De toestand waarin de dood van Oranje de Provincien bracht, was allerjammerlijkst. Alle de ongelegenheden van eene zoodanige onzekere en verwarde bewindvoering als er bestond, en waarvan hij alleen de ware band zoo wel als de eenige ziel en het primum-mobile was; alle de verdeeldheden van bijzondere inzichten, belangen, bedoelingen, vooroordeelen, en neigingen, die hij of vereenigde, of bedwong, of bestuurde ten gemeenen welzijn en nut; de heerschzucht, weerspannigheid, woelziekte, en eigendunkelijkheid die sedert eenige jaren ontzachlijk veld had gewonnen; en het geheel valsche systema, dat men zich nu gevormd had van regeeringsvorm en gezag; dit alles te samen, had zelfs bij een bloeienden staat van finantie en een wel onderhouden leger, het bestaan dezer Landen tegen een vijandlijk Landen legerhoofd als de Hertog van Parma, hoogsthachlijk gemaakt: - En wat moest het dan zijn, daar er geld, manschap ter verdediging, hoofden ter besturing, ontbraken, en de vijand in 't Land en machtig was, en het weinige krijgsvolk even weinig als de Gemeenten ontzag voor de Staten had. Parma liet niet na zich van deze omstandigheden en de algemeene verslagenheid te bedienen, en
dreef van zijn zijde den oorlog met verdubbelden ijver en nadruk, en als een doorkundig krijgs-bevelhebber, die meer dan verrassen, dan slag leveren, en dan steden belegeren of innemen verstaat. Hij had 18000 man buiten zijn ruiterij, die aanmerklijk was, in het veld, waar men dezerzijds even 5000 tegen kon stellen; was spoedig van Vilvoorde meester, nam Heerentals, Dendermonde, en sloeg nu het beleg voor Andwerpen, 't geen hij welhaast volkomen insloot, en dat vruchtloos om hulp en ontzet riep. En ware dit niet met moed en standvastigheid verdedigd geworden, geene der Provintien (Holland zelf niet uitgesloten) had hem kunnen afweeren, maar alles ware spoedig onderworpen geweest. Gend moest zich ook overgeven, en buiten Sluis en Ostende had hij nu geheel Vlaanderen in zijn macht.
Zijn aanzoek, terstond na de dood van Oranje (als of deze de oorzaak des opstands en de hinderpaal der verzoening geweest ware) gedaan, was geweigerd. Maar Oranje kon niet verplaatst(1) worden. Maurits was slechts 17 jaren oud en aan de Leydsche Academie in den loop zijner studien, waarin hij veel naarstigheid toonde, maar die zich als puisné en geappanageerde, nooit eenig uitzicht op opvolging aan zijn Vader of op staatsregeeren gevormd had, maar een groot verstand, rechtschapen hart, en juist oordeel, bij een nooit verstoorbare tegenwoordigheid van geest bezat, bloot
tot krijgsman geschapen scheen, en in de wiskunde al zijn genoegens bepaalde. Hohenlo was bloot krijgsman, niets meer. En onder de genen die in staatszaken gebruikt waren, waren 't Marnix en Barneveld alleen, die Oranje door een bijzonder vertrouwen onderscheiden had, en daardoor nu ook bij de algemeene verwarring en verlegenheid zich iets meer aanmatigden; en tusschen deze twee moest de goede verstandhouding spoedig door de trotschheid van Marnix (op zijn adel gegrond), en de factiezucht van Oldenbarneveld (als een soort van parvenu, nog in 't opkomen) verbroken worden. Holland werd al vroeg als het belangrijkste der Gewesten, en het middelpunt der Unie gerekend: en Oranje had, als krijgsman (en niet nb. als Staatkundige) altijd gezegd, ‘op Holland en Zeeland komt het aan:’ en dit gaf deze Provincie een overwicht op de anderen, waar aan deze gewend waren, dat alleen door Brabant eenigzins opgewogen werd; en wanneer dus Antwerpen verloren ging, en geheel Brabant aan de Unie ontviel, kon Marnix zich tegen zijn mededinger niet staande houden; maar die in Holland het gezag in handen had, moest de Unie regeeren, vooral, daar hierdoor de koophandel der Nederlanden en de schatten die Andwerpen toevloeiden naar het IJ en de Maas afgeleid werden, en de rijkdom van Holland buiten alle evenredigheid toenam. - Doch wij moeten niet vooruit loopen.
Men rechtte in der haast een Raad van State op, aan welke men Maurits pro forma aan 't hoofd
stelde, die dit (alhoewel na eenige dagen beraads) aannam; en deze raad zou het opperbewind oefenen over de Unie: welke nu, behalven Holland, Zeeland en Utrecht nog Friesland en Mechelen en een klein gedeelte van Brabant en Vlaanderen behelsde(1): doch dit was slechts een provisionele maatregel, en voor drie maanden tijds. Ook kwam nu het Kollegie van Gecommiteerde Raden in Holland in wezen: Utrecht gaf zich een Stadhouder en wel Joost de zoete Heer van Villers. Friesland vroeg en verkreeg bevestiging van Graaf Willem van Nassau in zijn Stadhouderschap, bij de Algemeene Staten: Hohenlo werd Generaal Krijgsbevelhebber gemaakt. Doch dit alles was niets.
Zoo als het gesteld was, daar het niet slechts bij de Unie, maar vooral in Holland aan een oppermachtig hoofd ontbrak, moest het tot één van beide natuurlijk uitloopen: of men moest een Hoofd kiezen, of daar moest weldra een factieregeering ontstaan; die altijd uit veelhoofdigheid voortspruit, en waarvan het hoofd dan noodwendig de absolute regent is. Het eerste wilde de meerderheid; het laatste de slimsten, die eindelijk het veld behielden, als weldra blijken zal. [Z. De Byvoegs.]
Hulp van buiten moest er zijn: dit werd als een
primum verum [als ontwijfelbaar] door ieder erkend; en men begreep die niet te kunnen verkrijgen, dan door denzelfden weg, dien Oranje zelf aangewezen en doorgezet had met Anjou. Men begreep ook (wat eenige enkele personen hier of daar voor gevoelens of uitzichten koesteren mochten) geen denkbeeld van een bestaan zonder Vorst. De vraag was slechts waar dien Vorst te zoeken. Dit kon niet anders zijn dan in Frankrijk of Engeland. - Intusschen lieten Amsterdam en Zeeland niet na, uit te breiden hoe gelukkig het was, dat men nog vrij was gebleven: want wat zou het zijn, indien de huldiging geschied ware? zoo zou men nu of aan een gevangen Vorst in Spanje, of aan een knaapjen als Maurits, of aan een kind van 6 maanden (Fredrik Hendrik) gebonden zijn, zonder macht, goed, of talent, om zijn landen te beschermen of voor te staan.
Echter was 't een wezendlijke quaestio juris publici, daar de acte van opdracht aan Willem den I was overgegeven en hij verklaard had die opdracht te aanvaarden, en de bloote huldiging slechts door den tusschen-ingevallen moord gestoord was; ook alle de voorwaarden geregeld en wederzijds geteekend waren, en die voorwaarden de Erfopvolging, welke bij de opdracht-zelve gesteld was, bepaalden, of Holland wezendlijk vrij was?
De inhuldiging werd tot de exercitie nan het opgedragene vereischt; maar de opdracht gedaan, geteekend en gezegeld, en overgegeven, en aan de andere zijde aangenomen, was niet een bloote titulus [wettige grond] maar ook een modus acquirendi [middel
van verkrijging], een traditio in forma(1): of, zoo wij alles toegeven, de traditio niet onderstellen, maar de huldiging eerst als een missio in possessionem [in bezitstelling], en de ware traditie beschouwen; zoo was ten minste het jus ad rem [het zaaklijk recht] door den consensus utriusque solemnissimo modo interpositus(2), en met bezegelden brief be krachtigd, onbetwistbaar, en door de heredes [de erfgenamen] van de contracteerende partij op vollen grond te reclameeren. Dit zagen sommigen ook wel in, maar zwegen daar van, 't recht aan de convenientie opofferende. Ware de keus tusschen de kinderen niet bedongen geweest, men zou misschien bij de nabestaanden meer belang in de zaak gesteld hebben; doch niet alleen dat door het Tractaat van Augsburg van 1548, allen rechtsdwang tegen de Provincien bij de Rijkskamer weggenomen was, dat de familie van Oranje alles, tot zelfs haar toekomstige inkomsten voor deze landen had opgeofferd, en dus arm en naakt was, en nergens bescherming of voorstand te vinden wist; maar het vleide Maurits veel beter, wel te staan met de vrienden zijns vaders in Holland, dan hen te verbitteren om hen misschien zijn ouder of jonger broeder te doen kiezen. En zelfs was het in den stand der zaken in 't geheel geen begeerlijke zaak, Graaf van Holland te zijn,
of (eigenlijker gezegd) daar den naam van te dragen. Geen wonder overzulks, zoo men dat recht liever tacite [stilzwijgend] glippen liet, en Maurits zich, ter gelegenheid van de in dit jaar aangevangen onderhandeling met Frankrijk vergenoegde, met den Staten van Holland te herinneren, ‘hoe verr' zij met zijn vader in het opdragen der Graaflijkheid gevorderd geweest waren; met ver- zoek van hierop, in dit handelen bedacht te zijn, op dat hij en zijn Huis daar niet bij vergeten, maar in staat gesteld mochten woorden, om zich eenigermate uit de zware schulden te redden, waarmeê zijn vader de zijnen belast had gelaten.’ [Z. de Ophelder.]
Ondanks de overeenkomst van Godsdienst (die nu sedert lang bij de Regenten zoo zwaar niet meer woog als te voren)(1) verkoos men Frankrijk voor Engeland, om twee redenen: 1o. als machtiger, en 2o. om de behaaglijker formen in het tyranniseeren en bedriegen; in welke beide de Engelschen plomper waren. Men ontveinsde zich echter niet, wat van een Fransche overheersching te vreezen ware, maar begreep dat zij toch nog beter was, dan onder de Spaansche te rug te vallen. Men vorderde ook veel minder dan men of Anjou, of Oranje voorgeschreven had, en liet de Gemachtigden die men zond, vrijheid, om van het geen men vroeg nog veel af te staan. En dezen, uit vrees van niet te slagen, openden terstond hun
uiterste last. De Staten, gelijk grotius te kennen geeft, dorsten nu niet in gedachte nemen, om buiten Koninklijk beroep te vergaderen; het kwam er nu niet op aan, of de Landraad uit Inboorlingen bestond; of de gebruikte personen of door de Staten voorgesteld of hun aangenaam waren; en of de Hervormde Godsdienst, waar zij gevestigd was, door Magistraten of Regenten beleden wierd. De Algemeene Staten hadden bij meerderheid, in hun voorwaarden dit alles ter zijde gesteld(1). -
Niet te min vond die onderhandeling grooten wederzin en misnoegen: en vooral ijverden Amsterdam, Gouda, en Monnikendam sterk daar tegen, volstrekt Holland en Zeeland daar buiten willende houden; het geen echter deze Provintien zoo weinig als de overige terug hield; zoo dat deze steden dan ook de meerderheid toevielen. - De Advocaat van Holland, het doorgedrongen ziende, lei zijn post neder. - De onderhandeling ging dus voort, maar ter wederzijde langsaam, en veel te langsaam voor den dringenden nood der Nederlanden; en eindelijk bedankte de Koning voor de eer hem aangedaan, om dat de vernieuwde opstand
der Guizes hem tot zijnent de handen te vol gaf, en men kon zelfs niet de minste hulp in manschap of geld (ja geene ontzegging van de hulp die Parma door de Guizes uit Frankrijk trok) in het heimelijk of in het openbaar, van den Koning verwerven. Ter zelfder tijd ook werd door den Koning de oorlog aan Hendrik (naderhand den IV) verklaard: die zijne vernedering voltooide.
Van Frankrijk moest men (met tegenstreven van Gouda, dat van geen opdracht van oppermacht hooren wilde) nu naar Engeland, waar men Elizabeth (schoon zij 't zelf aangeraden had) niet weinig geraakt vond door den voorkeur aan Frankrijk gegeven. Dit was te verwachten, want reeds hangende die onderhandeling had zij ze door geheimzinnige aanbiedingen trachten te stremmen, waar men toen niet in staat was gebruik van te maken. Hier werd men nu niet minder opgehouden, zoo dat intusschen stad voor stad verloren werd (en er was niet veel meer te verliezen).
