terug  begin  verderprepost
[p. 3]

V. Oostenrijksche Huis. (Vervolg.)

Filip de II.

Karel de V had gevoeld, dat hij in geen zijner staten zwakker gevestigd was dan in Spanje, 't geen hij, schoon het door Erfopvolging bezittende, zich echter door geweld van wapenen en van verstand onderworpen had, om het willekeurig en strijdig met zijn privilegien, rechten, gewoonten, en volks-vooroordeelen, door vreemdelingen te beheerschen, en (laten wij de waarheid bekennen) aan zijne overige landen en Staten op te offeren. Dit besef deed hem bedacht zijn, om, daar deze hooggevoelende Natie hem niet persoonlijk verknocht zijn kon, haar op eene andere wijs aan zich verbinden: door den Zoon naamlijk die hem opvolgen moest; wien hij in Spanje en naar de Spaansche wijs op deed voeden, en in wien de Spanjaarts als zijns vaders toekomstigen Opvolger al vroeg de hoop van een Inlandsch Vorst, door geboorte en opleg Spanjaart, de troost wegen de toenmalige hen drukkende en hatelijke regeering, en den wreker van 't geen zij van de Nederlanders moesten uitstaan, beschouwden. In dit uitzicht verdroegen zij alles, gaven hun bloed en hun schatten in oorlogen die Karel meest altijd persoonlijk betroffen, en vergaten zelfs Kastilianen en Arragonners

[p. 4]

hunne privilegien, vrijheden en rechten, waar zij zoo trotsch op waren. - Ook werd Filips, ondanks zijne veelvuldige gebreken (laten wij ondeugden zeggen, doch wellicht is dit woord te sterk) weldra de lieveling van die natie. Karel bereikte dus zijn oogmerk, maar verloor even daardoor de Nederlanden voor zijn nageslacht. Want het kon niet missen, of een Vorst, in die tijden in Spanje opgevoed, Spaansche beginsels voedende, en geen vrienden, bekenden, of gunstelingen hebbende dan uit dat volk dat zoo vervuld was van haat en wrevel tegen de Nederlanders, die buiten dien (men moet het bekennen) de rustigste en gemakkelijkste onderdanen niet waren, schoon van aart trouwhartig voor hun meesters, het kon (zeg ik) niet missen of zoodanig een Vorst moest weggesleept worden in maatregelen, ten eenenmaal tegen den geest van den Nederlandschen landaart aandruischende, en één van beide moest daar uit voortvloeien, of eene volstrekte omkeering van het Staats-bestuur ten voordeele van den Vorst, en een geheel willekeurige beheersching als Karel in Spanje had weten te vestigen, of een afval der Staten, gevolgd van het verlies van het beste gedeelte derzelven. Tot het eerste ontbrak Filip zijns vaders verstand, doorzicht, en wijsheid, zoo wel als middelen van genoegzamen nadruk, en vooral mede, persoonlijke levendigheid van lichaam- en geest-kracht, om overal zelf tegenwoordig te zijn, zelf te handelen, en zelf en detail uit te voeren, het geen hij beraamde; en het laatste werd dus het noodlottig gevolg, als wij welhaast zien zullen.

Men moet zich echter niet verbeelden, dat de oor-

[p. 5]

zaak dier groote gebeurtenis alleen bij den Vorst lag. Verre van daar! - De Nederlanders, sints lang gewoon naar hunne eigen begrippen, en met eene gematigd-heid, die zich naauwlijks van zwakheid onderscheiden liet, geregeerd te worden, hadden de meerdere strengheid van Karels regeering niet gedragen, dan door de verzoeting die zijn minnelijk en den Nederlanderen overgegeven hart daaraan toebracht; en door de innige en persoonlijke gehechtheid, die hen aan dezen roemrijken Vorst, uit onnoemlijke oorzaken als vastketende; en geen jong Vorst, die niets bezat van hetgeen zijnen Vader den Landaart of dierbaar of ontzachlijk maakte, kon hun dezelfde onderwerping inboezemen. De Keizer kon den onwil bij 't vorderen der belastingen overwinnen door een eenvoudige hartlijke uitboezeming van zijn te vredenheid over de trouw der Hollanderen, en verzekering dat hij niet meer opleggen wilde dan men dragen kon; dat men 't slechts aan hem over zou laten enz., en 't werd een punt van eer en geweten, tegen een edelmoedig Vorst in edelmoedigheid te wedijveren, maar wanneer men tegen zijn opvolger neen zeide, werd het een punt van eer zijne weigering hardnekkig staande te houden. En 't was even zoo met allerlei andere zaken. Karel kon privilegien (zonder welke hier en daar nu en dan een weinig te krenken, het land niet te bestieren was) ter zijde stellen; en met goede woorden, ter rechter tijd met een woord van gezag ondersteund, het beklag daarover smooren; maar van zijn opvolger eischte men herstel, ook van het geen Karel ingevoerd had, en eene bijgeloovige aanhanklijkheid aan ieder kleine punctualiteit, zelfs in de

[p. 6]

minste formaliteiten, eens bij provisie ingewilligd(1). Er was dus door den aart der zaak zoo wel als door den wederzijdschen geest van Vorst en Volk, als Filip de regeering aanvaardde, een staat van heimelijke oorlog des gemoeds, die buitengewone kracht van verstand, en misschien meer dan menschelijke bekwaamheden vorderde, om er de uitbarsting van voor te komen. En wanneer de hachlijke staat der zaken, door de tweespalt uit de Godsdienst-begrippen ontstaan (en die aan den eenen kant niet weinig tot den Leer van volksvrijheid en oorspronklijk volksgezag, aan den anderen, tot dien van Goddelijken oorsprong des gezags en volstrekte onderwerping daaraan, heen leidde) hierbij kwam, was het bijna niet mogelijk, het Land voor een smeulende en wat vroeger of later uitbarstende Burger-oorlog te behoeden. En het eenige middel voor den Vorst, het geen die had kunnen voorkomen, waar geweest, den Nederlandschen Adel, tot wat prijs het ook zijn moest, te winnen; dewijl van dezen in der daad alles afhing, niet slechts uit hoofde van de groote bezittingen, die hij had, en het vermogen daar uit ontstaan, maar ook door het aanzien, 't welk hij binnenslands genoot, en dat meer en meer bij het gemeen gewassen was, naar mate dat van den Vorst was afgenomen. - Doch den weg dien hij hield was daar tegen juist aandruischende, en hij verloor, met den Adel alle vermogen, om zich bij het volk of in eer of in achting te houden.

[p. 7]

's Konings eerste daad was het aanstellen van Emanuel Filibert, Hertog van Savoijen, tot algemeen Stadhouder, en van verscheiden Nederlanders (zoo wel als Spanjaarts en Duitschers) tot Vliesridders; waar onder den Prins van Oranje, den Gr. van Hoorne, den Hertog van Aarschot, den Gr. van Megen, den Markgraaf van Bergen, en anderen meer. De Heer van Beveren bleef Stadhouder van Holland. Hij vernieuwde den Raad van State, waar bij de vermaarde en geleerde Viglius gevoegd werd als Minister. Deze Raad echter beklaagde zich al dra, dat de Koning meer zelf regeerde dan door hen(1), en dat de Bisschop van Atrecht (Granvelle), de Graaf van Barlaimont, en Viglius(2) 't meest op hem vermochten; inzonderheid, de eerstgenoemde, wiens kerklijke waardigheid, ondernemende geest, en hoogmoed, hem voor den toenemenden geest van onafhanklijkheid, en vrijheid van Godsdienst, even zeer, gevaarlijk maakten. - Of hij een hoefsmits zoon geweest zij, is zeer onzeker. - Hoe 't zij, aan hem weet men voornamelijk de vernieuwing der ketter-plakaten, bevorens door Karel gemaakt, en waar Filip zijnen Vader had moeten beloven, de hand aan te houden. Hij deed dit handhaven getrouw, en naar alles betoont, even zeer uit begrip van plichtverband als uit eigen en innige gehechtheid aan de Katholijke Leer en Kerkdienst: ja zelfs ontbreekt het niet aan voorbeelden dat hij de plakaten, waar hij meende het te mogen doen, verzachtte of rusten liet.

[p. 8]

Het eerste punt bij Filips, en dat zijne hoogste aandacht trok (zoo als het hem door zijn Vader was aanbevolen), was de Godsdienst: het tweede was de beveiliging 's Lands tegen Frankrijk, het welk niet te vertrouwen was. Met dit was een bestand gesloten; maar wel verre dat dit, uitzicht op een vrede zou openen, toonde alles, dat het voor zijn uiteinde en onverhoeds verbroken stond te worden; en dit voorwerp derhalve was dringend en vereischte geld. De Nederlanden waren aanmerkelijk ten achteren, en echter er was dus geld noodig. Filip vroeg een 100e penning van alle onroerende goederen, en een 50e van alle koopmanschappen; doch de Gewesten weigerden. Filip trad te rug, en wettigde dus al reeds met den eersten stap de tegenstreving zijner onderdanen. Een voorbeeld, van 't gevaarlijkst uitzicht voor een Vorst; en vooral hier! Men regelde eene andere opbrengst, en de zaak was daarmeê uit tot wederzijds genoegen. - Frankrijk intusschen verbond zich met den Paus, een allerkwaadaartigsten vijand van Karel(1), tegen 't huis van Oostenrijk, en zond hem troepen, het bestand dus verbrekende dat nog vier jaren loopen moest. Dezen stap gedaan, vielen zij in de Nederlanden, terwijl de Hertog van Alba aan 't hoofd van de Spaansche macht in Italië den Paus beteugelde, wien hij dan ook weldra (in September 1557) tot vrede dwong. Filip bracht van deze zijde een leger op de been, en trok Engeland meê in de oorlog. 't Nederlandsch leger trok onder bevel van den Stadhouder-Generaal in Pikardije,

[p. 9]

't geen door zijne ligging altijd den eersten aanstoot van de Nederlandsche wapenen leed, en belegerde St. Quentyn, 't geen de Konnestabel van Frankrijk, Anne de Montmorency, willende ontzetten, hem slag bood. Hier viel de vermaarde veldslag voor, waar in Egmond zoo veel roem behaalde en den onzen de volkomen overwinning gaf, met gevangenneming van den Konnestabel. Filip lag, gedurende den slag, in een kapel te bidden. Dit wordt te zeer misduid. Zeker, daar hij zelf geen bekwaam krijgsoverste was, deed hij als Koning wel, de Generaals niet door zijn bijzijn en invloed te belemmeren; en niet minder wel deed hij als Christen, van God eene overwinning te smeeken, die zeker van Zijne Almacht afhing, en die men toen nog niet genoeg verbasterd was, om niet aan Zijne weldadigheid te erkennen.

