De dood van Koning Filips den Schoone deed de voogdij van den zesjarigen Karel naar alle recht en wet aan zijn Grootvader, 't zij als eenigen naastbestaande, 't zij als Keizer en Leenheer der meesten van 's jongskens Staten, vervallen; maar de genen aan wie Filips de regeering bij zijn afzijn had toebetrouwd, weigerden op 's Keizers aanbod, zijn voogdij en bestuur aan te nemen. Maximiliaan was zeer belemmerd door den oorlog in Italie, waar in Lodewijk op nieuw den Paus en de Venetianen tot het uiterste gebracht had van den Keizer om de spoedigste hulp te moeten smeeken, en hij vond zich verplicht aan het hoofd van een machtig leger dit gedeelte des Rijks en zijn kroon te gaan verdedigen; (want het oogmerk van Lodewijk scheen niet minder te zijn, dan zich-zelv' Keizer te maken). Met dit alles, deze toebereidsels vernomen hebbende, vergenoegde hij zich met het heroveren van Genua, en verliet, voor het overige, Italie met zijn benden, zoo dat 's Keizers veldtocht naar derwaart verviel.
Maar de te rug keer van Lodewijks leger uit Italie, en de algemeene geruchten, versterkt door de ondervinding welke men van zijn zucht tot uitbreiding
in de Nederlanden had, deed nu voor een inval van hem beducht worden, terwijl bovendien Karel van Gelder, die bij 't sluiten van het bestand meester van het kwartier van Roermond en dat van Nymegen (Tiel en Bommel uitgenomen) gebleven was, met groote macht, waarbij Frankrijk 2000 voetknechten en 500 kurassiers gevoegd had, in Brabant gevallen, steden, dorpen, en landen, nam, verbrandde en afliep. Hier tegen had de Bourgondische Landvoogd slechts 3000 man en 200 paarden te stellen, ongenoegzaam om dit te keer te gaan; en het ontbrak aan geld, zelfs om de Hofbedienden te kunnen betalen. Men deed nu derhalve een bezending aan Maximiliaan, en bad hem nederig om 't geen men 1½ jaar vroeger met trotschheid had afgeslagen; en het is der moeite waardig, hoe de Kancelier van Braband, als woordvoerder, zich in zijne Oratie aan aan den Keizer in bochten wringt, om dit te plooien. Hij werpt nb. de schuld op het gemeen, even of dit het Land regeerde, en zij (Edelen en Steden, of Staten, zoo het nu heette) dat uit vrees voor woedende oproeren hadden moeten gehoorzamen tegen hun hart, wil, en verstand, aan. Maar nu waren de hekken verhangen en nu was 't: ‘Legati ac deprecatores ad Majestatem tuam missi, cum Latinorum poetarum patre dicimus:
‘Ad te confugio, et supplex tua numina posco’(1).
Maximiliaan aanvaardde (in 1508) de voogdij, regeering, en bescherming; en stelde den Heer van Aarschot(1) tot Gouverneur over zijn Kleinzoon, wien hij Adriaan Florissen(2) (Utrechtenaar) tot Leermeester gaf. Willem van Croy, Neef van den evengemelden Karel, was algemeene Landvoogd der Nederlanden; en werd daarin door Margareta, 's Keizers dochter en weduwe van Filibert [van Savoye] vervangen. Men kon Maximiliaan nu geen erkentenis van Privilegiën boven 't geen zijn zoon erkend had afdringen, hoe zeer men daar wel aan tokkelde; en dorst zelfs de nieuwe opbrengsten die er vereischt werden daar niet aan verbinden: want de nood was te dringend. Ook had hij bij de huldiging van zijne Gemalinne, en na hem zijn Zoon zich daarop te rond verklaard om aan dat punt te tornen(3). - Maar nu ontstond een oorlog met de Venetianen, wier Aristocratische trots zich nevens den Keizer ook den Paus, met Spanje en Frankrijk op den hals haalde. Dit maakte derhalve Lodewijk en Maximiliaan thands tot bondgenoten, tot de laatste in 1511 een afzonderlijken vrede met Venetie maakte, maar die van geen duur was. Een verwijdering tusschen den Paus (Julius II), en Frankrijk en den Keizer, deed de laatsten een Concilie te Piza beroepen, waarop de Paus gedaagd werd; en dezen daartegen een Conci-
lie in 't Paleis van Lateraan, waar hij Maximiliaan en Lodewijk dagvaardde. - Koning Hendrik de VII van Engeland stierf; en de regeering van Kastilie kwam weder aan Koning Ferdinand, die zich daarover met Maximiliaan verstond voor 50,000 ducaten. Den jongen Karel zou hij 200,000 ducaten jaarlijks betalen, en Karel zich zoo lang zijne moeder Joanna nog leefde van den Koningstytel onthouden.
Wij zullen de Italiaansche zaken daarlaten, en ons bij de Nederlanden blijven bepalen: - waarin de Geldersche oorlog aan de zijde van Karel met groot voordeel gevoerd werd, die nu ook den Bisschop van Utrecht aantastte; en de Friessche en Groningsche geschillen vruchtloos op een Rijksdag in 1507, en vervolgens in een bijeenkomst te Nuis voor den Keizer, en door den Bisschop voor den Paus gebracht waren. - In 1513 bracht Maximiliaan een leger van 25,000 Zwitsers in zijn soldy, waar hij 2000 ruiters bij voegde, te veld, om het Hertogdom Burgondien, dat zijn kleinzoon nog onthouden werd, te vermeesteren; maar op't punt van de hoofdstad, Dyon, in te nemen, wist de Fransche bevelhebber hen door geld en beloften tot een vrede te brengen, waardoor alles verijdeld werd. - Ook stierf thans Paus Julius II, en Leo X volgde hem op, en de twee tegen één gekante oproepingen van Conciliën vervielen.
Maar de vrede met de Zwitsers, en waarin dezen den Keizer toen dwongen te berusten, werd toen zij afgetrokken waren door Lodewijk, die er met een afstand van een gedeelte des Hertogdoms door bezwaard werd, niet aangenomen. En nu keerden
zij uit eigen hoofde, en als zich-zelven daardoor beleedigd gevoelende, en sloegen de Franschen in een zware veldslag. - Koning Karel de VIII, zijn vader opgevolgd, had reeds deel in dezen krijg tegen Frankrijk genomen door Maximiliaan geld tot de werving der Zwitsers op te schieten, en bracht nu zelf een leger op de been, dat naar Calais overstak, en aan 't hoofd van welke de jonge Koning zich stelde, waar de Keizer Duitsche en Nederlandsche benden bijvoegde. Terouane werd belegerd, en daar Lodewijk dit trachtte te ontzetten, leed hij eene geweldige neêrlaag, en moest de stad aan het krijgslot overlaten. Zij werd genomen, en met hare wallen en grachten tot den grond geslecht, kerk en geestelijke gebouwen alleen uitgezonderd.
In de onderhandelingen tot een Friesche vrede, hadden de Groningers zich hooglijk beklaagd van den Keizer, wien zij in 1494 voor 't gezag over Friesland en de Ommelanden 10,000 dalers, met nog 2000 goudguldens voor Albert van Saxen, betaald hadden, dat hij hun nu het genot van dat gekochte recht niet gestand deed. Doch dit nam de Keizer hun zeer kwalijk, begrijpende dat zij hem dit bezwaar onder de hand hadden moeten te kennen geven, en hun klachte met nog een 50,000 dalers ondersteunen, in welk geval hij niet ongenegen geweest zou zijn, om daar iets op te vinden; maar dat hem dit openlijk en ten aanhooren van de Rijksleden verweten werd, verbitterde hem. En daar Edzard meester van Groningen was, zond de Keizer hem nu in 't begin van 1514 een gezegeld bevel, om die stad en de andere plaatsen die hij inhield,
aan George van Saxen in te ruimen, hem rekening van de gelden die hij tusschen de Eems en Lauwers geheven had, te doen, en ook (wat meer is) aan George, als Erf-Gouverneur van geheel Friesland, hulde en manschap van zijn Graafschap Oost-Friesland te doen. - Edzard protesteerde en appelleerde van dit mandaat aan het Opper-Rijksgericht, en daar bleef het bij.
Doch George vermeerderde zijn oude krijgsmacht met ruim 5000 man, en verwoestede de Ommelanden, en, Groningen daarlatende, viel hij in Oost-Friesland, dat hij deerlijk mishandelde; hetgeen Edzard derwaart trok. Deze trachtte hem tot een veldslag te brengen, maar George ontweek dit tot hij eene aanmerklijke versterking van zijn zwager den Hertog Henrik van Brunswijk bekwam. Edzard zette 't land onder water, sneed daardoor deze benden af, en dwong de Saxen zich naar het Oldenburgsche te vertrekken.
Nu deed de Keizer Edzard in den Rijksban en ontsloeg bij plakaten aan de kerkdeuren enz. zijne Oost-Friesche onderdanen van den eed en trouw hem gezworen. Waarvan hij aan den eerstkomende Rijksdags-vergadering appelleerde. - Het water met het voorjaar afloopende, trokken de Saxische en Brunswijksche troepen weer in Oost-Friesland. - Edzard zocht ze op, verdreef ze, en de Groningers deden nevens hem hun best in de omstreken; zoo dat het tot een bestand en nieuwe vredehandeling kwam. Maar George was zeer hoog in zijn eischen; en de oorlog werd hervat. Nieuwe versterking uit Duitschland van manschap en grof geschut, gaf George
groote voordeelen; die na alles in 't rond veroverd te hebben, ook Aurik nam, waar hij de geheele bezetting tot den laatsten man toe, over de kling joeg, en Edzard naar Emden de vlucht dwong te nemen. In een aanval op het steedjen Norden, kwam de Hertog van Brunswijk om en zijn benden verliepen. Maar dit nam niet weg, dat Edzard met zijn Groningers nu tegen al de macht die hem thands bestreed, niet bestand was. Hij wendde zich derhalven tot Karel van Gelder, die thands, door den weêrloozen slaat waarin Filip bij zijn afreis het land gelaten had, een aanzienlijke rol speelde, en ook in de Provincie van Holland den schrik gebracht, en Muiden en Weesp met het Muiderslot veroverd had; en in 1512 zelfs do voorstad van Amsterdam en een aantal schepen daar in de oude Waal liggende, verbrandde. - Hij verkreeg van hem 250 Fransche ruiters en 600 voetknechten, en met 1300 man leverde hij George slag, maar zonder overwegend voor- of nadeel aan de eene of andere zijde. Nieuwe versterking gaf George wederom een overmacht, waar geen dapperheid tegen opwegen kon. Na een allerhardnekkigsten weêrstand nam hij Damme en hield daar afgrijslijk huis; en de Utrechtsche Bisschop voegt zich nu bij hem met de Stichtenaren en Overijsselschen.
Edzard had zich nu met Karel van Gelder verbonden, doch deze (hoe voorspoedig thans oorlogende) was te zwak om hem tegen 't Rijk te beschermen, dat hij-zelf even zeer tegen zich had. Beiden besluiten zij nu van het Rijk af te vallen, en doen manschap aan Frankrijk, aan wien hij geheel Fries-
land van het Vlie af, met Groningen en Oost-Friesland (over den Eems) opdroeg. 30,000 goudguldens zou Edzard aan Karel betalen, om ten zijnen koste George met zijn macht uit Friesland te drijven, en Frankrijk zou het verdere bekostigen. Maar als de 30,000 goudguldens niet ter bepaalder tijd geteld werden, was Karel ook traag in het toezenden van troepen; en zoo raakte Edzard de stad en omlanden kwijt.
Bij den Hertog van Saxen, dien van Lunenburg, dien van Brunswijk, en den Keizer (of dit nog geen vijand genoeg ware) kwam nu ook de Graaf van Bentheim ter baan. 4000 man te voet en 500 te paard kwamen er echter onder den Graaf van Hoje als Fransche en Geldersche hulpbenden aan, maar hielden zich op met het Bentheimsche te verwoesten: en weldra was Overijssel het tooneel van een oorlog die voor Edzard weinig beloofde. - Hij staat Groningen en de Ommelanden aan Hertog Karel van Gelder, als gemachtigde van den Koning van Frankrijk af; en draagt Oost-Friesland aan hem, in dezelfde hoedanigheid op, om 't als leen van Frankrijk te bezitten, waarbij Groningen in zijn markt- en andere rechten bewaard blijft, en het slot door Edzard gebouwd, geslecht wordt.
