Bij dit Derde Deel van bilderdijk's werk, heb ik buiten het in de Ophelderingen en Bijvoegselen bijgebrachte, weinig of niet te zeggen. - Mijn nadere aanmerkingen over de echte of onechte geboorte van Witte van Haemstede, bl. 222 en volg. waren reeds afgedrukt, toen in den K. en Letterbode van 28 Junij 1833, No. 29 een vertoogje verscheen tot staving van het aan bilderdijk tegenstrijdig gevoelen. De Schrijver (D met 7..) eindigt met te zeggen: ‘Zie daar hetgene ik gemeend heb voor het tegenwoordige [N.B.] te mogen openleggen. Welligt biedt zich eene nadere gelegenheid aan, om meer breedvoerig op deze zaak terug te komen.’ Ik zal die nadere gelegenheid afwachten, en dan met hem, indien hij tevens zijne titteltjes aanvult, gaarn de zaak weder opnemen. Inmiddels is d.l. Aug. II. bij de tweede klasse van het Koninglijk Nederlandsch Instituut de Verhandeling bekroond van den Heer d. groebe, over de Historie van de regering van Graaf Floris V. De Heer gr. verklaart zich ook voor het vroeger huwlijk van Graaf Floris; waaruit dan van zelf zou moeten volgen dat Witte v. H. in overspel geteeld was. Misschien heb ik, na de uitgave dier Verhandeling, hierover nog iets aan te merken; misschien ook niet.-
Bij de geschiedenis der Vrijmetzelaars in ons Vaderland, bl. 308, behoort nog, dat reeds in 1738 de beruchte jacob campo weyerman een aanprijzend verslag nopens de vrije Metzelaren in 't licht gaf, in een werkje getiteld: De zeldzaame Levens-bijzonderheden van laurens arminius (volgens hem een kleinzoon van den Theologant jacobus, doch een losse quant), jacob campo weyerman, robert hennebo, jacob veenhuyzen en veele andere beruchte Personaadjen (enz.) Amsterdam, 1738, kl. 8o. (ald. bl. 187-218), en volgens zijn Leven, in die van voorname Nederl. Manner en Vrouwen (woordelijk overgenomen de Bijvoegselen van kok's Woordenboek), II D. bl. 100, zou hij al vroeg in die Orde deel genomen hebben. - Maar noch hij, noch het overige van dat boekje, waren eenigzins geschikt, om aan de orde gunst of achting te verwerven.-
Eene geschrift van f. nicolai, over de betrekking der Vrijmetzelarij tot de Tempelieren-orde, dat ik vermeld vind bij feder's Leben (enz.) S. 150, en dat mij hier, bij bl. 303, 304, te stade had kunnen komen, heb ik niet kunnen raadplegen, en kan dus slechts den Lezer opmerkzaam er op maken. Ik meen dat het een aanhangzel is van zijn door bild. bl. 277 aangehaalde werk.
Leiden, 25 Aug. 1833. H.W.T.