Deze oorlog intusschen stelde den Handel op de Oostzee en de Haringvisserij in gevaar, en eischte bescherming voor deze twee belangrijke takken van welvaart. 't Was de Koning die de Staten aanmaande daarop bedacht te zijn, en Oorlogschepen in zee te brengen. Wij hebben gezien, dat dit van ouds het werk der Kooplieden zelven was; de nieuwe form welke men nu onder de Oostenrijksche Regeering aan de zeezaken gegeven had, maakte, dat nu niet de particulieren, maar de Provincien, ieder voor zich als een lichaam, deze vaartuigen in zee moesten brengen, en nooit kon dit tot last of koste van den Koning of Landvoogd komen. Men wilde dit nu echter, en Filip had de edelmoedigheid (die zijn voorzaat ook eens gehad had) van er een deel van, op zich te nemen. - Doch er moest geld zijn voor het krijgsvolk, en

[p. 10]

dit was niet voorhanden. De Koning opperde wederom een 100e penn. op de onroerende goederen, en een 5e en 10s op sommige waren, maar hij zager bij de tegenstribbeling weder van af, en vergenoegde zich met andere wijzen van opbrenging. En het ging zoo t' elken male. Altijd wilde men anders, en altijd liet hij zich gezeggen en te vreden stellen. Was dit dwinglandij? Zeker niet; maar was het dan integendeel toegeeflijkheid voor zijn volk? ook niet. Het was, zwakheid van iemand die geen tegenspraak gewoon zijnde, tegen het tegenspreken niet bestand was, en dus glippen liet wat hij de bekwaamheid niet had om vast te houden, maar niet zonder dat het hem in 't hart zeer deed, en een' steeds toenemenden grond van wrevel lei tegen de genen die hem overstreden. Hij was nooit bekend geworden met raadplegingen, met onderhandelingen te voeren, en miste volstrekt dat adscendant, gelijk de Franschen het noemen, dat een Regent en Vorst zoo noodig is, waar door men in een gesprek, een ander met een woord, een houding, een wenk, een trek van den mond, overreed, tot zwijgen, of van zijn stuk brengt, en door den invloed van oog en stem (zoo wel als door andere eigenlijk gezegde kunstgrepen) aan de gedachten en gevoelens van een sprekende-zelf, onder het spreken een geheel andere wending en loop doet aannemen, dan deze zich voorstelde en al zijn argumenten verstompt of vervallen doet. Zoodanig een adscendant had Karel bij zijn Edelen en Staten, doch Filip integendeel had daar niets van, maar gevoelde dit adscendant van anderen op zich: van hier, wantrouwen op zich

[p. 11]

zelven, en allengskens vrees om zich met de Nederlanders in te laten, wier gesprek hem altijd een pijnlijk gevoel van minderheid gaf. Ware er een Nederlander onder de Grooten geweest, die le bon esprit gehad had van in de onderhandelingen Filip op zijn aise te zetten(1), door gelaat en houding (als hij sprak) te ondervangen, in plaats van te belemmeren, en hem van dat drukkende dat de Nederlander voor hem had, te bevrijden, hij had 's Konings hart kunnen winnen voor zich en geheel zijn Landaart, en deze gewesten gelukkig gemaakt; maar men was verre af van daar aan te denken. Integendeel men vond het veel grootscher, den Koning (om het met een Nederlandsche plompe uitdrukking te noemen) te overbluffen, dan zijn genegenheid te bezitten, en gelijk men in Spanje, toen men daar meester was, dacht, oderint, dum metuant, [laat ze haten, zoo ze slechts vreezen], zoo liet men er zich weinig aan gelegen liggen, den Vorst, (dien men, als een Spanjaart, in zijn hart verachtte) voor zich in te nemen, maar trachtte veeleer hem bevreesd (en dus afkeerig) van dezen onbuigzamen Landaart te maken. En dit gelukte boven verbeelding: met wat gevolg, weet ieder.

 

In 1558 veroverden de Franschen Calais.(2) Filip had den Engelschen aangeboden, deze stad voor hun te bewaren, doch zij hadden dit uit wantrouwen afgeslagen. Nu viel het Fransche leger weêr in de Nederlanden, maar Egmond aan 't hoofd van een kleine macht trok ze tegen, leverde ze slag bij Gravelin-

[p. 12]

gen, en sloeg ze volkomen; hetgeen zijn roem ten top hief, en hem tot den afgod der Nederlanderen maakte.

Maria, Koningin van Engeland, stierf aan de gevolgen van een waterzucht, die zij voor zwangerschap hield. - Filip deed haar zuster en opvolgster Elizabeth een huwelijks voorslag, maar die afgewezen werd. Deze gebeurtenis maakte den vrede wenschelijk voor Filip. Onder de hand werkte men daar aan, en Perrenot en de Kardinaal van Lottharingen (beide allerijverigste Pausgezinden) waren 't dra eens, dat men in den toenmaligen staat der zaken, daar de ketterij wijd en zijd voortkroop, vrede nodig had, om daar perk aan te zetten, en zoo mooglijk (waaraan men niet wanhoopte) ze uit te roeien. Na dat men 't nu vervolgens door andere personen (waaronder de Prins van Oranje) over de grondslagen eens was geworden, opende men eene openbare vredehandeling, waarin ook de Prins van Oranje, de Hertog van Alba, Perrenot, en Viglius, dezerzijds deel hadden. Na Maria's dood sloten de Engelschen eene afzonderlijke vrede; en Filip sloot de zijne met Hendrik de IIe op den 3den April te Chateau-neuf in het Kamerijksche, waar zij wederzijds zich verbonden de Katholijke Godsdienst te handhaven, en het houden eener algemeene Kerkvergadering te helpen bevorderen (zoo als zij dan ook, als gezegd is, in 1562 weder hervat werd). Bij dezen vrede bekwam ook eindelijk de Prins van Oranje zijn Prinsdom, hem tot dus verre, ondanks alle tractaten onthouden. Onder de voorwaarden der vrede was ook een huwlijk van Filip met Hen-

[p. 13]

driks dochter Elizabeth (of Isabella) en het ontruimen der wederzijds veroverde plaatsen.

Ten aanzien van het eerste werd de ondertrouw door den Hertog van Alva, bij 's Konings volmacht voltrokken; en ten aanzien van het laatste gingen dezelfde Alva, Oranje, Aarschot, en Egmond, als gijzelaars voor Filip, in Frankrijk; en het was te dezer gelegenheid, dat Oranje van den Franschen Koning vernam, dat er door de Katholijke Hoven met den Paus een toeleg en een verbintenis gesloten was, om de nieuwe Godsdienst quocunque modo [hoedaniger wijze dan ook] uit te delgen. Iets, dat hem met afschrik vervulde, en van toen af bedacht maakte om die bloedige maatregelen te keeren, en ten dien einde de vreemde krijgsbenden (die, natuurlijker wijze, daar het werktuig toe moesten worden), de Nederlanden, zoo hij best zou kunnen, te doen verlaten. De Prins was wel Katholijk, maar zijn vader Graaf Willem van Nassau, en zijn broeders waren Luthersch, 't geen hem te meer tegen alle gewelddadigheid in dit stuk moest innemen.

Koning Hendrik de IIe overleed kort hierop, in een Steekspel door een splinter eener afbrekende lans deerlijk in 't oog gekwest zijnde, en had zijn zoon François den II tot opvolger(1). Ook stierf

[p. 14]

om dezen tijd de Stadhouder, Heer van Beveren; en Filip, die nog geen bezit van zijn Spaansche Rijken genomen had, maakte zich nu gereed derwaarts te gaan. - Hij stelde Margareta van Parma, een zeer schrandere vrouw en (bastaard)dochter van Keizer Karel, tot Algemeene of Opper-Landvoogdes der Nederlanden, op den voet, en met die toevoeging van Raden als bevorens onder Karel den V had plaats gehad.(1) Den Graaf van Egmond maakte hij Stadhouder van Vlaanderen, nog het aanzienlijkste van alle de Provintien, en tevens van Artois. Oranje Stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, waarbij het volgende jaar Bourgondie gevoegd werd. Arenberg werd Stadhouder over Friesland, Overijssel, Groningen, en Lingen; de Graaf van Megen, over Gelderland en Zutfen: de Markgraaf van Bergen over Henegouwen, enz.; alle Gulden-Vlies-ridders, de aanzienlijkste Edelen, en den gewesten aangenaam. De Graaf van Mansfeld over Luxemburg, en Barlaimont over Namen gesteld, waren in dien tijd niet minder gezien, en maken dus geene uitzondering. - Hoorne was nu Admiraal der Nederlandsche zeemacht.

Dit alles was wel, en tot ieders of liever tot algemeen genoegen. Ook was het uitzicht tot hooge Gou-

[p. 15]

vernements-posten in Spanje niet gesloten: men kon zich derhalve (met volle recht) met dezen aanvang der nieuwe regeering zeer wel te vreden houden; maar 's Konings oogmerk was, de begonnen hervorming uit te roeien, en Willem van Oranje, hiervan verwittigd, hield een wakend oog op al zijne maatregelen, als, hem verdacht zijnde daartoe te moeten meêwerken.

Dat hij het vreemd krijgsvolk als hiertoe dienstbaar moetende worden, beschouwde, hebben wij reeds aangemerkt, en gelijk hij, opzettelijk uit Frankrijk naar herwaarts kwam, om op het bevrijden, van 't land van die troepen aan te dringen (gelijk hij zelf naderhand verklaard heeft)(1) mag men vermoeden, dat hij zijne bekommering deswegens aan Egmond medegedeeld hebbe; althands deze weigerde den Koning zoo wel als hij, het bevelhebberschap daarover aan te nemen(2). Intusschen, waar kwamen die vreemde benden op neer? In de geheele Nederlanden bestonden zij in 3000 ruiters (benden van Ordonnantie genaamd) die zeer onvoltallig waren. Eenig Duitsch voetvolk 't welk Filip-zelf afgedankt wenschte, maar waartoe geld ontbrak. En dan waren er nu (om hem op de te rug reize naar Spanje te verzellen) tusschen de 3 en 4 duizend Spanjaarden, deels met hem overgekomen, deels (ter vervulling van de in den oorlog versmoltenen) versch ten dien einde overgezonden, maar welke Granvelle hem aanried

[p. 16]

en aandrong liever hier te laten. De Ruiters van Ordonnantie waren in de Provincien verdeeld en stonden onmiddelijk onder de Stadhouders van ieder gewest. De Duitschers (als gezegd is) wachtten slechts naar betaling om 't land uit te gaan. En wat zouden nu vierdhalf-duizend Spanjaarden op zijn hoogst, tegen de Stadhouders die de Burgerijen en in oorlog geharde Landzaten, pas ontslagen, ter verdediging op konden roepen? En waarover hij Oranje zelf en Egmond het opperbevel in handen stelde? - Wie daar een zucht tot onderdrukking van 't Land in vinden kan, moet wel scherpzichtig wezen.

Maar waarom weigerden zij het dan? 1o. omdat Oranje, vervuld van achterdocht tegen Filip, alles wat hij deed, t' huisbracht tot dat eenige hoofddoel. 2o. Om dat hij 't nuttig rekende, den Koning het houden van alle vreemd krijgsvolk als strijdig met 's Lands privilegien te doen voorkomen; en dus den weg af te snijden om er meer te zenden. 3o. Om dat hij, en zoo ook Egmond, te onvreden waren op den Koning over de Stadhouderschappen hun toebedeeld. Want schoon Egmond nu 't aanzienlijkste en voordeeligste der Nederlandsche gewesten had, hij had zich de Algemeene Landvoogdij voorgesteld als naauwlijks genoeg om hem voor zijn krijgsdiensten en twee overwinningen als de zijne op Frankrijk behaald, te beloonen. En Oranje van zijne zijde had wegens zijne veel oudere en langdurige krijgsdiensten, met onnoemelijke opofferingen gepaard, zekerlijk niet minder verdiend dan Egmond(1).

[p. 17]

Ondertusschen konden zij zich niet beklagen over Filip. Hun aller belangen, en inzonderheid die van Oranje en Egmond waren bij de vrede met Frankrijk even zoo goed als die van Filip-zelven voorgestaan en verzekerd. Niet alleen het Prinsdom Oranje, maar machtige bezittingen in het Daufiné, bij het vredeverbond opgenoemd, volgden den eersten: en Egmond werd erkend ten aanzien der moederlijke goederen die hij in Frankrijk vorderen kon. En dus was 't met verscheiden.

Men drong derhalve, en zulks met een soort van zichtbare opstemming (om niet te zeggen, conspiratie) op het wegzenden van dit krijgsvolk aan, en vermoeide den Koning, door Granvelle bewogen om het achter te laten, onophoudlijk daarmeê, en hij zag niet dan onvergenoegde gezichten, die te gelijk over Granvelle klaagden als vreemdeling zijnde, en derhalve onbevoegd om in den Raad van State te zitten; en deze klachten en dit ongenoegen werden luidkeels onder de Gemeenten verspreid. Men gevoelt licht, dat Filip dra onderricht werd, uit welken hoek deze wind hem toewaaide, en het is niet te verwonderen, dat hij bij zijn vertrek zich gevoelig tegen Oranje toonde; of dat tusschen Oranje en Granvelle van dat oogenblik de onverzoenbaarste haat ontstond.