Karel verovert of bezet hierop eenige Friessche plaatsen, als Sneek, Bolswaart, Sloten; en George krijgt het wederom te kwaad, klaagt den Keizer en het Rijk zijnen nood, en bekoomt goede beloften, maar die niet tot de daad komen.
Nu wordt tusschen Frankrijk en Engeland vrede gesloten, en Lodewijk, weduwenaar zijnde van Anna
van Bretagne, trouwt Hendriks zuster, Maria. Maar in deze vrede is noch Spanje, noch het Duitsche Rijk begrepen, en Lodewijk verbindt zich met die van Venedig, om die beide in Italie aan te vallen. Doch hij sterft op den 1 Januarij van het volgend jaar 1515. Deze vrede was in Augustus 1514 gesloten.
Prins Karel was nu in zijn 15de jaar getreden, en Maximiliaan gaf hem derhalve de regeering over. Hij werd dan ook in Braband en Vlaanderen, en (in de maand May) in Zeeland gehuldigd, van waar hij naar Dordrecht toog, en op den 3 Junij Staatsgewijze de hulde van Holland ontfing; en terstond zich de buiten- en binnenlandsche betrekkingen met meer nadruk toonde aan te trekken, dan het Maximiliaan in zijne eindelooze en alle gewesten omvattende beslommeringen, mogelijk was geweest. - Op Lodewijk den XII, wien de Franschen den eernaam van Vader des Volks gaven, maar zijn gedrag altijd als hoogst dubbelhartig, staatzuchtig, en zonder eenige trouw had doen kennen, volgde de Hertog van Angoulême, die uit Koning Karel den V afstamde, en thands de naastgerechtigde tot de Fransche kroon was, uit aanmerking waarvan Lodewijk hem dan ook zijne dochter ten echt had gegeven. Deze, hij het wareldlot bestemd om gedurende beider leeftijd de gestadige mededinger van onzen Karel te zijn, was een Vorst van groote, ten minste, van schitterende persoonlijke hoedanigheden, en Ridderlijke inborst, en thands 21 jaar oud: en van nu aan was het, dat niet alleen geheel Europa, maar zelfs ook de overige warelddeelen, voor zoo veel zij tot Europa in eenige betrekking stonden, en dus, heel het aardrijk, in de
handen van deze twee jongelingen (voor 40 jaar lang) heen en weder geschud worden moest. - Prins Karel deed hem te Parijs door een gezantschap gelukwenschen, en wegens Artois, Vlaanderen, en andere leenen van Frankrijk afhangende, hulde doen; en daar werd op den 23 Maart 1515 een verbond gesloten, en den 1 April plechtig bezworen, (waar in binnen drie maanden de Keizer en de Koning van Arragon deel konden nemen), hij 't welke des overleden Konings jongste dochter Renée, nu zes jaren oud, aan Karel ten huwelijk bestemd werd. (zij huwde aan den Hertog van Ferrare, Hercole d'Este.)
Met Hendrik de VIII vernieuwde hij ook terstond de bevorens gemaakte verbintenissen; en hij trachtte zijnen Staten den vrede te geven, die zij zoo zeer noodig hadden, en (waar 't mooglijk) de gelukkige dagen van Filip den Goede te beleven, sedert welke zij niet dan eene aanhoudende afmatting en uitputting onderdaan hadden.
Hij liet toe, dat Karel van Gelder in de vrede met Frankrijk gesloten deel nam, wien zij echter in lang niet voordeelig genoeg was om haar in goede ernst te willen houden, maar die er voor 't oogen-blik als wapenstilstand genoegen in nam.
In Friesland was het den Hertog George van Saxen zoo geweldig tegen geloopen, dat hij begon te wanhopen; en niets liever verlangde dan Friesland aan Prins Karel, ingevolge 't recht, daar op aan dezen voorbehouden, over te mogen geven, en hij begon daar eene onderhandeling over. De bende welke oorspronklijk uit de Nederlanden was, en in Vlaan-
deren door haar woestheid reeds berucht was geworden, die nu onder den naam van den zwarten hoop bekend werd, was bij gebrek van betaling, terwijl hij naar Duitschland vertrok om daar middel toe te beramen, over Overijssel naar Holland verloopen; maar zich daar te samenvoegende, werd zij bij plakaten en bedreiging van gewapende uitdrijving aan de eene, en verzekering van betaling aan de andere zijde, bewogen om weêr naar Friesland te rug te keeren, den weg door Gelderland, Kleef, en Overijssel nemende; doch hun doortrekken was geen ‘onschadelijke doortocht’, maar met roof en brand gepaard.- Zij werden daar ook betaald van de achterstallen, en traden op nieuw in zijn dienst, met het oogmerk bij hem niet zoo zeer om de Friezen die nog zijn partij hielden, verder te verdedigen, als om hen bij het gelukken der onderhandeling met ouzen Prins Karel, aan dezen te kunnen overleveren. In Holland werd ten zijnen behoeve een vloot van veertig schepen met mondbehoeften, geld, en wollen lakenen, uitgerust, maar deze viel op de Zuider Zee in handen van grooten Pier, die aan 't hoofd der Gelderschgezinde Friezen was.
De onderhandeling van George met Prins Karel kwam tot stand voor 350,000 Rhijnsche Guldens; waar tegen George van alle verder recht afzag. De Graaf van Bentheim werd in dit tractaat begrepen, dat te Middelburg op den 19 May gesloten, en vervolgens ook door den Keizer bekrachtigd werd. En de huldiging van den jongen Vorst geschiedde in handen van den Grave van Buren in de Maand Junij Etzard, die kort te voren weder op nieuw zijne aan-
spraak op de Ommelanden had willen doen gelden, gaf het nu op, en verjoeg de Saxen en Brunswijkers uit zijn Graafschap. Hertog Erik van Brunswijk dit vernemende, deed een nieuwen inval in 't Oostvriesche, maar Etzard wist hem door het doorsteken van de dijken met zijn heir weg te jagen en bleef meester. - Eenigen tijd daar na werd ook met hem een verdrag gesloten waar bij elk het zijne behield. - Doch de Geldersch-gezinde Friezen bleven nog wederstrevig onder grooten Pier, en leidden zich nu toe op het onveilig maken der Zuider-Zee; waar zij, in den aanvang van het volgend jaar, een zware neêrlaag leden, waarbij 800 Friezen omkwamen, en vele gevangen gemaakt werden, die te Enkhuizen met de galg gestraft wierden. - Pier van zijne zijde maakte 't korter met de Hollanders die hij gevangen kreeg, en smeet ze in zee. Deze groote Pier was zoo min goed Geldersch als goed Hollandsch, en maakte verzen op beide natiën, waarin zij beide zeer mishandeld werden. Maar men leest niet dat zij de kracht van die van archilochus hadden(1).
Middelerwijl werd Maria van Oostenrijk (Karels zuster) aan Koning Lodewijk van Hungaryen en Bohemen ten huwelijk gegeven, wiens zuster kort daar op aan Karels broeder, Ferdinand, huwde; en Karels andere zuster Elizabeth, huwde aan Koning Christiaan de II van Denemarken, met wien zij zeer ongelukkig was.
Het volgend jaar (1516) stelde bij zijn aanvang ge-
heel Spanje in Karels macht door de dood van zijn Grootvader, Koning Ferdinand, die den 22 Januarij 1516 overleed, 65 jaar oud zijnde. Zijn Regeering was aanmerklijk door drie groote gebeurtenissen.
1o. De ontdekking der Oost- en West-Indien.
2o. De uitdrijving der Saracenen (en Joden) uit geheel Spanje.
3o. De verovering der Rijken van Napels en van Navarre(1).
't Was Karels lot, zich dikwijls verloofd te zien. Eerst was hem de oudste dochter van Koning Lodewijk van Frankrijk, toen een Engelsche Prinses toegelegd, daar na een jonger dochter van den zelfden Lodewijk; maar nu werd deze met wederzijds goedvinden gekat, en de nieuwgeboren van Koning François, die Louise genoemd werd, met het Rijk van Napels (voor zoo veel François daar aanspraak op had, want het was op Karel al reeds, te gelijk met het Rijk van Arragon, door zijns grootvaders afsterven vervallen,) ten huwelijk beloofd. - En ook deze kreeg hij niet.
Doch weinig bekommerde hem of dit huwlijk, of die afstand, het was hem om vrede te doen, ten einde deze landen gerust te kunnen verlaten om bezit van den Spaanschen throon te nemen. Met dit oogmerk sloot hij ook eenen vrede met de Luikenaars en de van der Marken op voorwaarden, voordeeliger dan zij ooit hadden kunnen bedingen,
maar die hij aanmerkte als den prijs, waar voor hij de rust zijner Nederlanden koopen moest.
Karel van Egmond had zich na 't deel nemen in de Fransche vrede van 1515 naar François begeven, om hem naar Italie, werwaart hij een veldtocht ondernam, te verzellen: maar onder weg keerde hij eensklaps te rug, ten einde op het onverwachtst den krijg tegen de Nederlanden te vernieuwen. Het bestand was te voren reeds gebroken, en de Oostenrijkers hadden eenige steden, die door hen veroverd geweest waren, te rug genomen. De zwarte hoop trad in 's Hertogs dienst voor een gulden den man handgeld, en de buit in plaats van soldy. In Friesland nemen zij de Lemmer; in Noordholland verbranden zij Medenblik, brandschatten Alkmaar, plonderen en blaken Egmond, Beverwijk, Sparendam, en door de Amsterdamsche venen over 't Sticht bij Kuilenburg de Lek overgetrokken zijnde, Nieupoort; nemen vervolgens Asperen, dat een allerdappersten tegenstand doet, stormenderhand, waar zij alles dood slaan, en rooven van daar een tijd lang in 't rond. Hier, door het afsnijden van toevoer, gebrek krijgende, voeren zij hun buit naar Amersfoort, Harderwijk, Hattum en andere plaatsjens, nu hier dan daar zwervende, tot zij van alle kanten als roovers nagejaagd, achterhaald, en gedood, of gevangen wordende, met het rad gestraft wierden.
Te Arnhem werd de Hertog van de Oostenrijkers, die nu de Veluwe verwoest hadden, met een belegering gedreigd; doch de Keizer, die zijn kleinzoon een bezoek in Brabant kwam doen, bracht wederom een bestand te weeg, voor een jaar; en bij het ver-
drag daar van gemaakt, stond Hertog Karel aan Prins Karel zijn recht op Friesland af voor 100,000 kroonen, voor betaling waarvan Dordrecht, Amsterdam, Gornichem, en 's Hertogenbosch zich als borgen verbonden.
Dit verdrag werd den 17 September (1517) tot stand gebracht, maar Prins Karel was, eer dit nog zijn volkomen beslag had, van Middelburg naar Spanje uitgelopen, en kwam te Villa Viciosa aan. Hij werd op den 7 Februarij daar aan (1518) te Valladolid als Koning van Hispanien tevens met zijn moeder Joanna, gekroond. - Doch, voor dit zijn vertrek van hier had hij nog een allergewenschte zaak voor Holland uitgewerkt. Dit was, den Bisschop van Utrecht (Fr. van Baden), die de onrustige regeering moede was, voor een som gelds af te kooppen, en zijn oom Filip van Bourgondie (natuurlijken zoon van Hertog Filip den Goede) die Admiraal der Nederlanden was, in zijn plaats te zetten, 't geen hem bij den Paus 12,000 dukaten [kostte], maar zeker het geld wel waard was(1)
Edzard had nu 20 jaar lang geoorloogd, en was nu blijd, zijn Erfleen, dat hij gerust en vredig bezat, uitgeput en verwoest te mogen behouden, 't geen hij niet dan met veel moeite bij den Keizer verkreeg, nadat hij door George van Saxen en Erik van Brunswijk wegens zijn gedanen wederstand tegen de Rijksbevelen voor den Keizer gedagvaard, zich deswegens in persoon mannelijk verandwoord had. Het geluk liep hem tegen, maar hij toonde zich in al-
les moedig, dapper en een verstandig oorlogsman, doch met hem schijnt het dat deze hoedanigheden in zijn geslacht uitstierven.
