terug  begin  verderprepost

Filip van Bourgondië.

Jan van Brabant was met Jacoba ingevolge van het verdrag van 1420 door Jan van Beieren als Graaf erkend, en hij Mederegent. Op zijne opvolging viel niet te beschikken: want als Graaf, gelijk hij door 't Rijk verleid was, had hij, geenen zoon of broeder nalatende, geen Erfgenaam, maar onze twee Graafschappen vervielen weder aan 't Rijk: doch hij had de Regeering als Ruwaard en Oir gevoerd; en was daarbij, sedert 1427, pandhouder geworden1. Zijn

[p. 98]

naaste Erfgenaam ware zeker Jacoba geweest, doch hij kon over zijne erfenisse bij uitersten wil beschikken, en dit had hij gedaan ten behoeve van Hertog Filip van Bourgondie. Deze derhalve had het Jus retentionis dat de pandhouder op' Leen heeft, tot de successor feudalis [Leen-opvolger] de schuld afdoet.

Filips was dus gerechtigd, zich in de possessie te stellen, en de Gewesten op gelijke wijs te beheeren als Jan van Beyeren in deze betrekking gedaan had: en hier meê betwistte hij 't recht van Jan van Brabant niet; en wat Jacoba betreft, ten aanzien van haar persoon was zij onder sequestratie van Hertog Filip, aan welke zij zich facto [feitelijk], maar niet jure [rechtens] onttrokken had; en ten aanzien van haar goed onder de Voogdij haars Gemaals; maar wien men de regeering zijner eigen Landen niet toevertrouwde. Het blijkt dus dat in deze omstandigheden, naar alle gronden, Jan Graaf, Filip Regent van de Landen was, zoo als beide zich dan ook in deze verschillende hoedanigheden deden erkennen.

De Hertog van Brabant kwam derhalve herwaart, en ‘wist zoo veel te weeg te brengen (zegt wagenaar, doch daar kon geen het minste bedenken in zijn) dat hij door de Edelen en Steden in Februarij als wettig Graaf erkend werd. Wagenaar1 noemt dit huldigen, en men kan het zoo noemen, wanneer de Leen-onderhoorigen, na doode des Leenmans, den

[p. 99]

Leenheer als onmiddelijk Heer trouw zweeren. Maar hij is zeer verwonderd, dat er bij die huldiging geen gewag van Jacoba gemaakt wordt. Hij verbeeldt zich, dat het was omdat die Edelen en Steden oordeelden, dat zij haar recht verbeurd had, en dat wel nb., omdat zij haar huwelijk met Glocester buiten kennis van die Edelen en steden had aangegaan. Waren er meer sottises bij een te hoopen geweest, hij had het gedaan1. - Zeker kwam geen vermelding van Jacoba daar bij te pas. Hij was eenmaal als Graaf erkend; had toen Zuid-Holland in leen (en naderhand geheel Holland in pand) gegeven, en de Leenman was dood, en dat Leen aan hem als uitgever vervallen. Of zou men Jacoba daarbij honoris causa vermeld hebben? Wat [enz.] moet men zijn, om zoo iets te willen! Wat ezel, om het noodig te achten!

Bij zijn weder installeeren als onmiddelijk Heer, gaf hij de verzekering van het geen Jan van Beieren (onder wien de Holl. munt was gebleven) bij zijne huldiging ten aanzien der munt bewilligd had, en verklaarde, dat geen Hoeksche ballingen terug zouden keeren, dan bij bijzondere vergunning van hem

[p. 100]

en zijn raad, (en dus cognitâ causâ [na voorafgaand onderzoek); 't geen tot 's Lands rust zekerlijk allernuttigst was.

Filip werd dienvolgende ook als Ruwaard of Regent (want dit waren synonyma[woorden van één beteekenis]) overal, ten zij waar Jacoba meestresse was, erkend1.

Het is licht te begrijpen dat zij nu niet verzuimde om hulp naar haar geduchten Heer en Vader, zoo zij hem genoemd had, te schrijven. Ook wachtte zij daar op: maar Humfried was van den eersten ijver rijklijk bekoeld en kon die ook niet dan traaglijk bijbrengen.

Filip had, naar zijn Erflanden vertrekkende, hier een Stadhouder gesteld, Jacob van Gaasbeck, en deze beschreef heirvaart tegen de oproerige steden (die haar aanhingen). Hij begon met Schoonhoven te belegeren, maar kon het in de eerste zes maanden niet dwingen, en toen deed een opgevolgd bestand het beleg opbreken.

Voor Gouda beducht, dat minder sterk was, stak men van Jacobaas zijde den Ysseldijk door, waardoor Schieland onder moest loopen, maar van den Rhijnkant en de Gouwe kon dit niet baten. Zij vereenigt zich weêr met de Stichtschen, en levert den 21 October (of daaromtrent) nabij Alfen slag aan de Stadhouderlijke benden, die tot beleg van Gouda aantrokken, en behaalt eene overwinning, doch die geene andere gevolgen had; en hier meê liep dit jaar ten einde.

Filip, zekerlijk over zulke krijgsdaden als zijn

[p. 101]

Stadhouder bedreef, niet al te wel vergenoegd, kwam in Holland, en middelerwijl kwam in het begin van Januarij 1426 eene Engelsche vloot opdagen, die naar Zeeland stevende, waar Jacoba ook haar vrienden had. Glocester had er het bevel over gegeven aan Fitzwater, dien hij ook tot zijn Stadhouder in Zeeland machtigde, maar bleef zelf t' huis. - Een gedeelte van die vloot werd door de onzen onderschept en geslagen, maar een ander gedeelte kwam in Schouwen aan, waar de Hoekschen toevloeiden, en men sloeg zich neer bij Brouwershaven; waar Hertog Filip uit Rotterdam afgestoken hen in een geweldig gevecht deerlijk havende en Zeeland verloste.

Maar Filip kon overal niet te gelijk zijn, en hij werd niet wel gediend. Jacoba maakte, terwijl hij in Zeeland was, Alkmaar te bemachtigen, en belegerde nu met misnoegde Kennemerlanders de stad Haarlem. Dit beleg echter werd opgeslagen, maar bij Alfen viel weder een gevecht voor, waar zij de overhand hield; en - vele gevangenen (quasi onder voorwendsel dat het muiterij was zich tegen haar te verzetten) balddadig ter dood deed brengen. Niet dan van zes of zeven Amsterdammers vindt men aangeteekend, dat zij om 't leven te behouden, haar erkenden, maar kort daarna weder afvielen.

Een verdrag tusschen den Stadhouder, en de stad Haarlem met Alkmaar en Kennemerland en den aanhang daarvan, gesloten, had een eind van het beleg van Haarlem gemaakt, en tevens een bestand van zes weken bepaald. Maar Jacobaas Kennemers schonden dit, en gingen, nu men daarop gerust, tot

[p. 102]

geen weêrstand gereed was, heel Holland door plonderen, branden, en vernielen.

Een aantal sloten verwoestten zij, waarvan de Heeren in Zeeland waren; zoo als ook Monnikendam en Enkhuizen voor hen buigen moesten. Hoorn, Medenblik, en Purmerend echter weêrstonden. Hoorn werd belegerd, maar Hertog Filips nu weder in Holland, zond troepen in de stad, die na een hardnekkig gevecht, het beleg opsloegen. Filips verklaarde de voorrechten der Westfriesche steden, waaronder men de dorpen meê verstaan moet, die zeer ijverig tot dat beleg toegeschoten waren, verbeurd, en lei haar een straffe geldboete op, bestaande naamlijk in 123,300 kroonen, binnen zes maanden op te brengen; en een jaarlijksche belasting van vier groten van ieder haardstede.

De Kennemers, reeds te voren met zijn Stadhouder bij wege van verdrag, over hun opstand verzoend, werden om dit nieuwe vergrijp door hem te Amsterdam gedagvaard, en verklaard lijf en goed verbeurd te hebben, doch de Hertog vergenoegde zich met dezen trouw- en eerloozen moordbranderen slechts hun privilegiën te ontnemen; en hun het voeren van alle wapenen te verbieden, behalven eenvoudige broodmessen zonder punten1. Alkmaar moest poorten, muren, en vestingen slechten, verloor stads rechten en werd een open dorp; en moest; behalven zijn opbrengst in de boete, de drie daar om gelegen sloten weêr opbouwen. Hierbij werd gevoegd de keur aan den Hertog van tien personen,

[p. 103]

om zijn wil meê te doen (een uitstekend middel van dien tijd; dikwijls streng ten uitvoer gelegd om individuëelen schrik te verwekken), maar waarvan hij geen ander gebruik gemaakt heeft, dan om hen in vrees te houden. Haarlem en Hoorn daartegen werden edelmoedig beloond, en Hoorn kreeg een slot ter verdediging, 't geen haar ligging midden in dat woeste en woelige land zeer noodzakelijk maakte. Intusschen is het klaar, dat, bij de onbegrootbare schade van die Kennemersche brand- en moordtocht in een staat van vrede gedaan, ook nog groote kosten door den Hertog gemaakt waren, die een nieuwe bede vereischten; deze echter was niet hooger dan 22,000 guldens; waarin het aanmerklijk is dat Amsterdam slechts ƒ 3 droeg tegen ƒ 5 die Haarlem en ƒ 4¼ die Delft opbracht. Dit geld strekte alleen ter betaling van de soldij der 1500 vreemde knechten, die hij tot demping diens moedwils voor zes maanden in dienst had moeten nemen.

Hoe zeer Jacoba zich reeds geheel Holland en Zeeland onderworpen waande, viel het geheel anders uit, en de woelingen van haar aanhang hadden tot niets anders gediend dan om Hertog Filips te volkomener in het bewind te vestigen. Hij trok in Julij en Augustus de Hollandsche steden door, en werd overal met die hartelijkheid, die zijn goed en beminnelijk karakter verdiende, en hem den naam van den Goede deed geven, ontfangen. De Hoekschen beproefden nog te water een inval in Enkhuyzen, waar zij op een middag, terwijl men gerust aan tafel zat, meer dan honderd burgers oplichteden, en vervolgens balddadig onthoofdden; maar het

[p. 104]

diende niet dan om 't afgrijzen voor hun te vermeerderen.

Het is der moeite waardig, wagenaar hier bij na te slaan1, zoo men van den duivelenaart der Hoeksche partij die hij aanhangt, een recht denkbeeld wil vormen. 't Is de Duivel zelf tegen 't licht der blijkbare waarheid aangrijnzende, met een Amsterdamsche Burgemeesterspruik op den kop, en met de staart (als een bandrekel die zich bep... heeft) tusschen de beenen getrokken! - En zulke duivelen hebben in Holland den eenvoudigen burger zijn Historie geleerd!

Jacoba zag nu weder haar gezag tot de drie steedjens bepaald, waar zij eerst ingenomen was, naamlijk Gouda, Schoonhoven, en Oudewater. Echter hield ook Zevenbergen, op Brabantschen grond gelegen, als bezitting van Gerrit van Strijen, haar zijde. Filip nam dit steedtjen in April 1426. Nu moest het Gouda gelden, waar zij zich persoonlijk bevond. De hardnekkigheid en moedwil van hare partij dwong den Hertog de vreemde bende van 1500 man nog zes maanden aan te houden, en dus te betalen; hierover ontstond hier en daar beweging, waar de Hoeksche geest onder woelde. Te Delft kostte dit het leven van den Schout in een oproer. Een en ander werd gestild, gestraft of geboet, en alles schikte zich.

De bewegingen waarvan wij gewagen, zijn tot het jaar 1427 te brengen. En dit zelfde jaar werd de uiterlijke aanspraak van 't hoogste Geestelijk Ge-

[p. 105]

rechtshof over Jacobaas huwelijk gedaan. Dat bij dit vonnis, 't geen wij boven hoofdzakelijk gemeld hebben, maar niet volkomen onder 't oog hadden, het verbod was uitgedrukt, van, ook na den dood van haar gemaal, geen huwelijk met den overspeligen Glocester aan te gaan, gelijk het Kerklijk en Wareldlijk recht medebrengt, spreekt van zelfs, en moest er een noodwendig ingrediënt van uitmaken. Maar de e.......... wagenaar vertelt ons met zijne A............ onbeschaamdheid, dat dit een zeer ongewoon bevel was, 't geen ten bewijze strekt hoe veel Filips bij den Paus vermocht, en ten zijnen behoeve nb. verworven wierd. Kan men schaamteloozer uitdenken, en is het deksel de pot niet waardig? (dignum patella operculum!)