 

De tijd van 's Konings vertrek daar zijnde, beriep hij de Staten der Provintien te Gent tegen 7 Augustus 1559. De beschrijving diende alleen om een voeglijk afscheid te nemen, gelijk grotius wel te recht aanmerkt(1); maar de Staten bedienden er zich van

[p. 18]

om hem een Remonstrantie over te geven. Dit in zich-zelven was onheusch, maar het was beleedigend door de vorm. Het stuk was wijdloopig genoeg, maar kwam neêr op dit tweeledig dispositief: 1.o ‘Dat 's Lands grenzen niet door vreemde knechten, gelijk tegenwoordig, maar door Landzaten bewaard, en de vreemde afgedankt of elders gebruikt mochten worden;’ dit zag op de Spanjaarts. 2.o ‘Dat het Land geregeerd mocht worden bij den Raad van Nederlanderen, en niet van uitheemschen.’ Even of het niet bij den Raad van Nederlanderen geregeerd werd, schoon er één vreemdeling inzat, en hij daar zelfs, zoo als men vreesde of voorgaf te vreezen, nog een tweede bijvoegde! En, zoo een Bourgondiër (als Granvelle) na de vereeniging van het tractaat van Augsburg, door de Nederlanden aangenomen, nog bij eenig deel van de Burgondische Kreits voor vreemdeling aan te zien was! Dan klaagde men, ‘dat er vreemd krijgsvolk in dienst was gehouden, terwijl men de Landzaten had afgedankt.’ Dit zag op de Duitschers, die hij zelf in die zelfde vergadering en in dat zelfde oogenblik weêr op nieuw verklaard had, dat hij gewenscht had en nog wenschte naar huis te zenden, en naar huis zenden zou, zoo dra hij er geld toe had, 't zij uit Spanje of van elders. En zeker was het een weldaad voor de Nederlanders, dat zij bij voorkeur betaald werden en hun geoorloofd naar hun ploeg en arbeid weêr te keeren. Het moet dus niemand verwonderen dat op zulk een vertoog de Koning moeilijk wierd, en de vergadering uitging met te vragen, ‘waarom mij ook niet maar ronduit afgedankt, die hier ook een vreemdeling en

[p. 19]

Spanjaart ben?’ - Dit opstaan van den Koning en heengaan, moest ieder treffen, en Filibert van Savoye bracht den Staten de onbetaamlijkheid van hun gedrag onder 't oog. - Hij zelf gaf echter op 't Rekest een zeer gematigde Apostil: 1.o ‘Dat hij niet van meening was vreemdelingen in de Regeering te dringen, en dat ook in zijne aanstellingen zijn vaderlijke zucht en zorg voor de Landen genoegzaam bleek.’ 2o. ‘Dat hij 't Spaansche krijgsvolk tot bescherming van het Land tegen de naburen noodig vond, en hij 't uit Spanje van drie tot drie maanden betaling zou zenden, waarmeê alle grond van vrees voor bijzondere overlast ophield. En dat hij ze gebruiken zou om zijn zoon Karel, wien hij tot de Landvoogdij bestemde, af te halen. Dat hij ze zelf meê genomen zou hebben, zoo hij in tijds geweten had dat zij hier niet aangenaam waren. Dat hij ook 't inlandsch volk niet geheel af wilde danken, maar 1200 man van hun ten behoeve en laste dezer landen in dienst houden. Dat zijn oogmerk geweest was de Spanjaarts niet langer dan 6 of 7 maanden in 't land te laten, maar dat hij hun het genoegen zou doen, van ze uiterlijk binnen 3 of 4 maanden te doen vertrekken, mits zij dan voor de betaling van 't volk dat tot bewaring der grenzen aangenomen zou moeten worden, zorg droegen.’ - De aanmerkingen van wagenaar hier op, zijn recht in den smaak van 't Amsterdamsche Janhagel, en verdienden 't geen ik niet uit wil spreken.

De Spaansche soldaten vertrokken in 't begin van 1561, en men kreeg dan dus in dit opzicht volkomen zijn zin, zoo wel als in het niet plaatsen van

[p. 20]

den Marquis van Feria in den Staatsraad: maar dat vertrek werd voorafgegaan door een opzetten van het gemeen, 't geen zoo verr' ging, dat het volk weigerde aan de dijken te werken, en openbaar uitschreeuwde, dat zij 't land liever wilden laten overstroomen, dan langer met de Spanjaarts geschoren zijn.

De Koning vertrok hier op naar Zeeland en stak op den 8e September 1559 te Vlissingen af met een vloot van 90 schepen, onder bevel van den Graaf van Hoorn als Admiraal. Op zee leed hij een zwaren storm nabij de haven die hij inliep, waarin vele schepen, voornamelijk die met zijn prachtig huisen tafel-geraad bevracht waren, vergingen. Het is zonderling, dat bijna altijd de reizen onzer Vorsten en Vorstinnen ter zee naar Spanje van zulke gevaarlijke stormen verzeld gingen. Het was te Laredo in Biskaaie waar hij aanlandde. - Bij zijn afscheid had hij den Staten nog de handhaving der Godsdienst-placaten aanbevolen, en als hij te Valledolid en te Sevilla aankwam, deed hij aldaar dadelijk een aantal van mannen en vrouwen, die met nieuwe begrippen van Godsdienst besmet waren tot den brandstapel veroordeelen, en zeer zware plakaten tegen de ketterijen uitgaan. En in het begin van 't jaar 1560 voltrok hij zijn huwelijk met de Fransche Prinses. Hij rustte een vloot tegen Tripoli uit onder den Hertog van Medina-Celi, Onderkoning van Sicilië; doch het was eene onderneming die ongelukkig afliep.

 

Maar wij spraken van de bedenklijkheid of men Granvelle wel eens als vreemdeling aanmerken kon, en ten aanzien van zijne geboorte was het zekerlijk

[p. 21]

als een twijfelachtig punt te beschouwen, waarin, bij aldien men verschilde, het pro [het ja] van den Koning ex favore personali [uit personele gunst], het contra [het neen] van eenige zijner beampten billijk moest óverwegen. Als Bisschop van Atrecht echter kon 't geen twijfel onderhevig zijn, of hij was zoo wel Nederlandsch als Fransch Geestelijke. Het is boven dien (zoo men de zaak recht beschouwt) een wonderlijke sustenu, die men voerde om Filip het gebruiken van vreemden in den Raad van State te betwisten. Hadden de Provintien privilegien tot uitsluiting van vreemdelingen uit de Provintiale justitie-, finantie-, en politique regeering, niets kon den Koning de handen binden, ten aanzien van 't inrichten van een Raad, die in zijn afzijn zijn persoon vervangen [moest en tot geen der Provintien behoorde, en waarin hij natuurlijker wijze even zoo die genen plaatsen mocht die hij overtuigd was zijn inzichten best te zullen bevorderen, als hij in het krijgswezen een algemeen Generalissimus plaatsen mocht over al zijne staten. Handelde zoodanig een Raad kwalijk, beval die in 's Konings naam 't geen de Koning niet bevelen mocht, dan was het tijd, om daartegen remonstrantien te doen, even als tegen den Koning zelf; maar men kon den Koning niet tot Nederlanders bepalen in een lichaam, dat niet tot de Nederlanden behoorde, maar tot den Koning; geen regeering in Holland, in Braband, of wat Provintie ook, uitmaakte, maar boven en buiten de Provintien was: want daar er geene vereeniging van oppermacht tusschen de provintien en dus geene eenheid der gewesten was, dan in hun gemeenen heer, zoo was er ook geene eenheid van regeering dan in dezen. En

[p. 22]

wat betreft dat vreemden geen hart konden hebben om de belangen van 't land voor te staan, dit voorstaan der belangen behoorde aan de Staten; dezen strekten daartoe en het was hun plicht, maar de Raad van State was eenvoudig een raad van de Landvoogdes die met haar 's Konings persoon in de regeering voorstelde en (als gezegd) even zoo buiten de provintien en hare privilegien exuleerde, als een Opperlandvoogd (waarvan hij slechts een aanhangsel was) zelf. - Maar zoo miskent men gewoonlijk de eenvoudigste beginsels.

Wij hebben, ten aanzien der Justitie, reeds iets dergelijks opgemerkt omtrent de casus regii. Deze naar de oude Jurisprudentie niet behoorende dan tot den Vorst alleen, zoo kon Filip of Karel van Bourgondië b.v. die te Mechelen of elders doen oordeelen, al was de delinquent een Hollander of een Zeeuw. Waarom? De Koning oordeelde daar personeel (en niet als Graaf van Holland of Zeeland) en kon zich das doen vervangen door wien hij wilde. - Voor 't overige was Granvelle lange jaren in Karels hoogste gunst geweest, en door hem niet alleen in de gewichtigste zaken gebruikt, maar bijzonder aan Filip aanbevolen om trouw en bekwaamheid, zoo dat hierin geen faveur de caprice plaats had bij Filip, maar een loffelijk onderscheiden van een oud dienaar zijns Vaders, en een pietas laudabilis, [een loffelijke eerbied jegens zijn Vader] die niet misduid had behooren te worden. Doch wij behoeven hier niet eens in te treden; het is ten volle blijkbaar, dat het geen zucht voor 's Lands rechten was, die dit verzoek en de nadere stappen tegen Granvelle verwekte, maar persoonlijke haat en factie. Want

[p. 23]

behalven de geringheid van geboorte en oorspronklijken stand die men hem toeschreef, (schoon echter zijn vader, Secretaris van Keizer Karel gestorven is) waren Oranje, Egmond, en Hoorne, vinnig tegen hem gebeten; om dat de een aan zijn' raad de voorkeur aan Margareta van Parma voor Christina van Denemarken gegeven, toeschreef; de ander hem het mislukken van zijn aanzoek om een Landvoogdij, en een Abtdij (waar van grotius Annal: p. 14.) weet; de derde in de vijandschap van zijn zwager Lalain tegen Granvelle deelde, en hem bovendien het mislukken van zijn aanzoek om het Stadhouderschap van Gelderland toeschreef; en aan allen de bijzondere innigheid, waarin hij (na 't voorgevallene) met Margreta stond en de invloed die zijn schranderheid en welsprekendheid hem verschaften, even zeer in den weg was. - Want, inderdaad, een man van studie, die bij dit voorrecht de gaaf van overreding en een diep doorzicht bezat, was den wakkeren en moedigen maar niet zeer door letteren beschaafden Adel te sterk. En wat meer is, het commune studiorum vinculum [gemeenschappelijke letterzucht] trok Viglius zoo wel als Barlaimont op zijn zij', die geen vreemdelingen waren, en in geene betrekkingen tot hem stonden, maar zijne bekwaamheden evenzeer als Margrete en de Koning vereerden. - Maar als Geestelijke zekerlijk ijveraar zijnde voor de Roomsche Kerk, moest hij aan Oranje die alles tot één punt terug bracht, en als middel en werktuig voor of tegen het plan van de ketter-verdelging beschouwde, een zeer belemmerenden en geduchten tegenstander opleveren in het vormen van een aanhang ter voorkoming van dit tyranniek oog-

[p. 24]

merk. Maar zoo Oranje daarin wijs en verstandig handelde en overeenkomstig het beginsel waarvan hij uitging, Granvelle was des niet minder 't geen hij was, en wij moeten door de oogen dier genen niet zien, wien Oranje instortede wat hem (als den verstandigen man onder een partij goede halzen) behaagde. De waarheid moet ons heilig zijn, en niets ons overhalen om haar te bezwalken.

Granvelle ondertusschen was een ijverig Katholijk en 't zij hij deel hadde in 't gemaakte verbond tot uitroeiing der Hervorming, 't zij niet, hij nam de belangen der Kerk zeer ter harte. Hij was mede op de Trentsche Kerkvergadering geweest, en daartoe als een der bekwaamste Kerkhoofden (waar aan in de Nederlanden groot gebrek was) verkozen geworden, 't geen hem al meê bij de voorstanders der nieuwe gevoelens hatelijk maakte; en hij had bovendien zeer wel ingezien, dat met de toegenomen volkrijkheid der Landen het gering getal Bisschoppen niet genoeg was om over het vulgus van de zeer bedorven Geestelijkheid te waken, de misbruiken te keeren, en aan de verbetering harer zeden de hand te houden; noch ook om door herderlijke functien, (als predikatien, vermaningen, opzicht op zeden, gedrag en geneigdheden bij het volk) naar eisch van omstandigheden, op de gemoederen te werken, en dus, de vordering van nieuwe of wanbegrippen tegen te gaan, zonder 't welke van geen strafplakaten-alleen het gewenschte gevolg te wachten was; uit welken hoofde hij, nevens de vernieuwing der Placaten, ook tot het vermeerderen der Bisschoppen ried. De Koning begreep het gewicht van deze maatregel, en de Paus gaf

[p. 25]

er de vergunning toe. Maar de oprichting dezer Bisdommen, bracht nu de Roomsche Geestelijkheidzelve in beweging tegen den Koning.