Andwerpen, nog belegerd, was wel bemand en moedig genoeg, maar het krielde daar van Regenten en bevelhebbers nog in grooter getal bijna dan van burgers of soldaten, en wat de een tot verdediging der stad wilde aanwenden, werd door den ander belet. Oranje had ontzet beloofd, en gelast zekere dijken door te steken. Het een werd, na zijn dood niet vervuld, het ander door het Slachters-gilde binnen Andwerpen belet. Nu had men den tijd om de stad te ontzetten, stilzittend ten eenemaal laten voorbijgaan, en Parma lag onverwrikbaar vast begraven, en de stad dicht be-
sloten: en haar allen toevoer willende afsnijden, bouwde hij over de Schelde een ontzachlijke schipbrug, die op de kunstigste wijze samengesteld en versterkt was. Door middel van een zeer bekwamen Italiaanschen vuurwerker die in de stad was, vond men middel om met geweldige kosten die brug te doen springen, maar men wist hier geen gebruik van te maken; en even achteloos als men ze had laten bouwen, was men nu om met de verwoesting voordeel te doen. Een poging uit Zeeland, om behoefte in de stad te brengen mislukte, schoon er dapper om gevochten wierd; en nu moest de honger Antwerpen, even als kort te voren Mechelen en Brussel, doen overgeven. Aldegonde, die er het bevel over aangenomen had, had zich wel gedragen, maar, na meer dan één bloedig gevecht, waarin hij veel eer behaalde, ontzonk hem de moed bij de dreigementen van de misnoegden die de stad vervulden, en hij verdroeg met Parma; en dit was oorzaak dat hij hevige beschuldigingen ten doel stond(1), waar door hij van alle verder bewind en invloed werd uitgesloten, en zich het overige zijns levens geheel aan de studien over gaf. Hohenlo had zich reeds vroeger van Bergen op Zoom verzekerd: maar 's Hertogenbosch door hem genomen was zoo haast weer verloren als bemachtigd. Nimwegen en Doesburg vielen ook den vijand toe; de Veluwe en 't
Gooiland werden door den vijand deerlijk verwoest en dorpen afgebrand; en dagelijks had men nieuwe verliezen, inzonderheid door gebrek aan krijgstucht, roekeloosheid, en lafhartigheid. Alle die nadeelen echter joegen eene ontelbare menigte vluchtelingen naar Holland en Zeeland; die daar deels hun goed, deels hun kunsten en fabrieken, of handeltakken, deels hunne gezonde armen aanbrachten; waardoor de ongemerkte grond tot een nieuwen en grooter bloei dan bevorens gelegd wierd. Ook ging de dappere M. Schenk aan de Staatsche zij' over.
Dat Aldegonde onbekwaam tot trouwloosheid was, is boven alle bedenkelijkheid. Maar dat hij na den moord van Oranje tot eene verzoening met Spanje helde, is niet twijfelachtig. Hij verkoos dit voor het opdragen der Souverainiteit aan eene andere Mogendheid, van wie men (naar zijn gevoelen) niet minder voor de vrijheden te vreezen had dan van Spanje, van 't welk men nu vrijheid van Godsdienst bedingen kon. Want in dit denkbeeld was men door Parma gebracht. Parma meende ook dit te kunnen beloven, en deed (in der daad) zijn uiterste best om dit van den Koning te verkrijgen, die zelf een geruimen tijd daar naar toe geheld had, maar nu weder in geheel andere handen gevallen was en door Granvelle bestierd werd. Ware die vrijheid door den Koning toegestaan, Holland en Zeeland waren het eindeloos opbrengen zoo moê, zoo wel als de eindelooze onrust met de Regenten, dat ieder den Koning toegevallen zou zijn. En daar op was
derhalven de verwachting. Marnix was dus tegen de stappen bij Frankrijk en Engeland. - Marnix ondertusschen had nevens Oldenbarneveld het vertrouwen van Oranje gehad; maar reeds van zeer vroeg, en Oldenbarneveld eerst sedert kort, als nog jong zijnde. Zij, twee, hadden grooten invloed; maar Marnix, hoog van aart, kon de aanmatiging van Oldenbarneveld, en deze de hem vernederende hooghartigheid van Marnix niet verdragen, en zij waren 't altijd oneens. Marnix zou welhaast het Land geregeerd hebben; en daar strekte de zucht van Oldenbarneveld ook toe. - En een groot motif voor de onderhandeling met Frankrijk en Engeland was mede bij Barneveld, Marnix uit het bewind te brengen even zoo wel als P. Buys. - Maar nu geraakte Marnix door de overgave van Andwerpen verdacht, gehaat, en buiten bewind en invloed, en die mededinger was uit de voeten. Geen wonder dat Barneveld nu in eens anti-Engelschgezind werd, en van 't sluiten des tractaats af, het op allerlei wijze trachtte te breken als wij welhaast zien zullen. Ik laat daar, dat hij in 't hart meer Fransch-dan Engelschgezind was.
Maar het was niet genoeg, dat men Marnix vervolgde, P. Buys zijn ampt moê maakte; ook Treslong moest mishandeld. Dezen deed men eenige onaangenaamheden aan, waar over hij zich wat al te gevoelig beklaagde, en dit werd bij den Landraad als crimen laesae majestatis [misdaad van gekweste Majesteit] aangemerkt en hij crimineel aangetast, leven en goed tegen hem geeischt en zelfs de pijnbank niet gespaard. Met één woord,
het was de Aristocratie die zich gevestigd had en nu door geen Hoofd beteugeld werd. En nog weet men dit schaamteloos aan Graaf Maurits, om dat deze Jongeling (nu 17 jaar oud) quasi aan 't hoofd van den Raad zat, alleen om door zijn naam tot een scherm tegen de Gemeente te strekken. Hoe verre Maurits af was van in deze maatregelen te treden, heeft hij getoond zoo dra hij spreken kon, door de wijze waarop hij zich jegens Treslong, zoo wel als tegen Marnix gedroeg(1).
Elizabeth wees na een beraad van eenige dagen de Oppermacht af; en toen wilde men haar Beschermster der Nederlanden hebben in 't algemeen. Dit wilde zij ook niet, en men kwam tot handeling over een bepaalden bijstand of onderstand in dezen oorlog. Men vroeg 10,000 man, en 1000 paarden: zij wilde niet: men verminderde, en kwam eindelijk op de helft, waarvoor men den Briel en Vlissingen tot pand bood. Maar dit was haar nog te veel. Eindelijk bood zij 4000, en 400 ruiters: (doch zij had te voren reeds ten behoeve van Antwerpen eenige manschap overgezonden) En nu werd het verdrag getroffen.
Dit verdrag was een eenig ding in zijn soort, en dat meer beteekende dan uitdrukte, waarom de praemissen ook meer behelsden dan (zoo men 't stuk oppervlakkig leest) ter zake schijnt te dienen, en waarvan men den sleutel vooral niet verliezen moet. Deze sleutel bestaat in een we-
derzijdsche stilzwijgende overeenkomst over de Souverainiteit. Deze was haar te voren aangeboden, maar met de haar eigen besluiteloosheid, had zij ze niet durven aannemen, maar van de hand gewezen. Sedert was er veel omgegaan; en na Oranjes dood zag zij met groot ongenoegen dat men met Frankrijk daar over handelde, trachtte dit te stooren, en verlangde dat men weder tot haar kwam. Dit gebeurde en haar hart was goed, had zij slechts durven toebijten; maar hier haperde 't. Zij weigerde half, maakte zwaarigheden, sloeg (quasi) de Souverainiteit af, maar zou evenwel helpen. Men wilde haar toen Beschermeresse in perpetuum [voor altijd] maken. Dat in perpetuum verschrikte haar weêr; en zij vreesde dat dit haar in zeer lelijke parquetten mocht brengen; en naar mate zij meer vreesde, roemde zij meer op hare onverschrokkenheid. Eindelijk, zij wilde de Provincien (en vooral Holland en Zeeland) niet laten glippen, en van daar het ingewikkelde van het verdrag; aan hetwelke deze Conventie ten grond lag: ‘Wij willen u tot Souveraine’ aan de eene zij; en ‘Ik wil dat ook, maar durf er nog niet voor uitkomen;’ aan de andere. En waar uit dan het corollarium proflueerde: ‘Ik zal u bij provisie krijgsbenden en een Gouverneur Generaal zenden;’ en dan (werd er onder verstaan) zullen wij wel verder komen, mits de buitenlandsche zaken zich schikken en Spanje 't mij niet al te bang maakt. - Inmiddels zoude men in Holland hetzelfde effect(1)
daarvan hebben, gelijk zij het letterlijk uitdrukte, als of zij de Souverainiteit aangenomen had. En zij wilde door dit Essay beproeven, of het haar convenieerde dien stap uiterlijk en onbewimpeld voor de oogen van geheel Europa te doen(1).
Zij zond dan ook den Graaf Leycester, als Opperbevelhebber der troupen, en tevens als Gouverneur-Generaal der geunieerde Provincien over.
Deze Graaf van Leycester was de lieveling der Koningin na Essex. Hij stond niet alleen uit hoofde van zijn afkomst, maar inzonderheid wegens zijn aart en inborst in Engeland in een zeer slecht blaadtjen, en daar zijn (om het dus uit te drukken) geen gruwelen waarvan men hem daar niet reeds openlijk en in druk beschuldigd had, eer deze keus op hem viel. Maar zijn uiterlijk, 't geen in een man oneindig veel op deze maagd, (zoo zij gewoon was zich te noemen)(2) vermocht, deed haar alles wat ten zijner nadeele tot haar kwam, verwerpen; en het schijnt zelfs dat zij een poos voor heeft gehad, hem die het talent had van als het pas gaf, den minnaar bij haar te spelen, tot iets meer te maken. En daar de amants-titrés der Koninginnen toen nog niet in gebruik waren, gáf dat iets meer, hooge uitzichten. Hij althands toen zij zich daar over had uitgelaten, wilde van zijn kant niet ontbreken,
en daar hij kort te voren, in 't heimlijk een jonge vrouw getrouwd had (want haar Hovelingen, die alle den soupirant bij haar moesten spelen, waren verplicht in het heimlijk te trouwen, om niet in haar ongenade te vallen:) wist hij zich die door een huismiddeltjen dadelijk weêr kwijt te maken; het geen (trouwens) toen in Engeland juist geen vreemdigheid was.
Het bleef er echter bij, en van langzamerhand deed het afzijn van Leycester en de dienst van zijn mededingers in haar gunst hare brandende zucht voor hem zeer aanmerklijk afnemen, maar op dien tijd, was zij volstrekt dol naar hem; en zij schroomde ook niet hem aan de Nederlandsche afgevaardigde te doen kennen als iemand dien zij zoo waard hield als haar-zelve(1) waar aan ook in Engeland niemand twijfelde.
Zijne kommissie als Gouverneur-Generaal bevatte het orde stellen op de regeering, met uitdrukkelijke last van met den Raad van State, waarin de Koningin twee Leden zou stellen (art. 16)(2); de abuizen in de impositien en geldheffingen te beteren en de gelden te beleggen (te besteden) ten meesten oorbaar der Gemeente, zoo te zee als te land (a. 17): ook de overtollige beambten af te zetten en te verminderen (ald.) nb.
Ook de Munt (a. 18.) nb.
De regeering in gezag te herstellen, die door de ingevoerde egaliteit (der regenten) en confusie der combinatien van personen, deerlijk verkracht was (a. 19). En dit in goede ernst, dat is, met nadruk. nb.
Het voorzien op al wat het gemeene welvaren raakt. nb.
Oldenbarneveld nam intusschen het Advocaatschap van Holland waar(1), waarin hij in Maart 1586 uiterlijk [d.i. finaal] aangesteld wierd.
Leycester, wanneer hij aankwam, kon niet anders dan hooglijk verontwaardigd zijn door de alles te boven gaande kwaadaardigheid tegen Treslong, veranderde dadelijk zijn gevangenishok in een kamer-arrest ten zijnen huize, en weldra ontsloeg hij hem geheel. Men had niets strafbaars tegen hem kunnen vinden, of wat eenige criminele procedure regtvaardigde(2). En nu stelde hij zich voor den Hove van Holland ter purge, met dien gevolge, dat hij volmaakt schuldeloos en innocent wierd verklaard. En dit was de eerste weldaad, die men van het ophouden der Factie-dwingelandij tegen rechtschapen Edellieden genoot.
Maar wij zeiden, hoe zeer de nu heerschende partij in Holland onder de bezending naar Engeland omgedraaid was. Marnix was uit de voeten, en alles hing aan Oldenbarneveld. De eerste was gedachtig, dat Oranje verklaard had, dat met de kleingeestigheid van Burgers en kooplieden de eigen verdediging onmogelijk was (zijn motif om Anjou aan te nemen). De ander herinnerde zich dat Oranje gezegd had, dat, zoo dit obstakel te overwinnen was, en men waarlijk gebruik wilde maken van de eigen ressources, men niet noodig gehad had, tot vreemde Vorsten toevlugt te nemen, en daar een nieuwen Heer te gaan zoeken. En hij begreep dat hij met zijne bijzondere bekwaamheden en den invloed dien hij in Holland gewonnen en in Utrecht als geboren Stichtenaar behouden had, het roer wel in staat was te sturen; daar nu niemand dat gezag en dien invloed, waarvan hij in staat was gebruik te maken, meer tegenstond of balanceerde. En zoo stout de onderneming was, hij was er in der daad bekwaam toe door een vereeniging van listigheid en stijfhoofdigheid, die zijn karakter uitmaakten, en voor verstand en kracht van geest doorgingen. Zoo zeer als het weigeren van de Souverainiteit door Elizabeth hem derhalve genoegde, zoo zeer verdroot hem, dat zij er echter het oog op bleef vestigen, en hij nam dadelijk voor hare uitzichten te verijdelen. Hiertoe behoorde in de eerste plaats den Gouverneur Generaal buiten het innige van de regeering te houden, en ten anderen zijn macht op alle mooglijke wijzen te
verlammen en in te perken; en dit deed hij met de meest mogelijke dexteriteit, en ondanks de algemeene vooringenomenheid waar meê men Leycester hier te lande ontfing. En het is dus niet zonder reden, wanneer wagenaar zegt, dat men Leycester, zelfs eer hij nog hier was, zocht te dwarsboomen.