Jacoba beriep zich op eene Kerkvergadering; die misschien over 100 jaren gehouden stond te worden1, of (zegt wagenaar om toch zich-zelv' in domheid gelijk te blijven) ad papam melius informatum2 (hij was het maar al te wel, voor dat ondier), ‘of op een andere wijze,’ zegt hij, ‘want hij vindt het niet uitdrukkelijk gemeld.’ Misschien was het aan wagenaar-zelf; ten minste die beslist anders, en daar is zij zekerlijk zeer meê gebaat. Het ongelukkige van dat alles was maar, dat een Kerkvergadering, die nog niet bestond, - een Amsterdamsche Secretarijklerk, die eerst over 300 jaar op zou

[p. 106]

staan, geen Mandament met inhibitie konden verleenen; en dus, provoceeren baatte hier niets. Zij was wel genoeg in de wol geverfd, om evenwel hare overspelige gemeenschap openbaar voort te zetten, maar Glocester had toch nog eenig aanzien te bewaren, en zei haar de dienst op. En zeker! ‘die tijding trof haar diep.’ - Hij had ook reeds een ander liefjen sints lang aan de hand, waar Jacoba wel niet kiesch genoeg was om zich over te storen, maar daar hij zich beter bij hevond, en dit trouwde hij. 't Was Eleonore Cobham, die door hare heerschzucht zich hatelijk gemaakt hebbende bij het bewind1, wanneer het Regentschap van Glocester ophield, zich een schandelijk vonnis op den hals haalde, dat eenige jaren daarna een beschuldiging tegen haar man, die in de gevangenis omgebracht werd, ten gevolge had. Hij-zelf werd beklaagd, en was van geene goede hoedanigheden ontbloot.

Of het afgesproken was, stierf nu Jan van Brabant, haar man, op den 17 April 1427, en zij was derhalve nu wederom Weduw, en kon te vrijer naar een ander omzien. Zoo zeer zij in de engte gebracht was, gaf dit moed. Willem van Brederode had een vloot op de Zuiderzee, waarmeê hij veel

[p. 107]

kwaad deed; Texel in haar belangen had overgehaald, en op Wieringen vlamde; en het werd tijd, dat daar tegen voorzien werd. De aan 't water gelegen steden van 't tegenwoordig West-Vriesland met Amsterdam rustten eenige gewapende vaartuigen tegen hem uit, en daar viel nabij Wieringen een zeeslag voor, waarbij Brederode met zijn meeste volk, dat niet in 't gevecht omkwam, gevangen werd genomen. En daar het tijd was om eens represaille tegen 't kwade wijf te gebruiken, werden er 84 van de meest schuldigen te Enkhuizen onthoofd. Brederode werd niet dan door zijn hooge geboorte verschoond. - Dit was voor Jacoba een donderslag, en nu wachtede zij, als onmisbaar, in Gouda belegerd te worden; waartoe ook inderdaad aanstalte gemaakt werd. En in de lente (want de winter had het inschepen van de benden uit Sluis in Vlaanderen opgehouden) trok Hertog Filip ook werkelijk aan, tot dat einde. Zij zag geenen uitweg, en haar Hoeksche vrienden verlieten haar. Zij moest zich dan onderwerpen, en de Hertog liet zich welgevallen een verdrag en zoen met haar aantegaan, beter dan haar gedrag haar had laten hopen. Dit verdrag werd gesloten op den 3 Julij 1428.

't Spreekt van zelf, dat zij in het vonnis tegen haar gewezen berusten moest, en van alle bewegingen daarover die niet dan haar nog verder schandvlekken konden, afzien.

't Is desgelijks klaar, dat haar de naam en tijtel van Gravin niet ontnomen kon worden, die haar eens toegestaan was. - Maar

Zij mocht zich niet weder in een huwelijk begeven, dan met toestemming van haar Moeder, van

[p. 108]

Hertog Filip, en de drie Staten van haar Landen1. Een gevolge der Curatele die zij zich door haar wangedrag op den hals gehaald had, en van de uiterste noodzakelijkheid was. En hier bij werd de poenaliteit gevoegd, dat zij, nu voor alsdan, de onderdanen van alle gehoorzaamheid jegens zich ontsloeg, ingevalle zij zich tegen dit punt vergreep.

Filips werd door haar erkend voor Ruwaard en Erfgenaaam harer landen, en hem werd de Regeering geheel overgelaten, tot dat zij, met de toestemming evengemeld, hertrouwd zou zijn.

In de aanstelling der Raden ter Regeering zou Jacoba er drie benoemen, Filips de zes overige.

De beden zouden voortaan voor ⅔ tot aflegging van oude schulden aangewend worden, ⅓ tusschen Filips en Jacoba verdeeld worden; andere inkomsten van toen af, aan haar uitgekeerd worden, na aftrek van de wedden der amptenaren en onkosten.

Over de nalatenschap van Jan van Beieren, zou door goede-mannen, uitspraak gedaan worden.

De wederzijdsche ballingen worden hersteld, gevangenen losgelaten (weinige gevallen uitgezonderd), en de schaden gecompenseerd: - maar die schuldig bevonden zouden worden aan de dood van Jan van Beieren worden van alle zoen uitgesloten.

De Hertog van Gelder en ook (des begeerende) de Bisschop van Utrecht [worden in de vrede begrepen].

[p. 109]

De veete tusschen de twee partijen wordt verzoend, en alle verwijt daar over, ook het noemen van Hoeksch en Kabiljaauwsch, wordt bij strafgebod opgeheven.

Ingevolge van dien trok Filips met haar door Holland en Zeeland rond, en werd daar als Ruwaard en Erfgenaam gehuldigd, waar van zij, als Gravinne, hem ook brieven bezegelde; en zij begaf zich te Goes in Zuid Beveland ter woon, welke stad haar altijd genegen geweest was. - De Regeéringsraad werd aangesteld, de Hertog veranderde de Stedelijke magistraten, en stelde Frank van Borselen tot zijn Stadhouder; en vertrok toen naar Vlaanderen.

 

Terwijl dit alles in Holland gebeurde, was er in het Sticht van Utrecht vrij wat omgegaan. Na 30 jaren regeerens was Bisschop Frederik van Blankenheim in 1423 overleden, en de verkiezing van een opvolger viel op Rudolf van Diepenhout, Kanonnik van Keulen. Maar de Paus Martijn V wilde geen Bisschop bevestigen, maar zelf verkiezen. De Utrechtsche Geestelijkheid verdedigde haar recht en gebruik vruchtloos. De Paus stelde Raban, Bisschop van Spiers, op den Utrechtschen zetel, maar deze vreesde voor de verdeeldheden en stond zijn recht af aan Zweder van Kuilenburg, Utrechtschen Domproost, die bij de verkiezing van Rudolf, na hem de meeste stemmen gehad had, en nu (schoon niet dan met moeite, en mediantibus nummis [voor geld]) 's Pausen bevestiging kreeg. De Geestelijkheid der Hoofdstad ontfing en erkende hem ook. Maar het overige van 't Sticht

[p. 110]

wilde Rudolf behouden, en verzettede zich tegen des Pausen aanmatiging. Martijn, zeer gestoord, deed de Utrechtsche plaatsen, waar men Zweder niet erkende, in den ban; waar door in eenige kerken alle dienst geschorst werd, terwijl zij op andere, waar men minder ontzag voor den Heiligen Vader had, voortging.

Maar Zweder liet het bij de Pausselijke banpijlen van uit de verte niet blijven; hij trok ook het zwaard. Hij bemachtigde het slot ter Horst, en dwong Amersfoort, Rheenen, en voorts Utrecht, hem als Bisschop te ontfangen en aantenemen. In Augustus 1425 deed hij zijne intrede in Utrecht, waar Rudolf (kort te voren) uit geweken was, en schoon hij beloofd had geene ballingen met zich te zullen laten inkomen, (als waar van groote bewegingen te voorzien waren) volgde echter een zoodanige sleep van die, in zijn gevolg, dat er oogenbliklijk een opschudding ontstond, waar bij een Burgemeester der stad vermoord werd. Hij pleegde straks velerlei geweldenarijen, zoo men wil, sprak wekelijks den ban en den vloek over zijn mededinger Rudolf uit, en verbond zich met de Kabiljaauwschen in Holland, stond Amersfoord aan Jan en Willem van Egmond af, die hem in maagschap bestonden, en verbond zich naderhand ook met Hertog Filips, die Rudolfs aanhang, en de vrienden der Hoekschen in 't Sticht, met de wapenen aantastte.

Een samenspanning ten behoeve van Rudolf dreef Zweder, in 't volgende jaar, ter stad uit, en beide het Over- en Neder-Sticht viel hem af. Hij vestigde toen den stoel van zijn Bisdom te Dordrecht, en

[p. 111]

bleef (over het geheel genomen) van de Kabiljaauwschen erkend: terwijl Rudolf daartegen, die als Postulaat, Ruwaard, en Beschermer, van het Bisdom werd aangenomen, (gelijk men denken kan) de vriend der Hoekschen moest worden, en zich met Jacoba verbond.

Hertog Filips belegerde Amersfoort, en dit beleg duurde tot in den zomer van 1428. Die van Amsterdam leiden een groot oorlogschip in den mond van de Eem, om aan de belegerden den toevoer te water af te snijden, en de Haarlemmers met hun, en de Hoornschen bemachtigden Bunschoten en voorzagen het leger des Hertogs, van over de Zuiderzee. Men brak het heleg echter op en sloot een bestand met Rudolf in dit jaar, en dit bestand werd van tijd tot tijd verlengd, of vernieuwd, tot in den aanvang van 1430 vrede gemaakt werd, waar bij de Bisschop Postulaat of Ruwaard aannam, met de Magistraten der Stichtsche steden, den Hertog een halve mijl buiten Utrecht te gemoet te gaan, en aldaar knielende om vergiffenis te smeeken, waarna men hem, Hertog, met kruissen en vaandelen zou inhalen, en zijn banier drie dagen achtereen op de poorten van Utrecht, Amersfoort en Reenen zou staan. - Hij drong echter op de uitvoering niet, te vreden zijnde dat hij 't recht had; en dit was geheel in zijn aart.

Eugenius de IV die in 1431 den Pausselijken zetel beklom, bevestigde Rudolf als Bisschop. Zweder, om hiertegen herstel te zoeken, trok naar Bazel, waar een Kerkvergadering gehouden wierd, die te Pavia beroepen, en daarna naar Sienne verlegd,

[p. 112]

nu hare zittingen in Bazel vervolgde, en tusschen welke en dezen Paus een groot misverstand was, dat echter bijgelegd werd. Gedurende dit misnoegen achtte hij die bevestiging wel te kunnen doen intrekken, maar hij overleed daar. Die van zijnen aanhang kozen toen Walrave van Meurs, en daar het Concilie van Bazel steeds voortduurde, werd Paus Eugenius in 1439, na nieuwe geschillen afgezet, en Felix V trad in zijn plaats, en bevestigde dezen, die dan ook te Dordrecht zijn zetel hield, en in 1456, zonder ooit eenig gezag in het Sticht geöefend te hebben, overleed. Zoo veel van de Stichtsche zaken.