De kerkvergadering van Trente was afgeloopen, en de nieuwe Leer zoo van Zwinglius, als van Luther daarbij veroordeeld, en schoon er zelfs bij de Roomsch-gezinden vrij wat onvergenoegdheid over de besluiten van dit Concilie heerschte (het geen echter bij dezen juist zoo zeer de leerstukken niet raakte, als veelerlei veranderingen in de discipline) Filip, als gehoorzame zoon der Kerk, was dadelijk bepaald om ze hier te lande te doen aannemen, en de daarbij veroordeelde gevoelens volstrekt niet te dulden; ook kwam dit ten eenenmaal overeen met de begrippen die hij zich van zijn plicht in het stuk van Godsdienst gemaakt had. Hier toe strekte het vermeerderen der Bisdommen hoofdzakelijk; en geen andere macht ook dan de Geestelijke en Burgerlijke was daar toe aan te wenden; want krijgsmacht was er nu in het Land niet, dan onder de Nederlandsche Provinciale Stadhouders, waaronder men de Landvoogdes-zelve mêe tellen moet als Stadhouderesse van Braband. - Doch er waren tot dus verre slechts 4 Bisdommen geweest, te weten Utrecht, Kamerijk, Atrecht, en Doornik: en nu werden Utrecht, Kamerijk, en Mechlen tot Aartsbisdommen verheven, en men richtte behalven dit Mechelen, nog 13 Bisdommen op, wier zetels gesteld werden in Andwerpen, Haarlem, Deventer, Leeuwaarden, Groningen, Middelburg, 's Hertogenbosch, Roermond, Namen, St. Omer, Yperen, Gent, en Brugge. Dit versmalde niet alleen het rechtsgebied en het aanzien van 't Bisschoplijk gezag, maar vorderde

[p. 26]

inkomsten voor deze nieuwe Prelaten; en die inkomsten, werden niet gevonden dan ten nadeele van etlijke Abdijen, waardoor Abten en Monniken-kloosters in beweging van klagen en kermen raakten. [Zie de Bijvoegs. ] En Leuven, de alma mater der Nederlandsche Geestelijkheid, schreeuwde met al hare kweekelingen niet minder over de oprichting van een nieuwe Hoogeschool te Douay. Met één woord, de Roomsch-Katholijken waren even zoo zeer als de Ketters te onvreden, en dit deed niet weinig om dezen meer moed en stoutheid te geven, en 't gezag beide van de Kerk en van den Koning een knak te geven, waaraan geen herstel was.

En weldra geraakte Granvelle ook bij de Roomschgezinden in nijd (en derhalve in haat) daar bij als Aartsbisschop op den nieuwen stoel te Mechelen (nu tot den eersten zetel van de Nederlanden verheven,) geplaatst werd met een dubbeld inkomen (3000 ducaten); waarop ook al spoedig de Kardinaals-waardigheid volgde, welke nieuwe verheffingen zijn moed ook, tegen de genen die gewoon waren op hem uit de hoogte neder te zien, niet weinig deden wassen; maar juist daardoor hem al meer en meer versmading van den Adel op den hals haalden. - Oranje niet geschroomd hebbende Anna van Saxen, die tot de Lutherschen behoorde, te trouwen, vond Granvelle dit tergend, en niet anders dan geschikt, om de Ketterij aan te moedigen, en, inderdaad, was het in dien stand van zaken in 't oog stekende, dat terwijl de Vorst de nieuwe Godsdienst bij Plakaten gestreng verboden vervolgde, zijn Stadhouder in drie Provintien, deze Godsdienst openlijk in zijn huis bescherming gaf. En dit te meer als men in aanmer-

[p. 27]

king neemt, dat de Stadhouder het hoofd van de Justitie was, en door wiens gezag derhalve de geestelijke strafvonnissen ter uitvoer gelegd moesten wor den. - Over en weder beschuldigden deze twee elkander van zich te veel aan te matigen. Het geen ook van beiden niet geheel zonder grond was, daar Oranje, als Souverain Vorst zich bij de andere Staatsleden vrij wat liet voorstaan, en Granvelle op de gunst van Koning en Paus even fier, zijne eerzucht den vrijen toom vierde.

De pogingen, die er van alle kanten in 't werk gesteld werden, om de bezitneming der nieuwe Prelaten en het aanslaan der geestelijke goederen tot hun inkomsten bestemd, tegen te gaan, waren vruchteloos, maar zij verwekten beroeringen, in welke het volk aan de eene en andere zijde deel nam, en dus meer en meer van de Geestelijkheid en het ontzag, dat men ze gewoon was toe te dragen, vervreemd werd. En dit was, zoo wel als de tweespalt die het onder de Roomschen verwekte, oorzaak van een ongevoelige, doch snel toenemende en zich algemeen verspreidende vermindering niet slechts van vertrouwen voor Priesters en Monniken, maar ook van den door dezen ingeboezemden afkeer voor de zoogenaamde ketterij; die hand over hand en als ware 't met reuzenschreden veld won, alhoewel de geestelijke Gerechtshoven niet verslapten. De Rederijkers(1) die alomme in Holland, Braband, en Vlaanderen hun spelen van zinne (d.i. Emblematische of Allegorische) vertoonden, sloegen thands geheel over tot dogmaticq en beschimping der Geestelijkheid; en de Adel, die in

[p. 28]

deze beschimping een beschimping van den Kardinaal zag, begunstigde dit, nam deze Poëeten vel quasi in hunne bescherming, en als Leden, deel in hun Kamers. Langs dezen weg werden de Hervormde gevoelens den volke openlijk aangeprezen en algemeen; en wanneer men deze spelen verbood (hetgeen niet zonder groot ongenoegen des volks geschieden kon, hetgeen op die vertooningen gants verzot was) begon men hier en daar buiten de steden bijeen te komen tot Godsdienst-vergaderingen, predikaatsien, en psalmgezang. - Dit gebeurde inzonderheid te Doornik en Valencijn, in welke laatste plaats de twee predikanten die zich daar opgeworpen hadden, toen zij naar de strafplaats geleid werden, met geweld door het graauw verlost werden. Het was ook inderdaad netelig; terwijl in het Duitsche Rijk de Hervorming gewettigd was, terwijl zij aan het Hof van Frankrijk begunstigd werd, en de Prinsen van den bloede aldaar, met al wie hun gunst zocht, de Hervormde Psalmen den gantschen dag door, al wandelende door de vertrekken van 't Hof, op de straat en spatseerende of te paard rijdende opzongen, in dit tusschenbeide gelegen land vol vreemdelingen van wederzijden, eene hervorming uit te roeien, die er nu zoo veel bescherming en aanhang in vond; en geen wonder, dat de Landvoogdes en Staatsraad, wanneer Filip op strengheid en volharding aandrong, verlegen begonnen te worden, en den Heer van Montigny naar Spanje zonden om den Koning van den staat der zaken te onderrechten. - Zijn reis was van geen ander gevolg, dan dat zijn terugkomst en het bericht dat hij hier van zijne zending afleide, hier te Iande

[p. 29]

weinig goeds aan den Koning deed, als die (zijns bedunkens, en ook in der daad) aan 't gevaar dezer beroerten op verr'na niet zwaar genoeg tilde. 't Geen hij in Spanje van den staat der zaken gemeld had, had daar geenen ingang gevonden, en de Kardinaal, hoe zeer door hem als de oorzaak des kwaads beschuldigd, bleef bij den Koning in blakende gunst, schoon zijn invloed bij de Landvoogdes vrij wat afnam.

 

De Nederlandsche Adel kon zich echter niet verbeelden dat, terwijl hij zich verzekerde op den geest der Landvoogdes een even zoo groot vermogen te hebben als ooit te voren op Karel den Vde, de Koning (van wiens zwakheid van karakter men vrij wat teekens meende te hebben) in den nu aangevangen [strijd] niet onder zou doen; en begreep, hun streng al sterker en sterker te moeten vasthouden en aantrekken. Zij voerden nu een livrei in, door den Graaf van Egmond bedacht, en bestaande in een zotskap op den mouw gestikt; waarmeê men op den Kardinaalshoed van Granvelle zinspeelde. De scherts was zeker niet fijn, maar griefde, en dit was hun genoeg: maar mediatè [indirect] werd er de Paus-zelf meê beschimpt, en dit was te veel; vooral daar verre het meerderdeel der Edelen nog goed Katholijk was, of 't meende te zyn, en de Landvoogdes zich daar gevoelig over toonde. Men veranderde nu dit teeken in een bondel pijlen, daar meê hun vereeniging (zoo zij 't uitleiden) tot 's Konings dienst (maar, zoo de Kardinaal 't verklaarde, tot zijn verderf) beteekenende. Wat reden er was om een vereeniging tot 's Konings dienst te vormen, kon zeker niemand zeg-

[p. 30]

gen, en vooral was dit niet van hun te verwachten in een tijd dat zij zich kennelijk tegen 's Konings wil en inzichten verzetteden. Maar het ging daarmêe als in alle tijden van partijschap. Naderhand kwam er de bedelaars nap en de penning bij, toen Barlaimont van hun sprekende tegen de Landvoogdes de uitdrukking gebruikte: ‘Ce ne sont que des gueux(1). - De zwarigheden werden er intussehen te erger door, en wogen Margreta zwaarder op 't hart, daar de Godsdiensttwist in Frankrijk tot eene openbare Burgeroorlog was uitgeborsten, waarin de Koningin Moeder (Catharina) de Huguenoten bijstond, en den ouden Hertog van Guise aan het hoofd der Katholijken was. Deze bewegingen eindigden aldaar toen wel voor een tijd, met de onverwachte dood van Guise in 't volgend jaar 1563, in een vrede tusschen Koning François en de Huguenoten, waarbij hun vrijheid van Godsdienst werd toegestaan, (die de Prins van Oranje ook in zijn prinsdom verleende, alhoewel, zelf Katholijk, de R. Godsdienst voor 't uiterlijk meer beschermende, en de andere meer duldende); maar de Landvoogdes was voor het overslaan van dien brand beducht, en riep (1562) de Ridders van 't Gulden Vlies en de Stadhouders der Provincien bij een, om maatregelen voor de rust van het Land te beramen. Wenschelijker kon niets voor Oranje zijn, als die hier het middel in zag, om het uitroeiingsplan, dat hem steeds

[p. 31]

voor den geest zweefde, krachtdadig tegen te werken. - Hij beleidde vooraf bijeenkomsten met allen die daartoe beroepen waren (Granvelle en Viglius alleen uitgezonderd), in welke hij hen zocht te bewegen om een algemeen advis in te brengen, en dit inzonderheid tegen Granvelle te richten. Dit gelukte toen echter niet, maar de vergadering van de Landvoogdes strekte tot niets anders, dan om eene algemeene bewilliging der gewesten tot het toestaan van penningen in geval van nood, voor te slaan, welke voorslag geen ingang vond.