Keizer Maximiliaan was meer dan eens bedacht geweest om zich van den Paus te doen kroonen; doch deze had hem een brief met gouden letteren gezonden, waarbij hij als Keizer en in dien tytel erkend werd, het geen toen een list was om hem met zijn legermacht uit Italie te houden. Maximiliaan had zich daarmeê te vreden gehouden; maar nu oud geworden, en bedacht om een opvolger te benoemen, was daartoe vooraf de krooning noodwendig, zonder 't welk hij dit recht niet oefenen kon, en hij begeerde derhalve van den Paus, hem de kroon ten dien einde over te zenden, zonder 't welk de zaak aan de Keurvorsten hing.
Hoezeer hij tusschen zijne twee Neven Karel en Ferdinand eenigzins dobberde, begreep hij echter ten nutte des Rijks, niemand anders dan den oudsten te kunnen kiezen, uit hoofde van de aanwassende macht en staatkunde van François van Frankrijk, tegen wien Karel alleen zou kunnen opwegen. Maar zoodra François daar de lucht van kreeg, spaarde hij niets met beloften, gaven en schoone woorden, zoo bij den Paus als de Keurvorsten, om den Keizer tegen te werken en Karel den voet te lichten. Karel daar tegen zond 2,000 Pond gouds uit Spanje naar Duitschland om vrienden en stemmen te winnen of te behouden. Ook waren de Keurvorsten meestal voor hem: de Paus liet zich niet uit. - De Rijks-vergadering werd te Augsburg gehouden, en men meende dat de Paus de Keizerlijke kroon wel door
eenige Kardinalen uit Rome over zou zenden, maar daar deze hierover aarzelde uit vrees voor François driftige en wraaklievende aart, zoo moest Maximiliaan zich vergenoegen met na 't sluiten des Rijks-dags zijnen [klein]zoon op het allernadrukkelijkst aan de Keurvorsten te bevelen, en vertrok naar Weenen, met een slepende koorts, welke hij door de beweging van de jacht trachtte tegen te gaan. Doch eens zeer verhit 't huis komende en zijn dorst met het eeten van watermeloenen trachtende te stillen, werd hij terstond daarop bedlegerig, en stierf op den 12 Januarij 1519, na reeds 6 maanden te voren de ziekte onder de leden gehad te hebben(1). Hij was in zijn 60ste jaar. Hij was een man van de beste inborst, goed verstand en oordeel: bedaardheid, zachtmoedigheid, en weldadigheid waren hoofdtrekken in zijn karakter. Hij was bekwaam in den ridderlijken wapenhandel, dapper, en het ontbrak hem nooit aan tegenwoordigheid van geest. Hij was zeer milddadig, maar dit behoefde niet bij de netelige omstandigheden te komen waar hij steeds in verwikkeld was, om hem altijd geldgebrek te doen hebben. Nooit echter tastte hij de kostbaarheden aan, door zijn voorzaten opgezameld, maar liet die onaangeroerd na, gelijk ze van zijn voorzaten tot hem gekomen waren. Hij was matig in spijs en drank, maar kon de Duitsche overdadigheid en dronkenschap in zijn Hof niet beteugelen, schoon hij er den grootsten afkeer van had. Hij was een groot voorstander
en begunstiger van geleerdheid en kunsten, en een bijzonder liefhebber van de muzijk. Hij bracht de krijgsinrichtingen op een nieuwen voet, voerde de esschenhouten pieken van 18 voet bij de voetknechten en lansen van 13 voet bij de ruiters in, en oefende zijne krijgslieden gedurig. Ook stelde hij de verdeeling in regimenten in, en Kolonellen aan hun hoofd, met een naam die van Colonia afgeleid is, niet van Kolom(1).
Zijn gebrek was, ongestadig en niet vast in zijne begrippen, maar licht om te zetten te zijn; en al te zeer aan 't vermaak van de jacht overgegeven: zoo zelfs dat hij eens op de Alpen in 't najagen van wilde bokken in 't gebergte geheel verdoold, bijna van honger omgekomen was en met touwen naar beneden gelaten moest worden. Hij liet behalve zijne echte, zeven natuurlijke kinderen na, maar geene heeft hij er staande huwelijk verwekt. Ook strafte hij 't overspel bij zijn hovelingen gestreng.
Van zijne gevangenis in Brugge is op zijn tijd gesproken: maar dit was de eerste maal niet dat hij gevangen zat. Nog een kind zijnde was hij met zijn vader en moeder, door zijns vaders broeder met een eedgespan van Weener burgers in het slot van die stad belegerd geweest, waar zij niet dan garstenbrood, en naderhand niets anders dan zemelen te eeten hadden. Hij was toen nog geene volle 5 jaren oud, en als zijn min hem zulk brood gaf, liep hij het zijne moeder klagen als niet eetbaar zijnde.
Ouder geworden heeft hij, van oorlog in oorlog en van opschudding in opschudding gesleept, bijna nooit vrede gekend: en zeer weinige vorsten hebben ooit geleefd wier lotgevallen zoo menigvuldig en gedenkwaardig geweest zijn. Altijd te loor gesteld door vijanden, door vrienden, door alle zijne betrekkingen, en door den loop der gebeurtenissen, heeft hij nooit gewanhoopt, en het Duitsche Rijk gehandhaafd, en vooral zijn huis en geslacht bevestigd en groot gemaakt.
Na de dood van Maximiliaan was het Rijk 5 maanden lang zonder hoofd, en nu stonden Karel en François openlijk naar de kroon, en deden ieder met brieven, gezantschappen, giften en beden, en wat zij vermochten, om die schoone bruid (gelijk François zelf het uitdrukte) voor zich te winnen en aan zijnen medeminnaar te ontvrijen. De kans stond hachlijk, maar eindelijk Karel ging met haar strijken. Bij sleidanus vindt men de oratien van den Aartsbisschop van Ments ter aanbeveling van Karel, en van dien van Trier ten voordeele van François, onder de Keurvorsten te Frankfort aan den Main uitgesproken(1).
Dobberende tusschen deze 2 pleidooien, bieden de overigen de kroon aan den Keurvorst Frederik van Saxen, maar deze weigert haar, en daar hij bemerkte dat men niet aarzelde om voor Karel te
stemmen, dan om dat de voorstander van zijn mededinger hem als een vreemdeling zoo wel als François had doen voorkomen, omdat hij in Vlaanderen geboren was, zoo nam hij die zwarigheid weg door een grondig vertoog over Karels geslacht, afkomst, betrekkingen en zelfs zijn geboorteland, en besloot deze rede met hem zijn stem te geven; waarop de overige 4 volgden, en dus werd op den 28 Junij 1519 Karel Roomsch Koning en Keizer gekoren en in de Hoofdkerk uitgeroepen. In negen dagen bracht iemand de tijding van zijne verkiezing hem van Frankfort naar Barcelona, en kwam dus den Keurvorst van de Palts, hoe snel ook reizende, die door het Kollegie gezonden werd, voor. - François had een blaauwtjen gelopen, en was er bij uitstek gevoelig over, zoo wel als over al 't gene hij daar aan zoo vruchtloos te koste gelegd had, en van dit uur was hij Karels mededinger niet meer, maar zijn onverzoenlijke vijand. [Zie de Bijvoegs.]
Twee zaken waren van nu af aan zijn onafgebroken bedoeling: 1o. geheel Europa tegen hem in de wapenen te brengen, en 2o. Karels staten inwendig door verdeeldheden en opschuddingen te verstoren, op dat hem van alle zijden de handen gebonden mochten zijn en de wederstand hem onmooglijk gemaakt tegen de aanrandingen, waartoe hij al zijn macht wilde inspannen. Noch het een noch het ander was zeer moeilijk in de omstandigheden waarin zich de erflanden van Karel en het Duitsche Rijk-zelf bevonden.
In Oostenrijk vergaderden dadelijk op Maximiliaans afsterven de Staten te Weenen, en vonden bij de opening van zijn testament Karel algeheel Erfge-
naam gesteld, en hier had niemand iets tegen, maar men was beleedigd door dat hij daarbij bevolen had dat al de amptenaren hunne posten zouden blijven bekleeden, tot Karel daar nader orde op gesteld zou hebben. Zij begrepen dat met de dood des Keizers alle beämpten ipso facto [van zelf] ontslagen waren, en het aan hun nu staan moest zich-zelf te regeeren, en het interregnum [tusschen-regeering] (als naar stijl) zich ten nutt' te maken ten koste van land en volk. Zij hoopten daar bij dat Karel altijd in Spanje zou blijven; ten minste daar den zetel zijner heerschappij vestigen, en nu aldaar lang genoeg opgehouden zou worden, om zich met geweld in de Aristocratische tijrannij te vestigen en als hij van daar overkwam, rekenden zij op Frankrijks overstelping van de Nederlanden met troepen, die hij niet licht weêr uit zou kunnen drijven. - Zij begonnen in Weenen met door middel van 't graauw de Landvoogden en al wie in het bestuur waren weg te jagen, en dit ging als een loopend vuur door geheel Oostenrijk, en stelden toen eigener gezag geheel nieuwe beampten, zich met hun zestigen, onder wie de domste vlegel die ooit op menschen voeten gegaan heeft (een Karthuizer abt) de Robespierre was, de regeering in 't geestelijke en wareldlijke gantsch en gaar aantrekkende. - Zij zonden nu naar Karel in Spanje, ten einde hij hun regeerings bestel zoude hebben goed te keuren en te bekrachtigen. Maar toen Karel Keizer gekoren geworden was, begreep men dat hij toch nader bij Hof zou dienen te houden, en hun rekening kwalijk uitkomen; hetgeen de partij der afgezette regenten moed gaf en de wapenen deed op-
vatten; dan, zij hadden de overmacht, wisten dezen opstand tegen hen te onderdrukken, en brachten door allerlei listen 't gemeen op hun zijde. Bij dit ongeluk van den binnenlandschen oorlog en twist kwam een zware pest in die streken, die geheel dat land droevig teisterde. - Karel echter kwam, eer zij 't verwachtten, te Worms, waar hij na te Aken gekroond te zijn, Rijksdag hield, en zijn gezag en beleid had de kracht om van daar uit, de opschudding te dempen, en elk tot zijn pligt te doen keeren, zoo dat na 2 jaren woedens, Januarij 1521 alles in rust hersteld zag.
Karel van Egmond, die lang gepoogd had een dochter van onzen Filip ten huwelijk te bekomen, trouwde nu (1519) de dochter des Hertogs van Lunenburg, Elizabeth genaamd, maar kreeg daar geen kinderen bij. Bij de bruiloft waren gemachtigden van Groningen tegenwoordig, met een aanzienlijken stoet, in zwart kamelot en satijn uitgedoscht, en die hem als hun Heer rijke geschenken brachten(1), en privilegien in de plaats vorderden, die hij niet weigeren kon.
Maar eer Karel uit Spanje vertrok had hij ook daar een opstand te stillen. - Hij had geen ander verlangen dan om daar aan de regeering een vaste vorm te geven, het geen voor een vreemd aankomend Vorst niet geschiedt, zonder volksgewoonten en vooroordeelen in het een of ander tegen te druischen. Het geen zijn vader in Spanje verricht had, had al
reeds doen vreezen, dat hij op gelijke wijze, den Nederlanderen grooten invloed zou geven, en dus was men tegen hem ingenomen. Hij geheel Nederlander in 't hart, bevestigde die vrees maar al te zeer. Adriaan Florissen (zijn leermeester) en Willem van Croy Markgraaf van Aarschot en Heer van Chevrier, hadden boven anderen zijn vertrouwen, en vermochten alles. Overal werden Nederlanders in gewichtige posten, ampten en Bisdommen gesteld; ook wil men, dat om bij den Keizer te slagen, hun de handen gevuld moesten worden.