 

Het behoort tot de regeering van Willem VI. dat in 1416 het eerste groote Haringnet gebreid is, en sedert die epoque de grootere schepen, die men Buizen noemt, ten Haring gevaren zijn. Dat het kaken reeds omtrent een eeuw vroeger door Willem Beukelszoon van Biervliet is uitgevonden, behoefde als te overbekend niet geroerd te worden, ware 't niet dat men van dit uitvinden zich een geheel verkeerd denkbeeld maakt. Hierdoor is er nu onlangs eene nieuwe nationale twist tusschen de Nederlanders en de Franschen over die uitvinding ontstaan, welke laatste aan Beukels zijn roem betwisten, en zeer wel bewijzen ('t geen zonder hen ook zeer wel bekend was) dat lang voor Beukels, de haring, het haringzouten, en haring in tonnen te pakken en te verzenden gebruiklijk, en een voorwerp van koophandel was [Zie de Bijvoegs.] - Wij mogen de uitvinding der Drukkunst daar bij stellen, die men in 1428 of 1440 stelt en te Haarlem aan Laurens Koster toege-

[p. 113]

schreven, door Duitschland aan hem betwist is, en nu 300 jaren en meer een nationaal geschil opleverde, schoon het oudste boek dat bestaat, de Codex argenteus, en de bullae aureae of gouden brieven der Grieksche Keizeren van den vroegsten tijd af, desgelijks gedrukt zijn. Het is licht deze geschillen te doen ophouden, en te toonen dat beide partijen gelijk en ongelijk hebben. Waarvan afzonderlijk! [Zie de Opheld. en Bijvoegs.]

Het behoort desgelijks tot dezelfde regeering van Willem een herinnering te doen aan het groote verbond der koopsteden in Europa, dat zich allengs begon te vormen; maar het was in het jaar 1418 en dus onder Jan van Brabant (of zoo men 't gewoon is te noemen, onder Jacoba) dat hun zoogenoemd Hans-ee (of groot verbond) in volkomen stand werd gebracht, en onze Hollandsche steden Dordrecht, Haarlem, en Amsterdam, daar in toetraden, zoo als ook de drie Overijsselsche Hoofdsteden. Uit Gelderland voegden zich Nijmegen, Harderwijk, en Zutfen, daarbij. Het werd dus tot 46 gebracht. [Zie de Bijvoegs.] Dit verbond betrof eenige nuttige overeenkomsten omtrent de regelmatigheid van den handel en zeevaart, maar waarbij er ook eenige waren van verder uitzicht, en die, zoo het verbond ooit de kracht had gekregen, waar het vatbaar voor was, de algemeene Koopmansdwingelandij ruim vier eeuwen vroeger had doen ontstaan, en zeker met ongelijk grooter geweld en nog erger gevolgen, dan zij sedert gehad heeft, nu zij zich meer middelijk en gemaskerd vestigde. [Zie de Opheld. en Bijvoegs.]

Ondertusschen ziet men dat zij reeds zich aanma-

[p. 114]

tigden lijfstraffen te zetten, zoo wel als mindere persoonlijke straffen: - en, schoon zij een uiterlijk wilden bewaren van eerbied voor stedelijk gezag (Vorstengezag kwam in geen aanmerking), zoo werd aan de kooplieden een plicht van resistentie, en een overgezag boven de Magistraat opgelegd en toegekend, en gesanctioneerd.

 

Jacoba (om tot haar weder te keeren) bracht nu sedert de helft van het jaar 1428, haar tijd door, zoo zij kon, niet kunnende, zoo zij wilde of wenschte. 't Viel haar hard zonder man te zijn in een nog zoo bloeienden leeftijd, en hoe zou zij tot een huwelijk geraken? Tot een echt naar haar geboorte en rang, was de weg haar volstrekt gesloten door eene zulke beruchtheid, als de vrucht van haar eerloos gedrag was, en tot een ongelijk huwlijk, beleedigend voor haar maagschap, zou deze nooit toestemming geven. Haar dartele en wufte aart dreef haar tot het zoeken van uitspanningen en vermaken onder Burgers en Boeren, in wier feesten zij deel nam, en gemeenzaamheden, welke een Vorst of Vorstin bij die klasse bemind maken, zoo wanneer zij het blijk van toegevendheid, of (in den eigen zin des woords) van genadigheid dragen, (d.i. condescendence), maar die dan, als zij tevens een smaak voor zoodanige laagen nietigheden verraden, de algemeene verachting na zich sleepen. Het gemeen lachte daarover; zij die boven 't gemeen waren, haalden de schouders op, en toonden medelijden; en wie van den Adel haar nog aangehangen had, verwijderde zich van een vrouw, die nog hare waardigheid niet wist te

[p. 115]

bewaren, maar de spot van de Natie wierd. Hare inkomsten bovendien, dropen haar door de handen in de veelvuldige verkwistingen en frivoliteiten waar zij aan overgegeven was; en hare oude vrienden werden 't moe, zonder eind, zonder vrucht, en zonder eenig uitzicht op teruggave of vergelding, het hunne daarbij op te zetten; en zij verwijderden zich van eene vrouw, over wier spoorloosheden zij zich eindelijk schaamden. Niemand bekreunde zich harer meer, en niemand zag naar haar om, dan alleen de Stadhouder, wiens opzicht zij bijzonder was aanbevolen. - Deze, een man van een zwak en week karakter, die haar reeds van tijd tot tijd groote sommen had opgeschoten, zag haar met deernis en deelneming, in zoodanig een staat van verlatenheid kwijnen, sprak haar moed in, ondersteunde haar op nieuw met geld, en er ontstond een vertrouwlijkheid tusschen haar beide, die verder gevolgen had. Het was ook inderdaad een zeer belangwekkend en aandoenlijk voorwerp, een Vorstin van die afkomst en stand, door geboorte en huwlijk met de eerste Koninklijke huizen vermaagschapt en bestemd (naar het scheen) een der eerste thronen der wereld te bestijgen; en daarbij niet misdeeld van een uiterlijk dat veel inboezemde, in een zulken toestand vervallen, dat zij in tranen wegsmolt, en zich over alles zoo wel als over haar eigene wuftheid, losheid, en onberadenheid hevig beklagende. En geen wonder dat dit hem het hart trof. - Hij zelf was een welgemaakt man van een edel voorkomen, en wiens omgang zeer geschikt was het hart ook van een minder lichtgeroerde vrouw dan Jacoba te winnen. Zijn gedrag jegens

[p. 116]

haar boezemde haar dankbaarheid in, en die dankbaarheid bij haar, bracht, even als het medelijden met haar ongeluk bij hem, een verknochtheid voort, die men in zulk een geval dan vriendschap heet, maar zeer spoedig haar waren aart openbaart.

Lang had zij hem op alle mooglijke wijze aangemoedigd en aangelokt, wanneer zij zich eens op een ontbijt bij hem op een zijner lusthuizen noodigde. Hij nam die gelegenheid waar; versierde de kamer met willigen-takken, en tusschen twee willigen-takken telkens de letter D, en geleidde haar derwaart naar het ontbijt1. Zij van hare zijde was zeer beminlijk; zij beschouwde de zaal met veel aandacht, prees zijn smaak, zijn elegance, en vroeg met een dartelen lach, en dat half onnoozel, half schalksche abandon dat een Fransche coquette zoo schoon weet te veinzen, wat die versiering van willige en D. toch beteekende? Hij aarzelt, valt haar te voet, en zegt: ‘wat anders dan het gevoel van geheel mijn hart: dijn willige dienaar.’ De liefdesverklaring was geschied; zij stort in zijn armen, en zij zijn het eens. Fluks om een Priester gezonden! en Jacoba heeft weêr een man!

Een zoo ongelijk huwelijk als dat van eene Koninklijke weduw met een bloot Edelman, was van de soort niet, om de toestemming of goedkeuring van fiere Bourgondische loten, als haar Moeder en Oom, op te vragen, of zelfs door eene Natie, wier Adel Arkels en Egmonds onder zich telde, erkend te

[p. 117]

worden. Het moest dus een diep geheim blijven. - Maar hoe kon het dit? - 't Duurde niet lang, of de kwijnende, vervallen, en steeds meer en meer verslensende look op, en herjeugdigde derwijze, dat het ieder in 't oog blonk. Borselen van zijne zijde gevoelde zich thans de gemaal van een Vorstin, en door haar, aan de voornaamste Koninklijke huizen verwantschapt, en dit vloeide op geheel den man in. - Men zag de verandering in beide, en had ten eenemaal verstandeloos moeten zijn, om niet spoedig het raadsel te ontwinden. De zaak kwam tot Hertog Filip, en daar was geen ontkennen aan. Zijne verontwaardiging was groot, en zijne eerzucht niet weinig door de affiniteit met een Edelman als Borselen gekrenkt. - Wat haar betreft, zij was volgens het verdrag van 1428 met dit dolle huwelijk van alle hare Staten vervallen, en hare onderzaten waren van hunne trouw en gehoorzaamheid aan haar ipso facto ontslagen, daar was geenerhande plooien aan. - Borselen had zich aan het uiterste misbruik van het vertrouwen van zijnen Vorst, en dat wel, in de allertederste zaak, schuldig gemaakt, en zijn vermeten was niet minder dan gekwetste Hoogheid.

Niets anders derhalve kon deze voor zijn attentaat, dan de doodstraf; zij, dan eene strenge en eeuwige gevangenis voor den hoon, hare geheele maagschap aangedaan, wachten; en geen Vorst ter wareld zou het misdrijf lichter gewroken hebben. Filip, de altijd goede Filip-alleen, kon ook hier zijn verkregen bijnaam bewaren door eene genoegzaam voorbeeldelooze inschikkelijkheid. Hij schonk haar de aanzienlijkste der heerlijkheden, Voorne met Tholen en

[p. 118]

Zuidbeveland, en tevens de tollen van Holland en Zeeland. - Hij vereffende (om de eer van zijn geslacht) zoo veel hij mocht, de ongelijkheid van het huwelijk, dat, na Kerkelijke rechten voltrokken zijnde, niet dan door de dood te scheiden, en volstrekt niet te vernietigen was, door hem tot Grave van Oostervant te verheffen, een tytel en gebied, welke Jacobaas broeder, indien zij er een had gehad, gevoerd en bezeten zou hebben, en waardoor derhalve de afstand (wel niet van geboorte, maar ten minste van rang) eenigermate weggenomen wierd. En het huwlijk van den nieuwen Graaf van Oostervant met de dochter van Hertog Willem den VI bekend zijnde, vereerde hij hem nog met de Ridderorde van 't Gulde Vlies, die hij, ter gelegenheid van zijn eigen huwelijk met de Princes Izabella van Portugal in het jaar 1430 had ingesteld. - Men oordeelde het geraden, om (zoo veel doenlijk) haar aanzien nog eenigzins te bewaren, aan den overgang van het Graaflijk recht de uiterlijke form van een afstand van hare zijde te geven, waarvan dan de brief op den 12 April 1433, met voorgeven van motiven van haar te groote zwakheid als vrouw tot zulk eene regeering, het nut en de welvaart der Landen die 't vereischen, en de liefde voor haar zoo na verwanten broeder Hertog Filip, werd opgemaakt; en het reeds heimlijk voltrokken huwlijk, werd dan, om het zelfde decorum [fatsoen] te betrachten, nogmaals en als toegestemd door Hertog Filip, in het openbaar te St. Maartensdijk in haar heerlijkheid Tholen met de kerklijke plechtigheden in statie voltrokken en ingezegend, ingevolge de regel des rechts: quae

[p. 119]

abundant, non nocent1. Zoo dat onze Jacoba, om drie mannen te hebben, vijfmaal getrouwd is. Dat zij dezen haren derden Gemaal recht lief had, daar is geen twijfel aan. Zij noemt hem ook dikwijls haren lieven en̅ zeer geminden geselle en̅ witachtigen beddegenoot, tot wien zij sonderlinge liefde, rechte minne en̅ volcomen jonste mit aller harer herten is dragende en̅ hebbende. Zij stond hem ook, ten bewijze daar van, de heerlijkheid van Voorne, met den Briel en Goêreê af, ook het Houtvesterschap van de wildernissen in Holland, welke Filips haar desgelijks verleend had.

Hoe zeer met dat alles dit huwelijk Hertog Filip tegen de borst was blijkt daar uit, dat hij nooit den naam heeft willen hebben van het toetestaan; maar op den 9 December 1433 haar in algemeene termen alleen vergunde te trouwen wien zij zou goedvinden, mits geen vijand van hem, en mits innemende den raad van drie zijner Raadsheeren ten hove, daar genoemd. Na 't welke deze drie Raadsheeren dan raad en toestemming geven, dat zij huwt aan Frank van Borselen, den 27 Januarij 14342.