Maar had de Prins zich deze gelegenheid niet ten nutte kunnen maken om den Kardinaal uit den zadel te lichten, hij rustte echter niet, maar tevens met Egmond en Hoorne, bezwaarde hij hem bij een brief aan den Koning; waarbij zij het algemeene misnoegen van 't volk over den Kardinaal, (aan 't welk deze voet gaf) en het algemeen begrip der Natie dat de geheele regeering in zijne handen berustende was, aanvoerden; tevens met de onmogelijkheid om dit begrip en de gevolgen daarvan weg te nemen zonder den Kardinaal te rug te roepen, of 's Lands zeker bederf voor te komen in gevalle hij bleef. Meer Edelen hadden hun stem tot het opstellen en verzenden van zoodanigen brief gegeven, maar (als 't gemeenlijk gaat) nu hij geschreven was, maakten zij zwarigheid hem te teekenen; om dat zij (en dit liet zich hooren) geene Leden van den Raad van State waren, en dus geene betrekking genoeg tot de algemeene regeering hadden. Oranje echter had op hen gerekend, en was over dit terug treden, gestoord; zoo, dat hier vrij wat verwijdering uit ontstond. Granvelle hield

[p. 32]

zich intusschen staande in zijn post, en maakte zich vrienden en aanhangers door ampten waar hij over beschikken kon. Nu was men te verr' gegaan om het er bij te laten, en men moest de weigerende Edellieden, tot een openlijke keus tusschen Granvelle en Oranje met Egmond dwingen: men voer in den vollen Raad tegen Granvelle uit, en beriep zich (quasi) op 's Konings wil, die nooit had kunnen zijn, een vreemdeling met Staat en geldmiddelen te laten omspringen, in plaats van het Opperbewind(1) in handen van de voornaamste Heeren en Edelen te stellen, zoo als (zeiden zij) gewoonte, verbonden, en Handvesten mede brachten. - Nu was het tot een openbare scheuring gekomen, waarin alles deel nam. Verre de meesten vielen Oranjes aanhang toe, terwijl anderen begrepen dat het niet om den Kardinaal, maar om een geheele verandering in Regeering en Godsdienst te doen was: en men moet bekennen, dat dezen juist geen ongelijk hadden, alhoewel het zeker is, dat in dien tijd, noch Oranje, noch iemand van die zijn partij hielden, duidelijke bezeffen hadden van den geest, waardoor zij gedreven werden, of van 't geen waar dat alles noodwendig op uit moest komen.

De Koning betoonde zich (en dit was niet onnatuurlijk) met den bij hem ontvangen brief verlegen. Zijn antwoord was verstandig, gematigd, en vriendelijk; en 't vorderde, in plaats van algemeene aantijgingen, bijzondere feiten tot Granvelles laste; met betuiging van de zaak zelf in persoon te willen on-

[p. 33]

derzoeken, en te verlangen dat iemand der Heeren die zich over den Kardinaal bezwaarden ten dien einde overkwam. - Dit geleek dezen Heeren niet. Zij berieden zich in velerlei bijzondere bijeenkomsten; besloten, hier te Lande hairen op snaren te zetten dat het doorklinken zou; ontschuldigden zich met een zeer scherp vertoog bij de Landvoogdes van langer den Raad bij te wonen, en schreven een nieuwen brief aan den Koning, waarbij zij verklaarden, zich niet als beschuldigers van den Kardinaal te willen voordoen, maar, als 's Konings getrouwe Vazallen, Zijne Majesteit te hebben willen waarschouwen; en voegden daar bij, dat 's Lands toestand hunne afwezigheid niet toeliet. Blaauw genoeg, in der daad, zoo men 't onpartijdig beschouwt. - Egmond (die, een regtschapen krijgsman in 't hart, opregt en welmeenend was, maar wiens schranderheid niet hoog klom) had een bijzonderen allervriendelijksten brief van den Koning ontfangen, die hem van Oranje trachtte af te trekken; maar antwoordde simpel en ter goeder trouw in den zelfden zin, en hield getrouw vast aan den Prins, die de gaaf had, hem en het meeste deel des Adels door zijn meerderheid van verstand te bestieren. - Men ging intusschen voort, met Granvelle allerlei smaad te berokkenen, om het hem-zelven moê te maken; spotprinten en uitstrooisels van zijn toeleg op het leven van dezen en genen, niet uitgesloten. Ja, men ging een opzettelijk verbond tegen Granvelle aan, waarin vele der eerste Edelen deel namen, en het is niet onwaarschijnelijk, dat het eerst na dit verbond was, dat de pijlbondel aan de zotskap in het livrei der Heeren in de plaats

[p. 34]

werd gesteld. Het gemeen begon hem nu beleedigingen aan te doen: de Staten Generaal weigerden voorstellen aan te hooren, waarbij hij tegenwoordig zou zijn; daar kwamen bedreigingen bij tegen zijn veiligheid; en de Landvoogdes (die zelve niet als Granvelle dacht, en misschien à la longue ook niet al te wel over hem te vreden was) vond zich in de termen van te moeten buigen. Zij zond iemand naar Spanje, om van den Koning Granvelles terug roeping en ontslag te verzoeken. - Dit geschiedde, doch op eene wijze die 's Konings waardigheid bewaarde. De drie Heeren werden gelast, hunne plaatsen in den Raad van Staten wederom te vervullen, met verklaring dat hij over de zaak van Granvelle, tegen wien niets bepaalds ingebracht was, zijne gedachten nader zou laten gaan: doch ter zelfder tijd ging Granvelle op 's Konings last naar Bourgonje, vermits de Koning hem niet in Spanje wilde hebben, op dat men niet denken zou (zoo zeer ontzag hij den Nederlandschen Adel!) dat hij hem daar tegen de Nederlanders innam. In Bourgonje was hij echter den Nederlander nog te na; en de Landvoogdes drong den Koning hem naar Rome te doen vertrekken, van waar hij hem echter in 1575 in Madrid ontbood, waar hij elf jaren daarna overleed.

Of in dit werk Oranjes persoonlijke gevoeligheid tegen Granvelle zijne schranderheid niet bedroog, is een vraag die hier geopperd mag worden. Zekerlijk kon (en het moest er het gevolg van zijn) Granvelle bij den Koning (waar hij geen tegenstrever had, en hem de ooren op allerlei wijzen volblazen kon, en te interessanter was, om dat hij inderdaad veronge-

[p. 35]

lijkt werd,) meer kwaad doen, dat niet af te keeren was, dan of hij met hun in den Raad van State gebleven was. Zijn invloed, daar, verminderde dagelijks (het kon niet anders) met het toenemen van den aanstoot dien hij gaf, en van het algemeen vooroordeel tegen hem, dat allengs nationaal wierd: die het nog met hem hielden, zouden weldra geschroomd hebben, van zijn advis te zijn; en daar Oranje en hij eigenlijk den geheelen Raad uitmaakten, en de overigen slechts bijzitters van den een of den ander waren, moest Oranje weldra geheel in den Raad geregeerd hebben; alle kleine gevoeligheden tegen Oranje moesten wijken voor de grooter gevoeligheid tegen den Kardinaal, en alles ware met den Prins tegen hem één eenige ziel geworden, waar hij nooit tegen op gekomen had. Doch nu Granvelle weg was, en de haat tegen hem geen punt van vereeniging meer opleverde, was de band die Oranje zoo vermogend maakte, verbroken; de jaloerschheid moest nu bij de zwakke geesten tegen Oranje werken; en zijn beter doorzicht-zelf zoo wel als alle zijn voordeelen die hij boven anderen had, moest de eigenliefde nu bij den een dan bij den ander in 't heimelijk kwetsen, ieder kleine te ontevredenheid die er ontstond verwijdering ten gevolge hebben, en de weg ter verdeeldheid was gebaand. - Het is waar, dat Granvelle een allerschranderst antagonist was, waarom men kon wenschen hem uit de voeten te hebben: maar nooit is een schrandere tegenpartij, voor een schrander man gevaarlijk. Het zijn de zotten alleen, die den verstandigen gevaarlijk zijn, om dat de verstandige den zot niet devineren (raden) kan; maar geen ver-

[p. 36]

standig vijand is te vreezen, want men voorziet al wat hij doet of zegt, en ieder slag dien hij wil toebrengen, is voorzien en dus afgeweerd. Maar wee hem die een zot tot tegenstrever; en nog meer, die hem tot vriend of medestander heeft! - Maar men begreep dat alles aan Granvelle hing. En drift verblindt ook den scherpstzichtige.

Dus triomfeerde dan nu de partij van Oranje, en er scheen nu geen gegronde vrees meer voor 't gene, waarvan deze uit Frankrijk de achterdocht meê had gebracht. Ook kon men met redelijkheid uit het gantsche gedrag des Konings tot dus verre gehouden, niets zoo zeer berispelijk vinden, of het geen van het hand leggen aan de uitvoering van een zoodanig plan eenig vermoeden kon baren: waartoe boven dien in Frankrijk en Duitschland de omstandigheden zeer ten nadeele veranderd waren. Hij had tot dus verre in alles aan het verlangen van de Nederlandsche Edelen en Staten gehoor gegeven, en was hun te wille geweest, meer dan misschien zijn gezag lijden kon. Ook was nu de Regeering zoodanig en in zulke handen als men algemeen wenschte; en alles had dus kunnen blijven, had men zich slechts kunnen vergenoegen met het geen men bezat, en had de gevaarlijke zucht tot nieuwigheid zich niet bij de meer en meer voortdringende nieuwe Godsdienst-begrippen gevoegd, om den Koning eene verdraagzaamheid af te dwingen, die de omstandigheden van tijd schenen te vorderen; maar die (ongelukkig!) met zijne grondbeginsels, en met zijn geweten strijdig was, en waarin men veellicht te sterker doordraafde, om dat men nu reeds gemeend had, bij bevinding

[p. 37]

te weten, dat Filip geen karakter had om een volstandigen weêrstand te bieden. - [z. de Bijvoegs.]

 

Granvelles vertrek was der Landvoogdes, uit wat oorzaak dan ook, aangenaam, en de drie Heeren die openlijk tegen hem uitgekomen waren, hervatten nu hun post in den Raad van State, met verklaring echter van bij hun besluit te blijven, en niet met den Kardinaal te zullen zitten in geval hij terug kwam. Zij schreven ook aan den Koning, en Oranje in 't bijzonder, biddende dat Z.M. toch het oor niet mocht leenen aan de genen die zijn trouw en oprechtheid in twijfel trokken; waar op de Koning antwoordde, dat hij niets tot zijn nadeel gehoord had, en hem voor een getrouw dienaar hield. Of dit wederzijds oprecht was, daar aan mag men twijfelen: vooral als men denkt aan het No los Estados, mas vos, vos, vos! van den Koning bij zijn vertrek. De ijver dezer heeren, om met ieder wel te staan, en inzonderheid met de afgevaardigden der Staten, verdubbelde; maar des ondanks konden zij sommige leden van den geheimen Raad en van dien van de Finantien, niet winnen. Men noemde dezen met welke zij kwalijk bleven staan, Kardinaals-gezinden, en onder die waren Viglius en de Graaf van Barlaimont de voornaamsten. 't Kan zeer wel zijn dat het verschil van denkwijs omtrent de noodzakelijkheid van strengheid of verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst de eenige oorsprong dezer verdeeldheid was, maar waarschijnlijk schuilde daar onder eene persoonlijke afkeerigheid van elkander. Hoe het zij, deze twee dwarsboomden volstandig hunne

[p. 38]

maatregelen die middelijk of onmiddelijk naar verdraagzaamheid heenstrekten. Oranje was schrander genoeg en wist zich genoeg meester te maken van de genen met wie hij dagelijks omging, om daar hij in die twee kollegien geen genoegzaam getal leden in zijn gevoelen kon brengen, het gezag en den invloed dezer kollegien te verzwakken, en dat van den Raad van State waarin bij nu heerschte, uittestrekken. Ja, dit ging zoo verr', dat men nu geen Requesten aan de Landvoogdes, maar aan den Raad van State deed, en zij-zelve niets meer vermocht; ook niet meer met Barlaimont of Viglius raadpleegde. - Van dit oogenblik af verminderde ook de strengheid en naauwkeurigheid in het handhaven der religie-plakaten: en, wetende wie aan het roer zaten, en hoe zij dachten, begonnen de Staten der gewesten zich zachtjens tegen verscheide zaken, dit stuk rakende, te verzetten, terwijl de Edelen weigerden zich aan de sententien die tegen hen gegaan waren, te onderwerpen zoo zij niet door den Raad van State bekrachtigd waren: door 't welke ook de Civile Justitie zoo wel als de Criminele in minachting en verval geraakte. Weldra begon men ook in de begeving der ampten (want alles hing nu aan den Raad van State) koophandel te drijven; verleende vergunningen tot het houden van Lombarden en van Loterijen, ja, gaf vergiffenissen van misdaden voor geld. - Met één woord, het was nu een factie-regeering geworden, die den gewonen gang ging als haar eigen is; en alles ging naar wensch van de partij die nu boven dreef, behalven alleen, dat de placaten, die hoe slap dan ook uitgevoerd, echter

[p. 39]

in stand bleven, de verdraagzaamheid die men beoogde, nog in den weg stonden. Dit was er nog overig om volkomen meester te zijn, en hier toe won men de Landvoogdes die goedaartig en zachtmoedig was, en om dit te bewerken tot een bezending aan den Koning besloot. De Kardinaals-gezinden waren tegen deze bezending en wilden 's Konings overkomst; doch zij ging door, en Egmond werd er toe benoemd.

