegzaam zeker gemaakt is (kluit, Exc. p. 339) zoo wel als door 't geen terstond volgen zal.

Floris, dus met list en verraad in den strik gelokt, liet den Hertog voor zich-zelven zorgen, en bekreunde zich zijner noch zijnes borgtochts. - Hij vervoegt zich over dit afgedrongen verdrag (wat dan ook de inhoud geweest moge zijn) bij Keizer Rudolf, die bij akte van den 6den Julij 1290, verklaart ‘het geene door Floris betrekkelijk Walcheren in Zeeland verhandeld, gedaan, of beloofd is, niet te bewilligen, noch daar in op eenigerhande wijze te zullen bewilligen.’ Het geen daarna ook in het laatst van Augustus 1294 door Keizer Adolf van Nassau bekrachtigd is.

De aanmerkingen die kluit (p. 340, 341) op de verklaring en aanschrijving van den 8sten Mey maakt, hebben wij in ons overzicht van het recht op Zeeland [ID. bl. 272, v.] genoegzaam wederlegd quod ad jus; maar het komt hier op het gebeurde aan. Rudolf schreef 't geen gemeld is den Edelen aan. Floris door 't Keizerlijk gezag genoeg, zoo hij meende, tegen eenige misnoegden gesterkt, die hij niet wist tot volstrekt

[p. 210]

verraad, afval, en opstand tevens te zijn overgeslagen, bemoedigde en guarandeerde Middelburg, en vertrouwt daar zijn Gemalin en Zoon. En de stad wordt aan de eene zijde door de Vlamingen, aan de andere door de Edelen belegerd. Hij in de macht van Graaf Wijt gelokt, en een verbond over Walcheren door hem in de gevangenis geteekend en waarop hij ontslagen wordt, doch het welk de Keizer onverbindend verklaart, en waaraan hij weigert zijn kracht te geven. En dit alles geschiedt tusschen 8 May (immers 12 Maart) en 6 Julij van het jaar 1290. Zie daar den waren tijd naauw genoeg bepaald.

Edoch deze zaak van de gevangenis van Graaf Floris wordt door de Vlaamsche Schrijvers niet zoodanig erkend als wij haar verhaald hebben. De vervolger van de Egmonder Kronijk, die geen reden had om de zaak anders voor te stellen dan zij hem bekend was geworden, geeft te kennen dat Floris te Zierixee zijnde, en zich buiten staat ziende den Vlamingen meester te worden, zich uit eigen beweging aan den Hertog van Brabant overgaf ten einde hem met zijn schoonvader te verzoenen (kluit, Exc. p. 344). En dit stemt genoegzaam overéén, met het geen wij uit melis stoke ontleenden, alleen dat gene uitgezonderd, wat veellicht aan niemand dan de twee Vorsten bekend is geweest, maar door gissing bij de Schrijvers gemeld is: het motif naamlijk van den Graaf. En men mag aannemen dat gelijk de Hertog de man niet was om te bedriegen, hij ook niet lichtvaardig verzekerd zal hebben, 't geen hij niet goed maken kon, maar

[p. 211]

dat hij wel grooter edelmoedigheid van Wijt kan verwacht hebben, dan waar deze vatbaar voor was. En dat ook de toestand van Floris in dat oogenblik ten uiterste hachlijk was en hem onvoorzien genoeg opkwam, om verlegen te zijn, is niet twijfelachtig.

Maar de afloop der zaak is op verre na zoo snel en zoo eenvoudig niet geweest, als men uit het ontleende verhaal dat wij gaven zich voor zou stellen. Wij zullen de zaak naar den inhoud der Charters die daar werkelijk van gevonden worden, met meerdere zekerheid opmaken.

Het zij Floris op de verzekering van den Hertog van Brabant, het zij hij, gerust op die goede trouw, die men niet slechts van een Schoonvader, maar van elk weldenkenden vijand verwachten mocht (en waarop Karel XII van Zweeden, zonder eenige aanleiding zich in vollen oorlog in 't paleis van den Koning van Polen begaf), zich in Biervliet waagde, om de zaak in een eigen mondgesprek te schikken, of een stilstand van wapenen en afdoening des geschils te beramen; het zij daar het zoo schreeuwend misbruik van gemaakt wierd van hem aan te houden, het zij niet: dit blijkt tegenwoordig uit stukken, die wagenaar niet gezien kon hebben, en die zeer waarschijnlijk ook niet tot de Egmonder munniken gekomen zijn; dat Floris de zaak over het verlei aan Graaf Wijt-zelven, den Hertog van Brabant en Robert van Vlaanderen (Wijts oudsten zoon die het leger in Walcheren gebood en Graaf van Nevers) overliet. Uit dit benoemen van Robert nevens de twee andere Scheidlieden, zou ik besluiten dat de vijandelijkheden dadelijk ophielden en