Van Margreets toestemming tot dit huwelijk, schoon zij nog veel later geleefd heeft3, blijkt niet. Integendeel wordt in de huwlijksche voorwaarde4 het huwelijk gezegd ‘bij toespreke van sommigen onse

[p. 120]

vrienden en̅ magen, geraempt, gedadingt, gesloten, en overdragen te zijn;’ waar de Moeder vooral genoemd had behooren te worden.

Vergelijke men nu bij een gedrag zoo toegeeflijk, zoo meêgaande en zoo weldadig, en nog veel weldadiger en milder in giften dan wij hier hebben uitgedrukt, de lasteringen en valschheden door wagenaar (of zeggen wij liever bij wagenaar, want hij is er de eerste autheur niet, maar slechts de naschrijver van, en versiert het alleen met zijn Amsterdamsche klerks-pen) over deze zaak tegen den goeden, en met nadruk goeden Filip uitgebraakt, wie is er, wiens bloed koel kan blijven. Dat wagenaar zich de affiniteit met zijn nicht tot groote eer zou gerekend hebben; dat hij 't aardig en lief zou gevonden hebben, zoo een nicht openbaar voor hoer speelde, en de wareld met het gerucht van haar eerloosheid vervulde; dit mag hij en die hem gelijk zijn toegegeven worden op al het overige dat men hun toegeeft: maar dat men een der beste Vorsten, wiens braafheid, zachtmoedigheid, billijkheid, en grootmoedige goedheid, wiens geheele leven in vergeven, verzoenen, en weldoen bestaat, met rekels-tanden verscheurt, om zulk eene verachtelijke lichtekooi, die alle ondeugden in zich vereenigde, de schandvlek van haar geslacht, kunne, en volk, zijn stinkende lof toe te zwaaien, dit behoorde door al wat eerlijk was, ter harte genomen te worden gelijk het verdient.

Wij hebben gezien, hoe hij (Filips) in alles haar eer en aanzien door de best mogelijke wendingen aan de zaak te geven, heeft trachten te bewaren, en

[p. 121]

de zaak, quae, facta, infecta fieri non poterat1, welke hem tot de strengste handelwijze gerechtigde, in een plooi te brengen, die het aanstotelijke zoo veel mooglijk, verminderde. Wij hebben gezien hoe hij haar, die alles verbeurd had, persoonlijk en in haar man met giften verrijkte, van goederen en waardigheden, de zijnen toen hij ze gaf en die 't apanage van Koningskinderen waardig waren; en hoe hij haar zelfs de eer liet van quasi af te staan, 't geen het hare niet meer was, onder verbloemde motiven die haar schande bewimpelden. Maar alles is vol van nieuwe giften en gunsten van hem. Zoo liet of gaf hij haar buiten Borselen, en het geen straks gemeld is, het Land en Ambacht van 's Gravenzande, van Maasland, van Vlaardingen, met de hooge, lage, en middelbare heerlijkheden; en de plaatse van Leerdam, het land van der Lede, van Schonewoirde, Nieuwborg, Ouddorp, St. Pancras, Coedijk, Graft, Schermer, Ursem, met al den aanhang daaraan vast. De stichtingen die zij gedaan had, de gunsten die zij bewezen had, liet hij in kracht, en bevestigde ze, waar het gevergd werd. In der daad de toegeeflijkste vader had zijne eenige dochter bij zulk een gedrag niet zachtmoediger kunnen handelen; en dit is door tijdgenooten en nageslacht ook erkend geworden. Niettemin werd er kort na dezen overgang der Graafschappen, een Henegouwer gevonden, Egidius van Postel genaamd, die een toeleg maakte, om den den Hertog op de jacht verraderlijk dood te schieten, die van het feit overtuigd dan ook met het

[p. 122]

zwaard gestraft en vervolgens gevierendeeld werd. Daar de booswicht aan 't Hof van Margrete, Jacobaas Moeder, was groot gebracht, ging haar de spraak na, van dien moord besteken te hebben1, vooral mede, omdat zij zich inbeeldde dat hij haar dochter wel een voeglijker huwelijk had kunnen beschikken, waarbij zij haar stand behouden had; en van toen begonnen zijne vijanden hem heerschzucht en eigenbaat toe te schrijven, vooral na dat de dood zijner zuster hem met den Hertog van Bedfort in onmin gebracht had over aanspraken die deze op het recht zijner Gemalinne meende te mogen gronden.

De uitgestrektheid der bezittingen, door die zijner betrekkingen in eenige jaren ontzachlijk vermeerderd, wikkelde hem in aanspraken over opvolgingen, lijftochten, pandschappen, schulden, en rechten in menigte, gedeeltelijk tegen hem persoonlijk ontstaan, en grootendeels reeds tegen de vorige bezitters gevoerd, en met die onvereffend gebleven, of door transactien afgedaan, maar die men nu ex post facto weêr breken wilde, met weêrophaling van reeds vergeten of uitgestorven geschillen. Sommigen dezer aanspraken waren van de uiterste ongerijmdheid; ten aanzien van anderen onderwierp hij zich aan scheidslieden, of aan de gewone gerechtshoven. Maar te vergeefsch waren de gewijsden in zijn voordeel; die ongelijk kreeg, bleef zich verongelijkt achten, en van het Hollandsche spreekwoord: ‘die zijn proces verliest, mag zes weken lang op partij en rechter schelden,’ werd gebruik gemaakt niet alleen, maar

[p. 123]

ook wagenaar1 vermeet zich de gewijsden van den Raad van Holland daaromtrent even als die van het Hof van Rome te reformeeren.

Het is onmogelijk, alle die geschillen hier op te vatten, en zelfs ontbreken er ons de bescheiden toe; maar zoo men sur l'etiquette du sac moet oordeelen, zal het ten minste geen Jacoba zijn die de praesumtie voor zich heeft! - Zij leefde niet lang na dit haar derde huwelijk, dat door haar geest en lichaamsgestel even weinig gelukkig kon zijn als het vorige; maar verviel aan den drank. Men drukte dit uit door het legen van kannetjens, of het over 't hoofd werpen van kannetjens; een beleefde spreekwijze waar meê men die zaak aanduidde: en toen men in later tijd de taal zijner vaderen niet meer verstond, maakte men van dit legen het maken van kannetjens2; een schoone bezigheid en zonderlinge liefhebberij voor een vrouw als Jacoba! Die kannetjens waren toen in algemeen gebruik, en werden na geledigd te zijn over 't hoofd uit de vensters gesmeten, ten einde een zelfde niet tweemaal gebruikt zou kunnen worden, het geen de frischheid van de wijn bedorf. Dit was eene elegance en luxe van dien tijd. Zij stierf aan eene zoogenaamde febris hectica op den 8 October 1436, en dus slechts 36 jaar oud zijnde; en de Hollanders altijd goed vrouws uit den aart, en meêlijdend met die in het ongeluk is, vergaten haar hoedanigheden, en beklaagden haar vroege dood, met het echt Hollandsch:

[p. 124]

‘zij was toch zoo heel kwaad niet.’ Dit ging zoo verr', dat men tot groote ergernis van die haar gekend hadden, zelfs een standbeeld op haar graf in de Hofkapel te 's Gravenhage oprechtte, 't geen echter de spot niet ontgaan kon. Eene onbetamelijkheid daaromtrent gepleegd, werd (als billijk was) gelijk een openbare schennis bij 't Hof van Holland in 1464 gestraft. En sedert vergat men de geheele Jacoba, onder de minst beteekenende personen; tot een later tijd de Hoeksche partij bemoedigde om zich geheel en al meester van de regeering te maken, en domheid, kwaadaartigheid, en heerschzuchtige eigenbaat, zich bij haar vereenigden om geheel de geschiedenis te vervalschen.

 

Filip was dan door Jacobaas afstand, zoo wij gezien hebben, Graaf van Holland enz. geworden, even als hij te voren den tytel van Oir van Holland bij zijne Ruwaardij aan had genomen; en eenmaal in 1433 gehuldigd, maakte Jacobaas dood geen verandering in zijn gebied. - Zoo was 't inderdaad facto. Maar quo jure [met welk recht] dit alles? - Jan van Beieren was aan Jacobaas Vader in deze landen opgevolgd en dien volgende beleend. Kon het verdrag van dezen met Jacoba of haar man het Rijks-leen op dezen doen overgaan1? En Jacobaas afstand wederom het doen overgaan op Filip? - En, zoo die afstand en verdragen al eens werken konden gedurende het leven van den gene die den afstand deed, hoe kon het een verder uitwerksel hebben, dan zijn recht zich

[p. 125]

uitstrekte, en het leen beletten van door zijn dood aan het Rijk terug te vallen? - Deze bedenkingen verdienen van het hoogste gewicht gerekend te worden.

Inderdaad; kon Jacoba aan haren Vader, Willem VI, niet opvolgen, zij kon het ook niet aan haar Oom Jan van Beieren, wien het Rijk als haars Vaders opvolger erkend had. En Filip kon het even weinig aan Jan van Beieren als aan Jan van Brabant; als wel cognatus, maar niet agnatus zijnde.

Deze geheele handel moest noodwendig den Keizer tegen zich hebben, als strijdig met de rechten des Rijks: en ware dit het geval niet, men mocht uit zijn stilzitten en niet tegenspreken een volkomen erkentenis afleiden, dat Holland en Zeeland nu een volkomen vrouwenleen waren, waarin de promiscua successio gewettigd was. Doch hoe zeer er geen blijk is dat de Keizer, (die waarlijk in dien tijd de handen vol genoeg had, om zich niet met verdragen te moeien die op eenige wijze plooibaar waren, zich bij de overgifte van Jan van Beieren zien liet, en wien niet altijd even spoedig zaken ter kennis kwamen, waartegen 't van zijn belang geweest zoude zijn dadelijk maatregelen te nemen; en tot wiens geheel stilzitten in één geval wij ook niet besluiten mogen om dat wij hier te lande geen blijk vinden van 't geen hij verrichtte), zich in dat alles gants lijdelijk gedroeg; daar is ten minste blijk dat hij zulke vergrijpen ter harte nam.

Wij bezitten het Manifest, waarbij Keizer Sigismund zich in het jaar 1434 over Filip hevig beklaagt wegens zijne aanmatiging over 's Rijks Leenen

[p. 126]

in de Nederlanden, en hem den oorlog deswegens aanzegt1; en Filip werpt daartegen bij zijn circulaire aan de Vorsten, den moord van zijn Vader op, als waarin hij Sigismund beschuldigt deel te hebben, en Franschgezind te zijn. En hij voegt er bij (waar 't op aankomt) dat hij aangeboden heeft de Leenen te verheffen, maar dat Sigismund 't geweigerd heeft. Op deze (Hollandsche en Zeeuwsche) Leenen slaat inzonderheid 't geen hij zegt, nedum (i.e. ne dicam, vel non tantum), quae nobis ex patris sed et aliorum parentum et progenitorum nostrorum successoribus - provenire nullatenus est haesitandum, absque hoc quod aliqualis devolutio aut mortua manus sibi locum vindicare poterit2. Zijne sustenu is in deze woorden vervat, en het is die welke men in de laatste tijden gevoerd heeft, en waarop de lineaire successien in de Koninkrijken gegrond zijn. [Zie verder de Bijvoegselen.]

Maar in onafhanklijke Rijken om de successie te verzekeren en alle openvallen van den throon voor te komen, is die lineaire opvolging al vroeg vastgesteld geworden, en men heeft die allengskens (als Juris naturalis zijnde) ook in de Leenen toegelaten, en wel (even als het met alle successie in feuda gegaan is) bij inkruiping3.

[p. 127]

De Keizer praefereerde uit een gevoel van aequitas (vera an fictitia non refert1) een afkomeling van een eersten of vroeger Leenman voor een geheel vreemd geslacht, en zoo vestigde zich ongevoelig een gebruik, en het geen voluntatis [vrije goedheid] was, werd welhaast van de zijde der bloedverwanten, necessitatis, en juris [noodzakelijk en recht] gerekend, en als recht afgedwongen. En in dezen toestand was de zaak ten tijde van Filip. Hij zeide met de woorden van den Kardinaal van Ostia: ‘filius descendens sum (te weten van Albrecht) et in feudis imperii succedit filius descendens.’ Ergo! - ‘Imo (zei de Keizer) feudum revertitur ad imperatorem, et ipse confert cui vult,’ met de woorden van den zelfden Kardinaal2. - Zie daar den status quaestionis of liever, controversiae [de staat des geschils], die men (nb.) niet verwarren moet met die van het mannelijk of vrouwelijk leen.