Die maatregelen moesten noodwendig van Holland uitgaan, en men begon derhalve met Graaf Maurits tot Stadhouder van Holland en Zeeland aan te stellen, waar bij men Utrecht haast voegde; en tevens noemde men hem nu voor het eerst, geboren Prinse van Oranje: 't geen in zeker opzicht valsch was, al hoe wel te verdedigen, maar ingevoerd werd, om Leycester door hooger tytel en het denkbeeld daar aan verknocht, te verduisteren. Men had naamlijk een naam, tytel, en persoon noodig, der Natie aangenaam, en die men aan Leycester tegen over kon stellen, om in het conflict dat men verwekken wilde, de Gemeente op zijne zijde te hebben, en Leycester in de termen te brengen van met een zeker ontzag en wederhouding te werk te moeten gaan, om dit doorluchtig en vorstelijk huis niet te beleedigen of den schijn daar van aan te nemen - Leycester vond dit kwalijk, maar (hoezeer het onbescheiden mocht schijnen het gezag van den algemeenen Landvoogd, van wien de Provinciale Stadhouders, sedert de Unie, zoo wel als bevorens, regelmatig, aangesteld werden aldus te verkorten)(1), Holland
had met Zeeland en Utrecht blijken gegeven dat zij zich-zelven oppermachtig aanmerkten; en het geen voor zijn komst geschied was, kon hij zich niet aantrekken. En wat zoude 't geweest zijn zoo de Landvoogd dezen Provincien een Engelschen Stadhouder gegeven had, als hij vermocht te doen?(1) Men handelde dus hierin verstandig: maar an bona fide [maar ook ter goeder trouw]? - Het gezag daar bij aan Maurits gegeven, was volstrekt precair, en 't stond aan de Staten, het te veranderen, te vermeerderen, en te verminderen naar welgevallen; tot het in 1587, om te meer kracht tegen Leycester te hebben, versterkt werd.
Ten aanzien van de Generaliteit vond men er dit op, dat de Algemeene Staten permanent begonnen te vergaderen, waardoor de Raad van
State bloot executief werd, en Leicester met zijn twee Raden daarin, geenerlei inzage in het eigenlijke der regeering verkrijgen kon, maar van Gouverneur, in effecte gegouverneerde moest worden.
Met opzicht tot den Raad van State (die nevens hem de regeering, als van ouds, voeren moest) rees dadelijk groot geschil met hem, zoo ten aanzien van het gezag en de Instructie des Raads, als van de personen. - Men wilde hem in den enthusiasmus waar meê hij in de Provincien ontfangen werd, de Opperlandvoogdij opdragen op den zelfden voet als die onder Karel den V geweest was. Friesland was daar tegen; Holland lei daar restrictien op, ten aanzien van privilegien en belastingen, godsdienst, en bestuur. En hij vond groote zwarigheid om haar aan te nemen. Hij begreep door de Koningin gezonden te zijn om te regeeren; en vond nu vreemd, dat hij de faculteit daar toe uit den boezem der Staten zou moeten ontfangen, en dit, zoo beperkt. Evenwel, hij nam ze, om gevoegs-wille aan; maar nu men hem aan een Raad van State verbinden zou, trad hij weêr te rug. Hij wilde zelf de Instructie ontwerpen, en de personen kiezen, en aan geen besluit of gevoelen van den Raad van State gebonden zijn, maar alleen aan de bevelen der Koningin. Men hield de streng tegen hem vast; en wat zou hij? Hij kon met zijn 6000 man Engelschen (want tot zoo veel was de bijstand der Koningin nu vermeerderd) het Land niet overweldigen, maar alleen bewerken dat het in handen van Spanje viel, en dit zou de Koningin hem
zeer euvel genomen hebben. Het moest dus tot een accoord komen, dat aan weèrzijde een kwaden grond lei; en hij nam een Acte van Kommissie als Landvoogd van de Staten Generaal aan, waar bij hem een absoluut gezag (dus noemt men 't) gegeven werd: maar onder restrictien, die, het woord toelatende, de zaak tamelijk wel destrueerden; en hier op deed hij eed, en zwoeren de Staten hem hulde en trouw van wegens de Provincien, op den 4 Februarij 1586: ook nam Maurits, als de overige Provinciale Stadhouders, nu kommissie van hem. - Hohenlo, die zeer bij de Koningin onderscheiden was, weigerde het Lieu-tenant-Generaalschap over alle de troepen, 't geen Leycester hem aanbood; maar nam van de Staten van Holland en Zeeland het Kapitein Generaalschap der Provintie aan: waarop wagenaar de laffe en lage....... aanmerking ter zijner justificatie maakt, dat hij liever de Staten tot zijn betaalsheeren hebben wilde! -(1)
De Koningin nam dit opdragen der Landvoogdij kwalijk; niet quasi en alleen bij een uiterlijk voordoen, gelijk onze Schrijvers het opvatten, maar in goeden ernst, om dat (het geen zij met haar gewone list wel verzweeg en ontveinsde) hier mede de Oppermacht van het land, waar zij op uit bleef zien, en die zij drijvende en dobberende had meenen te houden, tot zij er zich openlijk meesteresse van maakte, nu op deze wijze bij
de Staten, als kommittenten des Landvoogds, uitgeoefend scheen te worden, en dus eenigermate in hun boezem als gefixeerd werd. - Zij gaf dus een anderen draai aan haar ongenoegen, even als of dit haar verder inwikkelde dan zij gewild had, en aan Leycester een gezag verleend werd dat zij geweigerd had. - En de Staten daar tegen betaalden haar met dezelfde valsche munt, en bedienden zich van die klachten, om haar te beduiden, dat zij zich niet vleien moest dat zij Staten van de oppermacht wilden afzien, of Leycester zijn kommissie niet weêr ontnemen konden, wanneer het hun goeddacht(1). Leycester intusschen zat tusschen twee stoelen in de asch, en daar hij de gewone jalousy der Koningin tegen haar beampten en bevelhebbers kende, verdacht hij, dat deze hier onder speelde, en dus bekrachtigde hij in zijn schrijven aan haar, de wezendlijke geringheid van 't hem verleende gezag; waardoor zij ook al dadelijk tegen hem ingenomen werd, als tegen iemand, die haar oogmerken niet wist in te dringen, en haar zonder stellige orders, te dienen.
Om Leycester de zaak nog moeilijker te maken,
nam Holland een besluit, volstrekt geene vertoogen te doen dan in de Hollandsche taal, en ook geene andere bevelen of vertoogen van Leycester aan te nemen.
Ik zal mij niet ophouden met de krijgsverrichtingen van dezen tijd; de Staats- (of, zoo men 't thans zeer verkeerd noemen zou) Staatkundige worsteling tusschen Leicester en de Oppositie, waar van Oldenbarneveld (nu Advocaat van Holland) het hoofd was, levert een al te belangrijk tooneel op, om er het oog niet geheel op te blijven vestigen tot de uiterlijke ontknooping van dit tooneelspel toe(1).
Men ziet dat deze worsteling daarop eeniglijk neêrkwam, of Leycester (en, door hem, Elizabeth) meester in 't land zoude zijn, of niet? En dit gelieve men in 't oog te houden. Tot dit groote problema reduceert zich in deze Epoque alles. En hierbij was inderdaad (ik durf het volmondig zeggen, schoon het voor de wereld belachlijk klinken mag,) hierbij was de Goddelijke Voorzienigheid en 't waarachtig Christendom, geïnteresseerd.
Wat Leycester vorderde, het zij ter verdediging
van het land, het zij tot andere behoefte, moest tegengestaan worden; dit verstaat zich, en dit geschiedde met een list, die de hoogste schranderheid eer doet(1).
Turk, Heer van Hemert, een jong Geldersch Edelman, die Grave op zeer goede voorwaarden overgegeven had, werd daar over te recht gesteld. Hij werd (in een tijd als er nog geen vaste principes aangenomen waren, wanneer men een stad over moest geven, maar ieder bevelhebber daar in naar zijn beste inzien handelen moest) deswegens bij een krijgsraad, die altijd gelooft dat strengheid in 't veroordeelen een blijk van moed en dapperheid in den veroordeelaar is, ter dood gevonnisd; en hoe zeer Leycester genegen was hem vergeving te schenken, Holland (in spijt van alle billijkheid) drong bij Leycester allerhevigst aan op zijn straf, alleen om hem daar door hatelijk bij de Gemeente te maken, die innig voor dien jongen Edelman bewogen was. En zijn dood mistte het oogmerk niet.
Een Engelschman in Staatsche dienst, Weltz genaamd, had, bij gebrek van betaling, zijn guarnisoen waar hij Aalst meê verdedigde, niet langer in toom kunnen houden, en was genoodzaakt geweest, de plaats bij verdrag aan Parma over te geven, onder beding van de achterstallen. Deze, die, geen betrekking tot het land hebbende, en alleen voor soldij dienende, nu in Spaansche dienst
overgegaan was, werd door Hohenlo bij een tocht in Brabant gevangen genomen, en aan Leycester gezonden. Leycester vindt hem onstrafbaar en neemt hem in zijn lijfbende. En men had nu het genoegen, het gemeen in te boezemen, dat hij verraders en die het met den vijand hielden, begunstigde en in zijn persoonlijke dienst nam.
Muiterij had het Slot te Wel in Parmaas handen doen vallen: de muitelingen werden beschuldigd, en in aanmerklijk getal zijnde moesten zij te Utrecht om de galg loten, en drie ten voorbeelde strekken. Een Schotsman (die geen deel in de muiterij had gehad en ook door niemand beschuldigd werd) was onder de uitgetrokken troepen; deze moest als Engelschman, (hoe onschuldig) meê loten, om dat hij Engelsch sprak, ten einde het gemeen tegen de Engelschen in te nemen. Gods Voorzienigheid kwam echter tusschen beide, en de man dobbelde vrij.
Het liep nu welhaast tot verbittering tusschen de twee Natien uit, en er vielen nu en dan gevechten tusschen Engelschen en Nederlanders voor, waarvan wagenaar een voorbeeld bij brengt [VIII D. bl. 137]; maar 't geen het eenige niet was.
Amsterdam en zijn koopmansgeest moest bij deze voorbereidselen ook het zijne voegen. Een verbod van uitvoer van levensmiddelen naar den vijand, die in dit jaar groot gebrek leed, gaf gelegenheid tot geschil met Utrecht. De Staten van Holland hadden, ten faveure van Amsterdam, dit verbod dat algemeen was, en noodwendig zoo moest
zijn, dewijl men zonder dit niet beletten kon, dat het geen uitgevoerd werd, tot den vijand gebracht werd, in September 1585 in zoo verre opgeheven, dat zij den uitvoer naar Bremen en de Oostzee openstelden; waar van de handel door Amsterdam werd gedreven, terwijl de stromen echter ten nadeele van de riviersteden gesloten bleven. De Raad van State met Maurits aan 't hoofd, gelastte de Admiraliteit, de Staten daar over op nieuw beschreven zijnde, geen eetwaren te laten uitgaan. Daar lagen de schepen geladen in 't Y en schreeuwden brand: men verwees ze naar de Staten Generaal: maar de kooplieden verklaarden, dat zij zich aan de vergunning der Staten van Holland houden wilden. - De Staten Generaal vergaderden des tijds te Utrecht, waar ook de Raad van Regeering zat, en de Burger-hoplieden van die Stad uit dien hoofde belang stellende in 't gezag der Staten Generaal, trokken zich dit aan als een weêrspannigheid van de Amsterdammers tegen dezen en boden hun bijstand, en de Stads- en Landsmiddelen ten onderstand om de Amsterdammers te dwingen. Men vond hun stap niet in den haak, maar nam de goede meening wel op: maar van dit uur af waren Amsterdam en Utrecht vyanden, en schoon Maurits en de Raad alles deden om dit te slissen, de verwijdering duurde; en daar de Utrechtschen zeer Engelsch- en Leycesters-gezind waren, en Leycester terstond zijn verblijf te Utrecht vestigde als het middelpunt der Provincien, en de zetel der algemeene regeering, verbitterde dit tegen Leicester als tegen Utrecht, en te meer daar Lei-
cester over dit punt dacht als een Staats- en Krijgs- en niet als een Koopman, en het verbod in questie spoedig vernieuwde.
Zekere Jacob Reingoud, gewezen Secretaris van den Graaf van Egmond en die onder Granvelle, Alva, en Requesens Kommis bij de geldmiddelen geweest, en na de Pacificatie van Gend afgezet, doch naderhand om zijn bekwaamheid weder bij de Fransche en Engelsche onderhandelingen gebruikt was, had eenig vertrouwen bij Leicester gekregen en werd dra als het hoofd aangemerkt van alle de genen, die het met Leicester hielden, in tegenoverstelling van de Hollandsche of Oldenbarneveldsche partij. - En men rekende die in Utrecht meester te zijn, even als deze in Holland en Zeeland.
Het was nu een Politike quaestie tusschen den Landvoogd en deze twee Provincien geworden, of de uitvoer naar den vijand gedoogd moest worden dan niet. - Holland begreep dat men den vijand den toevoer niet kunnende afsnijden, dewijl hij dien door andere Natien hebben kon, dit voordeel niet verzuimen moest zelf te nemen; en dat men, 't niet doende, den handel zou zien verloopen. Hij oordeelde daar tegen, dat de vijandlijke gewesten zich niet konden voorzien dan door de eetwaren zelven te halen, en dit niet dan met zijn paspoorten te koopen; en het bekommerde hem niet of Amsterdam dan Andwerpen of een andere stad der Nederlanden den handel had, daar hij zich
voorstelde van allen vrij spoedig meester te zullen zijn. En zeker was het dat die genen met welke hij liefst raadpleegde, wel goed Nederlandsch waren, maar alles behalven goed Hollandsch in den engen zin van het woord. In 't algemeen zelfs had hij een vooroordeel tegen de meeste Provincien; de Hollanders en Zeeuwen als bloot gewinzieke kooplieden beschouwende, en de overige leden der Unie als naar Spanje en het Pausdom overhellende: terwijl Utrecht alleen hem door de Koningin in 't bijzonder aanbevolen, hem al zijn vertrouwen waardig scheen.