Hier bij kwam de verspreiding van Duitsche en Nederlandsche muntspecien, die Karels landslieden in omloop brachten, van slechter gehalte dan 't Spaansche geld, dat zij oppotteden of naar hunnent zonden. De Nederlandsche schepen dreven welhaast, door den meerderen ijver en werkzaamheid, geheel den Spaanschen handel in Europa, en daar ontstonden monopolien, inzonderheid in de granen, die schaarschheid verwekten. Voor de Spaansche deftigheid in kleeding, in feesten en gastmalen, voerden zij de Vlaamsche dartelheid, daar uit Frankrijk overgeplaatst, in, welke den Nationalen geest ergerde; welk alles groot ongenoegen verwekte.
Eenige Spaansche grooten namen dit zeer hoog, en wierden door Frankrijk opgezet. Ferdinand Davila, die als bevelhebber van Kadix afgezet was, plaatste zich aan het hoofd der misnoegden, die ook het gemeen weldra op hun hand hadden: de familie van Osorio, een der eerste des Lands, voegde zich hier bij, uit hoofde van bijzondere vijandschap tegen 't huis van d' Alba de Lissa; en welhaast bestond
de heilige junta (gelijk het genoemd werd) uit de voornaamste grooten van Arragon, beide van geestelijken en wareldlijken Staat, en bijna geheel Kastilie, zoo wel steden als Edelen. Het geen Croy zoodanig verschrikte, dat hij zich (zonder eenig vermoeden van Karel) eensklaps het land uit maakte.
Karel, die nergens van wist, riep in Maart 1520 de staten der twee Rijken te Toledo bij een, en vorderde geld om op reis te gaan: maar zij weigerden dit onbewimpeld, ten zij hij de Nederlanders uit Spanje zond, en de regeering aan Inboorlingen in handen gaf. Dit verstoorde hem hooglijk, en hij toonde zijn gevoeligheid openlijk, doch vernemende dat de oproerigen zich van alle kanten gewapend samentrokken, maakte hij zich met het geld, dat de niet misnoegden hem opbrachten, hals over hoofd, bij slecht weêr, en eer iemand 't verwachtte (als of hij gejaagd werd) van daar naar Asturie, waar de vloot tot zijn overtocht vaardig lag; stelde Adriaan Florissen tot Opperregent of Onderkoning, en vertrok; uit Corunha in zee loopende; van waar hij rechtstreeks naar Engeland stevende en in Hampton aanlandde, ten einde met Hendrik den VIII in verbond te treden, dat hem in zijne beslommeringen tegen Fransche of Spaansche ondernemingen te stade mocht komen. - Van daar werd hij, naar Zeeland gekeerd, waar hij met 30 schepen aankwam, met zeer groote blijdschap ontfangen, en zeilde naar Brugge, waar alles hem wachtte, om hem naar Aken ter kroning te geleiden, tot welke de 6 October bepaald was.
Naauwlijks was hij uit Spanje, of de Heilige Jun-
ta gaf een Manifest en circulaire aan alle provincien, steden, en plaatsen tegen hem uit, waarbij zij aankondigden de algemeene zaak der Spaansche vrijheid met hun bloed te zullen beschermen, en den onderstand van allen in manschap en geld daartoe opvorderden. Vele Steden nog wankelend vielen toe, op beloften van voortaan (als de vrije steden in Duitschland en Italie, zoo 't hiet) door een eigen gekozen (of zelfgekozen) Magistraat geregeerd te worden; het geen echter het plan niet was, maar wel zich in kleine onderling verbonden Prinsdommen als in Italie te verdeelen, of een Vorsten-republiek onder een hoofd als het Duitsche Rijk, op te rechten. Adriaan zond krijgsvolk tegen hen, en nu is de uitbarsting volkomen, en alles wat nog eenigzins weifelde, vereenigt zich tegen hem, de Stad en het Rijk van Grenade alleen uitgenomen, die Karel altijd getrouw bleven. Te Segovia werd de Bevelhebber vermoord, elders de hooge beampten opgehangen; die niet meê wilden doen, waren hun leven niet zeker en werden uitgedreven. De huizen der voornaamste Grooten in 's Konings dienst werden geplonderd en afgebroken. Medina de Campo door hen verbrand, de Koninklijke Raden in gevangenis gesmeten: met één woord, het waren de Vlaamsche schouwspelen op een grooter tooneel vernieuwd. - De Junta koomt weder te Toledo bij een, brengt een groot leger te veld, en organiseert den opstand volkomen, en dit op 's Konings naam (even als wij hier te Lande onder Filips deden) en alleen tot verdediging van hun en zijn rechten, en tegen de Nederlandsche verdrukkers en hunnen aanhang. Adriaan die zich met den Ko-
ninglijken raad te Valladolid onthield, vermaande door brieven en boden de welmeenenden voor 's Konings zaak de wapenen op te vatten, maar de oproerigen trokken op Valladolid aan; hij was verplicht te vluchten, en werd in de vlucht gevangen genomen, doch wel behandeld (want men had algemeen achting voor hem) maar hij ontkwam bij nacht door een scheur van de stadsmuur, en redde zich met één eenigen medgezel te Medina Rio-Secco bij den Admirant van Kastilie. De weêrspannigen hielden hem zoo in waarde, dat zij hem zijn zilverwerk en boeken met zijn dienstboden toezonden. - Nu haalden zij de Koningin Weduwe Joanna uit hare bewaring en meenden die (zoo krankzinnig zij was) aan hun hoofd te stellen, en haar de Junta te doen onderteekenen; maar zij weigerde dit volstrekt, en zei zoo zwak van hoofd nog niet te zijn, om te vergeten wie zij was. Zij stelden haar onder een gewapende macht van 300 Priesters, en deden haar met open deuren eeten en slapen, ten einde ieder haar zien en gelooven zou dat zij aan hun hoofd als Vorstin was, gelijk zij dan ook alles op haar naam deden, en aan hun plakaten haar naam voor die van Karel in de plaats stelden.
Het waren nu ook niet meer de Grooten, (aanleggers des opstands) die het gezag in handen hadden; 't waren (gelijk antonio de guevara, in zijne redevoering welke hij hun hield daar onbewimpeld voor uit komt) snijders, glazenmakers, smeden, geelgieters, verwers, wevers en hoedenmakers, met dieven en moordenaars, misdadigen uit gevangenis gebroken of om hun wangedrag uitgebannen, en allerlei
gemeen en slecht volk, dat hun boven 't hoofd gewassen was, alles met plonderen en moorden onveilig maakte, en naar wier pijpen zij dansen moesten.
Karel als hij dit in Vlaanderen vernam, en de zaak tot een volstrekte beslissing door de wapenen zag te moeten komen, stelde den Admirant van Kastilie Hertog van Medina Rio-Secco, en den Konnestabel Velasco van Kastilie aan het hoofd, die Adriaan in alles te raad togen. Dezen trachtten echter den opstand in der minne te stillen, maar de misnoegden eischten nu volstrekt voor de Steden dezelfde rechten als de Duitsche Rijkssteden, en voor de Grandes en Edelen dezelfde Hoogheden, rechten en vrijheden, als de Duitsche Rijksvorsten; niet minder willende zijn, en geen meer gezag aan hun Koning willende toestaan, dan de Roomsche Rijksconstitutie meêbracht. Schoon er geenerlei uitzicht op vergelijk was, rekte de Admirant echter met weder en weder hervatte onderhandelingen den tijd zoo lang, dat hij een aanzienlijk leger verzameld had, en kondigde toen door Herauten en bij plakaten af, dat wie der opstandelingen voor half November niet tot hem overgekomen was, voor muiteling en vijand gehouden zou worden en zijn goed aangeslagen worden. De oproerigen van hun zijde, de Koningin Joanna te Torricello in hun macht hebbende, bedienden zich (als gezegd is) van haar naam, en wilden) haar een tweeden man geven, te weten, den Hertog, van Kalabrie; die, in Valence gevangen gehouden, hun aanbod van dit huwelijk met het Opperbevel over hun leger, en zelfs de kroon van Kastilie, verwierp, en volstrekt zijn gevangenis niet
verlaten wilde als door zijn woord van eer aan Karel verbonden(1). De Koninklijken kwamen voor Torricelli, terwijl de oproerigen uitgetrokken waren om een naburig steedtjen te verrassen en daar niet dan de 300 gewapende Priesters gelaten hadden, maar dezen kruisten zich en vochten als leeuwen, doch konden niet beletten dat de stad stormenderhand genomen werd; waardoor de Koningin wederom in hare vorige bewaring te rug keerde.
De oproerigen hadden nu een leger van ruim 30,000 man, van alles wel voorzien, in het veld, maar het ontbrak hun aan krijgstucht en eenigheid. Die van de Koningsgezinden waren ruim 18,000; maar zij waren in ruiterij en geschut sterker, en dagelijks liepen de soldaten van beroep van de andere zij' tot hen over. De Admirant echter wilde hen zonder bloedstorting tot vrede bewegen, en daar zij alle voorstellen verwierpen, vroeg hij hun 't ultimatum af, waarop zij de wapenen zouden willen neêrleggen. Dit was: ‘alle Bevelhebbers, Raadslieden, rechters, en beampten des Konings af te zetten; een Onderkoning over Kastilie dien zij benoemden, en die de onderbevelhebbers, raden, en beampten naar goedvinden aan- en afstellen zou; en eindelijk, Adriaan met alle Nederlanderen uit Spanje te drijven.’ - Men had een voorspelling onder hun in omloop gebracht, waar zij vast aan hielden, dat Karel
Spanje zou komen uitplunderen, blaken, en moorden, maar dat de zoon van den Koning van Portugal hem daarvoor straffen zou. En dit was al wat zij hoopten. - Nu was alle denkbeeld van vrede of vergelijk gants verdwenen. Ondertusschen maakte François, die den vrede met Karel gebroken had, gebruik van dezen toestand om Navarre te veroveren.
Een zware veldslag tusschen de twee legers moest nu de oorlog beslissen. De oproerigen leden een geweldige neêrlaag, minder aanmerklijk door het getal der gesneuvelden (slechts 2000) als door de menigte van gevangenen en volkomen ontbinding van 't heir, dat geheel uit één gedreven werd. Nu onderwierpen zich de steden om 't zeerst, en geven geschut, wapenen, en bevelhebbers over; 't geen de laatsten zoo dra daar een of twee voorbeelden van gegeven waren, in groot aantal naar Frankrijk de wijk deed nemen, anderen zich van 't gebergte te pletteren storten. Nog grooter getal echter werd gevangen en gestraft; de hoofden inzonderheid. Velen echter gaf Karel vergiffenis; maar (gelijk in al zulke gevallen betaamde) behoudens den loop der Civile Justitie en ieders bijzonder recht tegen hen. - Allerlaatst volhardden die van Valence in den opstand. Dezen hadden zich door woeste moord- en vernielingszucht onderscheiden, en Moorsche slaven, die gedwongen waren om zich te laten doopen, op de been gebracht, met wie zij zich lieten voorstaan geheel Spanje te overmeesteren, en hielden den wederstand hardnekkig tot het jaar 1522 uit. -
De eed was nu aan Karel vernieuwd, en Spanje weder in rust, en onderworpen; en het was tijd om
de Franschen, die zich gereed maakten tot verder veroveringen, paal te stellen. De Admirant en Connestabel vielen hen bij Pampelune op 't lijf, en zij werden met verlies van omtrent 5000 dooden, en vele gevangenen (waaronder hun twee Bevelhebbers) geheel op de vlucht geslagen, en de ingenomen steden werden grootendeels heroverd.
Karel ontfing de gelukkige tijding van dezen uitslag der Spaansche onlusten ten tijde van zijne kroning in Duitschland, die op den 6 October bepaald was geweest, maar om de pest welke zich te Aken ontdekte uitgesteld was geworden, doch niet te min den 21sten voortgang had. Ter dier gelegenheid werd aan het volk een geheel gebraden os, met wild en gevogelte opgevuld, met vele vaten wijn, prijs gegeven.