[p. 212]

het beleg van Middelburg opgeheven was. Het was zeker een vreemd verschijnsel zijn tegenpartij-zelve tot scheidsman in het geschil te maken, maar Floris, die van de geheime onderhandelingen en verbonden met zijne Zeeuwsche Edelen waarschijnlijk nog onkundig was, kon van zijnen Schoonvader (wien hij in een gunstig licht beschouwde en die zekerlijk geen Margariet was) wel zoo veel cordaatheid verwachten, dat hij, na een dieper inzicht van de zaak met een derde, zelf dat gene zou opgeven, wat, zonder tegen alle begrippen aan te druisschen, niet te beweren was.

Dit verblijf werd in het voorst der maand May aangegaan (kluit, Exc. p. 345), en Floris beloofde daarbij niet uit Geervliet te gaan. Het geen zekerlijk niet uit verkiezing geweest zal zijn, en dus in effecte op het zelfde als de gevangenneming bij de onzen vermeld, nederkomt.

Wij zien uit dit stuk, dat Floris niet alleenlijk alle manschap, ook wegens het land tusschen Schelde en Heydenzee aan Vlaanderen uitdrukkelijk geweigerd had, maar dat hij het zich of werklijk van Keizer Rudolf had doen verleiden, of ten minste met dezen des overeengekomen was1; en dat het uit dien hoofde was, dat door dien Keizer de aanschrijving aan de Zeeuwsche Edelen gedaan werd, waarvan wij gesproken hebben. En daar er in dit stuk geen woord van manschap wegens het andere Zeeland gesproken wordt, maar alleen tusschen Schelde en Heydenzee; zoo moeten wij daar ook uit

[p. 213]

besluiten, dat inderdaad Gui de onredelijkheid niet had, van op de manschap door den Voogd Floris wegens 't vrije en ontwijfelbaar Hollandsch Zeeland te blijven staan, maar daar dadelijk van afzag.

Maar dit verblijf behelsde niet bloot de geschillen tusschen Wijt en Floris hangende, waaronder men ook eenige klachten van de stad Gent over prijzen op hen door de Hollanders of Zeeuwen gemaakt, en vooral de oorlogskosten, die hij vorderde, tellen moet; maar het begreep ook de geschillen die de Zeeuwsche Edelen hem maakten, en waarop in de akte van 1289, onder de benaming van grietés (zekerlijk griefs) en durtés, gedoeld wordt. Zoo als ook die Edelen zich bij akte van den 2den Junij aan die uitspraak onderwerpen.

Op den 8sten Junij aanvaardde Jan van Brabant het arbitrium, en beloofde zich daarin ter goeder trouwe (loyalement) te kwijten. En middelerwijl had Floris op den 5den eene acte van indemniteit aan dezen verleden, wegens zijn borgblijven voor Floris, die beloofd had voor half Augustus aan Graaf Wijt voor de te doene manschap brieven van zekerheid te geven, en tot zoo lang zich te Gent te komen onthouden. Men ziet hoe de goede Floris gekweld werd, hoe weinig men hem vertrouwde, en hoe zeer men zich van de gelegenheid bediende, om nu de banden wel vast te leggen, dat hij er niet aan ontspartelen mocht.

Wegens de oorlogskosten gaf Floris op den 10den Junij een brief ter somme van 20,000 Pd. Parijsch, te betalen in vier termijnen, waarvoor hij te Gent gijzeling zou houden, en den Hertog van Brabant

[p. 214]

wederom tot borg stelde; maar op den 11den geeft de Hertog van Brabant, wiens edelmoedige aart t'elkens doorblinkt, hem daarvan akte van ontlasting (decharge) en vrijwaring.