De koopmansgeest, en de geest van onafhanklijkheid vereenigden zich tegen Leycester; maar hij had de Gemeente in het algemeen voor zich, en inzonderheid de Hervormde Kerk en haar Geestelijkheid.
Thands van dit punt!
Wij hebben reeds te voren van eenige twisten in de nog zoo nieuwe Hervormde Kerk gewaagd, en daarin gezien, dat hoe zeer de Staten met Oranje aan 't hoofd en door hem geleid en ingevloeid, den rechtzinnigen leer handhaafden, de stedelijke Magistraten echter in tegendeel de nieuwe afwijkingen (wier voorstanders dezen altijd vleiden om hun bescherming te winnen) altijd begunstigden.
In de Hage was in het jaar 1584 zekere Hortensius met een grooten ophef van de goede werken
voor den dag gekomen, al weder tot het Roomsche en half-Pelagiaansche gevoelen van Koornhart enz. heenleidende, en [had] daardoor onrust verwekt. Zijn amptgenoot Pieterszoon, nam dit ter harte. En om dat zij tegen elkander preekten, verplaatste men den een naar Wassenaar en den ander naar Kastricum; om verr' genoeg van elkander te zijn: maar dit was geen kerktwist dempen, maar verspreiden.
In Medenblik wilde de Magistraat een Predikant die door Sonoy derwaart geroepen werd, niet ontfangen. En riep een zekeren Hakkius van Leyden, tegen den Kerkenraad zoo wel als tegen Sonoy; die daar tegen het laatste huwelijk van den overleden Prins preekte, en zijn dood voor een rechtvaardige straf verklaarde: en welke onlust dit gaf, de Magistraat bleef dezen fraaien strafprediker, tegen Gouverneur, Kerkenraad, en Burgery handhaven, tot Maurits en de Raad van State hem met 100 soldaten deed oppakken, en uit de stad brengen, met een admonitie daar bij. -
Petrus dathenus kwam uit Gend, nu dit Spaansch geworden was, met nog een amptgenoot naar herwaart, om de een buiten Gouda, de ander te Leyden, lofpredikaatsien op Parma, en vloekpredikaatsien tegen de begonnen onderhandelingen over de Souverainiteit te doen: 't geen de Magistraten zich niet aantrokken. Dathenus boette dit met eenigen tijd gevangenis. -
Huibert duifhuis, een priester die in 1578 den kap op de tuin had gehangen, had reeds voor lang te Utrecht een nieuwe secte gesticht, waarin hij alle gevoelens toeliet, en beweerd, dat er bij een Christen-Magistraat geen Kerkenraad te pas kwam, maar deze in de Kerk meester moest zijn, en de H. Schrift alleen en zonder andere Catechismus, erkennende. Men wilde hem tot vereeniging brengen met de overige Kerk; maar hij weigerde hun gemeenschap. Dit sukkelde tot hij in 1581 stierf, maar na zijn dood vermeerderde zijn aanhang, en drie der zeven Predikanten waren (dank zij de bescherming der Magistratuur!) Duifhussianen. - Leycester liet zich aan deze twist gelegen zijn, en bracht hun terugkeer tot de oude Hervormde Kerk tot stand(1).
Maar wat was de vereeniging op zich-zelfs? de bron van onlusten en het opwellen van allerlei grillen eens half geleerden betweters was daarmeê niet gedempt. De Synoden vergaderden of moesten volgens de eerste instelling om de drie jaren vergaderen, waartoe Prins en Staten hun de macht gegeven hadden; maar daar moest een geregelde Kerkorde en vaste bepaling van Leerstukken zijn, wilde men allerlei schooiers of onverstanden, en allerlei wangeyoelens van den Predikstoel weeren, en de arme Gemeente niet door allerlei wind van leering laten slingeren. Hier zuchtte elk weldenkende naar, die allerlei tegenstrijdigheden ongevoelig
wortel zag schieten, en den afval-zelven uit den twijfel geboren worden die hierdoor ontstond. De Magistraten echter (en dus tegenwoordig de Staten) waren geweldig tegen deze maatregelen, op voorgeven van 't schoone woord van Verdraagzaamheid, maar inderdaad omdat zij geenerlei magistratuur (als de Kerklijke was) nevens zich dulden konden(1).
Oranje had waarlijk de wapenen voor de Godsdienst opgenomen, maar nu zei men rondelijk, dat het niet voor de Godsdienst, maar voor de vrijheid en 't gezag der Staten (d.i. der Vroedschappen en Wethouderschappen) was. En met den haat des Pausdoms, nu men buiten 't bereik van de vervolging was, was ook alle ijver voor de Kerk waar het vaderlijk bloed voor gestort was, uitgedoofd.
Leycester wiens geslacht het schavot voor die Godsdienst onder Maria betreden had, was daar op verre na, niet onverschillig voor, en dit trok het hart der Hervormden tot hem even zoo zeer als het tegen de stedelijke Regenten en de daar uit saamgestelde ligchamen ingenomen was. Elizabeth-zelve was ook hartelijk Gereformeerd. En men wendde zich dan nu ook tot hem om verlof tot het houden eener Nationale Kerkelijke vergadering, om de eenigheid in den leer, en de kerktucht op een vasten voet te stellen. Hij stond dit gereedelijk toe, tot groote spijt van de Staten, die daar ten minste in gekend hadden willen zijn; (quo jure, ipsi videant!) [met wat regt mogen ze zelven zien] en schreef den Stadhouderen en Gerechtshoven aan,
de Walsche en Nederduitsche Kerken dezer Landen tegen den 20 Juny 1586 in den Haag te noodigen, als geschiedde.
Daar werd de Utrechtsche vereeniging bevestigd; over eenige geschillen in den leer geraadpleegd, en een Kerk-ordening opgemaakt, die in Augustus aan Leicester aangeboden en door hem bekrachtigd werd; wederom zonder de Staten daarin te kennen, die vuur en vlam braakten, en op het stuk-zelf veel te zeggen hadden en de zotste aanmerkingen maakten, om dat zij er, noch op zijn Engelsch voor 't Hoofd van de Kerk, noch op zijn Duitsch, voor bekleed met de Bisschoplijke macht, in erkend werden.
Nu was het niet alleen een status certantium [een krijgs-toestand], maar guerre ouverte. De Staten van Holland beklaagden zich, en hun Gecommitteerde Raden (een nieuwlings opgericht ligchaam, om hen t'allen tijde als zij niet bij één zouden zijn, te vertegenwoordigen) schreven een wijdloopigen brief aan Leycester, doch die in der daad weinig om 't lijf had, zoo wanneer men de zaak niet met hun oogen beschouwt, en waar men bij de algemeene Regeering geen acht op sloeg, of liever, zich niet aan stoorde.
Het kon echter zoo niet duren, daar de geldmiddelen meestal van Holland komen moesten. De Raad van State was met dit voorwerp belast. Maar daarin had Holland te grooten invloed. Leycester begreep dit punt te moeten brusqueeren, als gedekt zijnde door art. 17 zijner kommissie van
de Koningin: schoon hij dit niet doen kon als Landvoogd der Staten. Hij richtte dan eensklaps een Kamer van Geldmiddelen op, waarvan hij den Graaf van Nieuwenaar 't Hoofd maakte, en den voorgemelden Reingoud tot Thesaurier stelde, die (naar men mag opmaken) hem dit als den eersten stap tot verbetering van de finantie had aangeraden: en inderdaad hij wist te veel van de praktyken des koophandels om hem niet te gelooven als hij zei': ‘kans te zien om 20 tonnen gouds van de Lorrendraaiers te innen.’ Maar hier beefde men voor, sprak tegen, en werkte tegen, zoo veel men kon.
De Hoplieden der Utrechtsche Burgerije zich al steeds het zelfde recht blijvende aanmatigen, ziende Leycester gedwarsboomd, begrepen thands dat hij niet genoeg meester was, en dat er niets overschoot, om geen eindelooze twist en te niet loopen der heilzaamste maatregelen te vreezen, dan der Koningin het oppergezag onbepaald op te dragen. En bij de voorige gelegenheid geleerd hebbende dat zij hun voorstellen en begeeren niet onmiddelijk bij de algemeene of provinciale lichamen maar bij hunne stedelijke Vroedschap moesten inbrengen, leverden zij aan deze die voordracht in bij wege van behoorlijk request. De Vroedschap-zelve was hier niet ongenegen toe, de Steden stemden 't alle, hoewel eenige met voorbehoud van haar privilegien.
Terwijl het dus stond, werden, daar Leicester met den Raad van State en den nieuwen Raad van finantie naar 's Gravenhage gegaan was, de
Burger-hoplieden, met of zonder zijn voorweten, opgeroepen, en door hun behulp Paulus Buis (die zich sterk tegen Leycester had uitgelaten en het kommisschap der finantie geweigerd, dat hem tot beschimping aangeboden scheen) gevangen genomen. Dit stuk was zoo dwaas in zich-zelf, zoo informeel, en zoo t'eenemaal van grond ontbloot, dat men waarlijk Leycester verplicht is te gelooven, als hij alle last daar toe ontkende; ja, zelfs zoo hij ze erkend had [hem niet te gelooven]. - Het was inderdaad een pas d'Ecolier of de Clerc, en die niet dan uit den kommis Webbes die het uitvoerde voortgekomen kon zijn. - Buis ondertusschen had vrij wat tot zijn laste, en was niet gezien, zoo dat hij zes maanden zat, zonder dat men zich anders dan flaauwtjens voor hem in de bres stelde; niemand zijn gevangenis wettigende, was men met hem verlegen, maar dorst hem echter niet loslaten, want Leycester had rechters over hem benoemd (die naar 't schijnt, met de zaak verlegen waren)(1), tot dit eindelijk op aanschrijven der Staten Generaal geschiedde, bij wie zijn familie ƒ25,000 tot borgtocht voor hem stelde, schoon er geen schaduw van misdaad tegen hem te berde kwam.
Niet lang daarna werden er door de Vroedschap op een jegens haar voorgewende last van Leycester, verscheiden aanzienlijke burgers ter stad uitgezet: waarvan de klachten het land doordaverden. Leicester zelf vroeg, als het hem ter ooren
kwam, daar reden van, en die reden namen de Burger-hoplieden op zich te geven, en zij bestonden in effecte daar in dat zij Hollandsch-gezind waren en dus verdacht en gevaarlijk. 't Was derhalve eigenlijk gesproken een uitoefening van dezelfde macht welke Willem de I. provisioneel aan de Hollandsche Wethouderschappen verleende, en die zij tot in 1795 toe, altijd geëxerceerd hebben (zonder dat er remedie tegen was) om wien zij wilden, zonder redegeving, de stad te mogen ontzeggen. Een nieuwe eed werd nu door de Staten en steden en beampten van Utrecht gedaan, aan de Staten Generaal, aan Leycester als algemeenen en Nieuwenaar als Provincialen Stadhouder; de regeering en vele ampten werden veranderd, en vele Vlamingen en Brabanders daar in geplaatst; clienten van Reingoud.
In Holland trok men zich deze uitzetting aan, en met Barnevelds driftig en geweldig hoofd, gaf men dezen lieden niet alleen huisvesting en gewoone bescherming ('t geen niemand beleedigd zou hebben); maar men gaf hun het recht om hun schade op de genen die er nb. oorzaak van waren, gerechtelijk te verhalen. - Dus verhaalt wagenaar het; ik heb de resolutie niet gezien; maar is het zoo, dat men die dus genomen en uitgevaardigd heeft, zoo was 't dwaasheid en tergende wrevel(1).
Leicester was over dit gedrag van een Provintie tegen een Provincie niet te vreden; en wilde Barneveld daar persoonlijk over onderhouden. Hij ontbood hem ten dien einde bij een voeglijken brief, en zeker streed het tegen zijn plicht, zich daar aan te onttrekken. Maar zie! de Staten van Holland konden toen juist hunnen Advocaat enmogelijk zoo lang missen als noodig was om van den Haag naar Utrecht, en te rug te reizen; zij ontschuldigden hem derhalve bij den Landvoogd, die het zich al wederom liet welgevallen.
Ten aanzien van de bede echter die hij kort te voren in de Hage was komen doen, had men Leicester redelijk genoegen gegeven. Hij van zijne zijde gaf hun ook voldoening over de bezwaren die zij hem voordroegen, behalven echter het stuk van 't verbod van eetwaren, waarop hij alleen andwoordde, ‘dat hij niets dan 's Lands best zocht, eh dat men hem dit moest toevertrouwen.’