Maar was het in Spanje onrustig geweest, in Duitschland was geheel iets anders te doen, het geen in zijn gevolgen van nog grooter gewicht was. In den aanvang van 1521 te Worms den Rijksdag houdende, waarbij hij het Kamergericht op den behoorlijken voet herstelde en velerlei reglementen tot onderhouding der Rijksvrede tot stand bracht; was hij tevens verplicht zich de woelingen aan te trekken door de prediking van m. luther verwekt. - Wij zullen hier in de geschiedenis der Reformatie niet treden; zoo wel om dat zij ondersteld moet worden genoeg bekend te zijn, als om dat zij tot nog geen onmiddelijken invloed op onze geschiedenis had; die eerst eenige jaren later begon. Alhoewel men niet ontkennen kan, dat in de Nederlanden, en vooral in Holland, reeds lang eene groote toehelling
tot hervorming plaats had gehad, waartoe erasmus door zijne schriften, en Bisschop Filip (van Bourgondie) in Utrecht, door zijn openbare gesprekken, vrij wat toebrachten: en er ook in dit zelfde jaar 1521 reeds in Holland vervolgingen om den Godsdienst begonnen. Men weet dat Luther op dezen Rijksdag gedaagd werd en zich verantwoordde, maar in de maand May in den Rijksban gedaan werd, zoo als hij kort te voren door Paus Leo (op wien hij zich echter in de disputen beroepen had) in den Kerkban gedaan was. - Karel gaf dit jaar aan zijn broeder Ferdinand, nu 20 jaar oud, ter gelegenheid van het huwelijk door dezen met de zuster des Konings Lodewijk van Bohemen en Hongarijen aangegaan, de beide Hertogdommen van Opper- en Neder-Oostenrijk met al wat in Duitschland door 't Oostenrijksch huis bezeten werd; en trouwde aan dezen Lodewijk zijne zuster Maria uit. De Oostenrijksche Staten, door den uitslag van den Spaanschen opstand bevreesd geworden, onderwierpen zich nu ook volkomen, en ontfingen hun nieuwen Vorst met veel blijdschap.
François had de pogingen van zijn voorzaat, om zich van Italie meester te zien, niet opgegeven, en de oorlog aldaar tusschen hem en Karel een poos geduurd, terwijl Paus Leo X onzeker scheen wien hij toe wilde vallen. Hij bepaalde zich echter voor Karel en sloot een verbond met hem ten einde de Franschen (uit Italie) te verdrijven, die dan ook spoedig uit Parma, Placenca, en Milanen gejaagd waren. Van hier gedreven, begon François in de Nederlanden zijn geluk te beproeven, waar hij den Graaf
van der Mark en den Hertog van Bouillon opzette of omkocht, (doch die spoedig bedwongen werden); en tevens hielden de Gelderschen (ondanks het bestand) Holland in onveiligheid en ongerustheid. De Haringvisscherij echter, werd door tusschenspraak van Hendrik den VIII, aan wederzijde (bij Franschen en Hollanders) vrij verklaard, in weêrwil der oorlogsvijandelijkheden. Doornik na een hevig beleg door Graaf Henrik van Nassau ingenomen zijnde, werd in dezen veldtocht met Vlaanderen vereenigd.
Een geschil tusschen Kampen en Zwol over een tol, welke de eersten op 't Zwarte water leiden, om dat sedert de verwijdering van dezen stroom, de schepen den Yssel niet meer, maar dit water op- en uitzeilden, en zich dus aan den Kampertol op den Yssel onttrokken, bracht een oorlog tusschen deze twee steden te weeg, waar Bisschop en Keizer vruchtloos tusschen beide trachtten te komen; en was van dat gevolg, dat Zwol de Geldersche bescherming inriep, waarvan Hertog Karel gebruik maakte om zich van vele plaatsen in Overijssel meester te maken, die hij bij verdrag van 1522 behield, waar bij hij het gantsche gewest de wet voorschreef. Van daar zocht hij Noord-Holland en brandschatte Texel en Wieringen, die hem te samen bij de 6000 guldens opbrengen moesten, en nam een geheele vloot schepen uit de Oostzee.
In Friesland namen de keizerlijke Friezen Staveren. En in Groningen sneed men den hoenders de keel af, en hong ze dus tot waarschouwing van de Gelderschgezinde Magistraat voor de deur van 't stadhuis; waardoor een algemeene schrik verspreid werd.
Karel van Egmond kwam echter zelf te Groningen en bevredigde 't volk met goede beloften op vrede, maar zette een Stadvoogd om ze in toom te houden.
In Januarij van 1522, waarin dit voorviel, beklom Adriaan Florissen, Karels Leermeester (toen Bisschop van Tortosa en sints lang Kardinaal) den Pausselijken Zetel in plaatse van Leo den X, die vergeven werd, maar overleefde zijne verheffing nog geene twee jaren. - François over deze verkiezing, welke ten bewijze van den invloed des Keizers op 't Roomsch Conclave strekte, verbitterd, bracht nu den oorlog uit de Nederlanden, waar hij niet gelukkig geweest was, wederom naar Italie over, en ook daar liep hem de krijgskans niet mede. - De Keizer overal verplicht het oog te hebben, verliet deze landen om naar Spanje en Italie te keeren en stelde Margareta, zijn Moei, op nieuw over de Nederlanden, en zijn broeder Ferdinand tot Rijks-Stedehouder in Duitschland.
Een vloot van 120 schepen, waarop hij 4000 Duitsche on 2000 Nederlandsche voetknechten plaatste, zond hij uit Middelburg naar Hampton in Engeland vooruit om hem daar af te wachten, en hij begaf zich te voet naar Calais, kwam van daar in een overtocht van vier uren te Douvres aan; en sloot een nader verbond met Hendrik VIII, die nu ook den oorlog aan François had verklaard en Karel bereids met veel geld in den Italiaanschen krijg bijgestaan. Karel verloofde zich hier (dit was de 4de maal!) met Hendriks dochter Maria die nu zeven jaar oud was. Den 4 Julij ging hij uit Hampton onder zeil en landde den 16 te St. Andreas in Asturie aan, alwaar hij de
voordeelen door de zijnen tegen de Franschen in Biscaaien en Katalonië behaald, en tevens de ontdekking en verovering van Mexico door Ferdinand Cortes vernam. Hij zond eenige Duitsche en Spaansche benden met de vloot aan Henrik ter hulpe te rug; en ontfing ook 't verzoek van Paus Hadriaan om hem in Italie te hulp te komen.
Cortes was den 18 November 1519 met elf schepen uitgezeild, die met 450 Spanjaards bemand waren(1), en hij won Mexico in 1521. In 't zelfde jaar 1519 was Ferdinand Magellaan met 5 schepen en 200 Spanjaards afgereisd om de Molukken te zoeken, maar kwam in 1521 om op zijn tocht. Een zijner schepen keerde echter, na de ontdekking gemaakt te hebben, naar Spanje te rug. De naijver tusschen Spanje en Portugal had gelegenheid gegeven tot de verdeeling der onbekende wareld door Paus Alexander den VI, als ingeroepen scheidsman gedaan, waarover zoo veel onzins op 't papier is gezet: maar door de begeerlijkheid der Portugeezen behoorden nu ook de Molukken aan Spanje, daar ze anders in de hemisfeer van Portugal gelegen geweest zouden zijn(2).
Dit echter gaven de Portugeezen niet toe. Men raadpleegde toen geen Paus, maar Wiskunstenaars en Zeelieden, en dezen wezen 't land aan Spanje toe.
aant.Te vergeefsch echter om Koning Jan van Portugal te doen afzien van de vaart die hij beweerde hem (en niet Spanje) toe te komen. Van weêrskanten voer men derwaart, ontmoette malkaâr en sloeg malkaâr dood. Den Portugeezen diende hier 't geluk, en zij onderschepten twee uitrustingen van Karel, van welke geen man te rug kwam. Eer de tijding algemeen werd, kwam hun Koning de oorlog die daaruit had moeten ontstaan, door een onderhandeling voor, waarbij hij Karel in 1529 de Molukken afkocht, op voorwaarde van ze, voor 350,000 gouden dukaten weêr over te geven als het Spanje gelegen mocht zijn. - De Staten van Kastilie boden naderhand de 350,000 ducaten aan, mits slechts drie jaren meester van de Molukken te mogen zijn, en ze dan weêr aan den Keizer over te geven; maar hij (die daaruit een oorlog met Portugal voorzag, die hem in den stand zijner zaken niet vlijde) weigerde dit, en beval van dit onderwerp niet meer te spreken.
Hendrik VIII voerde ondertusschen met Karels hulpbenden bij de zijnen gevoegd een oorlog in Pikardije die Frankrijk zwaar viel. Burgundie werd met goedvinden der wederzijdsche partijen onzijdig gehouden, en de krijg werd in de Nederlanden met groot nadeel tegen François voortgezet. - De Turken waren in Karnie gevallen, maar door Ferdinand geslagen. - Karel verkondigt in 1522 te Valladolid eene vergiffenis onder zekere bepalingen. Valencia onderwerpt zich. En hij ontslaat Ferdinand van Kalabrie, ter erkentenis van zijne braafheid, uit zijn gevangenschap, neemt hem in blakende gunst, en geeft hem eene
aant.rijke weduw (maar die hem geen kinderen meer geven zou) ten huwelijk. [Zie de Bijvoegs.]
Maar de opstand was nu uit Spanje naar Majorca verplaatst, waar allergeweldigst, onder 't bevel van een hoedenmaker, op de Edelen, op hun vrouwen en kinderen, en al wat niet met hun deed gewoed werd; en het was met de uiterste moeite en ten koste van veel bloeds dat hij gedempt en gestraft werd.
Tot Karel ging in het jaar 1523 de Connestabel van Bourbon over, die veel tot Karels overwinningen op François toegebracht heeft. Deze Edelman van Koninklijken bloede werd door François moeder (Louise van Savoyen) die het oog op hem had laten vallen, tot een huwlijk aangezocht, of liever tot een huwlijk vervolgd (gepersecuteerd). Hij was door haar toedoen Connestabel gemaakt, en had zich reeds haar haat, en dienvolgende 's Konings ongunst op den hals gehaald door een huwelijk met Suzanna van Bourbon, wanneer deze zijne gemalin in 1522 kwam te overlijden; maar toen begon het oude wijf hem nog gruwlijker te plagen dat hij haar trouwen zou. Hij weigerde dit volstrekt, en nu stelde zij geene perken aan hare kwaadaartigheid tegen hem, en nu betwistte zij hem 't Hertogdom van Bourbon. Alles zette hem nu den voet dwars, en hij zag te gemoet, dat het Parlement hem ter gunst van de oude ....... .... uit zijn bezittingen zou stellen. Hij volgde nu den Koning naar Italie, maar week ter zijde en gaf zich in Karels dienst. - François richte dit jaar niets gedenkwaardigs uit. Paus Adriaan stierf, naar het schijnt, door vergift, en werd door Clemens de VII uit het huis van Medicis opgevolgd.
Margareta van Oostenrijk had ondertusschen Jan van Wassenaar en George of Juriaan Schenk naar Friesland gezonden, die de Gelderschen spoedig aan 't wijken brachten, Workum namen, de Zevenwolden tot Karel over deden gaan, en de Groningers uit Friesland verdreven; ook de Ommelanden in eed namen en een geldboete opleiden, en ook Dokkom en Sloten, en de Lemmer, bemachtigden. De Gelderschen verrastten van hun kant Steenwijk in Overijssel, en Koeverden, maar werden weldra van daar gejaagd en tot in Gelderland vervolgd. Niet te min had Holland veel van hun stroperijen te lijden, die zij tot Leyden en den Haag uitstrekten. Wassenaar bracht op deze wijze geheel Friesland onder Karel, waarin zoo veel krijgsbevelhebbers al hun poging verijdeld hadden gezien, en stierf aan de gevolgen eener operatie van een onbekwaam Chirurgijn, die hem van een stijven arm (hem van een kwetsuur overgebleven) genezen zou. In hem hield het Huis van Wassenaar op, daar hij niet dan twee dochters naliet, de eene aan den Graaf van Ligne gehuwd, aan wie Karel haars vaders heerlijkheden van Wassenaar, Valkenburg, en Voorburg schonk; de andere aan den Heer van Lumey en Serein, uit het huis van van der Mark gehuwd, en nevens deze dochters, een bastaard, Andries genaamd.