Ondertusschen is 't zeker, dat de zucht en het expressum of tacitum pactum familiae [uitdrukkelijk of stilzwijgend familie-verdrag] onder Keizer Lodewijk reeds aangegaan om Henegouwen altijd bij Holland en Zeeland te houden, de sustenu van deze als een Vrouwe-leen te beschouwen, noodwendig moesten voortbrengen. De vereeniging van zoo veel meer steden en de verheffing van die vereenigde massa tot één Koninkrijk, door Keizer Fredrik III toegestaan, liet niet anders toe. Want

[p. 128]

zonder dat ware 't een Koninkrijk van ééne generatie geweest; en daar Karel de Stoute geen zoon, maar een dochter had, op wie dat Koninkrijk zou versterven, is het klaar, id actum fuisse [dat dit de bedoeling was] tusschen hem en den Keizer; en eo jure [uit dit recht] is dan ook Maria haar Vader in onze Graafschappen opgevolgd.

 

Filip was door de twee Bourgondien (het Hertogdom en Graafschap) reeds een machtig Vorst. Maar ontzachlijk werd hij door het aanerven en de toevoeging van Vlaanderen en Artois, die zijnen vader door dezes moeder, dochter van Lodewijk van Male, waren aangekomen: van het Graafschap Namen, dat hem door de dood van Graaf Diedrijk, wien hij 't afgekocht had, in 1429 aankwam: van 't Hertogdom Brabant en Limburg, waarin hij aan den Graaf van St. Pol opvolgde1, die opvolger van zijn broeder Jan was geweest, en ongehuwd in 1431 overleed: van Luxemburg, door de dood der Hertogin Elizabeth, welke weduwe van Jan van Beieren gebleven was; en waartoe ook het Markgraafschap van Antwerpen en de heerlijkheid van Mechelen behoorden; en nu eindelijk van Henegouwen, Holland, Zeeland, en Friesland. Welk gelukkig samenvallen van zoo vele

[p. 129]

onderscheiden landen, eene zoodanige ronding aan zijne bezittingen gaf, als door den samenhang de macht die zij hem aanbrachten verdubbelde; terwijl er nog dit bijkwam dat hij in die staten geene zoo machtige Leenmannen had, dat zij hem (als in Frankrijk en andere Koninkrijken steeds het geval was) ontrusten konden. Alleen was de ongelukkige samenstelling van Vlaanderen, en de macht van twee oproerige steden aldaar, het geen hem belettede zich in den volstrektsten zin, en in elk oogenblik den machtigsten Vorst van Europa te noemen.

Hij was 23 jaar oud, en had Michelle, de dochter van Koning Karel VI van Frankrijk ter vrouw, toen zijn vader in 1419 op de beestelijkste wijze, door den Dolfijn Karel, Filips schoonbroeder, in een gesprek, daartoe aangelegd, vermoord werd. - Om deze dood te wreken verbond hij zich met zijne namaagschap, en maakte dadelijk een bestand met Engeland (tegen 't welk zijn vader nevens Frankrijk in oorlog was), en in dit bestand werd de ongelukkige Koning Karel begrepen, doch de moorddadige Daufijn uitgesloten.

Het gevolg hier van was een spoedige vrede in Maart 1420, waarbij Koning Hendrik V Katharine, de jongste dochter des Konings van Frankrijk trouwde, en tot huwlijksgoed het Fransche Rijk bekwam, hetwelk door Koning Hendrik als Stedehouder van zijn schoonvader bestierd zou worden, terwijl de Dolfijn onterfd, met zijne medestanders in den moord, gedagvaard, en veroordeeld; en de oorlog tegen hem door Filip en Hendrik gezamentlijk gevoerd werd.

Filip was nog nieuwling in den krijg. In 1421 werd

[p. 130]

hij Ridder geslagen; in zijn eerste gevecht won hij door zijne persoonlijke heldhaftigheid den roem van een dapper krijgsman, alhoewel hij als toen slecht gediend werd, en het gebrek van ervarenheid hem wellicht in den weg was om een zeer ongelukkigen veldtocht te doen.

Het volgende jaar stierf Koning Hendrik V en liet zijnen zoon Hendrik VI den throon, nog een kind zijnde, en onder voogdij van Glocester. Ook stierf in dit jaar Filips Gemalin Michelle. En eindelijk Koning Karel VI van Frankrijk: waar nu Hendrik VI van Engeland als Koning werd uitgeroepen, en Bedford tot Regent van Frankrijk aangesteld, met wien Filip dan ook de vrede bevestigt.

De Dolfijn Karel nam ook van zijne zijde den tytel en het gezag van Koning aan, als Karel VII, en dit maakte noodwendig het aangaan van een verbond tegen hem tusschen Filip en den Regent, die Filips zuster Anna van Bourgondie trouwde.

Gelijktijdig gaf hij zijn tweede zuster Margreet aan den Graaf Arthur van Richemont; maar deze ging spoedig aan de zijde van Karel over.

En in 1424 trouwde hij zijne tweede Gemalin Bonne, na bekomen dispositie van Paus Martijn V wegens namaagschap.

Karel VII genoegzaam tot het uiterste gebracht zocht welhaast Hertog Filip van de Engelschen aftetrekken; en daar het karakter van den Hertog was pareere subjectis1, vond zijne ontmoediging en

[p. 131]

gedurig aanzoek tot vergeving en vriendschap eenigen ingang: vooral daar de Fransche intrigue tusschen hem en de Engelschen eenig mistrouwen wist te zaaien, dat wortel schoot. Het ongenoegen stond uit te breken ter gelegenheid van de stad Orleans, die onzijdig wilde blijven, en welke Karel voorstelde in handen van Filip te stellen. - Maar Jeanne d' Arc verscheen, en daar ontstond een geheele omkeering in den staat van zaken. 't Was nu overwinning op overwinning; Karel werd te Rheims gekroond, en aan alle kanten kregen de Engelschen het te kwaad. Bedford vernieuwde het verbond met Filip tegen Karel; en deze brengt hem hulpbenden, doet met hem zijne intrede in Parijs, waar men hem met groote toejuiching ontfangt, en trouwt in Januarij 1430 (d.i. 1431) zijne derde Gemalinne Izabella (of Elizabeth) van Portugal.

De pracht van die bruiloft was meer dan Koninklijk. Van dien tijd is bij ons in zwang gekomen de Ipocras welke men bij de bruiloften plach rond te deelen. - Daar was in een van de Hertoglijke hoven die open tafelen hielden te Brugge, waar 't huwlijk gevierd werd, een groote Eenhoorn van metaal opgerecht1, welke een springende fontein was; die als men aan tafel ging zuiver rozen-water spoot dat in lampetkannen gevangen werd om de handen te wasschen, en als men aan tafel zat dadelijk in plaats van water vier zoete wijnen spoot, naamlijk Malvesij, Romanij, Muskadel, en Ipocras.

[p. 132]

In een buitenhof was een steenen Hert dat rooden wijn van Beaune uitgaf, en een steenen springende Leeuw die in den rechter voorklaauw een altijd vloeienden beker met Rhijnschen wijn aanbood; maar dit is minder opmerklijk. - Het is bekend dat hij bij die gelegenheid de orde van 't Gulden Vlies instelde, waarvan het diploma in December te Rijssel gegeven is, doch de installatie geschiedde te 's Gravenhage in 't Choor van de groote Kerk, waar ten aandenken de wapens der Ridders in 't gewelf gehouwen zijn; die ik niet weet, of in 1795, op 't voorbeeld der Franschen weggebijteld zijn dan niet.

In dat jaar 1431 veranderde wederom het oorlogslot. De maagd van Orleans (gelijk zij genoemd werd) werd gevangen genomen en als tooveresse verbrand1; en met haar verdween de voorspoed der Franschen. - Gelukkig voor de Engelschen; want nu bekwam Filip iets anders tot zijnent te doen.

De Luikenaars door Karel opgestookt en met bijstand gevleid, dwongen hun Bisschop den oorlog aan Filip te verklaren; tegen wien zij reeds sedert twee jaren gewrokt hadden ter zake van het kasteel van Beaufort, waarover zij met den Graaf van Namen, in wiens recht hij opgevolgd was, een geschil hadden. Deze oorlog was wel van gering belang in zich-zelve, maar daar zij het gevolg van een volksbeweging was, sloeg dit in het volgend jaar (1432)

[p. 133]

over tot Gent, dat in volkomen opstand geraakte over de gehalte van de munt, waarbij verscheiden lieden omkwamen, en een aantal huizen geplonderd werden. Dit eindigde en werd door den Hertog gestild, die hun klachte niet geheel redenloos vond, en eene nieuwe munt deed slaan, waar ieder genoegen meê had; en tevens vroegen de Luikenaars (die wellicht op den Gentschen opstand gerekend hadden) vrede, die spoedig getroffen werd.

Het was thands1 dat de Hertog het huwelijk van zijn Stadhouder Borselen met Jacoba vernam, en hem derhalve uit zijn Gouvernement oplichtte en naar Rupelmonde deed voeren, alwaar hij gevangen bleef tot de uitvoering van het verdrag van 1428 haar beslag had. - Intusschen liet hij niet na, deel in den oorlog tegen Karel te nemen, en veroverde zelfs in dat jaar (1433) nog eenige plaatsen op hem; loed daartegen een inval van Karel van Bourbon, die den Franschen Koning diende, en de zuster van Filip, Agnes, in huwelijk had: maar deze oorlog was niet meer in samenstemming met de Engelschen, ter zake dat de dood van zijn zuster Anna, en de aanspraken die Bedford sedert tegen hem vormde, eene wezendlijke verdeeldheid tusschen hen te weeg brachten.

In het jaar 1434 was er in 's Hertogs landen een oorlog tusschen de steden Antwerpen, Brussel, en Mechelen, over het recht van kermishouden2. Dit werd door hem gestild. En in dit jaar ijverde de Ge-

[p. 134]

malin van Karel van Bourbon, zoo wel als de Graaf van Richmont, desgelijks zijn Schoonbroeder, om hem tot verzoening met Karel VII te bewegen. - Zestien jaren had hij de Franschen bestreden, en deze oorlog had nu reeds meer dan 300,000 strijdenden het leven gekost, ongerekend de weêrloozen, vrouwen, en kinderen, bij veroveringen, plonderingen, brandstichtingen en dergelijke door toeval of moedwil in den oorlog, gelijk 't plach, omgekomen: en daar hem Karel alle mogelijke voldoening bood en tot de uiterste vernedering kwam, besloot hij de hand tot eenen algemeenen vrede te leenen, waarvoor zich de geestelijke en wareldlijke Mogendheden eenstemmig in de bres stelden.

Ten dien einde werd een bijeenkomst te Atrecht belegd, die den 2 Julij 1435 geöpend werd; maar de Engelschen bleven hardnekkig op den afstand van Frankrijk aan hun Koning volharden, en daar was op hun niets te winnen. De onbillijkheid van dien eisch luidde intusschen te schreeuwender, daar Karel de VI door Hendrik V van Engeland erkend was geworden, en deze zich als zijn Stedehouder gedragen had (waarvan de opvolging zijns zoons volstrekt afhing); en die opvolging aan dien zoon niet ontzegd was dan ter wrake van den moord, waarover hij met de maagschap, en deze met hem, gereed was in zoen te treden. - Het is echter waar, dat de oorlog door Hendrik V niet begonnen was uit dien hoofde, maar op den grond der aanspraak die bereids door Eduard op de Fransche kroon gemaakt was geworden, en Karel derhalve slechts bij wege van een transactie erkend, die den afstand der kroon

[p. 135]

aan hem behelsde; doch deze aanspraak was bij de wareld bereids vergeten, en ook kon een door Karel VI gemaakte transactie (al ware hij wel bij het hoofd geweest) zijnen zoon van 't recht tot de kroon niet berooven, indien hij 't bezat, en het geding was daardoor derhalve niets gevorderd.