 

Deze schilderij van de Nederlandsche Regeeringshuishouding in dien tijd is gewis niet vleiend, maar zij is getrouw. Echter Oranje had daar geen schuld aan: maar zijn eenig doel (het voorkomen van de geweldenarijen in 't stuk van de Godsdienst, en al 't geen hij daaromtrent vreesde) dwong hem deze lieden te gebruiken, te laten begaan, en vooral die voor den Koning en zelfs voor de Landvoogdes verborgen te houden, op dat het Koninklijk gezag, zonder 't welk zij niet te keeren waren, niet in werking komen, maar veel eer inslapen mocht; en hij rekende 't beter, alles door de vingeren te zien, dan die lieden uit de regeering te verwijderen. En de Landvoogdes, na lang geslingerd te zijn, zich eenmaal in de nu boven drijvende partij geworpen hebbende, nam de beginsels dezer partij aan, en sloot de oogen voor al het overige, tot eindelijk door den langdurigen indruk van dit systema, haar eigen persoonlijke manier van denken geheel omgekeerd werd, waarom zij ook naderhand toen de tegenstrijdige denkwijze boven moest drijven, niet in het Gouvernement blijven kon.

[p. 40]

Egmond vertrok dan, nadat er vrij wat gekibbeld was over de Instructie, hem meê te geven. En bij die gelegenheid eerst was het, dat Oranje openlijk ronde taal in den Raad begon te spreken. Hij verklaarde toen ‘dat de staat op den toenmaligen voet, waar op de zaken stonden, niet behouden kon blijven. Dat de oude Godsdienst niet te behouden was; dat de zaken van Justitie aan één Hoofd onderworpen moesten worden, dat de Raad van State meer aanzienlijke leden moest hebben. Dat men de besluiten van 't Concilie van Trente niet kon doen aannemen; dat de Religie-plakaten ingetrokken, of ten minste gematigd moesten worden; en dat men ieder vrijheid van geloof en van Godsdienst moest laten.’ Het geen Viglius derwijze ontzettede, dat hem een beroerte overviel, waardoor Hopperus in zijn plaats werd gesteld. - Het masker was nu afgelicht. Om vrijheid van Godsdienst was het te doen; en die moest uitdrukkelijk ingewilligd, of, (geschiedde dit niet) door nog grooter uitbreiding van de macht des Raads van State, door dezen, zelfs zonder 's Koning bewilliging, ten uitvoer gebracht worden.

Egmond werd in Spanje ontfangen gelijk zijn geboorte en rang vorderde, en hij bracht binnen vier maanden een zeer minzaam andwoord van den Koning te rug, 't welk alzins voldoende en genoegen gevende was, alleen het punt van den Godsdienst uitgezonderd, waar omtrent de Koning verklaarde dat hem dit boven alles ter harte ging, en dat hij liever duizend levens, zoo hij ze had, zou willen verliezen dan daarin verandering toelaten. Terwijl

[p. 41]

hij den Raad van State opdroeg, om met raadpleging van twee of drie der bekwaamste Bisschoppen, middelen ter betere fnuiking van de ketterijen te beramen, zoo door het openbare onderwijs des volks, het schoolwezen, als de invoering van nieuwe straffen, te regelen: op het uitsluitsel van welke raadplegingen hij Koning dan zelf besluiten wilde. - Dit kwam (als men ziet) weinig overeen met het geen Oranje en de zijnen zich voorgesteld, ten minste gewenscht hadden; en even min met de hoop die Egmonds brieven uit Spanje reeds hadden doen op vatten; en Egmond wist zijne voorbarigheid in het schrijven niet anders te ontschuldigen, dan door voor te geven, dat de Koning hem mondeling meer toegezegd had. Dat dit echter een bloot voorgeven was, was kennelijk genoeg uit Filips kennelijke en zich altijd gelijk blijvende volstandigheid in dit stuk, waarvan zijn wel of kwalijk verlicht geweten (dit is hier de vraag niet) hem niet toeliet, een oogenblik af te wijken. Ook was niets natuurlijker, dan dat Egmond, weinig geschikt voor zulke onderhandelingen, en niet gemaakt om de juiste kracht der woorden te wegen, daarbij, vol van zijn eigen denkbeelden, en niet kunnende begrijpen, dat één mensch ter wereld anders over een zaak denken kon dan hij er op dat oogenblik over dacht, uit 's Konings algemeene uitdrukkingen van welwillendheid om alles te doen wat van hem afhing ('t geen tegen zijn geweten streed, hing niet van hem af) bijzondere toezeggingen gemaakt heeft, wel ter goeder trouw, doch zeer te onrecht.

's Konings last moest intusschen gevolgd worden,

[p. 42]

en de raadpleging met drie Bisschoppen van de braafsten en gematigdsten had plaats, en werd met drie leden van voorname Gerechtshoven, en nog twee Godgeleerden die daar bijgevoegd werden, gehouden. Over de maatregelen tot verbetering van het openbaar onderwijs, de zeden der Geestelijkheid, en de eerste onderwijzing der jeugd was men 't, ten aanzien van 't wezen der zaak, spoedig eens: daarin was door het Koncilie van Trente voorzien; maar over de invoering van de besluiten dezer vergadering in het algemeen, en over de ketterstraffen waarin deze Bisschoppen, Raadsheeren, en Godgeleerden geene mogelijkheid van verzachting vonden, ten ware, alleen ten aanzien van berouw hebbenden en onbejaarden, en waartegen Oranje den toestand der tijden die zulke hardheden niet gedoogden, aanvoerde, geraakte men aan het harrewarren. Nog meer als de Geestelijken hun gevoelen in geschrift stelden, hetgeen (hoe zeer nog al vrij wat verzacht, en zelfs in dit opzicht 's Konings oogmerk geweld doende) echter de volkomene bewaring van het Katholijk geloof in die bedenklijke tijden nadruklijk genoeg vorderde, om den Prins van Oranje tot zoo verr' tegen de borst te stoten, dat hij weigerde daarover te stemmen. Kort daarop werden 's Konings bevelen ter invoering van de besluiten van 't Koncilie afgekondigd, onverminderd echter alle rechten van de wareldlijke Jurisdictien, waarop sommige dezer besluiten eenigen inbreuk schenen te maken. Dat dit algemeen ongenoegen gaf, is uit den staat van alles licht af te nemen, maar quo jure [met welk recht]?

[p. 43]

Dit ongenoegen vermeerderde nog als Filip bij zijn nader schrijven ontkende iets meer aan Egmond beloofd te hebben dan hij hield, en de verzachting, door de Geestelijken in hun geschrift als doenlijk voorgeslagen, ten hoogsten afkeurde; de uitvoering der plakaten in den sterksten nadruk gebiedende, te gelijk met die van dat zelfde project ten aanzien der overige punten, waar het over liep. Egmond, te zwak van verstand, om aan de vriendelijke form waarin algemeene verklaringen van genegenheid vervat waren, niet te blijven hangen, had ter goeder trouw meer van des Konings belofte overgebracht, dan daar aan was, en stond beschaamd. De geheime Raad, die zijn systema dus door den Koning bevestigd zag, kreeg daar door dadelijk een nieuwen invloed en kracht tegen de partij die den Raad van State vervulde, en drong op de werkelijke uitvoering der ontfangen bevelen, met bijvoeging, dat, gelijk de Koning verklaard had omtrent de Inquisitie geene nieuwigheden te willen invoeren, het gedrag der Inquisiteuren onderzocht moest worden, of zij zich aan hunne Instructien gehouden hadden, en zij voor 't vervolg daar ten strengsten aan verbonden moesten worden: ten einde het volk dus te overtuigen, dat de Koning niet (als men uitstrooide) gezind was, om de Spaansche Inquisitie hier in te voeren, maar integendeel een redelijken Geestelijken rechtbank over geloofszaken. Dit werd ook door eenige leden in den Raad van Staten aangedrongen; maar Oranje, Egmond, en Hoorne weigerden alle bewilliging tot Godsdienstige Inquisitie. En ter zelfden tijd wilden zij echter 's Konings bevel

[p. 44]

openbaar gemaakt hebben: hetgeen de anders gevoelende aan niets anders dan een oogmerk om bewegingen te verwekken, toeschreven. Dit ging door, tegen alle pogingen van Viglius, die uit vrees voor de gevolgen, die bevelen geheim gehouden wilde hebben; en zij werden afgekondigd. Ook wil viglius, dat Oranje toen aan iemand gezegd zou hebben: ‘men zal nu welhaast een ongemeen Treurspel zien aanvangen’(1).

Het kon niet dan ten hoogste treffen, wanneer men dus in eens de besluiten der Trentsche Kerkvergadering, met alle de gestrengheden die zij, tot bewaring van leer en zeden, aan Geestelijken en Leeken opleidde, zag invoeren, en door geestelijke rechtbanken handhaven: en, gelijk men het van een zeer groot gedeelte weet, even zoo mag men billijk onderstellen, dat verre het grootste deel, van Kerkelijken, zoo wel als wareldlijken daar tegen was. Maar met de drie Heeren was het nog iets anders. Dezen, en die het met hun hielden, hadden zich een geheel tegenstrijdig uitzicht gevormd, en meenden dit hun doel alreeds zoo goed als bereikt te hebben. Geen wonder derhalve, indien zij er deels een punt van eer van maakten om deze nieuwe instellingen te keer te blijven gaan; deels, uit innig begrip, eenmaal opgevat, oordeelden niet te moeten aflaten van hunne pogingen om de nieuwe bevelen

[p. 45]

te doen intrekken. Hier kwam de partijgeest nog bij, die daar men nu onderlag des te sterker en vuriger werd, en wanneer men hier eindelijk toevoegt, het vertrouwen des Adels op zijn aanzien, vermogen, en invloed, en het doorgaand gevoelen, dat tegen hun algemeen gevoelen geregeerd te worden, onderdrukking was(1), zoo kan men zich lichtelijk voorstellen, wat gisting er in de gemoederen rees, en somtijds (bij voorkomende gelegenheden) meer of minder openlijk, in woorden en daden uitbrak.

Na vele voorafgaande gesprekken die van geen gewicht zijn, en zelfs niet verdienen zouden in algemeene bewoording gedacht te worden, ware 't niet, dat zij de ongevoelige voorbereiding tot iets groots (iets zeer gewichtigs) geweest zijn, besloten een klein getal Edelen, die of Protestanten waren, of ten minsten de Protestantsche predikaatsien bijwoonden, de Protestantsche Vorsten in Duitschland tot een verbond aan te zoeken, om de Nederlanden van den Godsdienstdwang en Inquisitie (zoo noemde men 't nu) te ontheffen. En weldra besloten zij ook tot het

[p. 46]

vormen van een algemeen verbond van den Adel aller Nederlandsche Provincien, 't geen zij Compromis noemden. Inzonderheid nam dit op door den ijver van den Wapenkoning der Guldevlies-orde (Nicolaas de Hammes), en bij honderden (om niet duizenden te zeggen) viel men dit verbond toe. Dit Compromis schreef alle de bezwaren waar men over klaagde en die men vreesde, toe, aan een hoop vreemdelingen, die hun staatzucht en gierigheid met den naam van ijver voor het Katholijk Geloof bewimpelden; beschuldigde den Koning van eedbreuk; de Inquisitie, van strijdig te zijn met alle geestelijke en wareldlijke rechten, en vooral ook met de Privilegien en loffelijke herkomens dezer Landen. En na deze kokendheete inleiding, (die men moeilijk zal kunnen vrijspreken van een onmiddelijken aangreep op 's Konings persoon, gezag, en waardigheid) beloofde men bij dit zelve geschrift (en NB. onder eede) het invoeren der Inquisitie te zullen beletten; onder betuiging echter, van niets dan den dienst des Konings voor te hebben(1); en met onderlinge vrijwaring van elkander tegen alles wat een hunner uit hoofde van Inquisitie of plakaten over mocht komen, zelfs al ware 't onder den naam van wederspannigheid of revolte(2). - Onder de voornaamste edelen waren Brederode, die nog, niet tegenstaande het verval van zijn huis, om zijne afstamming van het Huis van Holland vrij gezien was, en die, daar hij, zwak van geestvermogens en (als 't gaat) daarbij des

[p. 47]

te eerzuchtiger, gaarne een rol wilde spelen(3), en reeds te voren in het oog geloopen had over het aannemen van den naam en wapens van Holland, zeer gereedelijk in deze verbintenis trad. Ook was er Graaf Lodewijk van Nassau (Oranjes broeder) onder, die een ander man was en den naam had van den volmaaktsten Ridder van Europa te zijn, schoon zijne houding in de portretten die elegance niet heeft, die wij ons daar bij voorstellen. Doch Oranje zelf, Egmond en Hoorne bleven er buiten. Ook is de onberaden en heete stijl van het Compromis genoeg om te doen blijken, dat het door Oranje noch ontworpen, noch erkend kon zijn, en daar Hoorne en Egmond geheel door hem bestierd werden, konden deze er derhalve ook geen deel in nemen. - Niettemin werd Oranje, gelijk hij de ziel der partij was waar het uit voortsproot, toen het eens tot stand gebracht was, ook weldra de ziel van 't verbond-zelf; en dat het niet zonder zijn kennis tot stand kwam of tot stand komen kon, is uit alle omstandigheden ontwijfelbaar.