De Groningers hoe zeer door dit sterfgeval weêr bemoedigd, zonden echter naar Brussel gemachtigden om een bestand te vragen, het geen door de Landvoogdes toegestaan werd, mits intusschen over een vrede te onderhandelen. Dit mislukte echter door toedoen van Karel van Egmond, die in Groningen
zijne bezoldigden had, maar het bestand werd verlengd. Een troep van afgedankte soldaten ten getale van 9000 loopt (nu in dienst van den Bisschop van Bremen getreden) Friesland af, en vervolgens Utrecht, en Overijssel; nergens zich vestigen kunnende bij gebrek van geschut, maar beroovende 't platte land: ten laatste treden zij weêr in Geldersche dienst.
De oorlog tegen Frankrijk werd voortgezet, en men was hier tegen de Fransche verraderlijke listen derwijze ingenomen, dat men bij het Hof van Holland ook den Geestelijken en Kloosterlingen verbood, uit deze landen naar Frankrijk te gaan of van daar herwaarts te komen, op straf van in een zak gestoken en verdronken te worden. - In Utrecht stierf de Bisschop Filip van Bourgondie, en zijn opvolger was Hendrik van Beieren, zoon van den Keurvorst van de Palts.
Men had nu in lang van geen oproeren in Holland gehoord. En geen wonder. Karel welke den gewonen oorsprong dezer opschuddingen in Holland wel inzag, had in 1518 Kommissarissen aangesteld, om naar het vermogen der steden (waarin altijd de middelmatige boven maat gedrukt werden, omdat de groote hun 't opkomen wilden beletten) de aandeelen in den opbrengst der schattingen te regelen. Eenige der groote steden hadden daar wel iets tegen, en Dordrecht deed bij de afkondiging van het mandament, protestatie van voorbehouding van de oude rechten en herkomen der stad, als waar tegen dit streed. (En dat deed het in der daad, maar het was tijd, het misbruik van dat recht waar over quaestie was, 't recht om zich-zelf te schatten, weg te nemen). Deze regelmaat bleef zoo lang Karel re-
geerde; en men noemde den omslag volgens deze proportie gedaan, een ommeslag op (d.i. volgens) de schildtalen.
Daar was een groote bron van oproer gestopt: maar daar was nog een tweede: - de magistraat kon het inzamelen van een verkregen octrooi zoo drukkend maken voor de ingezetenen, en zoo voordeelig voor de inzamelaars als zij wilde, en het octrooi daar door ook zoo lang van duur maken als zij goed vond; vooral als zij der gemeente geene rekening deed; en ook dit liep somwijlen in 't oog. Dit gebeurde om dezen tijd in 's Gravenhage, ter gelegenheid van de heffing van een accijns op de Bieren en Wijnen, waartoe de Magistraat reeds in 1516 octrooi van den Keizer ontfangen had. Men had dit zoo lang gedragen, en werd het nu moê; en een sluikerij van een schipper die uit Delft gevangen te rug gehaald werd, bracht het volk in beweging. De Bailjuw en de Procureur Generaal met zijn Substituut werden hier door het graauw achtervolgd, en de schuitevoerder raakte weg; maar nog ongerust over de samenscholingen deed de Stadhouder Hoogstraten een groote 200 knechten binnenkomen, die op eenige scheldwoorden van het gemeen, daaronder schoten, (over heen, als men gewoon is, maar waar door echter drie of vier lieden gekwetst werden); ook namen zij er eenige gevangen. De Stadhouder die begreep dat er eene onvoorzichtigheid begaan was, kondigde in 's Keizers naam abolitie af, mits er 2500 Guldens betaald werden. Maar de Keizer gaf last, om de Schepenen en Thesaurieren af te zetten, en rekening te doen doen van den ontfangst wegens de accijnsen; en om ook
den accijns niet meer intezamelen als geschiedde, maar aan den meestbiedenden te verpachten.
Wij kunnen de veldtochten in Italie hier niet volgen: maar genoeg zij het, dat op den 14 Februarij 1524, de Keizerlijken bij Pavia het Fransche leger volkomen uit een sloegen, en François-zelf met een menigte Edelen en Grooten en een geweldig aantal mindere krijgslieden gevangen namen. Lanoy, Nederlander, reeds sedert eenigen tijd Onderkoning van het rijk van Napels, en de Connestabel van Bourbon voerden met nog drie Spaansche krijgshoofden het bevel, en hadden het geluk dezen jongen Leeuw in den band te sluiten. - Karel toen hij hem had was verlegen wat hij nu met hem uitvoeren zou, en nam den raad van zijne staats en krijgslieden in. Hij hield zich na veel overleggens aan dien van den Hertog van Alva, en dit was, hem onder goede bedingen ten behoeve van Karels staten en de rust van Europa te ontslaan. Maar als deze bedingen den Koning voorgesteld werden, sloeg hij die plat af en zei liever in gevangenis te willen omkomen. Hij zette zelf de voorwaarden op 't papier waarop hij ontslagen wilde zijn, en deze konden ook niet toegestaan worden. Ondertusschen achtte ieder een den Keizer nu door deze overwinning veel te machtig geworden, en het ongeluk boezemde een soort van genegenheid in voor den armen François; maar inzonderheid ontstak de nijd van Koning Hendrik VIII tegen Karel, en van dit uur af zette hij hem den voet dwars. Hij had Karel wel willen helpen om François te verzwakken, maar niet om hem zelve
grooter te maken dan hij was, en hij maakte een verbond met François moeder (de kuische Louize) om haar zoon uit Karels macht te bevrijden. Hij was bovendien gestoord over Karels aanstaande huwelijk met de zuster des Konings van Portugal, waardoor hij zijne dochter Maria verstoten had. - Karel had tot dit huwelijk besloten op groote begeerte der Spanjaards, die hem daarom smeekten en groote onderstanden daar aan verknochtten. - De Venetianen, die meê in 't verbond tegen de Franschen waren, vielen Karel ook af; en de Paus werd niet dan door de troepen waarvan hij als omringd zat, tot het aangaan van een vrede met hem gebracht, die van geen langen duur was. - François werd intusschen naar Spanje gevoerd, schoon hij zeer verzocht te Napels gebracht te mogen worden. Vruchtloos verzocht hij den Keizer persoonlijk te spreken. Karel nam voor, hem niet te zien dan wanneer zij het eens zouden zijn; maar hij deed hem met alle eer en onderscheiding bedienen, en gunde hem het vermaak van de jacht. - Inmiddels voltrok hij op 's Pausen verlof zijn huwelijk met Prinses Izabella, en ten einde de Italianen, die niet anders schreeuwden, dan dat hij naar de oude Monarchie der Keizeren stond, gerust te stellen, deed hij alle de Spaansche benden uit geheel Italie weg, die alleen uitgenomen, welke hij uit hoofde van aangegane tractaten verplicht was in Saluzzo en Milanen te houden, en die hij in 't Koninkrijk Napels had. Middelerwijl wist de Landvoogdes voor de Nederlanden een bestand met Frankrijk te bewerken, en dus de visscherij gaande te houden.
Het wegvoeren van Fançois was buiten Karels bevel door Lannoy geschied, en werd hoog opgenomen. Het voegde zekerlijk Lannoy niet over een gevangen Koning zonder 's Keizers last te beschikken, maar het algemeen beklag, en de drift waar meê sommigen den Keizer dadelijk afvielen, zoo wel als het verbond van Henrik VIII om hem te verlossen, toonden genoeg, dat Italie geen veilige bewaarplaats voor hem was, en Lannoy handelde getrouw en voorzichtig, en Karel weet het hem dank. Weldra brak er een zamenzweering in Italie uit, door den geheimen Raadsman van Franc. Sfortia gesmeed, waar in de Paus, Venetie, Sfortia zelf, en Piscari (Karels krijgsbevelhebber), wien het Rijk van Napels beloofd was, zich wikkelden. Piscari echter trad te rug, verraste Milanen en belegerde Sfortia in 't Kasteel, en maakte zich in 's Keizers naam meester van 't Hertogdom, als door des Leenmans verraad aan hem vervallen zijnde: doch hij overleed in December aan de teering, die hij langen tijd omgedragen had, en Antonio de Lava nam 't bevel van hem over; thans de eenige Opperbevelhebber, dien Karel in Italie overig had, daar Lannoy den gevangen Koning in Spanje gebracht had, en Bourbon hem gevolgd was(1).
François werd nu ziek van verdriet over zijn gevangenis, en de Keizer was hier zeer meê begaan, uit vrees dat men hem nageven mocht, hem op een geheime wijs omgebracht te hebben. - De Paus
aant.schreef hem in 1526 een brief ter verbloeming van het opgestemd verraad, en bad hem, aan Sfortia 't geen die door slinksche aandrijving misdaan had te willen vergeven. Karel, wien het parcere subjectis, even als zijn voorvader Filip den Goede, in 't bloed zat, helde over om den Paus te wille te zijn; maar Lanoy ried hem zich meester in Italie te maken, door Milanen en Napels volstrekt in zijn handen te houden, en Fançois niet te ontslaan dan onder vollen afstand van alle aanspraak op 't een en het ander, en borgtocht voor het te rug geven van het Hertogdom van Bourgondie: minder grootmoedigheid was zeker dwaasheid geweest. - Hij handelde en kwam dan ook op dien voet overeen met François, wien hij (ondanks zijn voornemen) in zijn ziekte was komen zien, moed inspreken, en verzekeren dat hij hem geene dan billijke voorwaarden voor zou leggen.