Reingoud, die den Staten van Holland even weinig een goed hart toedroeg, als zij hem, had bekenden en (zoo men wil) emissarissen, hier en daar, die eens met hem dachten. Het vatten van een paar personen te Rotterdam en te Middelburg(1), die schimpschriften tegen de Staten verspreid of bij zich hadden en briefwisseling met hem hielden, bevestigde dit, en uit de papieren van deze lieden, of van die van Reingoud-zelven,
welke de laatstgenoemde bij zich had, maakte men op:
| ‘α) | dat Reingoud met hun, kwaad had zoeken te stoken tusschen Leycester en de Staten: |
| β) | dat zij de gemeene middelen hadden getracht te doen steigeren tot een onmatige hoogte, en zoo te niet zoeken te brengen: - en, |
| γ) | dat zij zich hadden zoeken te verrijken ten koste der Landen.’ |
Deze drie punten van accusatie (dus uit de Staatsresolutie bij wagenaar overgenomen, en zekerlijk zoo vague en ongedetermineerd, dat niemand ze in judicio toelaten zou) schreef men aan Leicester, en drong dat Reingoud daar op gehoord en gestraft zou worden. Leicester was zelf de grootste Criminalist niet en deed hem gevangen zetten. De Staten van Holland drongen aan op zijn te recht stelling: maar daar er op zulk een vague accusatie geen decreet van prise de corps had kunnen genomen worden, moest het eerste dat er te doen viel, de relaxatie zijn. Leicester dreef de strengheid zoo verr', dat hij de relaxatie onder borgtocht gedaan wilde hebben: maar men was zoo kwaadaartig tegen den onrechtmatig gevangene (schuldig of onschuldig doet er niet toe in dit punt), dat hij hem liet zitten. Maar terwijl de gevangen nu in hechtenis zat onder bewaring van den algemeenen Provoost, werden de Staten van Holland bevreesd, dat deze (een Engelschman zijnde) hem mocht laten ontsnappen; en zonden om dit te verhoeden den Procureur Generaal van Holland met vier boden naar zijn
bewaring: maar de Provoost, die in zijn post en op zijn territoir geen Provintiaal Hollandsche Staten of Staatsboden erkende, sloeg ze de deur uit, als zijn plicht was; en de Staten moesten hooren, dat Leycester hem gelijk gaf. Hij beloofde echter dat hij den gevangen, daar onder den Provoost laten zou, maar als Leicester uit de Haag was, ontslipte Reingoud. - Leicester draaide in dit werk, en had of geen wil, of geen rechtskennis genoeg, om de zaak naar den eisch te behandelen, en dus bedierf hij zijn gunsteling, en maakte een zot figuur bij de Staten, die in dezen het ongelijk volmaakt aan hun zijde hadden, maar bij 't slot gelijk schenen te krijgen met hun achterdocht, met hun praecautien, en hun geheele bedrijf, zoo absurd en wederrechtelijk het van het begin tot het einde ook was. Reingoud begaf zich naar Vlissingen, dat nevens den Briel aan Elizabeth ten pand ingeruimd was, en waar hij dus onder Engelsche bescherming leefde, zoo lang Leicesters Landvoogdij duurde. Toen kon hij niet anders dan zich naar Spaansch Braband begeven, en daar stierf hij, zoo men wil, Roomschgezind; hetgeen zeer gelooflijk is, en niets tegen of voor hem bewijst.
Na het eindigen van den veldtocht van dit jaar begaf Leicester zich op nieuw naar de Haag, om de zaken van Holland, die, als men zien kan, door al deze tegenkantingen en hortingen zeer verward stonden, te beredden.
Op zijn reis, kwam hij door Amsterdam; waar men zoo kwaadaartig tegen hem was, dat men
hem quasi recht feestelijk onthaalde, en hem een eerwacht van Schutters gaf(1) onder bevel van Jan Korneliszoon Hooft; maar achter een wollen behangsel zonder muur waar tegen hij zat, een deel schutters plaatste met geladen geweer, om, op het minste dat er gebeuren mocht, met hun allen vuur op hem te geven. - Iets dat men zich tegen een Duc d'Alva geschaamd zou hebben in gedachten te nemen; en op zulk een afschuwelijk schelmstuk roemen zij nog, met betreuring dat er niet de minste gelegenheid geboren werd om het te voleinden.
In de Haag waar hij in Slachtmaand verscheen, bejegende men hem met beleefdheid, en zoodanige gematigdheid dat men schijnt te mogen besluiten, dat er toen reeds hoop opgevat was om hem bij de Koningin in ongunst te brengen. Men begon met hem een zilveren vergulden kop ten geschenk te bieden(2) en lei hem toen, bij een wel opgesteld vertoog, met bezadigdheid en in voeglijke uitdrukkingen de bezwaren voor, waar over men zich te beklagen had. Het kwam neer op de gewoone klachten, reeds vroeger ingebracht; waar onder eenige die zeer wezendlijk waren; anderen, die hij niet toegeven kon, als (bij voorbeeld) wanneer men eischte, dat hij geen be-
velhebbers van plaatsen zou aanstellen dan op benoeming der Staten. Men stak zich in de zaken van Utrecht; maar de twee voorname punten hier aanmerklijk, waren het Stadhouderschap van Utrecht dat zij voor Prins Maurits verzochten, en, dat hij (Leicester) in zaken van regeering, belasting, en dergelijke (voor zoo veel Holland, Zeeland, en Friesland betrof) geen gehoor wilde geven aan lieden uit Brabant, Vlaanderen, of anderen der nu afgescheiden Landen, die hem zochten in te nemen, maar deze landen in hun toestand en belangen niet kenden. Hij eischte daar een gesprek over met gemachtigden van de drie Provincien, en verschoonde jegens die eenige punten, als misslagen, verdedigde anderen als wel gedaan, en vroeg omtrent nog anderen nader opening, die hem gegeven werd. Het geval van Utrecht met Buis en andere personen, werd mede verhandeld. Over het placaat van den zeevaart drong men hem sterk met te zeggen dat de landen in dit jaar meer geleden hadden dan in 12 jaren te voren.
Maar in Utrecht raakte het ter zelfder tijd weêr in roer, door dat men Prounink nu Burgemeester in Utrecht, maar uit 's Hertogenbosch geboortig en door Reingoud ingedrongen, niet ter vergadering van de Algemeene Staten ontfangen wilde; als vreemdeling zijnde, en met één, om dat men wist dat hij last had om de Gemachtigden van Holland en Zeeland aldaar over te halen tot een gelijke maatregel als in Utrecht genomen was, ten aanzien van Koningin Elizabeth. - De Staten
van Holland wilden hun Gemachtigden geen zitting doen nemen met Prounink. En hij moest te rug keeren. Leycester nam, nog in Holland zijnde, Prouninks partij, en schreef den Staten van Utrecht aan, hem te handhaven.
Maar het was in Utrecht nog niet rustig. De Burger-hopluiden waren eens aan den gang geraakt, en wilden de Geëligeerden vernietigd, en slechts twee leden van Staat hebben. De Vroedschap had hun dit in 't hoofd gebracht, of viel hun toe. En als Prounink verslag van zijn wedervaren kwam doen, wilden de Edelen hem niet gehoord hebben zonder de Geëligeerden, en de Stad wilde niet met de Geëligeerden; zoo dat Prounink alleen aan de Stad verslag deed. Hij beklaagde zich dat de Utrechtsche Gemachtigden hem zoo zeer tegen geweest waren als die der andere Provincien. - De Stad riep (daar over verontwaardigd) die Gemachtigden te rug: en de Edelen bevalen hun te blijven, en in hun functien voort te gaan; en de Geëligeerden voegden zich daar bij. Zie daar hoe heerlijk het in die Provintie stond. - En men oordeele vrij, of men met redelijkheid Leicester de schuld kan geven, als hij in een Land, zoo verdeeld, de partij, die hem voorstaat en zijn gezag opheffen wil, tegen de andere, die hem overal dwarsboomt, eenigzins de hand boven 't hoofd houdt?
Leicester stelde in Reingouds plaats (die nu voor hem verloren en onbruikbaar geworden was) een man van beproefde eerlijkheid en achtbaar aanzien, Joris de Bie, en tot algemeen Ontfanger
onder dezen, een even zeer geroemd man, Filip Doublet. Maar hij vond zich in alle deze beroeringen zoodanig verlegen, dat hij niet wetende 't oogmerk der Koningin tot stand te brengen, en het niet mogende ter zijde stellen, zich tot een reis naar Engeland verplicht vond, om nader bevelen, geschikt naar den staat der zaken en daar vereenigbaar meê in de uitvoering, te vragen. Hij dekte bij de Staten zijn vertrek met het voorgeven, dat hij verplicht was het Parlement bij te wonen; maar niemand was daar meê bedrogen; en zijn misnoegen op de Staten werd algemeen als de grondoorzaak van die reis aangegeven. De Staten trachtten hem daar van af te houden, en vreesden voor 't geen zij uitbroeden mocht; ja men liet hem geen rust, of hij moest nolens of volens(1) hun verzekeren en weêr verzekeren, dat hij niet uit ongenoegen tegen hen vertrok. - Ondertusschen kon hij ook zonder ongerustheid niet op reis gaan, over 't geen bij zijn afzijn gebeuren kon. Zoo velen waren hem tegen in 't Land, en alles aanbad Prins Maurits, dien men van den aanvang af hem tegengesteld had, die men hem ten spijt Stadhouder van de twee machtigste Provintien had gemaakt, nu ook aandrong om dezelfde waardigheid in Utrecht; en wat bleef na deze drie Provintien overig in de Unie, zoo de zaken toen stonden? - Hij had den Graaf van Nieuwenaar kort te voren naar Duitsch-
land gezonden om manschap te werven, maar nu viel hem op 't lijf, dat de Duitschers goed Nassauwsgezind, en daar bij zeer genegen aan Hohenlo waren, en dus in zijn afzijn, zoo men iets met Prins Maurits voorhad, niet te betrouwen waren; en hij deed dit werk mislukken, schoon het ƒ70,000 moest kosten. - Hij werd gewaar, dat men nu ook bij Holland een bezending naar de Koningin voorhad (ten einde Leycesters rapporten en oogmerken te rescontreeren). Hij vond dit vreemd, daar Holland en Zeeland ongenegen waren de Souverainiteit aan de Koningin op te dragen, zoo als Gelderland, Overijssel, Utrecht, en Friesland deden; en men kon niet nalaten hem de Instructie dier bezending te laten zien. - Hij vond die Instructie en bezending zeer goed, maar begreep dat Maurits aan 't hoofd dier bezending moest zijn, en met hem naar Engeland reizen. Schrander genoeg! maar niet slim genoeg, om door Oldenbarneveld niet begrepen te worden, schoon de meeste Steden (de Edelen niet) dat zeer goed vonden. Hier was hij zeer moeilijk over; en onderscheidde nu eerst recht, wie eigenlijk zijn antagonist was, en wien men alleen tot een popjen voor 't volk liet zien.
Voor zijn vertrek stelde hij den Algemeene Staten twee punten voor, waar op hij categorisch antwoord begeerde, om de Koningin daarop te kunnen dienen casu quo: t.w. 1o de opbrengsten voor twee, drie of vier jaren, die zwarer zouden moeten zijn dan dit afgeloopene, zoo men oorlog bleef voeren; 2o. wat, zoo Spanje vre-
de aanbood? - Het andwoord was op 't eerste vrij rond en voldoende. Dat op 't tweede, allen vredehandel met Spanje verwerpend, als niet geëntameerd kunnende worden zonder de gemeente onwillig en de regeering verdacht te maken.
Het was ondertusschen wezendlijk in dien staat dat Barnevelds partij (van hem-zelv' is 't zoo zeker niet) even zoo zoer als de Utrechtschen, genoegzaam overtuigd waren, dat men er wel toe komen moest, om de Souverainiteit aan Elizabeth op te dragen. Maar de Utrechtschen, waar de Burgerij of haar Hopluiden eigenlijk meester waren, en de Gemeenten over het algemeen genomen, vooral de Hervormde Kerken qua tales, begrepen, dat dit quovis modo, en met zoo min bepaling als mooglijk geschieden moest; om dat zij de stedelijke Regeeringen en daar uit gevormde lichamen als heersch- en baatzuchtige lieden beschouwden, die zich facto in 't gezag geplaatst hebbende, dit maar zochten vast te houden, om hun gelijken door ampten zonder eind en wetten zonder tal ten hunnen faveure gesmeed uit te mergelen en te onderdrukken, en (gelijk de Predikanten 't ook openlijk van den stoel uitgalmden) zich der Godsdienst en den zuiveren leer niet bekreunden, maar wel te onderdrukken; terwijl zij alle voorbedingen ter inperking van de Oppermacht aanmerkten als banden voor een gezag dat zij nu niet anders inriepen en ook van geen anderen kant aanzagen, dan als bescherming voor Kerk en Burgerij, aan welke beide gedurige aanstoot gegeven weid. - Waartegen de Regenten- of Staten-partij alles
bedingen wilde wat mogelijk was: en zich voornamelijk zoo afkeerig van die Opdracht toonde, om dat zij schander genoeg was, te begrijpen, dat de zwarigheden en aarzelingen van Elizabeth meest geveinsd waren geweest, met inzicht, om door die te rug treding beter voorwaarden en het aanbod van een onbepaalder. Souverainiteit uit te lokken: de Gemeente zag in de Privilegien niets belangrijks voor zich, maar beschouwde ze veel eer als voorrechten van de tegenwoordige Regenten, waar van ze hen gaarne beroofd zagen om dat zij er middelen van verdrukking in zagen en niet van bescherming(1). En in der daad de ondervinding heeft ook altijd geleerd, dat aan de heerschzucht alles tot middel van onderdrukking strekt.