Zulk een verbond, openlijk bekend en ruchtbaar, kon niet missen bij het algemeen, klein en groot, de gemoederen te ontvlammen. Het regende nu schimp- en smaadredenen en geschriften tegen de Inquisitie, tegen 's Konings plakaat, tegen de kerkelijke Rechters enz. enz. en Edelen en Burgers, Staten en Steden, lieten de Landvoogdes geen rust met klachten en vertogen tegen den Godsdienstdwang. Oranje en Egmond werden openbaar door de on-

[p. 48]

roomschen bij plakschriften en andere tot hunne bescherming aan - en opgeroepen. Zelfs wilde men onder de Burgers den meineedigen Koning (zoo was hij bij 't Compromis afgeschilderd) voor het Kamergerecht van Spiers gedagvaard hebben. Nu kwam de geloofsbelijdenis der Kalvinisten ook uit, die terstond meer opgang maakte dan de Luthersche leer tot dus verre bij ons gedaan had(1), en voor welke Kalviniaansche geloofsbelijdenis eene opdracht aan den Koning geplaatst was, die het getal der aanhangeren van deze leer wel op 100,000 bracht; hetgeen door Oranje, Egmond, en Hoorne, bij de Landvoogdes nog vergroot werd. Maar dit alles deed weinig uit, en al dit gewoel steunde eenig en alleen op hetgeen men bij 't algemeen oordeelde van de Edelen te verwachten te hebben.

Het Edelen-verbond strekte, als wij zagen, om het invoeren der Inquisitie te beletten. Hier moesten in een zaak die eenmaal tegen hun wederstreven aan doorgedrongen was, en die deels in 't geheel niet, en deels nu volstrekt niet meer, van hun afhing, dadelijkheden gebruikt worden; want andere middelen waren en niet tegen te stellen. Zij hadden zich dus tot dadelijkheden verbonden; misschien (want het gaat zoo in de wareld) eer zij wel over-

[p. 49]

wogen hadden, wat die daden zijn konden, of waar zij hen heen zouden voeren? Maar, hoe dit ook zij, zij hadden er zich toe verbonden. - Wat ondernamen zij derhalve uit krachte van hun verbond? - Men spreekt van een ontwerp om Antwerpen te verrassen; en dat dit werklijk in til geweest zij, mag men gelooven, maar Oranje nam het Stadhouderschap van Braband waar, en kon dit, onder zijn beheer, niet toelaten. - Oranje trachtte in alles, bij alle zijn populariteit, een tusschen-persoon tusschen den Koning en de misnoegden te bewaren, en zich bij den eerste even zoo een verdienste te maken van zijn tegenstand tegen de laatsten, als bij het volk, van mijn weêrstand aan 's Konings oogmerken. Hij stelde zich niet voor, dat de zaak tot zulke uitersten komen zou als 't gevolg was (want hij had zich in Filip vergist), maar wilde den Koning noodzakelijk worden, als de eenige Pacificateur in staat, motos componere fluctus(1), en dus den Koning niet alleen te verduisteren, maar hem en het volk aan de hand te leiden: het geen, zoo het gelukt ware, hem den arbiter en moderator [scheidsman en bestierer] van geheel de Christenheid gemaakt zou hebben.

 

Van alle middelen van geweld is het zachtste, en waar men gereedelijkst toe overgaat om dat het de minste inspanning van krachten kost, en er zelfs in 't geheel géén behoeft, zoo men er zich slechts het uiterlijk van geven kan, de bedreiging. Aan deze lieten de Verbondenen het niet ontbreken, en rie-

[p. 50]

pen luidkeels ten Hove: ‘dat de Nederlanders zoo plomp niet waren of zij wisten wel wat de Vorst zijn Baronnen of Leenmannen, en dezen den Vorst schuldig waren; en dat zij wel middel wisten om zoo hij hen langer ringeloorde, hem de oorlog aan te doen, zoo machtig als hij was.’ Men ziet hier uit, dat zij zich als Leenmannen, en niet als onderdanen verzetteden, en zeker, voor zoo verr' zij zijne leenmannen waren, maakte dit hunne zaak ten eenenmale onderscheiden van die der steden en anderen, wien noch de vrijheid van den Leenman, noch zijn recht van zich-zelven tegen den Leenheer recht te doen, toekwam. En als zoodanig beschouwde zich ook de Prins van Oranje en verscheiden Stadhouders met hem, als zij (in 1566) aan de Landvoogdes verklaarden ‘dat zij even zoo weinig wil als macht hadden om de placaten te doen uitvoeren en der Inquisitie de hand te bieden;’ met bijvoeging, dat zij liever hun Stadhouderschap wilden nederleggen, in welks hoedanigheid zij erkenden dat de Koning het van hun vorderen kon. Naderhand heeft men aan de zijde des Konings de rechten van 't Leenmanschap uit het oog verloren, en deze Edelen als bloote onderdanen, door weêrspannigheid misdadig geworden, willen aanmerken. En de Historieschrijvers hebben zoo wèl als de Spaanschen, door wie de Koning bestierd werd en die den aart der betrekkingen van onzen adel niet kenden, dit algemeen voorbijgezien, en naar gelange der partij die zij voorstonden, de maatregelen goed- of afgekeurd, zonder ooit den grond aan te geven, waarop zij berustten. Et c'est ainsi qu'on écrit l'histoire! -

[p. 51]

Men moet echter bekennen, dat in dien tijd de begrippen van Jus publicum, Jus Civile, en Jus feudale op de wonderlijkste wijs in de hersens der Rechtsgeleerden door een geklutst lagen; de onderscheiding van den Leenman en den onderdaan in denzelfden persoon en in dezelfde daad in veel gevallen zeer moeilijk was; en dat onze Edelen in 't geheel geene Rechtsgeleerden waren en in hun gedrag telkens die bijzondere betrekkingen verwarden; nu eens veel te verr' gaande in het uitstrekken der vrijheden of rechten die hun toekwamen, en dan weêr bevreesd om van 't geen van hun afhing gebruik te maken; met één woord dobberden tusschen den Leenman en den onderdaan. Maar het is daarom te noodzakelijker, verlichte denkbeelden van Staats- en Leenrecht mede te brengen, wanneer men de Geschiedenis dezer tijden opslaat.

Doch deze bedreigingen waren slechts algemeen en in vago, en weldra moesten die nader aangedrongen worden. - Oranje en Hoorn verlieten intusschen het Hof, en gingen op hun goederen. Zoo hier eenig ander oogmerk bij was, dan alleen zich aan de ongenoegens te onttrekken, die bij de tegenwoordige maatregelen hem daar aanhoudend ontmoeten moesten, zoo was het, zekerlijk, dat hij begreep dat zijne afwezigheid 't geen er stond te gebeuren, nog meer belemmerend voor de Landvoogdes maken moest.

Met zijn kennis werd een Request opgesteld om door de Verbondenen in te leveren, en waarvan men zich te meer uitwerking beloofde om dat het voorgegaan werd van een gerucht (dat uit den boezem der Verbondenen-zelven kwam, en wezendlijk op on-

[p. 52]

derhandelingen gegrond was, maar die nooit tot rijpheid kwamen), dat men 35000 man Protestanten, zoo te voet als te paard, gereed had om in 't land te vallen, indien er de vrijheid van Godsdienst niet toegestaan wierd, die men ten getalle van anderhalfduizend man, gewapend, te Brussel zou komen verzoeken. Dit gerucht ging met andere van velerlei aart en van onzekeren oorsprong gepaard, waardoor deels het Hof, deels het volk ontrust werd, en de zaak verergerde door de verwarring waar in zij de Hoofden brachten. - De verbonden Edelen verschenen werkelijk kort daar op in Brussel. Brederode, die zich aan hun hoofd stelde, met wel 200 paarden; de overigen, met geringer gevolg; en ten getalle van 300 gehoor gevraagd hebbende, trokken zij op den 5den April 1566, doch ongewapend, in statie naar het Hof, en gaven de Landvoogdes, (die vooraf zich wel met de Vliesridders en andere beraden had, doch zonder andere vrucht, dan alleen dat alles tot verzachting of schorsing der plakaten ried) ten aanzien en bijwezen van Oranje-zelf die bij de Landvoogdes in den Raad gezeten was, hun verzoekschrift door de hand en met een aanspraak uit den mond van Brederode over. Deze aanspraak was nederig, maar tevens was zij laf, door te lochenen 't geen van hun pogingen reeds bekend was: En het request behelsde betuigingen van trouw, bevreesdheid voor opstand wegens de Inquisitie-plakaten, en de onzekerheid van lijf en leven zoo men ze uitvoerde; met daar op gebouwd verzoek dat de Landvoogdes bij den Koning op de intrekking en tenietdoening dier plakaten aanhouden wilde, en ze inmiddels buiten wer-

[p. 53]

king of uitvoering stellen: hetgeen besloten werd met betuiging van onverantwoordelijk te willen zijn voor de kwade gevolgen die het niet bewilligen van dit verzoek na zich zou mogen slepen. - Het antwoord der Landvoogdes bij wege van appointement was, dat zij genegen was, een bezending aan den Koning te doen, die op alles (vertrouwde zij) goede orde zou stellen, inzonderheid mede op de verzachting der plakaten, waarop men in den Raad ook, alreeds voor dit addres, gewerkt had. Doch, dat het in haar macht niet stond, de placaten of Inquisitie onderwijl te schorsen: dat zij echter den Inquisiteuren en Baljuwen zou doen aanschrijven, hangende 's Konings beraad in de uitoefening hunner posten daar omtrent met alle bescheidenheid en gematigdheid te handelen; terwijl zij van de Edelen (requestranten) verwachtte, dat die zich goedwillig zouden betoonen om het Katholijk geloof zuiver, en de rust (als hun betaamde) ongestoord te bewaren.