Op dien zelfden 11den Junij deden Jan van Renesse en Diedrijk van Brederode op nieuw hulde aan Floris, en belooven ‘hunnen lieven Heere Haren Florense, Grave van Hollant te stade te sullen staen ewelicke.’ En ‘geviele eenige twist ofte pilicheet (molest) - zoo belooven zij met gezworen eede en̅ met gegevenre trouwen, altoes te hoerne den Hertoge van Brabant, en̅ te synen seggene te stane, van hooghen en̅ van nederen, en̅ vast en̅ gestade syn seggen te houdene.’ Met bijvoeging: ‘waer dat sake, dat wij niet en daden desc stucken, soe bekennen wy, dat wy zijn trauweloos en̅ meenhedig.’

Men ziet dus dat een goed deel van het geen reeds verbleven was, bij overeenkomst gevonden werd, en derhalve als punten van 't uit te brengen laudum [uitspraak] vervallen; dan alleen voor zoo verre dienvolgends het geconvenieerde in uitspraak van scheidslieden veranderd werd, het geen in die tijden en vervolgens gemeen was, en ook bij de Hoven van Justitie ten aanzien van transactien wel plaats heeft gegrepen. Maar de 12 Junij was de dag, dat het compromis uitvoerig opgemaakt, de punten naauwkeurig bepaald werden, de uitspraak dienvolgends gedaan, en de vrede op dien voet ingericht.

Het kwam hier op neder:

Alles wordt wederzijds te rug gegeven, alles her-

[p. 215]

steld; alleen wordt Jan van Renesse voor Leenman van Vlaanderen erkend wegens zijn burcht van Renesse en hondert gemeten lands daar aan gelegen.

Zeeland tusschen Schelde en Heidensee, wordt leen van Wijt als Graaf van Vlaanderen erkend. Doch de Graaf van Holland kan volstaan met zijn Vasallen ten behoeve van Vlaanderen te praesteeren, zonder dat hij zelf te veld behoeft te trekken (kluit, Exc. p. 351).

Het geen door Koning Willem of zijne opvolgers in 't Rijk tegen deze leenroerigheid onder Vlaanderen strijdig gedaan is, zal van geen gevolg zijn; en zoo Floris reeds manschap aan 't Rijk wegens Zeeland gedaan heeft, zal hij dit te niet doen en den Verleibrief daarvan binnen Paasch eerstkomende aan Wijt overgeven, en daar afstand van doen. Ook zal Floris van 't Rijk de bevestiging dezer overeenkomst maken te verkrijgen, binnen den tijd van een jaar: en zoo de Keizer den Graaf van Vlaanderen deswegens oorlog of nadeel aandoet, de partij van Wijt tegen den Keizer trekken.

Floris zal het verdrag van 1256 door zijn Voogd met Margriet aangegaan goedkeuren, zoo ten aanzien van de manschap door den Voogd gedaan, als ten aanzien van andere rechten en van de vrijheden der kooplieden.

De Vlaamsche ballingen mogen in Zeeland wonen; maar zoo zij weêrkeeren en zich op nieuw schuldig maken, daar niet weêr ontfangen worden.

Over kracht of roof zal de Graaf van Holland geen hooger boete vorderen dan bij dit verdrag be-

[p. 216]

paald wordt; behoudens de poena quadrupli1 ten behoeve van den beroofde.

Zeven en zestig personen worden in Zeeland gesteld, om, als (nb.) Gezworenen, over alle rechtszaken, buiten 't leenroerige, waarvan de Leenmannen, en de Landzaken, waarover de Schepenen oordeelen, vonnis te spreken.

Bij verval van een Leen, bij gebreke van Erfgenaam, zal de dochter of naaste agnaat (man of vrouw) het binnen jaar en dag voor een bepaalde som naar zijn grootte, van den Graaf mogen redimeeren2.

De Graaf zal een Baljuw stellen die alle jaar twaalf weken lang Recht houdt, en tusschen Schelde en Heidensee acht weken.

Dit verdrag verbindt ter wederzijde de Graaf en onderhoorigen: moet door Floris voor zich en zijne Erven bezworen en met zijne gezegelde brieven bevestigd worden. Ook door Hollandsche en Zeeuwsche Edelen en de goede Steden, die in gevalle de Graaf het naderhand weigert te onderhouden, den Graaf van Vlaanderen tegen hem dienen moeten, en in dat geval of wanneer de Graaf van Holland in gebreke bleef van de manschap te doen, bij verandering van Graaf 't zij in Vlaanderen of in Zeeland, moeten zij van hun plicht jegens den Graaf van Holland ontslagen worden: van welk alles Floris hen ook bevelen moet brie