Zij sloten derhalve vrede op den 14 Januarij 1526. Binnen zes weken moest Bourgondie met Charolois en al wat daar verder aan verknocht was te rug gegeven worden, zonder reserve van eenig recht of aanspraak, possessoir of petitoir, leen of ander, en met renuntiatie aan alle beneficien rechtens; en met overgift van alles wat daarin was. Op den 14 Maart moest François te Fontarabie in volle vrijheid gesteld worden ten einde dit verdrag te vervullen, en ter verzekering daar van tot gijzelaars te geven den Dolfijn (zijn zoon) en den Hertog Henrik van Orleans; of in plaats van dezen laatsten, twaalf Fransche Grooten, te weten, den Hertog van Vendôme, St. Albain, en Guise, en de Graven van St. Paul, van Foix,
van Laval, den Marquis van Saluces en nog vijf andere. Ook moest hij dezen vrede door de Pairs en Staten van zijn Rijk doen goedkeuren, aannemen, bezweeren, en bezegelen, en in alle Hoven en Parlementen van zijn Rijk doen registreeren; waar van hij binnen vier maanden blijk zou bezorgen. De Keizer moest van zijne zijde bezworen brieven geven voor de te rug gave der gijzelaars zoodra aan de voorwaarde voldaan zou zijn. De Koning zou zijn derden zoon, den Hertog van Angoulême aan den Keizer zenden om aan zijn hof opgevoed te worden. De Koning moest onder eede beloven, indien het mocht zijn, dat hij die voorwaarden niet vervullen kon, zich dan dadelijk weêr in zijn macht te komen stellen, wáár de Keizer zich ook bevinden mocht, en de Keizer dan de gijzelaars ontslaan. De Koning moest van alle aanspraak afstaan op wat Rijk of gewest. Karel thands in bezit had, inzonderheid en met name, op 't Rijk van Napels, dat van Sicilie, op Milanen, de stad en 't gebied van Genua en van Est, met afstand van 't geen hem dien ten opzichte bij vroegere tractaten mocht zijn toegekend of toegestaan, en hij moest de brieven van afstand (voor zoo verre er eenige mochten zijn) aan den Keizer te rug geven. Ook moest hij afstaan van alle recht en aanspraak (zoo verre hij eenige mocht meenen te hebben), op Atrecht, Doornik, Mortaigne, St. Amand, Rijssel, Douay, Orsoy, Hesdin; ook van alle overgezag, dat vroeger Koningen van Frankrijk op Vlaanderen en Artois of eenige andere plaats of gewest onder Karels bezit zijnde of zijn moetende gehad hebben of zouden mogen gehad hebben; en
daar moest hij brieven van geven. Dan tegen moest de Keizer aan hem overgeven met afstand van alle aanspraak daar op, al wat de Koning werkelijk bezat, met uitzondering echter van Perone, Mondidier, het Graafschap Boulogne, Guines, Ponthieu, en de steden ter wederzijde van de Somme (in Pikardije) gelegen, en van 't geen de Keizer als Koning van Spanje, of uit krachte van 't recht van het huis van Bourgondie, of uit krachte van 't verdrag van Atrecht, van Conflans aan de Seine, van Perone, of ter zake van andere gewesten, familie-betrekkingen, of verbonden zou mogen hebben en beweeren. Deze vrede moest kracht van een aanvallend en verweerend verbond hebben. In geval van aangevallen te worden, moest de een den ander 2000 ruiters en 10,000 voetknechten met behoorlijk geschut toezenden. In geval van een aanvallende oorlog zal men elkander over de te verleenen hulpbenden verstaan. De Koning zou Leonora 's Konings oudste schoonzuster, de Weduwe van Koning Emanuel van Portugal trouwen, en met haar behalven een som van 200,000 gouden lelien, de Graafschappen van Auxerre, Barre, aan de Seine, enz. ten huwlijk bekomen; maar alleen met mannelijke erfopvolging. Zijn zoon de Dolfijn zou Maria, de dochter van deze Leonora en wijlen Koning Emanuel ten huwelijk hebben, welke als zij twaalf jaar oud was, naar Frankrijk gezonden zou worden. De Koning zou zijn best doen, dat Hendrik Albert van den tytel van Koning van Navarre afzag, en ten minste, zoo hij dat niet bewerken kon, hem en zijne opvolgers in dien tytel geen hulp toebrengen. Hij zou Karel van Egmond zich
doen te vrede houden met het geen hij thands in Gelderland bezat, en bij zijn dood Keizer Karel Gelderland en Zutfen nalaten; waar tegen de Keizer bij gezegelden brief beloven zal, zijne kinderen, zoo bij die nalaat, wel op te voeden en te doteeren. En wanneer die of de Staten des Lands dat weigeren mochten, zou de Koning hun geen bijstand doen, maar integendeel ten zijnen koste den Keizer met 300 lanciers te paard en 4000 voetknechten bijstaan; de Koning zal ook tegen den Keizer of zijn broeder geen hulp bewijzen aan de van der Marken, en zich op geenerlei wijze in de zaken van Italie mengen. En daar de Koning aangeboden heeft den Keizer naar Rome te vergezellen, wanneer hij derwaart gaat om de kroon te ontfangen, zoo ontslaat hem de Keizer van die moeite, maar vraagt hem, in plaats van dit, ten zijnen koste voor drie maanden lang, hem (Keizer) een vloot op de Middellandsche zee te leveren en te onderhouden, om 6000 voetknechten van den Keizer te voeren, met geschut, takelagie, proviand, bootsvolk en roeiers voorzien; of zoo de Koning die kosten liever vermijden wil, kan hij daar voor 200,000 gouden lelien geven, en een eerwacht van 500 oude geoefende lanciers te paarde. - De Koning zal aan den Koning van Engeland ook de 500,000 gouden lelien betalen die hij volgens een oud tractaat aan Engeland schuldig is, en waar voor de Keizer bij zijn tractaat met Koning Hendrik tegen François aangegaan, zich borg gesteld heeft. De Koning moet den Connestabel van Bourbon in alle zijne goederen herstellen, en hem vrij stellen in Frankrijk te rug te keeren, of bij den Keizer te blijven.
Aan Margareta 's Keizers moei, zal de Koning (om dat zij dezen vrede heeft helpen bewerken) vijf graafschappen, bij 't tractaat genoemd, te rug geven, en dit vrij van alle superioriteit, en boven dien binnen 6 maanden 12000 gouden lelien tot schadevergoeding betalen. Nog verscheiden andere personen, zal hij in hun goederen herstellen of hunne aanspraken voldoen; zoo als aan Filibert van Chalons (den Prins van Oranje), Graaf Hendik van Nassau, den Prins van Chimay, den Heer van Beveren, den Markgraaf van Aarschot, enz. enz. ook de Studenten van de Universiteit van Parijs, die men tegen de privilegien gedwongen heeft zich te rantsoeneren. De overige punten zijn tralatitia [gewone formules], of van minder belang; en de vrede is geteekend te Madrid, den 12 Januarij 1526.
Maar eer het zoo verre kwam, was in 't afgeloopen jaar de boerenkrijg in Zwaben ontstaan, die zich weldra door geheel Duitschland verspreidde; met onbegrijplijke woede gevoerd werd, en aan verre meer dan 150,000 boeren het leven gekost heeft. - Een getal dat in onze dagen wel zoo ontzettend niet meer is, maar toen hoogst verbazend te rekenen was!
En het was ook in 't zelfde jaar, dat Christiaan de tweede Koning van Denemarken en Zweden, - die, door een allergeweldigsten opstand van zijn volk, dat zijn neef Frederik van Holstein in zijn plaats koos, na over de twee jaren zich met hulp der Lubekkers tegen de muitelingen verdedigd te hebben, verdreven, met zijne gemalinne Elizabeth of Izabella (Karels zuster), zijn zoontjen en twee dochters, in Holland schuilplaats en hulp was komen zoeken, - vrij wat ongenoegen ver-
wekte, door uitrustingen, die verwijderingen, den koophandel nadeelig, schenen voort te zullen brengen(1).
De Groningers, lang eenen oorlog moê, die zoo als zij gevoerd werd, nooit eindigen moest (want Karel van Egmond liet zich tot geen slag brengen; en met partijgangers was er geen beslissing te bewerken), zaten thans onder den Gelderschen dwang (welke ziende aankomen, lange Pier zich met de zaken niet meer had willen bemoeien), en zuchteden te vergeefsch naar eene eindelijke vrede. Zij hielden heimelijke bijeenkomsten, maar die niets uitwerkten, dan dat Karels Stadvoogd of Stadhouder (Marwijk) daar de lucht van kreeg, en den Hertog waarschouwde. Deze deed den Groningers eenige punten voorslaan die zij zouden aannemen of afwijzen; - dezen waren voornamelijk:
1o. Hem voor Heer volkomenlijk te erkennen.
2o. Onderwerping der Ommelanden aan zijn Stadhouder, en eed der Hoofdmannen aan Hertog Karel;
en 3o. Volkomen afstand van alle gezag en alle recht op het Oldampt.
Maar Marwijk trachtte naar meer gezag dan de Constitutie hem toeliet, en wetende dat de Magistraat hem ongenegen was, stookte hij het gemeen op; en verwekte een en andermaal een oproer tegen de Stads regeering; tot in 1527 Karel van Gelder hem te rug riep, en zijn basterdzoon Karel in zijn plaats stelde.
De gevangenneming van François had reeds in Hooimaand 1525 een bestand in de Nederlanden ten gevolge gehad, dat op den 14 dier maand te Breda tusschen de Landvoogdes Margreet en de moeder van den gevangen Koning, voor den tijd van zes maanden gesloten werd, waar in Engeland, Kleef en Gulik en Luik aan de eene, en Karel van Gelder aan de andere zijde begrepen werden. En bovendien werd te gelijk met den laastgenoemden een afzonderlijk bestand voor een vol jaar aangegaan, 't geen het eerste was dat hij behoorlijk hield. Hij was naamlijk thands van Franschen onderstand beroofd, die hem dus verre altijd in adem gehouden had.
Hendrik des VIII omvallen naar de Fransche zijde, deed de blijdschap over de overwinning van Pavia, plaats maken voor nieuwe bezorgdheid; en de Landvoogdes deed in tijds een bede tot het voortzetten van den oorlog, die men duidelijk zag niet geëindigd te zijn. Zij vroeg ƒ100,000 van Holland, 't geen zij echter op ƒ80,000 verminderde, maar men weigerde. Een bedreiging van de Vroedschap der steden te veranderen, en de rekeningen van vroeger jaren na te zien, maakten de Patriotten, wier geweten te teêr was om de gemeente op nieuw te bezwaren, stad voor stad gedwee, en de conscientie wat ruimer; echter eenige steden toonden de onmacht hunner gemeente, en bleven ongemoeid. - Dit was in 1525 gebeurd: maar het recept was klein, en daar moest in het volgend jaar een Iteretur op volgen; en (ondanks een vies gezicht) werd het drankjen vrij gewillig ingenomen, [enz.]
aant.Niemand van die het wel met Europa of de rust van het menschdom meende, of hij was zeer voldaan over het vrede-tractaat, maar men vond er dit op te zeggen, dat de Koning in vrijheid gesteld zou worden eer er aan voldaan was: want niemand stelde zich anders voor, of François zou er dat gene van vervullen dat in zijn voordeel was, en voor 't overige de gijzelaars laten opdraaien, in verwachting van die hij vervolg van tijd op de eene of andere wijs wel weêr los te krijgen; en de ondervinding toonde ook weldra, dat men wel gegist had. - Karel echter had zoo veel vertrouwen op het persoonlijk karakter van François en de ridderlijke beginsels die hij voordeed, dat hij zich voor zich-zelven en de Spaansche natie geschaamd zou hebben eenigen twijfel te voeden, en niet anders dacht of die wakkere en heldhaftige strijder zou met echte riddertrouw zich van woord en eer kwijten, en, vond hij zwarigheid, in zijns vijands gevangenis te rug keeren. Hoe 't gaan mocht, het tractaat was gesloten, geteekend, bezworen, en de twee vorsten gingen nu als vertrouwde vrienden met elkander om, reden samen in ééne koets, bezochten de bedongen bruid (Leonora), en alles was wel. Op den 18 Maart vertrok François in gezelschap van Lannoy en den bevelhebber van zijn wacht, onder bedekking van 50 Ridders naar Fontarabie; en zijne moeder met den Dolfijn naar Bajonne. Van daar ter wederzijde naar het riviertjen getrokken dat Frankrijk van Spanje scheidt, stapte men van weêrs-kanten in een boot, met acht Edelen, en als deze vaartuigen in het midden van den stroom zamentroffen, werden de Dolfijn en de Hertog van Orleans
aant.aan Lannoy overgeleverd, terwijl François in den Franschen boot overstapte, en straks aan wal gesprongen op een Turksch paard steeg, 't geen hij ijlings de sporen gaf, en zoo vliegender vlucht te St. Jean de Luz en van daar te Bajonne aankwam, van de zijnen met blijdschap verwelkoomd. Terstond zond hij een bode aan Koning hendrik, om hem voor de bekomen vrijheid dank te zeggen.