Ik behoef niet aan te merken dat, de zaak zoo staande, men aan Leicester in 't antwoorden op zijn voorstellen, geen zoo groote ongenegenheid tot vredehandel met Spanje had moeten betoonen: want dit werd nu het middel waar meê men van Elizabeths zijde hen moest trachten te dwingen: zoo als dan ook welhaast het gevolg wierd: 't waren de Algemeene Staten die dit antwoord gaven (Barneveld niet). Na het eind van de Treves
deden door gelijken misslag, als aitzema zeer wel aanmerkt, door zich al te ruiterlijk te verklaren.
De reis van Leicester aan de eene, en de bezending der Staten aan de andere zijde, maakte partijen over en weder voor elkander beducht, en hij scheidde van de Staten met wederzijdsche betooningen van de beste harmonie; hun echter (voor 't laatst zegt wagenaar) de Godsdienst, en het invoeren der Kerkordening aanbevelende. Maar in Dordrecht gekomen richtte hij een Admiraliteit voor Vlaanderen op die te Ostende zetelen moest het geen Holland en Zeeland (als men begrijpen kan) volstrekt niet gedogen wilden: alhoewel hij inderdaad niet gezegd kon worden daar mede zijn macht eenigzins te buiten te gaan. Na in Zeeland 14 dagen op den wind gewacht te hebben vertrok hij.
Bij zijn vertrek had hij de regeering des Lands en het bewind des oorlogs aan den Raad van Staten gesteld; en hier verheugde de Staatsche partij zich zeer in, van meening, om daar zoo wel gebruik van te maken in zijn afzijn, dat hij weêromkomende, alles buiten zijn geheel gebracht zou vinden en alles moeten gedogen wat men hem voor wilde schrijven. Maar hij was te wijs, om zijn mandatum inperium [het hem opgedragen gebied] weêr aan een ander te mandeeren. Hij liet een schriftelijk verbod van iets van gewicht of dat buiten het dagelijksch en gewone werk liep, zonder zijn bevel en goedvinden te doen: en daar onder telde hij uitdrukkelijk het aanstellen en afzetten van bevelhebbers van plaatsen, forten enz.
het vervullen van hooge krijgsamten, het ontslaan van gevangenen, het wederom innemen van uitgezette personen anders dan in rechterlijke form, ook het verleggen of verminderen van de Engelsche Guarnizoenen, anders dan door hem voorgeschreven werd. - Wanneer men deze lijsten ziet, loopt het in het oog, dat hij zijn Engelsche en Iersche macht in die plaatsen gebracht wilde die onmiddelijkst voor den vijand bloot lagen. Men schreeuwde toen, dat hij zich daar door van die steden meester wilde maken: maar zeker, had hij 't Land willen overweldigen zoo had hij de Hollandsche of Nederlandsche troepen daar moeten brengen; zoo had hij zijne Engelschen in het hart van 't Land moeten houden, en in geheel andere plaatsen verdeelen: doch de kwaadaartigheid hield geen maat of verstand, en het was calumniare audeeter(1), de groote hoop zal gelooven al is 't nog zoo zot en contradictoir.
Het bekrachtigen der Kerkenorde stiet den Staten zeer tegen de horst. Zij hadden 't echter aangenomen, toen hij het hun, op zijn vertrek staande, aanbeval; en begrepen zeer wel, het niet te kunnen of mogen nalaten; maar het sleepte daar meê, als met al wat men gedwongen en tegen zijn genoegen doen zal. - Dit sleepen bracht de Predikanten in de weer, die zich daar over in de Staten Generaal vervoegden, maar die het
weigeren moesten om dat zij nog geene last van de Provincien hadden. Toen ging het aan het preken, bidden, en jammeren daar over op de preekstoelen, en de gemoederen waren verhit, eer het daar toe komen kon. Vruchteloos had Barneveld Oranje zoo lang en in zoo veel gevallen het voorbeeld zien geven, hoe een gemeente te vieren en in te nemen. Nooit heeft hij daar 't minst van betracht of verstaan. Holland kwam er dan toch eindelijk toe; schoorvoetende, en niet dan tot wederopzeggens toe, en met vele mitsen en voorbehoudingen, die inderdaad niet ter zaak deden.
De Algemeene Staten ondertusschen zaten met Gemachtigden uit Utrecht, welke inderdaad geen Kommittenten hadden. Want de Geëligeerden, een der drie Staatsleden die hen gezonden hadden, waren via facti [feitelijk] uitgesloten, en de Stad had hen te rug geroepen, en de last dien zij kregen was geen last der Staten van Utrecht, dewijl zij zonder het eerste Staatslid gegeven was. Dit kon zoo niet blijven. Men bracht 't dus zoo verr', dat de Geëligeerden weêr (bij voorraad) hersteld werden; maar de eerste reize, dat deze weder ter Staatsvergadering kwamen, dreven zij met de Edelen, dat alles hersteld moest worden wat sedert eenigen tijd in het Sticht en de Stad tegen de verdragen met de Koningin en Leycester en tegen de Unie gedaan was. Dit bracht de nieuwe Stads Regenten in verlegenheid, en dezen (Prounink aan 't hoofd) zonden nu naar Engeland om confirmatie van 't afzetten van het 1e Lid, en bij die kom-
missie voegde zich een Predikant van wege den Kerkenraad om de Koningin tot redding van de Kerk uit hare benaauwdheid en spoedige te rugkomst van Leycester te bidden. - Dit vergrootte den scheur, en de twee eerste Leden besloten dit herstel van de Staten Generaal te verzoeken. Daar zij den Secretaris verboden een afschrift van dit besluit aan de Stad te geven, brak Prounink de Secretary open en haalde 't daar uit. Nu gingen de twee Leden hun vergadering te Duurstede beleggen, en de Stad verbood ergens anders dan te Utrecht te vergaderen. Met moeite, en niet dan door de overmagt van de verwarring-zelve, die de beide partijen even zeer bedwelmde, kwam de zaak weder in den ouden plooi.
De bezending, waar van bevorens, kwam na veel gehaspels tot stand, vertrok, en had bij de Koningin gehoor op den 5 Februarij 1587, waar bij de Pensionaris Menijn van Dordrecht het woord voerde. 't Kwam neêr op een verzoek dat de Koningin als nog de Souverainiteit der Vereenigde Landschappen, ‘onder billijke voorwaarden zou gelieven aan te nemen.’ Daar was een uitvoerig verslag bij, waar uit bleek, dat men in 't afgelopen jaar ƒ2900,000 had opgebracht, en dat men nu een nieuw leger van 20,000 man zoo ruiters als voetvolk noodig had; waartoe men nu van de Koningin nog 12,000 [man] en 60,000 pond Sterlings verzocht: de macht die men nog had moest tot bezettingen dienen.
De Koningin was zeer boos; zij zwoer en tierde tegen de Staten en de Nederlanders; die haar
Krijgsvolk mishandeld hadden, en haar Gouverneur Generaal geen gezag hadden toegelaten, en hem zwart gemaakt(1). Zoo zij nog iets doen zou voor de Staten, wilde zij zich meer eerbied betoond zien, en meer van de Nederlandsche zaken weten, waartoe zij gemachtigden zou zenden.
Terwijl die bezending daar in verlegenheid zat hoe hun Committenten best te verantwoorden, was de verbittering tusschen de Engelschen en de Nederlanders in eenige steden al hooger gerezen, en bij vele heethoofden ging het tot een volstrekte vijandschap; zoo dat het raadzaam geweest ware, die bezettingen te veranderen, had het aan den Raad van State gestaan.
Hij had zekerlijk daarover aan Leicester in tijds kunnen schrijven; maar men wilde dit wel eerst tot een zeker éclat laten komen om dan zichtbaar recht van spreken te hebben. Het kwam echter tot geen dadelijkheden, als men wellicht had mogen verwachten, maar tot een wraak, waar men niet de Burgers maar de Staten meê meende te grieven: het overgeven naamlijk van Deventer, van de Schans van Zutfen, en het Slot van Wouw (bij Bergen op Zoom), aan Parma door de bevelhebbers. -
Stanlei was ten aanzien van Deventer, en Jork, van de Schans die hij gebood, van den aanvang af hatelijk aan de Staten geweest, omdat zij R. Kathol. waren; en tegen hun zin in deze plaatsen
gesteld, ondervonden zij al dadelijk alle mogelijke ongenoegens, die hen eindelijk tot den vijand deden overgaan. Het mag zijn dat Jork, als de Engelsche berigten hem afschilderen, een vrij slecht karel was, maar Stanlei was een man van eer en verdienste. - Geweldig trof dit de harten, en nu schold men de Engelschen allen voor verraders; 't geen de Raad van State, die ƒ3000 op de lijven van de Engelsche bevelhebbers van Deventer en de Schans zettede(1), door een Placaat trachtte tegen te gaan, waarbij verboden werd de Engelschen te lasteren, en Prounink door een klein boekjen, waarin hij deze drie verraderijen met een aantal anderen door Nederlandsche Oversten gepleegd, in parallel bracht(2); maar vruchteloos. - 't Mistrouwen was tot zoo verr' gekomen, dat de Friezen zelfs geen Hollandsche bezetting wilden inhouden waar zij lag, maar louter Friezen. En de Engelschen vloekten en tierden, dat zij bij deze damnd Nation als dogs behandeld werden, en geen betaling kregen; zoo dat zelfs eenige benden Engelsche ruiterij in Holland vielen om hun geld in den Haag te gaan halen; die men echter met
ƒ8000 te vreden stelde, maar niet zonder dat zij half Holland plat geloopen en groote schaden gedaan hadden, en met de boeren slaags geweest waren; waar zij welhaast den schrik voor kregen.
Deze gebeurtenissen begrepen de Staten nu, dat geschikt waren om alles te rechtvaardigen, en zij herriepen nu onbeschroomd Leicesters placaat op de Zeevaart. - Quo jure? [met welk recht] - Suo i.e. nullo? [eigendunkelijk] maar zij deden 't. En nu schreven zij een zeer hevigen brief aan Leycester; waarvan zij der Koningin een afschrift ter hand deden stellen, als 't geen alles verandwoorden zou. - Dit geschrift behelsde toch eigenlijk niets wezendlijks, en ook niets buiten het oude, dan alleen Leycesters munten en uitgeven van Engelsche dubbele Rosenobles te Amsterdam 40 stuivers boven de waarde (het geen inderdaad een attentaat tegen de Koningin was) en het verraad van Deventer en de Veluwschans: met herinnering in het voorbijgaan dat Leycester dezen Stanlei die Deventer nu verried tot algemeen krijgsbevelhebber had willen verheffen; 't geen een van die punten is, die doorgaands treffen, hoe weinig kracht er ook in liggen mag: (want, ware dit gebeurd, zoo had men Stanlei niet op gelijke wijze verbitterd, en hij had zich van de Staten op een geheel andere wijze kunnen wreken) - De Brief deed echter een geheel verkeerde werking. De Koningin nam dien zeer kwalijk; en de afdrukken die er hier te land van verspreid wierden, deden vermoeden dat alles opgestemd werk was, om de Koningin afkeerig te
maken, en dus zelf de Regeering in te houden(1). Dat er onder die Heeren geene waren, wien dat verraad van Deventer, als een allergewenschtste tijding, een glans op 't gelaat stortte, en die sedert dadelijk als opleefden, vermeet ik mij niet te beslissen.
De Staten van Holland begrepen nu echter dat in allen gevalle dit voorval hen wettigde, om buitengewone praecautien te nemen, ne quid res publica detrimenti capiat [voor het behoud van den Staat]. En deels met wezendlijke, deels met geaffecteerde vrees, deed men alle bevelhebbers in Holland en Zeeland kommissie van Maurits aannemen, en dezen en de Staten trouw zweeren; de bezettingen ten spijt van Leycester verleggen; alle inlegering en doortocht verbieden en weigeren dan op patent van Maurits en hun, en wierf 80 Vaandels onder bevel van Maurits als Stadhouder, die eeden doen moesten zoo gecompliqueerd als maar mogelijk was(2). Zulks dat voortaan al wat Leycester als Gouverneur Generaal of de
Raad van State ten opzichte van 't krijgswezen in de twee Provincien zou mogen ordonneeren, geen effect zou kunnen hebben, dan door Prins Maurits bij advize van de Staten of hun Gecommitteerde Raden: waar door ook dadelijk in Noord-Holland ongenoegen ontstond.
Sonoy door Leycester in 't Gouvernement van N. Holland gesteld, en zeer wel met hem staande, onderwierp zich echter gereedelijk aan deze schikking, als zelf juist niet Engelschgezind zijnde; maar gelegenheid ziende om Deventer waar Stanlei nu voor Taxis gebood, nog weder te winnen, schreef hij dit aan de Staten van Holland, doch dezen (bevreesd, dat dit de breuk eenigzins heelen mocht) belastten hem zich daar niet meê te bemoeien, terwijl hij daarop Superintendent over het krijgsvolk in N. Holland en kastelein van het Slot te Medenblik gemaakt wierd. Doch men kon hem niet brengen tot het doen van eed, zonder alvorens van dien van Leycester ontslagen te zijn. Hohenlo, die dit hoog nam, trok met Maurits-zelven en drie Staatsleden, naar N. Holland om hem over te halen, maar zij werden door hem buiten Medenblik gesloten. Dit zou, zonder Maurits zachtmoedigheid een groot twistvuur ontvlamd hebben; maar deze had des Staatsmans lichtgeraaktheid niet,
en drong op nadere explicatie met Sonoy over de clausule van voorts den eed aan Leycester na te komen. Een nieuwe kommandant en na dezen nog eene andere vertrokken dan ook hiertoe, en wisselden van schriftuuren met hem; en daar zij hem niet van het begrip dat hij van zijn plicht had, af konden brengen, namen zij de Predikanten in den arm. Maar dezen bevestigden hem bij schriftelijke verklaring in zijn gevoelen.