Ondanks de pogingen der gezanten van 't Pausselijk Hof en anderen, was de algemeene vrede niet mooglijk. Maar nu vallen de Fransche gezanten Filip te voet, en met hun omhelst zijne Gemalin Izabella zijn knien, en smeekt hem vergeving en vrede, in den heiligsten naam in wien wij ze van God vragen. Zijn hart, niet gemaakt om dit te weêrstaan, brak. De Kardinalen ontheffen hem in 's Pausen naam van 't bezworen verbond met Engeland om geene vrede dan gezamendlijk met hun [d.i. met de Engelschen] te maken. En men wil, dat de Pausselijke bedreiging hier bijkwam, van den Kerkban tegen de Engelschen en hem af te kondigen, ingevalle de vrede op de aangeboden voorwaarde niet getroffen wierd.

Het kan zijn dat zij de last daartoe hadden. Minder aannemelijk is het mirakel, dat men wil dat door de hand van den Kardinaal Sta Croce gedaan zou zijn; - en men mag gelooven dat er ook geen mirakel noodig was.

Nu schreeuwden de Engelschen vervolgens, en bij open brieven noemden zij hem verrader, vijand, en muiteling. Of zij recht hadden is geen quaestio facti, en dus niet historisch, maar zij behoort echter tot een grondig inzicht der historie en verdient dus overweging. - [Zie hierover in de Opheld.]

[p. 136]

Maar zien wij de conditien, waarop Filip den vrede aanging! Zij zijn dezen: -

‘Koning Karel verklaart en zal openbaar in eigen persoon of door Vorsten van zijnen bloede, daartoe door hem gelast, erkennen en verklaren, dat Hertog Jan van Bourgondie op een godlooze, en trouwlooze wijs, met geleiden lage, en verraderlijk vermoord is; dat hem dit gruwelstuk, zoodra hij tot jaren van onderscheid kwam, leed gedaan heeft, en thans nog veel meerder leed doet, en dat hij nooit in dat schelmstuk toegestemd zou hebben, zoo hij zich-zelven machtig, en in staat geweest ware om het geen er geschiedde te kunnen begrijpen of beöordeelen; en dat hij daarom Hertog Filip smeekt en met allen nadruk verzoekt, dat hij hem de dood zijns Vaders vergeven wil, den haat, dien hij daarover tegens hem en zijn rijk opgevat heeft met de rechtmatige begeerte tot wraak nederleggen, en het aandenken daaraan uit zijn gemoed wisschen, ten einde er nu voortaan eene vaste en eeuwige vriendschap van wederzijde gevestigd en onderhouden moog worden.

Ter plaatse waar Hertog Jan eerst begraven is, zal Karel een jaarlijksch fonds oprichten om zielmissen voor hem te doen. Op de brug waar het feit gepleegd is zal hij een koperen kruisbeeld doen oprechten met een opschrift waarom het wordt opgericht. Bij de stad zal hij een Karthuizers Klooster met twaalf Priesters stichten en begiftigen om 't allen tijde voor 's Hertogs ziel te bidden.

Bij de Karthuizers van Dion, waar zijn lijk nu begraven ligt, zal hij desgelijks een kantorij voor de

[p. 137]

zielsrust van den vermoorden oprichten, die dagelijks bij de mis voor zijn zonde boete zal doen.

Voor het geen bij het uitschudden van zijn lijk weggeroofd is, zal hij 50,000 gouden lelien betalen, daar niet onder begrepen de kostbare halsketen, die van paarlen en edelgesteenten stijf stond, waarvoor hij afzonderlijk bovendien voldoen zal. - Aan de Edellieden die bij den moord tegenwoordig waren, hetzij zij nog in gevangenis of op vrije voeten zijn, zal hij de schade en 't nadeel dat zij geleden hebben, vergoeden. Al wie met raad of daad in den moord des Hertogs deel gehad of iets toegebracht hebben, behalven de Koning-alleen, worden van dezen zoen uitgesloten. Al wie van dezelven in 's Konings macht is of mocht komen te vallen zal hij aan Hertog Filip overleveren; die niet in 's Konings macht zijn, zullen ten eeuwigen dage uitgebannen, en hun goederen ten behoeve van Hertog Filip verbeurd verklaard worden. Aan Pilip en zijn nakomelingen worden in eeuwigdurend bezit overgelaten (verscheiden) Graafschappen en Steden. Het Graafschap Estampes te rug gegeven aan Jan van Bourgondie; en aan hem en den Graaf van Nevers, daarenboven nog 3340 gouden schilden, die hun Moeder Bonne op renten gezet, maar de Koning benaderd had. De Graafschappen en Steden ter wederzijde van de Somme, St. Quentin, Crevecoeur, Corbei, Amiens, Abbeville, Pontieu, enz. zal hij aan Filip afstaan, tot hij Koning of zijn nazaten aan den Hertog of zijn nazaten betaald zullen hebben 400,000 gouden lelien. Doornik zal hem 't jaargeld betalen dat beloofd is. Het Graafschap Bologne zal aan den

[p. 138]

Hertog en zijne wettige kinderen en kindskinderen blijven. Zoo lang hij leeft zal hij bevrijd zijn van alle hulde en manschap wegens leen dat hij van den Koning houdt. De Koning zal buiten zijn wil of weten, geen verbond maken met den Keizer, met Spanje, Engeland, of eenige 's Hertogs vijanden. De Burgundiers den Koning dienende zullen hun eigen banier houden. Alle de Pairs van Frankrijk, van Koninklijke bloede of anderen, zullen deze artykelen van vrede en zoen met eigen hand onderteekenen, bezweeren, en met eigen uithangend zegel bekrachtigen, het groot zegel des Konings in 't midden. 's Konings dochter Katharina zal aan 's Hertogs zoon Karel ondertrouwd worden, en hem 120,000 gouden lelien ten huwelijk aanbrengen’1.

Men mag gerust vragen, of boven zoodanig eene voldoening iets meer gevergd kon worden? En of deze voorwaarden niet alles behelsden, wat een zoen van die soort naar zijn aart en naar den geest der tijden bevatten kon of bevatten moest?

Met reden heeft men bij de tijdgenooten van Filip zijne edelmoedigheid en groothartigheid wegens het oprecht vergeven aan Karel geroemd. Maar het kon in dat hart niet vallen, een gedeeltelijken wrok te blijven koesteren. De grootste tegenstander van zijn huis in de Fransche verdeeldheden was de Hertog van Orleans geweest, en zijn borst, niet gemaakt voor 't haatdragen, hijgde om ook met dezen verzoend te worden. Deze Orleans, in 1415 in den slag van Azincourt gevangen geraakt, was nog in En-

[p. 139]

gelsche banden. De verwijdering van de Engelschen die het oogenbliklijk gevolg van de verzoening met Koning Karel was, stond hem in den weg: maar zoo dra er een nadere toetreding der twee Mogendheden ontstond, nam hij die gelegenheid waar, om voor dien vijand de vrijheid te verkrijgen, door het rantzoen voor hem, ter somme van 200,000 gouden lelien, te betalen; en na 25 jaren gevangenis verkreeg deze Prins dus van zijnen edeldenkenden vijand het genot weder van een goed dat hij reeds voor zich verloren achtte. Aandoenlijk was hun beider ontmoeting, en hunne hereeniging oprecht zoo lang zij leefden, schoon de oude wrok bij hun kinderen na beider dood wederom open brak. Deze en meer bedrijven van dezen stempel, vertoonen ons de inborst van den goeden Filip in het ware licht.

 

Men zou onderstellen dat de Hollanders en Zeeuwen die (het kon niet anders) bij den oorlog tegen Frankrijk leden, met deze vrede zeer in hun schik zouden zijn. Ook had de Hertog om hun eer aan te doen, en voor hun bijzondere belangen (voor zoo verr' die bij het sluiten van een vrede eenigzins winnen of lijden konden) te spreken, gemachtigden van hun steden te Atrecht gevorderd. Maar integendeel schreeuwden zij welhaast tegen deze vrede, om dat er een oorlog tegen Engeland uit ontstond, waarbij hun koophandel ongelijk grooter belang had. Eenige Hollanders zelfs kwamen te Londen in een oploop van het graauw om het leven, tot de Koning hen die daar waren (en zij waren in grooten getale), in zijne bescherming nam, na het afleggen van een eed van

[p. 140]

getrouwheid aan hem; van het welk de brieven nog voorhanden zijn. Hij schreef ook aan de Hollandsche en Zeeuwsche steden, ten einde ze van hun Vorst af te trekken; en, gehecht aan de voordeelen van den handel op Engeland, waar zij een geweldig aantal van Hollandsche comptoiren gevestigd hadden, waren zij er slechts al te genegen toe; en de Hoekschen hereenigden zich reeds wederom in het geheim, om hun rol, die men uitgespeeld achtte, te hervatten. Niettemin gedroegen de Magistraten zich getrouw, en zonden deze brieven aan den Hertog, die hierdoor nog ruim zoo zeer als door de woede van 't Londensche graauw en de dolle manifesten des Gouvernements getergd, Engeland den oorlog aandeed.

Het eerste gevolg hier van was, dat de Franschen, door zijne hulpbenden gesterkt en gemoedigd, de Engelschen uit Parijs joegen. Hij zelf belegert daar op Calais; maar daar ontstond een oproer der Gentenaren in 't leger, en de Vlamingen verlieten hem, even als zij in 1411 zijn vader voor Gerardsberge gedaan hadden. Nu vielen de Engelschen in Vlaanderen. Die van Brugge staan op, en verwekken een binnenlandschen oorlog, die met het plonderen van Sluis begint. Met moeite redt hij gemalin en zoon uit hun handen. De Gentenaars mengen zich daar in met hun 52 Gilden ieder onder haar eigen banier. Het gelukt den Hertog wel dit alles te stillen, zelfs vragen de Gentenaars bij eene bezending van 150 gildenbroeders met de magistraat en ambtenaren aan 't hoofd, hem knielende om genade, die hij hun edelmoedig verleent, en zelfs ('t geen zij niet vroegen) met ontheffing van de schatting van 't kalfsvel, hun

[p. 141]

door zijn vader in 1407 opgelegd; maar het duurt geen veertien dagen of Gent en Brugge zijn weêr op de been en beginnen op nieuw een oorlog tegen Sluis1. Want die van Brugge matigden zich een gebied en rechtsdwang over Sluis aan, en daar dezen hun bevelen en dagingen niet achtteden, zoo nam Brugge de wapens op, en Gent voegde zich bij haar. Maar tevens wierp men in Brugge 's Hertogs Raden in de gevangenis. Hertog Filip komt met 70 ruiters in Gent, beroept daar de Staten om te onderzoeken welke grond er was voor dat recht dat die twee woelige steden, de eene over Sluis en Nieuwpoort, de andere over Oudenaarde, beweerden; verbiedt dat die steden iemand anders dan hem als Graaf, gehoorzamen, en verheft het land van den vrije tot het vierde lid der Provincie.