Als echter de bevestiging van den vrede door de Staten van 't Fransche rijk, die de Koning op zich genomen had te bezorgen, draalde, zond Karel hem Lannoy om de voldoening aan dit artijkel te vorderen. François andwoordde, dat hij de macht niet had om eenig deel van het Fransche rijk af te scheiden of over te geven, zonder toestemming van de Staten en het gansche Rijk, en dat hij den Keizer vriendelijk verzocht de overgifte van het Hertogdom Bourgondie in een som gelds te verwisselen. Karel hier over verontwaardigd, besloot in tegendeel, voor al op dit punt staan te blijven, en nog veel liever (zoo 't zijn moest) in Italie den Paus en Sfortia hun zin te geven, dan zich zoo schandelijk door den gene, dien hij edelmoedig en ter goeder trouw op eed en woord ontslagen had, te laten bedriegen en zijn eigen erfgoed afdwingen. Hij zond den Constabel van Bourbon als Gouverneur naar Milanen, Lannoy naar Napels, en den Admiraal Moncada naar den Paus, en doet ijlings te Barcelona een vloot uitrusten: en François van zijn zijde gaat op den 17 May een verbond met den Paus, de Venetianen, en Sfortia tegen Karel aan, om Milanen te hernemen en hem te dwingen de twee Koninklijke Gijzelaars te rug te
geven (des noods voor een som gelds door Hendrik den VIII te bepalen). De Paus moest daartoe 8000 voetknechten en 700 licht gewapende ruiters leveren, Sfortia 4000 voetknechten, 300 man lichte en 400 zwaar gewapende ruiterij; en de Venetianen 8000 man te voet en 1800 deels lichte deels zware ruiterij. François zou geld en manschap verschaffen, en nog van een anderen kant Karel aanranden. Zij zouden ook 33 galeien samenbrengen (waar van Frankrijk 12, Venetie 13, de Paus 8 leveren moest) om Genua gemeenerhand aan te tasten. Napels zou ook veroverd worden, en het zou aan den Paus staan om 't Karel terug te geven of niet, wanneer Karel de kinderen weêr overgegeven zou hebben, anders niet: dit waren de hoofdpunten onder meer andere. - Ondertusschen had Sfortia, na zoo lang de belegering uitgehouden te hebben, het kasteel van Milanen aan Karels benden moeten overgeven. En dezen verrassen den Paus binnen Rome, en belegeren hem daar in 't kasteel van St. Angelo waar hij heen vluchtte(1). Deze maakt een bestand, dat hij alle zijne benden aan de andere zij van den Po zal zenden, en zijn galeien weêr 't huis doen komen, en de Keizerlijken daartegen, Rome en den Kerkelijken staat verlaten en naar Napels trekken. Hier voor had hij van zijn kant gijzelaars gegeven, en voldeed er dus aan, schoon hij weldra zijn galeien wêer opzond en Moncada, die dit niet verwachtte, bedroog. De zaak des Keizers had daar mede een gunstigen loop genomen, en hij rustte te Carthagena een schoone
vloot toe, met welke hij in September Lannoy naar Italie zond: 14000 Duitsche voetknechten en 500 ruiters kwamen zijn leger aldaar (dat gering was), versterken, en vruchtloos werd hun door den Hertog van Urbino, die het verbonden leger gebood, den pas betwist. Lannoy bracht op zijn 32 schepen ook 6500 voetknechten en 500 ruiters aan, die door storm gedeeltelijk in Sicilie, gedeeltelijk bij Bourbon aanlandden. In Italie viel Ferrare hem toe, en de overige Prinsen of Prinsjens wilden zien hoe de zaak afliep en zoo lang onzijdig zijn. -
Aan den rijksdag te Spiers in 1526 schreef de Keizer dat hij binnen kort in Italie zou zijn om gekroond te worden, en met den Paus de noodige bepalingen te maken tot het beroepen eener Kerkvergadering, ter vaststelling van de thands betwistte leerstukken: en dat intusschen geen der Vorsten of Steden zich zou hebben aan te matigen een iota in de leer of plechtigheden te veranderen, maar in tegendeel zich naar het reces van den rijksdag, te Worms gehouden, te blijven richten.
In een slag tegen de Turken bij Mohatz verloor Koning Lodewijk van Boheemen en Hongarijen, Karels zusters Gemaal, het leven, kinderloos stervende, en deze Rijken kwamen op Ferdinand Karels broeder, die Lodewijks zuster getrouwd had. Zekere Jan Zapolski betwistte hem die, maar werd verdreven, en Ferdinand den 24 Februarij gekroond: terwijl Zapolski zich tot Soliman wendde, daar schuilplaats zocht, en hem de middelen aan de hand gaf om zich in Hongarijen te vestigen.
François ondertusschen door den tegenspoed in
Italie woedend geworden, en voor zich-zelf schaamrood om zijne eerloze trouwverbreking, moest nu alle schaamte uitschudden. Hij zond aan alle Vorsten, staten en gewesten, brieven, waarbij hij nb. den Keizer beschuldigde van de Turken in het Rijk gelokt te hebben, door Frankrijk te willen vernederen of te onderbrengen: met een zoete insinuatie, dat men beter gedaan zou hebben, hem (François) Keizer te maken, die nog met hart en ziel alle zijne krachten en die van geheel Frankrijk wenschte in te spannen tegen die vijanden van 't Christendom, zoo Karel hem slechts de handen ruim liet. - (Met andere woorden gezegd: ‘weest zoo goed en maakt mij nog Keizer, en zet Karel af; en even zoo als ik 't thands met de Turken eens ben, om u uit haat tegen Karel te onder te brengen, zal ik dan met u en de Turken hem wel meester worden).’ - Karel nam de moeite dezen brief te beandwoorden, en toonde dat François de Turken in Europa gehaald had, en dat hij-alleen 't was, die den oorlog tegen de Turken, ingericht om hen voor te komen en binnen hun perken te houden, verhinderd had. - François gaf nu een apologie uit, en bepaalde zich daar in tot eene verdediging van zijn verbreken van het bezworen verdrag van Madrid, een echte Philippica, maar iets minder dan die van Demosthenes en van Cicero. - Karel andwoordde op die fraaije verandwoording; en nu zweeg François, maar verbond zich openlijk en zonder er doekjens om te winden, met Sultan Soliman: terwijl hij aan den anderen kant die van de reformatie in Duitschland opzettede, en met bijstand en ondersten-
ningen vleide, ten einde van alle kant alles in vlam te zetten.
Het jaar 1527 ging aan, en de Paus voegde zich op nieuw bij zijn bondgenooten, en het gold straks het Rijk van Napels. Zij namen Salerne, Gajette, en vele steden en plaatsen meer, tot zoo verr' dat Moscada die in de Hoofdstad was, zich niet buiten de poorten meer wagen dorst. Maar de Paus, die voor den toevoer van geld en levensmiddelen zorgen moest, vergat dit, en zij kregen gebrek en moesten weêr te rug. Ook bleven de troepen van François te rug, na dat hij eerst een klein bataljon onder den Graaf van Vaudemont gezonden had, maar 't geen niet voldeed aan het beloofde. Inzonderheid namen de Venetianen, nevens François de voornaamste in dit Bond, zulks zeer kwalijk, en werden ook traag in het betalen van de soldyen. - De Keizer maakte gebruik van dit oogenblik om den Paus van 't verbond af te trekken, en sloot een bestand met hem voor acht maanden, dat den grond tot een vrede moest leggen. Bij dit bestand moest de Paus 60,000 gouden ducaten tot soldy voor 's Keizers soldaten betalen; den Keizer als Koning van Napels erkennen; en zoo Frankrijk en Venetie dit niet desgelijks deden, hunne troepen uit zijn land en uit Toskanen weeren. Hier meê was Z.H. verheugd van den oorlog (zoo hij meende) af te zijn, en hij dankte zijne benden af en zond het geld naar Bourbon: doch deze kon daar zijn krijgsvolk niet meê paaien, en had boven dien weinig smaak in die vrede. De Hertog van Ferrare die een ouden haat op den Pauselijken stoel had, was het met hem eens, en hij
trok naar Rome. Lannoy-zelf ging naar Florence, maar wrocht niets uit. De Paus, deze aantocht ziende naderen, welke zonder geschut of bagaadje geschiedde, beval den Romeinen de wapenen op te vatten, en manschap aan te werven, om hen te keeren: maar dit ging zeer slapjens in 't werk; en den 6 May werd Rome bestormd en beladderd, waarbij Bourbon omkwam (die nu op zijn Fransch, trotsch, hoogst onbescheiden, en lastig begon te worden)(1). - Filibert van Chalons die bij hem stond, overdekte zijn lijk, om het krijgsvolk niet te mismoedigen, dat nu niet te rug kon, zonder de vreeslijkste gevolgen: de stad werd genomen, en 't kostte 1000 man aan dooden, den Romeinen 4000; maar binnen de stad ging het nu op een vreeslijk woeden. De Paus sloot zich weder in St. Angelo op, waar hij een maand lang belegerd werd, tot hij met Lannoy en den Prins van Oranje, die door 't krijgsvolk tot bevelhebber in plaats van Bourbon uitgeroepen was, een verdrag sloot op den 6 Junij (1527) waarbij voor 't volk 400,000 ducaten bedongen werden, van welke 10,000 dadelijk uitgeteld moesten worden, en eer mocht hij niet wegkomen, maar met de dertien Kardinalen die hij bij zich had, gevangen blijven.
Ondertusschen waren de Duitsche en Spaansche soldaten die in Napels waren, in spijt van hun bevelhebbers ook naar Rome toegeschoten, en daar waren nu aan Duitschers, Spanjaarts, en Italianen 24000 man, die daar jammerlijk huishielden, en geen bevelen meer gehoorzaamden, en bij wier afgrijslijken moedwil het onheil van de pest zich nog voegde. Lannoy had wel getracht, hen Rome te doen verlaten, maar had daar ook bijna het leven bij ingeschoten. En de arme Paus zat zeven maanden gevangen, wanneer hij op uitdruklijke last des Keizers ontslagen en met geld ondersteund werd: want hij had alles moeten opgeven. - Een toevoer van nieuwe Fransche troepen maakte eindelijk de onbandige soldaten als uit hun dronkenschap wakker, en zij keerden weêr tot de gehoorzaamheid aan hun Hoofden, en Rome werd van hun ontslagen.
Op den 21 May werd Karel zijn zoon Filip geboren.
In het laatst van Julij was ondertusschen een verbond tegen den Keizer tusschen François en Hendrik den VIII gemaakt, waarbij de laatste zich verplichtte om maandelijks de noodige sommen gelds tot betaling der troepen naar Italie te zenden. Daar tegen sloot de Keizer in 't laatst van October een nader verdrag met den Paus, bij 't welk de vorige bedingen vernieuwd, maar tevens de gelden, die in Spanje tot den Turkschen oorlog verzameld waren, aan Karels beschikking gesteld, en Ostia met Civita-Vecchia in zijn handen gegeven werden; met nog eenige andere hem voordeelige voorwaarden.
Doch daar was wederom geen Hollandsche Bisschop in 't Sticht, en, (als altijd) weder tweespalt. Hendrik van Beieren, moê van de onlust eener Regeering, zoo vol van beroeringen, besloot zich het wareldlijk gebied kwijt te maken, en een bloot geestelijk prelaat te zijn, die onder bescherming van een machtiger Vorst rust en veiligheid smaken mocht. Hij had, Bisschop gekoren in 1525, de vrede tusschen de Overijsselsche steden met Zwol en Gelderland bemiddeld, doch Groningen en Koeverden daar bij aan Karel van Egmond moeten afstaan voor 35,000 Guldens, en kort daarop werden hem de poorten van Utrecht voor 't hoofd gesloten, en daar ontstond een binnenlandsche krijg, waar in hij door den Graaf van Buren tegen de stad ondersteund werd. Doch de Utrechtsen namen 1500 Gelderschen in, met Marten van Rossum aan 't hoofd, en Karel van Egmond toonde nu openlijk, het op de geheele verovering en aanëenhechting van het Neder- en Oversticht met Gelderland gemunt te hebben. De Bisschop kon dit niet uithouden, en trad met den Keizer in onderhandeling, en op den 15 Augustus 1527 werd een verdrag van afstand te Schoonhoven geteekend, bij 't welke Keizer Karel hem alle de tot den gevoerden oorlog geschoten penningen kwijtschold, en bovendien nog 41,000 Guldens betaalde. Die van Overijssel, voegden zich bij dit verdrag, en dus ging de heerlijkheid van den Lande van Utrecht, en die van Overijssel aan Karel en zijne opvolgers als Hertogen van Brabant en Graven van Holland, over.
Maar de Gelderschen waren in 't Sticht genesteld, en moesten verdreven. In 1526 en 1527 was er veel
moeite geweest om den Staten van Holland geld tot bescherming der grenzen tegen dezen vijand, die, in Utrecht meester zijnde, van alle kanten in Holland instroomen kon (en waartegen zelfs de grenssteden bezetting weigerden in te nemen), af te dringen. Een klaar bewijs van het weder opkomen der Hoeksche factie! Echter, daar de Franschen wederom vijandelijkheden begonnen, en Hollandsche schepen wegnamen, begon men wat gewilliger te worden. Doch het was niet dan schoorvoetende en onder zoo veel bedingen, dat er geen eind aan kwam. Maar nu deed Maarten van Rossum een inval en plonderde 's Gravenhage, en dit had goede uitwerking. Het geld werd toegestaan(1).
Deze tocht was zeer verstandig beleid, en werd door 2000 man, van nog 200 paarden gedekt, en zonder eenige bloedstorting (drie man kwamen er slechts bij om), uitgevoerd, en van de brandschatting van eenige dorpen op de te rug reis gevolgd. De Haag zelf kocht zich na de plondering voor 20,000 Guldens van de