Sonoy begreep nu dat hij tegen de troepen, die Maurits en Hohenlo zonden, maatregelen nemen moest. En nu wilden Hoorn en Enchuyzen noch troepen van Sonoy noch van Maurits innemen, maar zich buiten het geschil houden, waar over onder de Burgerijen alreeds beroerten ontstonden, die vrij hoog liepen, en te Hoorn strekten om 's Prinsen volk dat daar voor de Haven kwam, gewapenderhand te keeren. - Maurits en de Staten deden onder, en alles zou blijven als 't geweest was eer men 't geschil over den eed kreeg, tot Sonoy die naar Engeland geschreven had, om tot het doen van dien gemachtigd, of van den vroegeren in zoo verr' ontslagen te worden, and-woord van Leycester zou hebben.
Het andwoord kwam, beide in een brief van Leicester en in een brief van de Koningin-zelve, waar in zijn gedrag gelaudeerd en hij verzocht en gelast werd daarin te volharden. Ondertusschen zette dit alles kwaad bloed; en daar Sonoy zich onwrikbaar aan zijn begrippen van plicht hield, kon hij, hoe goed Hollandschgezind en hoe hartlijk geneigd ook tot Maurits, geene nieuwe onmin
ontwijken, of na Leycesters afstand van het Gouvernement in de dienst gebruikt worden.
De Koning van Denemarken had zich midde-lerwijl gelegen laten zijn aan een vrede, die hij voor de Nederlanden tusschen Spanje en Engeland wilde bemiddelen. Zijne oogmerken waren ongetwijfeld zeer goed; en hij wilde die vestigen op:
| α) | vrijheid van Godsdienst, |
| β) | behoudenis der Privilegien, en |
| γ) | verzekering voor Elizabeth tegen Spanje. Het eerste punt was door den Koning van Spanje afgeslagen, de twee overigen aan Param gesteld, en dus was het dan tot de termen gebracht van een onderhandeling tusschen Parma en Elizabeth door middel van twee Deensche Gezanten. De papieren van dien, die uit Spanje te rug gekomen, nu van Parma kwam, vielen in handen der Staatschen; en deze vermeerderden nu den wantrouw tegen de Engelschen in het algemeen. - Maar het geen al zeer zonderling klonk, is, dat in deze omstandigheden, zij die het toevoeren van eetwaren aan den vijand, die gebrek had, niet wilden belet hebben, aan de Koningin hunne bondgenoot en wie zij te gelijkertijd de Souverainiteit aanboden, niet wilden toestaan 10,000 last Rogge naar haar Koningrijk uit te voeren. En het is moeilijk, hoe dit uit te leggen. [Z. de Opheld.] |
Het eindeloos gehaspel met de Staten van Holland en Zeeland, die zich daden veroorloofden welke duidelijk hunne aanmatiging van de Souverainiteit aantoonden, en waar tegen de Staten
Generaal, schoon zich de Souverainiteit latende aanleunen en over 't algemeen uitoefenende, zich niet verzetten konden door het overwicht dat de twee Provincien door hun Gemachtigden in de Kollegien der Unie hadden; deed in dezen tijd ernstiger nadenken ontstaan, waar die Souverainiteit dan toch eigenlijk zitten mocht; en met welk recht de Staten de Gemeenten, die ten allergrootsten deele hun gedrag en maatregelen in 't geheel niet wettigden, in bedwang hielden. - Wilkes, een der twee Engelschen die in den Raad van State zat, beweerde nu, dat die Souverainiteit niet in de Staten (bloote mandatarii of Gedeputeerden zijnde) berusten kon, maar in den boezem des volks gezocht moest worden. En dit gaf gelegenheid tot het vermaard vertoog van 1587, waarbij de Staten aan Leycester de begrippen die zij zich vormden van het imperium der Provincie, ontvouwen, en dat sedert met de latere verklaring der Vergadering van 1652 tot grondslage van ons Jus publicum gelegd en aangenomen, doch altijd weêrsproken is. Zij verklaren bij dit stuk, waarop men de voortreffelijke aanmerkingen van kluit Hist. d. Holl. Staatsr. II D. moet lezen, dat zij die dien naam gebruiken, de Staten niet zijn; maar dat de ware Staten, de Edelen (eheu!) en de gezamendlijke Vroedschappen der Steden stem in staat hebbende, zijn; (zoo als die dan ook in 1652 als het ware en complete lichehaam der Staten uitmakende, de groote Vergadering hebben daargesteld) aan wie zij derhalve de Oppermacht toeschrijven, die zij als hun Mandatarii uitoefenen. [Z. de Opheld. en Bijvoegs .]
De afzondering van Holland en Zeeland en hun gezamendlijk tegendruischen was te zichtbaar en in het oog loopend, dat de andere Provincien daartegen geen maatregelen gezocht zouden hebben door samenspanning. - Prouning in de Staten Generaal niet toegelaten, beleidde met de Utrechtsche Vroedschap en den Stadhouder aan 't hoofd, terwijl men in N. Holland met Sonoy in den war was, een vergadering te Utrecht van Gelderland en Overijssel zoo wel als Friesland en Groningen. Friesland was verdeeld, maar de ijverige Hervormden waren zich overal gelijk met hun Geestelijkheid. Gelderland weigerde zich en begreep, dat men over gemeene belangen in de Staten Generaal raadplegen moest: den Utrechtschen ontbrak het aan geen redenen voor dit bijzonder raadplegen, en Holland aan geene tegenredenen, waarin men elkander wederzijds van scheuring, kwaadwilligheid en hardnekkigheid tot opoffering der gemeene belangen aan bijzondere inzichten die men dreef, beschuldigde.
In Engeland hadden de Gedeputeerden het zeer onaangenaam met de verstoorde Koningin en Leycester. Zij verklaarde zich ongeneigd om de Souverainiteit aan te nemen, maar zou Lord Bukhorst zenden, om den staat der Nederlandsche zaken in den grond in te zien, om dan over het te rug zenden van Leycester en het verleenen van meer bijstand te besluiten. De Utrechtschen echter kregen brieven van de Koningin en van Leycester, geschikt om hen met geheel iets anders te vleien; het geen daar den yver der Engelschge-
zindheid versterkte. In Holland waakte men zeer tegen die gevoelens en het kostte den grooten donellus te Leyden zijn professoraat, dat hij (zoo 't heeten moest) kwalijk gesproken had van de Staten van Holland en Prins Maurits. Gelderland aan den anderen kant riep zijn Gedeputeerden uit de Staten Generaal, ten blijke van ongenoegen over den brief waarmeê men Leycester bij de Koningin bezwaard had; maar deze stoorde zich daar niet aan en bleef zitting houden en erkend.
Bukhorst, een goede sukkel, die 't wel met beide partijen meende, maar geen verstand genoeg had, om hier de Koningin te dienen, of de breuk te heelen, kwam in de Haag, en zocht de verwijdering door zachtheid tot aannadering te brengen. Bij den Raad van State gaf men op Leicesters naam een placaat tegen het lasteren en schelden van de Koningin en de Engelschen, de Regenten enz. bij monde of geschrift. - Oldenbarneveld vreesde 't nu te kwaad te krijgen, en vroeg zijn ontslag: maar die van zijn aanhang gevoelden te wel dat zij hem niet ontbeeren konden om dit in te willigen. Hij kon dus bedingen wat hij wilde, zelfs: niet aan zijne Instructie gebonden te zijn, en zoo bleef hij aan.
In Utrecht was door Nieuwenaar een Predikant Modet opgelicht, en daar door de Burgerij in 't geweer gejaagd, die voor hun Herder opkwam, en hij was blij hem weer los te laten, en met blijken van vriendschap en vertrouwen te overladen. - Dit was eene waarschouwing voor Holland,
om zachter weg te houden. - Twaalf Predikanten van verschillende plaatsen met den Prof. Saravia van Leyden werden in de Hage ontboden, en men hield hun in zeer zachte bewoordingen voor, dat men wenschte dat zij minder de Regenten of Staten, van onverschilligheid voor de Godsdienst beschuldigden, maar in tegendeel den ingezetenen tot gehoorzaamheid aanmaanden; met belofte van een beter onderhoud, zoo zij zich wel kweeten. Die Predikanten wisten hen echter op een zeer minnelijken en betamelijken toon deftig te catechiseeren, en eindigden met het punt van de Kerk-ordening: zoo dat men met hun verlegen was: - 't geen van nu aan de volstrekte vijandschap tusschen de heerschende factie en de Kerk ten top voerde, die bij Barneveld (Stichtenaar in zijn hart) na 30 jaar broeiens zoo geweldig uitborst.
Had Donellus het moeten misgelden, nu gold het Junius, die, Secretaris van Leycester, een bij hem ontfangen brief van zijn meester aan iemand meêgedeeld had. Op aandrijven van Oldenbarneveld, die van nu af alles vermocht, werd Junius nb. opgelicht, en hem de brief afgedwongen. De inhoud was, hetgeen ieder buiten dat wist: ‘dat Leicester terug komen zou, en begeerde dat de Staten zich geen andere macht zouden aanmatigen dan zij onder Keizer Karel gehad hadden; en [hij] met een Raad van State, wettig uit. Inboorlingen gekoren regeeren wilde;’ zoo als het oorspronkelijk verbond in der daad meêbracht: ‘en dat men voor geen opgedrongen vrede met Spanje te vree-
zen had.’ - Men had deze geweldenarij tegen Junius echter wel kunnen sparen: want de Koningin schreef nagenoeg hetzelfde, ja ruim zoo sterk, zoo aan de Staten Generaal, als aan den Raad van State bij brieven, waarin zij Leycesters gedrag volkomen goedkeurde en prees. En hoe kon zij anders? - De Hollandsche factie had dus niets gewonnen.
In zulke verdeeldheid had echter Parma goed spel gehad, ware 't in de Spaansche Nederlanden, waar het gebrek, door Leycesters maatregelen, steeds aanhield en toenam, en eene algemeene verarming, verhuizing, en ontvolking te weeg bracht, niet zoo jammerlijk gesteld geweest. Hij kwam laat te veld, en belegerde Sluis, 't geen Leycesters terugkeer verhaast schijnt te hebben.
Deze kwam dan den 6. Julij weder in Zeeland en trachtte Sluis te ontzetten, hetgeen hem mislukte. Hij was niet hier, of men lei hem weêr bezwaren voor; waar Leycester de zijnen tegen over stelde. Hij was over Bukhorst en nog twee Engelschen, die bij zijn afzijn zich aangenaam hadden willen maken, niet te vreden, en dreigde het Land geheel te verlaten: 't geen, bekend geworden, groote verlegenheid veroorzaakte bij de Hervormden, zoo dat de Predikanten hem een bezending deden, dat hij toch Gods Kerk niet ten- roof wilde laten, als die bij zijn vertrek weer in de klaauwen der Spanjaarts zou vallen: hem het geduld van Mozes met de Israeliten ten voorbeeld gevende; en aanbiedende, wat in baar macht was, namelijk, gebeden tot God, en vermaningen aan de Gemeen-
ten(1). En zeker, zij meenden dit hartelijk en oprecht.
De overgang van Sluis deed den moed bij de Anti-Engelschen weder zinken en de Staten Generaal maakten hem en der Koningin een adres van ontschuldiging, goede intentie, en betuiging van persoonlijke verknochtheid, gelijk het oogenblik vorderde: met verzoek dat hij die als een voorzichtig, wijs, en goedertieren Prince wilde in 't goede aannemen, en alles in vergetelheid stellen(2). Zoo laagjens hield men zich toen. En waarlijk daar was ook wel reden toe(3). Maar in Holland toonde Hohenlo zich zeer geraakt tegen hem, en wilde de bezwaren van hem (H.), van Maurits, en de Staten eerst weggenomen en alles hersteld hebben, als onder Willem den I (een stoute vordering, die Barneveld-zelf niet openlijk maken dorst) en dan, zijn ontslag nemen.
Het was onmogelijk dat een harmonie of verzoening duren kon, daar Holland bij de Staten Generaal zoo veel vermocht. - Bukhorst had beloften van onderstand in gelden gedaan, die dan ook finantiele inwilligingen van den kant der Staten uitgelokt hadden, maar toen Bukhorsts beloften geen gevolg hadden, bleef men hier ook te rug, en wilde 't als een contractus do ut des [een wederkeerig contract] aangemerkt hebben(4). En
met die weigering, en een herhaling van hun recht op de Souverainiteit en een verklaring wie de Staten eigenlijk waren, en vernieuwd verzoek om herstelling van 't geen tegen dit sustenu verricht was, bejegende Holland zijn aanvraag wat middelen zij hem tot het voeren van de oorlog meenden toe te voegen.
Zoo ongeschikt als dit andwoord op zulk een vraag was; het geen door kluit(1) zeer wel ontwikkeld wordt; zoo zacht en voeglijk was Leycesters weder-antwoord. Hij mocht dat alles wel lijden, als hij zijn gezag van Algemeenen Landvoogd maar had; en zoo men zich nader verklaarde op het geen zij hersteld wilden, zou hij doen, 't geen hij naar billijkheid zou vinden te behooren. - Maar nu moest het groote drang-middel gebruikt: zoo men met de gewone en reeds boven 't verdrag gaande hulp de Landen niet beschermen kon, moest hij een vrede op redelijke voorwaarden met Spanje voorstellen, en daar wilde de Koningin hen toe helpen, zoo zij 't goed vonden; zoo niet, mochten zij zelven met Parma handelen.