Een nieuw oproer verheft zich eensklaps weder te Brugge ter gelegenheid van [het ombrengen van] een hunner Gilden-dekens in Gent. In dit oproer slaan zij twee onzer Wassenaars dood, zetten hun Magistraten gevangen, jagen wat adel of rijkdom of aanzien bezit de stad uit: maar bedenken zich en smeken weder genade. Hij andwoordt, dat hij met eenig krijgsvolk naar Holland moetende, hunne stad door zal trekken, en hun belangen daar hooren. In de stad gekomen met zijne Edelen en eenige honderd man voetvolks, sluiten zij de poort achter hem voor zijn verdere benden, omringen hem, en moorden voor zijn oog twee of drie burgers die hem 't vivat toeriepen. 's Hertogs stoet rukt de zwaarden uit, kwetst eenige perso-

[p. 142]

nen, en nu vliegt de geheele stad in 't geweer, en valt op hem en de zijne aan met de uiterste woede. Hij wijkt naar de poort die hij in kwam, al vechtende te rug, en met moeite krijgt hij die opgebroken en redt zich dus met verlies van meer dan honderd krijgslieden en eenige Edelen. De smit die hem behulpzaam geweest was in het openslaan van de poort, wordt door de Bruggenaars gevat daarover en ter dood gebracht. Veertig muzikanten van den Hertog en honderdzestig soldaten uit Picardije worden gevangen; de eersten ontslagen, maar de anderen baldadig omgebracht, tot de Geestelijkheid een groot deel door haar tusschenkomst het leven spaart. Die zich verscholen hadden en gevonden werden, werden alle vermoord; die niet gevonden werden, trachtten zich over de stadsmuur te redden, maar verloren meestal het leven daar bij. - Na dezen triomf (waarbij het onzeker is of zij den Hertog, dan de Hertog hen heeft willen verrassen) gaan zij Sluis weer belegeren, en rooven en branden in 't rond; tot de Gentenaars (nu des Hertogs partij voorstaande) tegen hen optrokken. De vrede wordt weêr gemaakt, en zij berusten in 's Hertogs schikking, waarover deze laatste woede geweest was (die naamlijk van 't vierde Lid): maar een zekere Jacob Messemaker is oorzaak, dat het gemeen dit niet goed wil keuren; en de zaak begint weêr van voren af. Zeeuwsche troepen onder 't bevel van den Heer ter Veer jagen hun vrees aan, en benaauwen de stad. Nu nemen zij hun toevlucht tot de Hertogin, en om te toonen dat zij 't nu wel meenen, hangen zij de hoofden die zij eerst gekozen en met bloemen gekranst hadden,

[p. 143]

op: en onderwerpen zich aan 's Vorsten welbehagen, slechts vrede en zoen smeekende, wat hij hun ook zou willen opleggen. Eenige boeten werden hen opgelegd, en veertig personen de voornaamste aanstokers zijnde werden van den zoen uitgesloten, en zij waren verwonderd zoo wel als verheugd daar zoo wel af te komen.

Met al deze inlandsche onrust was niet slechts het jaar 1437, maar ook bijna de helft van het volgende verloopen, eer Filip aan het hervatten van zijne belegering van Calais denken kon. De pogingen nu aangewend om die stad door het doorsteken der zeedijken onder water te zetten en aldus te dwingen, of de Engelschen haar te doen verlaten, liepen weder heel vruchteloos af, en de geheele vrucht van die veldtocht liep uit op het plat branden en verwoesten van het land daar in 't ronde, tot groot nadeel der Engelschen en ter wraak van hun roof en moordtocht, het jaar te voren in Vlaanderen gedaan. - In Junij geschiedde de verloving van 's Konings dochter Katherina, toen 10 jaren oud, met den Graaf van Charlois, maar zij stierf weinige maanden daar na. En geheel de vier jaren van 1439 tot 1442 hielden onzen Filip bezig met het slissen van bijzondere oorlogen tusschen de Leuvenschen, de Brusselaren, en die van Mechelen, die over den Graanhandel ontstonden en telkens weêr opkwamen; en met soortgelijke beslommeringen, waarin hij steeds een taai geduld en rechtschapen zucht voor het best des Lands toonde. Hij bewerkte echter in dat zelfde jaar 1439 nog een samenkomst in de maand Maart, en als deze vruchteloos afliep,

[p. 144]

nog een tweede in Julij, van Engelsche en Fransche Gemachtigden tot een vredeverbintenis, maar die ook zonder vrucht bleef.

De Hollanders en Zeeuwen waren tegen Calais niets anders gebruikt dan tot eenige transporten en tot het dempen der haven, door middel van 't zinken der schepen, doch het geen weinig afdeed, alzoo de diepte te groot was. Zij beklaagden zich echter daar twee stukken geschut bij verloren te hebben. Twee honderd Engelsche schepen hadden zich vertoond (in 1436), doch kwamen niet als vijand in Zeeland, maar om mondbehoefte te koopen; en het bleek, dat de Engelschen begrepen deze gewesten te vriend te hebben. En de Hollandsche steden van haar zijde wilden, niet alleen, Zeeland niet helpen verdedigen tegen den aanval der Engelschen, maar weigerden zelfs, iemand op het ontbod van den Stadhouder te zenden. Ja, geprest om te verklaren, of zij op zich zelfs met den vijand in onderhandeling meenden te treden, weigerden zij zich daarop uit te laten. Men voorzag waar dit heen liep, en om alle kwaad voor te komen, trad de Hertogin Elizabethzelve in onderhandeling met de Engelsche gemachtigden voor Calais over een Bestand dat de kooplieden alleen betreffen zou, 't geen dan ook vervolgens gesloten werd.

Middelerwijl geraakte men in oorlog met de Oosterlingen. De oorsprong daarvan was schade van welke men over en weder elkander beschuldigde, zonder dat het bleek wie de eerste geweest was in ze te doen. De Oosterlingen hadden reeds lang een vijandelijke gezindheid getoond, maar waren in oor-

[p. 145]

log met den Koning van Denemarken, en de beslommering daarvan deed hen de zaak dralende houden en bestanden sluiten tot zij de handen ruimer kregen. Men had dit moeten voorzien, en zich derhalve niet in hun macht stellen, maar de Koopmanszucht om te wagen bedroog hen, en de Oosterlingen, na vrede met Denemarken gesloten te hebben, leiden de hand in eens op alle de Hollandsche en Zeeuwsche schepen en ladingen die in hun havens lagen, en namen alles wat zij met die vlag in zee ontmoeteden.

Zwaar was dit verlies, maar men bediende zich van die gelegenheid, om den prijs der granen te doen rijzen; en daar ontstond hongersnood, en uit deze hongersnood rezen hier en daar opschuddingen. ‘De Hertog (zegt wagenaar, bl. 533) deed anders niet, dan de onderhandelingen met de Oosterlingen te doen hervatten.’ Het is zoo, hij kende de kooplieden niet genoeg om er een goed deel van, den kop voor de voeten te doen leggen en hun magazijnen te doen openen om het volk te spijzen, en hiermede had hij ongetwijfeld beter gedaan; maar het voegt wagenaar zeker niet hem daarover te misprijzen, dat hij dit naliet. En wat anders wagenaar toch zou kunnen bedenken dat hij had kunnen en behooren te doen, is [hij] niet in staat te zeggen.

De kooplieden begrootten hier hunne schade op 50,000 goudguldens en wilden die vergoed hebben. De Hertog liet een vergadering van Edelen en Steden van Holland en Zeeland toe in May 1438, om over dit punt te raadplegen. 't Gevolg daarvan was een toerusting tot een zeeöorlog, en verlof tot vrijbuiten op de Oostersche vlag. De vloot, in zee ge-

[p. 146]

bracht, behaalde veel buits, zoo op Italiaansche en Spaansche schepen overal en zelfs op de Vlaamsche kust, gemaakt, en in verschillende zeegevechten; doch dit kapen ging zoo grof als men van lieden, wier God het geld, en wier eer, winst is, verwachten mocht, en het moest spoedig verboden worden. Zij hadden inderdaad de zec schoon geveegd, en mochten dus den bezem op den mast voeren, want niemand waagde zich meer op de vaart, en zij vonden dit voordeeliger dan graan halen; 't geen nu ook door geen vreemden werd aangevoerd, en dus wonnen zij van alle kanten. Alleen was de oogst binnenslands in 1440 buitengewoon voordeelig, en dit was al het des-aster en verdriet dat onze kooplieden nu hadden. Een geheele vloot Oostersche schepen echter viel in hun handen, met zout geladen, en dit verzachtte ook deze schade.

Maar dit alles kon niet duren. Het vrijbuiten moest ophouden. Buiten- en binnenslands werden zij, wegens hun rooverijen op vrienden en vreemden, aangehouden en in rechten vervolgd, en tot geweldige schadevergoedingen veroordeeld. Nu begon men naar vrede to verlangen. De onderhandelingen werden op nieuw hervat, maar nu waren 't de Oosterlingen die schadevergoedingen te vorderen hadden, en daar had men dezerzijds geen ooren na. Het nemen van drie groote oorlogschepen der Oosterschen door de Noordhollanders, onder Noorwegen veroverd, bracht de zaak, alhoewel met oneindig veel omslags, tot een einde van de vijandelijkheid, en herstel van den gewonen en regelmatigen loop des handels.

Maar de Kooplieden hadden zich in de Staatsver-

[p. 147]

deeldheden van Denemarken gestoken en daar veel gelds in gelegd. De partij, die zij voorgestaan hadden, lag onder, en de bovendrijvende moest nu gewonnen worden. Ook waren er schaden te vergoeden aan Holstein, aan Pruissen, en Lijfland, en daartoe moesten der Burgerschap accijnsen op bier, koorn, zout, en turf, opgelegd worden! En zij bracht die op! - Zie daar, wat men Hertog Filip te laste mag leggen, dat hij op deze wijze zijn volk onder het verachtlijk juk van kooplieden bracht.

Het was in 1441, dat vrouw Margareet, Jacobaas moeder in Henegouwen overleed, waardoor de goederen, aan welke zij verlijftocht was, vrij werden en daar Filip zich in die plaatsen nog niet had doen huldigen, werd dit nu verricht. Wagenaars listige aanmerkingen zijn door kluit genoegzaam beändwoord1.

Na Sigismund, met wien de vijandelijkheid van Filip voortduurde, doch zonder dadelijk uitwerksel, kwam Albrecht II tot den Keizerlijken throon (1439); en na dezes dood, die zeer spoedig volgde (1440), Fredrik III, die in eigen persoon in het jaar 1442 hem te Bezançon bezocht. Deze bewilligde in hem met de Leenen van Holland en Zeeland te verleiden, de quaestie over het verval daar latende; zoo als Filip deze en zijne andere landen van het Rijk releverende dan ook van hem verhief. 's Keizers macht was in een louter aanzien zonder vermogen ontaart, en tegen een Vorst als Filip niet bestand; hij moest zich dus met de schaduw die men hem overliet vergenoegen.

[p. 148]

Wij hebben reeds opmerkzaam gemaakt op de steeds in 't verborgen voortwroetende, en nu en dan zich meer openlijk verheffende pogingen der Hoeksche partij, waarvan de kanker niet uitgeroeid, maar alleen door den Hertog met de zachte hand verbonden was, even als of Staats- of Godsdienst-factien van zelve verstierven. Het kan, na het geen wij gemeld hebben derhalve niet vreemd voorkomen dat men omtrent dezen tijd (1444) het land weêr op nieuw door deze oneenigheden in volle vlam ziel. Dit was voornaamlijk te danken aan den Stadhouder Willem van Lalain , die in 1440 aan Lannoy opvolgde; wel een Kabiljaauwsche, maar die zijne dochter aan Reinout van Brederode ten huwelijk gegeven hebbende, door den invloed van dezen zijnen schoonzoon de Hoekschen in de Stedelijke regeeringen bracht. Het zou moeilijk zijn juist af te meten, wat in de ongelegenheden die hieruit ontstonden, juist aan de actie der dus ingedrongen wordende Hoekschen, en wat aan de reäctie der verdrongen wordende Kabiljaauwschen zij toe te schrijven; maar het kon niet missen of er moest oneenigheid in de Regeeringen uit voort komen, en deze tot ontevredenheid bij Burgerschap en Gemeente overslaan. Een nijpende winter, gebrek aan het benoodigde, belastingen, niet eenstemmig toegestaan, en daardoor als willekeurig aangemerkt, en de tergende dartelheid waardoor de Hoeksche partij zich altijd onderscheiden heeft, vereenigden zich om het gemeen gaande te maken.

De Engelschen waren de groote vrienden der Hoekschen, vooral sedert 's Hertogs herstelde betrekking

[p. 149]

met Frankrijk. Over dezen had Amsterdam zich wegens geweigerde schadevergoeding te beklagen; en het ongenoegen daarover smeulde reeds sedert een geruimen tijd, wanneer de Hoeksche Regenten de Kabiljaauwschen uitdreven en zich van de Amsterdamsche regeering; en de Kabiljaauwschen, naar Haarlem geweken, zich van die van Haarlem meesters maakten; niet zonder de geweldigste bloedstorting in beide die steden, waarin de tederste broeders en vrienden gewapend tegen elkander optrokken, en (als door een geest van razernij bezeten) elkander over en weder met aandoening de hand gaven en vaarwel zeiden, om met de tegenpartij elkander te gaan bevechten, en woedend (als ware 't voor 's Hemels zaak) in malkanders bloed te plasschen: zonder dat zelfs de Geestelijkheid die met het H. Sacrament tusschen beide trad, die verhoeden of stuiten kon.