 

Hoe zeer dit alles was, wat de Landvoogdes geven kon, was men echter (even als of men meer had kunnen verwachten) verre van te vreden daarmeê. - Ook trok men de laatste en admonitoire Clausule zich aan op eene wijze die belemmering bewees, en, na den gedanen stap, laf genoeg was. Men leverde een tweede request in, voornamelijk daarop neêrkomende, dat zij hoopten geen ongenoegen met hun (addres gegeven te hebben, hun afkeer van oproer of hetgeen daar stof toe geven mocht, betuigden, tevens met hunne getrouwheid aan den Koning (‘voor wiens voeten zij gereed waren te sterven’); en ein-

[p. 54]

delijk een verzoek om alles ten beste te duiden: wederom echter met protestatie van ongehouden te willen zijn voor de gevolgen die het van de hand wijzen van hun vorig addres hebben mocht. - De verlegenheid die in dit tweede request doorblonk gaf de Landvoogdes den moed weêrom, die bij 't eerste vrij wat gezonken was, daar zij hier uit zeer wel bemerkte dat het dezen Heeren aan plan en aan macht faalde om hun opzet door te zetten; en het andwoord was derhalve nu ook vrij wat scherper, en behelsde ‘dat er geen onheil te vreezen was, zoo de Heeren Edelen daar slechts geen oorzaak van waren; voor 't welk zij zoo onderling en ieder voor zich, als bij de Gemeente zorg hadden te dragen; zoo als zij ook (vooral) onder de hand geen meer bondgenooten in hun associatie zouden hebben te zoeken’. Dit trof (zoo als 't gaat bij lieden die driftig en onberaden iets aanvangen, zonte weten hoe het ten einde te brengen); en zoo die tweede stap vrij bont afstak, bij de stoute taal en vermetele houding in den eersten, daar volgde iets nog zotters op, als zij de laagheid hadden, van na het bekomen van dit tweede antwoord, mondeling en per internuncios bij de Landvoogdes te doen aanhouden, dat zij toch een verklaring zou geven, dat zij alles wat er verricht was, ten dienste Gods en des Konings gedaan hield te zijn: 't geen de Landvoogdes, die vooraf zeer neêrgeslagen was, nu met recht uit de hoogte beändwoordde door te zeggen: ‘Dat de tijd en hun verder gedrag best zou kunnen doen zien, van wat aart hun bedrijf te houden was.’ - Een vernedering die zij zich op

[p. 55]

den hals haalden en nu ook stilletjens verdroegen, en die waarlijk den schimpnaam rechtvaardigde die Barlaimont hun toevoegde. - En wie, inderdaad, kon ze, na hun ontzach-inboezemende verschijning te Brussel, zoo neêrgeslagen zien heen druipen met den smaad dien zij zich zoo laf en kinderlijk op den hals haalden, zonder te zeggen; si ce ne sont de vrais gueux , au moins ils se comportent comme tels? [Zie de Bijvoegs.]

Men kan na dezen uitslag (want hier meê was alles over, en zij scheidden neêrslachtig uit een) licht inzien hoe verstandig Oranje deed, (hij die zijn lieden wel kende en wist wat er in zat!) zich buiten hun Bondgenootschap te houden. Doch dit neemt niet weg, dat hij met geen goede oogen dien afloop van een maatregel waarvan ieder zich veel heloofd had, kon aanzien. En men mag het misschien aan zijn invloed toeschrijven, dat om die slechte houding, van een anderen kant te verbeteren, de lichamen der Staten van Brabant, van Vlaanderen, en van Namen, tot een vertoog van denzelfden inhoud besloten. Holland volgde deze Provincien hierin na, evenwel niet zonder dat Amsterdam (altijd in de contra-mine) zich daar tegen verzettede. Ondertusschen waren deze addressen, door de lafheid der Bredero-dianen nutteloos: want nu de Landvoogdes, na hen zoo te hebben zien vallen, geen reden meer vond om zoo verlegen te zijn, was hare houding geheel veranderd, en zij vroeg, bij het aanbieden van de Requesten vooraf naar den inhoud, en verklaarde, er geen te willen aannemen van inhoud als dat der Edelen die men Geuzen of schooiers noemde:

[p. 56]

zoo dat men zijn addressen te rug nam en er vrij wat verandering in maakte. - 't Geen verstandig in hun gedrag was, was dit, dat zij den smaad van dit sobriquet dat hen nu ten deel gevallen was, zich als tot een eertijtel maakten en de bespotting omkeerden, door dezen naam van Gueux openlijk aan te nemen, en te afficheeren met het dragen van houten bedelaarsnapjens in de knoopsgaten, en het slaan van penningen met in een vattende handen en bedelzakken, onder 't opschrift: fidele au Roi jusqu'au besace. Doch als men 't wel beschouwt, is dit alles niets dan een bloote retraite, in 't geheel niet samenstemmende met het hoogdravend en stout compromis van oppositie en feitelijk beletten van 's Konings bevelen.

De Edelen, nu, ruim zoo zeer door den geest gedreven om zich te ontschuldigen, als om hun eerst zoo hoog uitgebazuinde rechten te handhaven, besloten tot eene bezending naar den Koning. Montigny nam dit op zich met Bergen, doch had groot berouw als hij te Parijs reeds het groot ongenoegen des Konings vernam. Zij werden echter bij den Koning minzaam ontvangen, maar hun last zag nu op geen intrekking en te niet doening enz. enz., de toon was een weinig gevallen en men droeg den kam nu zoo hoog niet; zij zag nu op een moderatie (zoo als het hiet), waarover men in de Nederlanden lang bezig geweest was om ze smakelijk te maken, en waarover zij advisen van de Staten van eenige Provintien en van eenige Gerechtshoven, die er wel mêe instemmen wilden (schoon anderen er tegen waren) meêbrachten, maar welke moderatie zoo weinig om 't lijf had, dat het gemeen, reeds met vrijheid van

[p. 57]

Godsdienst gevleid, en bij dit ontwerp even zeer doodstraffe op onroomsche leer en gevoelens ziende, het spotsgewijze moorderatie noemde. Daarbij wilden zij dan de afschaffing der Inquisitie (wel te verstaan van den naam van Inquisitie; want de daad, als blijkt, bleef bewaard) en eene amnestie. - Schoorvoetende kwamen zij hier meê aan, maar des Konings onthaal gaf hun moed; en nu begonnen zij de Spanjaarts te beschuldigen van de Nederlanders te willen vervoogden en onderdrukken; 't geen in dien zin opgevat werd als of zij gezegd hadden: ‘wij willen naar onzen eigen zin en niet naar dien des Konings geregeerd worden,’ dat niet wel werd opgenomen.

De Landvoogdes ondertusschen uit den aart geneigd om de Nederlanderen te genoegen, had een plakaat in de wareld gebracht, grootendeels op den voet van de zoogenaamde moderatie ingericht; maar het werd niet overal afgekondigd. - De meerdere zachtheid van dit plakaat, en het niet overal afkondigen, waren twee zaken die de stoutheid der Onroomschen vermeerderden. In 't eerste zagen zij een vrees van den Koning, als welke gedwongen te rug trad: in het andere, een overtuiging bij de magistraat van 's Konings onmacht, wiens plakaten men liggen liet en verachtte. Hier door, en door al 't gene beloofd, gedreigd, en te doen was geweest over het Godsdienst-werk, aangewakkerd, begonnen zij zich alles te veroorloven: 't was hun een lid van een vinger gegeven, waarmeê zij zich gerechtigd achtten om de geheele hand te nemen. Men bestond nu (het geen tot dus verre slechts in bijzondere huizen in 't heimelijk geschied was) in het openbaar

[p. 58]

te prediken. Eerst geschiedde dit in bosschen; daar na op het vlakke veld, wijd en zijd zichtbaar. Eerst ongewapend; daar na met allerlei geweer bij zich, en met uitgezette gewapende schildwachten en vedettes. Verscheiden priesters verlieten ook hun Choorgewaden en predikten in hunne kerken de Hervormde gevoelens. De meeste Predikanten echter waren uit Frankrijk; anderen, uit Emden overgekomen. In Andwerpen rees uit deze nieuwigheden een hevige beroerte, die Oranje door zijn tegenwoordigheid, invloed, en gezag, maar met moeite, stilde. De Graaf van Kuylenburg liet openlijk in de kerk zijner stad de Hervormde leer prediken, en nu ging dit door in alle gedeelten van Holland, op de eene plaats onder begunstiging, op de andere niet oogluiking, en elders in weêrwil en ten spijt van de Magistraat.

 

Dit alles kwam tot den Koning. - Bij dezen werd begrepen dat het niet dan het werk van een of twee personen was, die den klem der regeering in handen zochten te krijgen en de vrijheid van Godsdienst af te dwingen. Men mag denken, dat Oranje en Hoorne hier mede gemeend wierden, schoon de Koning nog steeds voordeed, dat hij hen onder zijne getrouwste Vazallos rekende; 't geen wel meer Staatkunst dan oprechtheid geweest kan zijn.

Het inwilligen van verzoeken, tot zulk een eind (gelijk hij het inzag) strekkende, begreep men dat 's Konings waardigheid niet lijden kon; maar men achttede zijne overkomst (die de Nederlanders eerst zeer gewenscht hadden, maar nu met kracht afrieden) het beste middel te zijn om der verbondenen aanhang

[p. 59]

te vernietigen, orde op alles te stellen, en, met vaderlijke affectie, te straffen, te vergeven, en te regelen wat in verwarring geraakt was. De Koning besloot dan tot de overkomst, en daar is geen twijfel; of zoo hij dit besluit nu dadelijk uitgevoerd had, de rust was spoedig hersteld geweest, want Oranje zou zich niet gewaagd hebben hem openlijk trots te bieden, en de verbondenen zouden geijverd hebben (in den geest, waarin zij nu waren) om hem hun devouement om strijd te toonen; en bij het gemeen of de Burgerijen zou de groote meerderheid der Roomschen de Onroomschen licht bedwongen hebben(1): maar ongelukkig vorderde de tijd van het jaar dat die overkomst uitgesteld wierd tot het voorjaar. En inmiddels stond hij toe, dat de Pausselijke (of buitengewone) Inquisitie opgeschort wierd, mits de Bisschoppelijke in kracht bleef: (onvoorzichtig!) dat men hem een nieuw ontwerp van matiging der plakaten aanbood, maar waarbij 't Katholijk geloof en zijn eigen gezag niet leed: en dat de Landvoogdes aan de verbondenen vergiffenis mocht verleenen. Doch hij wilde alle verbonden, samenkomsten, preken, en openbare ergernissen afgeschaft hebben, zoo niet met goedheid, dan met geweld van wapenen, waartoe hij de Landvoogdes volkomen machtigde de benden waarover zij meester was te gebruiken, en zelfs! andere in soldij te nemen(2). -

[p. 60]

Bij het afvaardigen van dit besluit zond hij zeer vriendlijke brieven aan de drie Heeren, en bijzonder aan Oranje, wien hij eigenhandig schreef, voor zijn goede diensten in Andwerpen dankte, en alzins vleide, maar tevens aanmaande om acht op zijn broeder Lodewijk te geven, die zich (‘zoo gezegd werd’) wat te diep in dat werk gestoken had. - Al wederom daden, zoo men gezond oordeelen zal, van geen Dwingeland, maar van een Vorst die nageeft zoo veel hij oordeelt te kunnen; en zich niet aanmatigt, dan het geen de Edelen-zelven hem toekenden.

Men ziet dus, om dit in het voorbijgaan aan te merken, dat er thands geene quaestie over rechten en privilegien qua tales was; ja zelfs de allerminste schaduw niet, maar het was alleen het ongelukkig ding van Religie-drift, die (even als men van den honger zegt) geen ooren heeft, en daarom nooit te bezadigen is, maar voldoening wil.

Van waar dit? (Zie de Ophelder. en Bijvoegselen.)

 

Middelerwijlen hadden de verbonden Edelen een vergadering te St. Truien (in 't Luiksche) gehouden, waar zij in grooten aantal, gedurende verscheiden weken, raadpleegden, wat te doen. Waartoe hier besloten, en of er iets besloten zij geworden, is onzeker. De Spaanschen willen, dat het besluit was, volk te werven om zich tegen des Koning krachtige maatregelen, zoo hij ze doorzetten mocht, met geweld te kanten, en dat zij den Onroomschen die hunne bescherming verzochten, die beloofden. Het laatste is wel waarschijnelijk, maar het eerste ongeloofbaar, naar de twijfelmoedigheid waarin zij ge-

[p. 61]

zonken waren, schoon er zekerlijk in die bijeenkomst wel quaestie van geweest zal zijn. Het is mij voorgekomen, dat het op die vergadering toegegaan zij, als gewoonlijk in zulke gevallen, waar de eerste stap mislukt is. Besluiteloosheid, uit mismoediging, die de vurige drift om iets te ondernemen te loor stelt, is daar het gewone kenmerk van. - De Landvoogdes echter nam daar achterdocht uit, en bewoog Oranje, om met die vergadering of gemachtigden van die in onderhandeling te treden. Men mag gelooven dat Oranje zelf