Dit voorstel trof te meer, daar sints lang onder de vijandelijkheden tusschen Engeland en Spanje, ja van den beginne af, bedektelijk over vrede gehandeld was, en de altijd weifelende Elizabeth steeds in de eene hand vrede in de andere oorlog droeg, om dat zij voor beide bevreesd was, en geen verstand of moed had, om eens haar partij te nemen. En met zulk een zottin (die
voor 't overige haar belang wel verstond) aanleggende, moest men zich dit altijd voorstellen. Ja zelfs, dat zij zich van de Nederlanden meester wenschte te maken was (zeer waarschijnelijk) niet zoo zeer, dat zij ze voor zich wenschte (Zeeland mag men uitzonderen), als wel, om door de terug-brenging daarvan, beter vrede voor zich en haar Rijk te bedingen. - Dit had men vooraf kunnen en moeten voorzien; maar Oldenbarneveld had dit eerst uit de secrete Instructie van Leycester vermoed. - Men sprak nu openlijk van dit oogmerk, en daar het onder de Gemeente kwam, verloor nu Leycester bij velen, die hem zeer aanhingen, zijn achting, en daar ontstond eene omwenteling in de gemoederen, die hem zeer nadeelig was, en waar van men aan de andere zijde zich meesterlijk wist te bedienen. Zoo dat Leycester geen anderen weg wist dan bij al wat heilig was te zweeren, dat men zijn meening verdraaide en hij geen last tot vredehandeling had; 't geen hij waarschijnlijk ook wat last aan hem daartoe betrof, in goeden gemoede verklaren kon. Leycester gaf deswege op den 6. September een uitvoerige Remonstrantie over aan de Staten Generaal te Dordrecht vergaderd, die hij ook in druk gaf en aan de Steden en de Hoven van Justitie zond, en waar van wagenaar zich met een kwaadaartigen draai afmaakt, maar die men bij kluit, met zijne aanmerkingen, lezen moet(1).
Leicester voer hevig uit tegen Oldenbarneveld, als
die gezegd had: ‘dat hij door 's Graven geheime Instructie kon doen blijken, dat hij last had zich der onbepaalde Landvoogdij meester te maken, en daar na, 't Land weêr onder Spanje le brengen.’
Men ontkende dit; even als Leycester ontkende: te weten, in globo [in 't algemeen], schoon de zaak ten aanzien van het wezendlijk punt, zeer waar was. - 't Geen tot grond van Barnevelds zeggen strekte, was de geheime Instructie Leicester nu meê gegeven, waar in voorkwam: ‘dat hij zich in zijn eerste gezag moest doen herstellen, en dit, zoo de Staten zich daartegen stelden, door de Gemeenten doordrijven. Dat hij een vredehandel met Spanje moest voorslaan, en zoo de Staten niet wilden, verklaren, dat de Koningin in de noodzakelijkheid gebracht zou worden om afzonderlijk met Parma te handelen. Dat hij den voorslag aan de Gemeenten smakelijk moest maken door de onmacht om zonder Engeland den oorlog te voeren, en de voordeelen van een vrede, die de lasten verlichtte. En Maurits en Hohenlo moest hij winnen door de verzekering dat bij den vrede, voor hun belangen behoorlijk gezorgd zou worden.’ Of dit afschrift echter echt was, is zeer onzeker: Barneveld kan er wel meê bedrogen geweest zijn.
Nu was men beducht voor het oplichten van Oldenbarneveld, die Acte van indemniteit van de Staatsleden verkreeg voor al wat hij gedaan had of nog zou doen, maar echter zich uit de voeten maakte; en men sprak ook van het vallen van
Maurits, wien Barneveld in alles aan zich associeerde, om 't belang op zich te brengen. - De troepen, die Leycester deed trekken gaf men bij Barnevelds partij voor, dat tegen Maurits; die Hohenlo tegen den vijand in beweging bracht, verdacht de andere partij, dat tegen Leycester en tot het verdrijven der Engelschen gezonden werden. Aan het eerste mag wel iets zijn; aan het tweede is ook geen twijfel, als men begrijpt dat Hohenlo er voor uit kwam, dat hij (conform aan de bevelen der Staten van Holland, bij Leycesters afzijn gegeven,) aan Leycester geen recht toestond om in Holland krijgsvolk te leggen; en deze nu evenwel Engelschen in Delftshaven en Maassluis gezonden had: zelfs trachtte hij den Engelschen Veere, waar zij in bezetting lagen, te ontwringen; zoo men echter op die berigten kan aangaan. Hohenlo en Leycester waren onverzoenlijk: de eerste gaf voor dat Leycester op zijn leven toelei, en buiten af bleek (zoo men wil) dat de Koningin werklijk last gegeven had om Hohenlo te vatten, waarmeê Buckhorst verlegen was, en tegen remonstreerde om de zwarigheden, die daarin lagen, en welke hij geen moed had te wagen.
In Holland was het nu zoodanig in de war, dat men in de Staten Vergadering tot geene besluiten kon komen, en de Steden afzonderlijk met Leycester briefwisseling voerden, en zich ook in gevoelens, zelfs over den vrede, geheel tegenstrijdig verklaarden(1). Gouda wilde vrede; Dordrecht
keurde Hollands gedrag volstrekt af. Dat het onder de Gemeenten hierbij niet stil was, verstaat zich. In Amsterdam vreesde men dit, en plantte eenige stukken geschut met een belachelijk rijm-tjen voor het Stadhuis(1).
Leycester schijnt toen zwanger gegaan te hebben van het ontwerp om zich van eenige voorname steden meester te maken langs den weg hem voorgeschreven. Hij kwam in Amsterdam; maar daar hield men hem door de Magistraat en de Schutterij die op haar hand was, zoodanig omzet, dat hij op de Gemeente niet werken kon, en daar men hem 't geven van 't wachtwoord weigerde, kon hij zich zelven daar niet veilig achten; en vertrok met, ter ontveinzing van alle oogmerk, te kennen te geven dat hij een tour door de Steden van Holland wilde doen. Maar dit maakte alle de Regeeringen der Steden op, om hem te doen verzoeken dat hij met niet meer gevolgs dan 200 personen in haar stad komen wilde, als wanneer men hem eerlijk ontfangen zou(2).
In Utrecht zette hij zijn voeten niet, of de Stichtsche Edelen kwamen hem herstel en betering verzoeken van het geen het vorige jaar tegen de privilegien gedaan was. Leicester nam
dadelijk toevlucht tot de Exceptio obscuri libelli [d.i.] hij vroeg verklaring wat zij meenden: zij beloofden die en riepen de Geëligeerden op die zich bij haar voegden en toen -!
Ondertusschen raakten de Edelen-zelf in geschil, ja in gevecht, of men al de privilegien, of slechts sommigen handhaven moest. De beroerte eindigde met gevangen nemen, loslaten; en eindelijk verandering van de Wet te Utrecht door Leyeester, 't geen de Stadhouder, beweerende dat hij alleen daar macht toe had, euvel nam. - Prounink bleef Burgemeester.
Dit veranderen van de Wet aldaar had hem te Utrecht meester gemaakt; maar de Hollandsche Steden, of liever Regenten (want sedert Willem I. zijn dit geheel onderscheiden dingen) met te meer wantrouwen vervuld. Hij ging naar Hoorn en Enkhuyzen, waar hij op Sonoy rekende, die hem uit waarachtig plichtbesef verknocht was. Enkhuyzen verzocht hem, de Stad niet aan te doen. Hoorn ontfing hem wel, en nu trok hij ook naar Enkhuyzen; maar op weg ontfing hij van een nieuwe bezending uit die Stad zulke berichten, dat hij zich niet dorst bloot stellen aan het geen hem daar toebereid werd. In Medenblik werd hij door Sonoy treflijk onthaald.
In Friesland wilde hij een dagvaard bijwonen, die hij (met voorbijgaan van den Stadhouder) den Grietenijen en Steden aanschreef, te beleggen. Men verzocht hem t' huis te blijven, en weigerde die dagvaart. Dus stiet hij het hoofd aan den een en den anderen kant.
De beroeringen verbeterden met dit alles niet. - De Predikanten leverden bij de Staten van Holland een adres in tot eendracht en aflegging van bijzondere inzichten, enz. dat wel aangenomen werd, met verzekering, dat op hun adres acht geslagen zou worden; maar toen 't tot Oldenbarneveld kwam, ontbood deze hen op naam van de Staten, en gaf hun een scherp en kwaadaartig bescheid, naar zijn hevig en onverdraagzaam karakter. 't Geen echter zijn meesters zoo weinig aanstond, dat zij vervolgens om dit te verzachten, nog een soort van verantwoording over de oorzaak der oneenigheden, tot voldoening aan het goede oogmerk der adres-makeren deden overgeven, waarin zij hun het voorbeeld van Vlaanderen als gevolgen der verschillen tusschen de Gemeente en de Regenten voorhielden. Maar het waren de Predikanten alleen niet: ook de Hoven van Justitie in Holland, hadden de Staten over die tegenstreving ernstig aangemaand, om den Landvoogd het wettig gezag zoo niet te besnoeien, maar hem te laten; waarop zij van de Staten ook wel bona verba [goede woorden] terug gekregen hadden, maar nihil amplius [meer niet] gezien(1). Utrecht schreef ook aan Holland en beweerde, dat Prounink uit 's Hertogenbosch even zoo wel Regent van Utrecht kon wezen, als Hollands eerste Staats-minister en Raddraaier, en vijf stedelijke Pensionarissen vreemdelingen ten aanzien van Holland zijn.
Een Hollandsche Staten Vergadering te Haarlem,
hield zich op met drie uitvoerige vertogen in de wareld te stoten. 't Eerste: ten bewijze ‘dat zij in de plaats van Karel den V getreden waren, zoo als Leycester nu in de plaats van Karels Stadhouders of Landvoogden; en verstonden, al dat gene te doen, wat te voren nb. op 's keizers naam gedaan plag te worden(1)’ (waar meê zeker niet veel voor den Landvoogd over bleef). Het tweede was een ophalen van al wat tusschen Leycester en hen gebeurd was, ter hunner verdediging. En het derde was het vermaarde stuk, waar bij zij de Oppermacht der Graven van Holland uit den boezem der Staten doen voortkomen; en alle de zotheden vereenigden, die in wijzer tijd zoo belachen zijn.
Intusschen maakten congregatien uit de Burgerijen (zelfs van Holland) ook addressen aan Leycester met klachten over de Staten. En in Leyden werd het ernstig. De Predikant Hackius, die in zijn onrechtzinnig prediken door de Magistraat gehandhaafd werd, had de onvoorzichtigheid gehad van te verbreiden ‘dat de Heeren van Leyden (want zoo hiet het nu:) ‘den Spanjaard en Franschman wel naar huis gezonden hadden, en nu ook wel weg met den Engelschman weten zouden.’
Leycester had een voornemen (die gisting vernemende) op deze Stad, en aan een Kaptein, die daar woonde, gelast, een nieuwe werving van 300 man te doen; waar toe deze verzocht had de
trom te mogen roeren: maar de Staten verboden 't. Deze Kapitein raakte in hechtenis op vermoeden, en het bleck dat de toeleg was, eenige uit de Regeering en Schutterhoplieden gevangen te nemen, en een andere Magistraat naar Leycesters wil aan te stellen, op wiens last, hij en nog twee medebewusten zich beriepen. Zij werden alle drie op den 25 October onthoofd: en op naam van Maurits werd een algemeen pardon afgekondigd voor die genen die in deze misdaad deel hadden genomen, met uitzondering van acht personen (waaronder ook de Professor Saravia) welke het geval vervolgens nader geopenbaard hebben en hun verantwoording aan Leycester opdroegen, als den lastgever. - Saravia verzocht zich voor 't Hof van Holland ter purge te mogen stellen; maar dit was van geen gevolg(1); en hij vertrok naar Engeland, waar hij veel achting genoot.
Te Gouda werd een Engelschman om soortgelijke oorzaak ter dood gebracht.
De Staten trachtten de Engelsche bezetting van Naarden daar hij verrassing uit te drijven, doch 't mislukte, als Hobenloos aanslag op Veere. Maar Leycester gaf 't op (niet uit vrees, als wagenaar dom genoeg is, om Oldenbarneveld na te schrijven)(2), maar uit spijt en verontwaardiging, ruim
zoo zeer tegen de Koningin, die hem door haar laffe besluiteloosheid en vrouwelijke achterlist in dit jammerlijk parket had gebracht, als tegen de Barneveldianen: en stelde 't bevel over 't krijgsvolk in handen van Willougby, (reeds bevorens door de Koningin tot zijn opvolger daar in benoemd,) en vertrok naar Vlissingen. Op de polityke regeering schijnt hij geen orde gesteld te hebben: maar de Staten Generaal droegen die den Raad van State weêr op. De Koningin die over het gedrag tegen Leycester gehouden en inzonderheid mede over de strafoefening te Leyden zeer te onvreden was, zond eenigen tijd daarna zekeren Herbert om een vredehandeling met Spanje aan te raden. Men geliet zich hier, daar naar te luisteren, zond een bezending op nieuw