In Amsterdam, waar de Hoekschen met den slag gewaarschouwd hadden, was het hun licht geweest de andere partij met behulp van Waterlanders en Haarlemmers te verrassen. Maar als deze naar Haarlem week, vonden zij daar dezelfde Hoeksche partij reeds voorbereid tot het zelfde einde, en het was dus niet dan met een volkomen algemeene slaglevering, die twee dagen duurde, en het daarop gevolgd bestormen en bloedig veroveren van de gebouwen en woonhuizen waarin deze weken en die zij vooraf versterkt hadden, dat zij de overhand hielden; terwijl echter nog vele Hoekschen den tegenweer in hun verschansingen uithielden.

Hertog Filip het ernstige van de zaak inziende en

[p. 150]

altijd tot zachtheid genegen, zond zijne Gemalin met volstrekte macht (zelfs boven den Stadhouder) naar derwaart: en met allen spoed in 's Gravenhage aangekomen, vertrok zij met Lalain en met Frank van Borselen (die altijd als een goed Kabiljaauwschgezinde bekend bleef) naar Haarlem; maar aan Lalain bezweek de moed onderweg, als wetende, hoe de daar nu bovendrijvende partij tegen hem (als de oorzaak van alles) verbitterd moest zijn. Het was alles verwarring in Haarlem, en men verzuimde daar de Hertogin te gemoet te gaan en de sleutels aan te bieden. Zij dagvaardde de stad ten dien einde, en daar ontfangen deed zij bij voorraad de Hoeksche Regenten, die nog in hun woningen bezet gehouden werden, de stad voor eenige dagen verlaten. Zij weken naar Amsterdam, waar de Hertogin hen volgde of verzelde, en de Hoekschen meester vond, die nb. Reinout van Brederode met troepen in de stad ontfingen; en waar dus de Hoeksche overheersching bevestigd werd. - In Haarlem kon zij het toelaten van de terugkeering der Hoekschen niet dwingen.

Men ziet hier wederom de vrouwelijke zwakheid in, tot niets anders strekkende dan tot vereeuwiging van de beroerten, en versterking des moedwils onder vrouwengezag. Ook was Hertog Filip wel te vreden over het geen zij te Haarlem verricht had, zeer onvergenoegd over haar ongerijmd en lafhartig gedrag te Amsterdam. Hij vorderde gemachtigden der twee steden voor zich te Brussel ter verantwoording, en zette den onbekwamen Lalain van zijn Stadhouderschap af, stelde een nieuwen President van den Raad, waartoe hij (om een onzijdig persoon te heb-

[p. 151]

ben) voor ditmaal een Vlaming nam, Gozewijn de Wilde, in zijn plaats, en kwam zelf naar Holland.

Zijn aankomst was in het voorjaar van 1445, doch de oproerigheid kon bij Amsterdam, waar het zoo goed voor de Hoekschen afgeloopen was, niet blijven. Zij sloeg over naar Leyden. Daar had Lalain een Hoekschen Schout ingedrongen, Boshuysen, in wiens plaats de Hertog een ander aanstelde; maar Boshuysen stoorde zich daar niet aan, schoon de nieuw aangestelde (Simon Frederikszoon) ten overvloede door den President bevestigd werd. Ieder Schout stelde een Onderschout onder zich aan, en zoo Regenten als Gemeente trokken met dezen partij, wapenden zich en trokken op tegen elkander. De Hoekschen hadden reeds gezorgd, de sterksten in ge talle te zijn en vertrouwden op hun genomen maatregelen, ten einde 't als in Amsterdam te maken, en hadden ten dien einde de tegenpartij op alle mogelijke wijzen getergd: maar de President zond eenige getrouwe manschappen van Delft en de Hage, die zich met deze vereenigden. Met Heer Jan van Wassenaar, Heer van Voorburg, aan het hoofd stelden zij zich op de Breêstraat voor het Stadhuis. De Hoekschen maakten de Nieuwstraat bij de Hooglandsche Kerk tot hun zamelplaats en trokken van daar om de Kabeljaauwschen te verdrijven; op de Koornbrug werden zij door de Kabiljaauwsche macht (verontwaardigd en woedend geworden over hun praetensiën in de onderhandeling die daar voorgeslagen was) overvallen; en zij weken naar St. Pankras Kerkhof, na het verlies van eenige dooden, en wel 120 gevangenen, waarvan er drie in 's Gravenhage ter

[p. 152]

dood veroordeeld en onthoofd werden, den overigen na een tijd lang gevangenis, geldboeten op werden gelegd. En hiermede was dan ook de Hoeksche moedwil in Leyden gefnuikt.

Filip in Holland gekomen, trok van stad tot stad en veranderde de regeeringen, ook te Amsterdam, van waar Brederode (en met hem zijn volk) geweken was, om zijn Neef den Bisschop van Luik in den arm te nemen; wiens voorspraak zoo veel vermocht, dat de Hertog met een voordoen van onpartijdigheid zoo wel Hoekschen als Kabiljaauwschen in de Stads-regeeringen plaatste, even of men tusschen recht en onrecht geen partij moest trekken. Maar die Bisschop was, nevens den Heer van Breda (Jan van Nassau) zijn raadsman daar bij, en had zijn vertrouwen. Bij plakaat vernieuwde hij tevens alom het verbod van de namen van Hoeksch en Kabiljaauwsch, verbood alle partijdige gedichten, ook het spelen der Rederijkeren, het geven van livreien, en dragen van kapproenen en paluren 1, het oprichten van nieuwe schutterijen, het dragen van pantsieren, zwaarden, lange messen enz. Dit echter belette de doodslagen niet, die nog veelvuldig gepleegd werden, maar onder een goede justitie allengs uitsleten. - In 1448 werd Jan van Lannoy weder als Stadhouder aangesteld.

 

Het zou te wijdloopig worden indien wij ons in de Kerkgeschiedenis wilden inlaten, die in dezen tijd hoogst belangrijk is door de pogingen tot hervorming

[p. 153]

in leer en zeden. De Kerkvergadering van Constans, hiertoe aangeleid; de prediking van Hus, en de opstand der genen die zich naar hem noemden, en in later tijd veel te veel geroemd zijn; de pogingen van Nicolaas den V. in 1449 Paus geworden, en van zijnen zendeling den Kardinaaal de Cusa, die zoo hier te Lande als in Duitschland door zijne prediking en schikkingen veel goeds stichtte om het verderf tegen te gaan; dit alles moeten wij hier voorbij gaan, om alleen te melden, dat Bisschop Rudolf door hem op den zetel van Utrecht bevestigd werd, en zijn mededinger Walraven van Meurs in het Bisdom van Munster geplaatst, alhoewel tegen het genoegen der Munsterschen, die door Rudolf met de wapenen gedwongen werden om hem aan te nemen.

 

In 1440 hadden de meeste Fransche Grooten met den Dolfijn Lodewijk tegen zijn vader saamgezworen, ten einde hem de regeering uit de handen te wringen, en de medewerking van onzen Hertog Filip hier toe gezocht. Te braaf om de hand aan zoodanig schelmstuk te leenen, wees hij dit met verontwaardiging af; de onderneming bleef steken, en als Koning Karel dit naderhand ontwaarde en gestrenge straf wilde oefenen, trad hij tusschen beide, en deed hem zijn zoon in genade aannemen. -Maar de booswicht die zijn vader naar 't Rijk gestaan had, en hem vervolgens dwong om van honger te sterven, uit vrees van vergeven te worden1, kon Filip niet

[p. 154]

vergeven dat hij zijne ontwerpen verijdeld had. In 1444 verwoestede hij het land van Bourgondie, en daar hij zoodanig ontfangen werd dat er 700 van zijne ruiteren bleven, en meer dan 100 gevangen werden, die getuigenis van zijn verraderlijk gedrag jegens Filip afleidden, werd hij woedend. Hij moest echter zijn spijt en wrevel verkroppen: maar zijne zendelingen stookten 't vuur van oproer in Gent, 't welk steeds voortvoer, zich als een onafhanklijk gebied aan te merken, waarover de Hertog niets te zeggen had, dan voor zoo veel't hun beliefde hem toe te staan.

De Hertog, om eenige voldoening van den laatsten opstand te nemen, en zich Vorst en Heer te toonen, meer dan om 't voordeel dat hij daaruit verwachtte, lei in 1448 de belasting van negen Brabantsche stuivers op ieder zak zout. Vlaamsche maat. Alle steden onderwierpen zich, maar de Gentenaars beweerden volstandig aan geene belastingen dan vrijwillig gehouden te zijn. De Hertog maakte zich in 1449 door zijn krijgsbenden meester van Oudenaarde, Dendermonde, Gaveren, en Rupelmonde, en voegt nu bij de belasting op 't zout eene andere op de granen. Gend weigert iets op te brengen. Hij verbiedt alle gemeenschap met hun, en zet bij Placaat hunne regeering af. De Staten van Vlaanderen trokken naar Gend en voor eene nieuwe inlandsche oorlog bevreesd, zien, zij de Gentsche Privilegien na, waarop men zich beriep, en doen, na vijf maanden raadplegings, om der hitte tijd van bekoeling te geven, in Maart 1450 uitspraak: dat de Graaf van Vlaanderen 't recht heeft de Magistraat pro lubitu [naar welgevallen] aan te

[p. 155]

stellen en te veranderen. De zaken blijven in dien stand tot Augustus, als wanneer zij door eenige Hoofden van Ambachtsvolk in beweging gebracht, al wat zij vermoeden konden den Hertog wel te willen, met geweld uit de stad drijven, vreemdelingen inroepen, en dezen het burgerrecht geven.

De Hertog gedraagt zich in dit alles met de grootste gematigdheid. Zij komen hem in 1451 te voet vallen en vergeving smeken, zich verlatende op de belofte van Edellieden, die een eind aan de zaak wenschen; maar hij ontzegt den belhamelen geheel Vlaanderen. Dit vernemende worden zij woedend, willen dezen hunne raadgeveren te lijf, en als die met een menigte andere personen de stad ontvluchtten, dagen zij hun allen openbaar in, en bannen ze uit met verbeurdverklaring van goederen: maar na een poos woelens, slaan zij allen dien genen, die hen opgezet hebben het hoofd af (als vijanden van den Hertog), stellen eene nieuwe regeering aan, en verzoeken op nieuw genade bij Filip en bevestiging van deze nieuwe regeering. En als de Hertog hier niet terstond in bewilligt, stellen zij krijgshoofden aan, die op de Edelen die zich nog in de stad waagden te vuur en te zwaard woeden, met de zwaarste pijnigingen die men uitdenken kon, en zoeken de Luikenaars tot bondschap aan, die hen afwijzen, en tot inkeer vermanen: zij worden verlegen, houden kerkelijke ommegangen, en zenden op nieuw gemachtigden aan den Hertog met de voorbede der Staten en der Luikenaren gesterkt; maar zoodra dit eenigen ingang bij den Vorst vindt en hij de zaak van den zoen aan de Raden van Vlaanderen stelt,

[p. 156]

worden de hoofden in Gend bevreesd, overrompelen op 't onverwachts eenige stedetjens, en alles is weêr afgebroken. - Nu eindelijk wordt Filip het moê en het is openbare oorlog. Zij trachten Oudenaarde door list te verrassen, door daar boerenwagenen met gewapenden op een marktdag in te brengen; maar de Bevelhebber was hun te slim, en deed de wagens voor de poorten ontladen. Nu belegeren zij de stad; en verrassen Geertsberge, lijden veel bij het hernemen, en weêr nemen en weêr hernemen van deze plaats, en worden met geweldige slachting van Oudenaarde verjaagd, en nemen hun toevlucht tot het kleppen van hun Roeland , als uiterste hulp in den nood.

Zij waren van hun veldtocht en ondernomen beleg slecht afgekomen, en wroken dit (op zijn Karthaagsch) op hun krijgshoofden, kozen anderen, en het platte land op