terug  begin  verderprepost
[p. 221]

Ophelderingen en bijvoegselen.

[p. 222]

[Het gene in de volgende bladen niet tusschen haakjes ingesloten is, behoort tot bilderdijk's eigen handschrift:

Het aldus ingeslotene ( ), is aanvulling uit zijn mondeling bijgevoegde:

Het aldus onderscheidene [ ], is toevoegsel van mij zelven.

 

H.W.T.]

[p. 223]

Ophelderingen en bijvoegselen.

Bladz. 1, enz. ‘De Unie van Utrecht.’

(Men heeft het oorspronkelijk handschrift der Unie wedergevonden, en in antike form in 't licht gegeven - toen de Unie hare kracht reeds begon te verliezen [in 1778]. Doch in plaats van oude letters op te zoeken om het stuk mede te drukken, moest men liever van het geheel een Copy figuratif gegeven hebben(1). Copy figuratif is de naam die van ouds bij ons gebruikelijk was, voor hetgeen men thans met een barbaarsch gesmeed woord, fac-simile gelieft te noemen: [van waar dan weer het lelijk afleidsel facsimileren.])

[In de literatuur der Unie zal ik mij hier niet inlaten: doch het is waar, dat de Unie als 't ware een nieuwe vogue kreeg, en van alle kanten toegelicht werd, ter gelegenheid van haar twee-honderdjarig bestaan -

[p. 224]

toen de Republiek der (door haar) Vereenigde Nederlanden reeds op het punt was van medegesleept te worden in den Engelsch-Americaanschen oorlog, die ruim voedsel gaf aan het reeds vroeger tegen het Stadhouderlijk bewind hier te lande opgewekt misnoegen, waar van na allerlei schokken, de slooping van dat op zeven (ongelijke) pylers rustend Staatsgebouw in 1795 (of 1796-1798) het gevolg wierd. - Ik noem hier dus slechts in het voorbijgaan, de Oratio secularis van den Utrechtschen Hoogleeraar p. bondam; - de jubelrede van adr. 's gravezande, waarbij nog andere aanmerkelijke geschiedkundige Bijvoegselen); - de Ontwerpen der Unie van Utrecht, uitgegeven door Mr. l.p. van de spiegel; en deszelven dubbelen Bundel van onuitgegeven stukken, voornamelijk dienende tot de historie der Unie van Utrecht(1); - de vijf Deelen van Onuitgegeven stukken tot opheldering der Vaderlandsche Historie, uitgegeven door Prof. p. bondam, ten gevolge van zijne Feestrede, en van de uitgave der Ontwerpen enz. van v.d. spiegel. - De Verklaring der Unie van Utrecht door Mr. p. paulus, in drie Deelen, is reeds van 1775 tot 1777(2); doch het vierde Deel dezes werks is later

[p. 225]

uitgegeven, alsmede de Aanmerkingen over deze Verklaring, van f.a. van der kemp (vollediger in derzelver Tweeden Druk, Leiden, 1783). - Nog minder behoef ik de Verhandeling van den Heer j.j.t. duval te vermelden, over het recht verstand der Unie van Utrecht, met betrekking tot de Heeren Stadhouders van Holland en Zeeland, uit het Latijn vertaald, te Utrecht 1790; noch het gene daar over in hare oorspronglijke form, als rechtsgeleerde promotie-dissertatie, bij de Academie te Leiden is te doen geweest(1): - noch ook hetgene pestel (door bild.-zelven aangehaald) of kluit, in het I Deel zijner Historie der Hollandsche Staatsregering, over den aart en de strekking en de gevolgen dezer Unie gezegd hebben. - Maar het zal niet ongepast zijn, hier uit de 105 Theses, met wier openlijke verdediging bilderdijk, d. 19 Oct. 1782, het Doctoraat in de Rechten verworven heeft, de drie in te lasschen, die tot deze Unie betrekking hebben:

XLIV. Socios Trajectinos quamvis indubium sit communis imperii vinculo inter sese non contineri, ignoscendum est tamen errori eorum, qui primis turbidisque reipublicae temporibus Ordinibus Generalibus jus quoddam imperii tribuebant.

XLVIII. Singulae Belgii Federatorum regiones, ex mente Foederis Trajectini, jus belli gerendi sibi reservasse non videntur, licet aliter Ampl. bijnkershoekio stet sententia.

[p. 226]

XLIX. Injuria uni alterive sociorum Trajectinorum ab extero principe allata, si laesus hanc vindicare velit, a caeteris negligi posse non videtur(1).

Maar ik mag niet nalaten, opmerkzaam te maken op de ongunstige schets, welke de Heer wiselius van de gebreken der Unie van Utrecht, als eenige Grondwet der Nederlandsche Republiek beschouwd, gegeven heeft in zijn werk, dat te recht de sleutel mag genoemd worden voor de geheele geschiedenis dier Republiek (wellicht ook voor de nog aanstaande des Nederlandschen Rijks!) de Staatkundige verlichting der Nederlanderen, Brussel, 1828, bl. 188-208. (en in de Mnemosyne, XII. (II.) D. bl. 66-85.)

[p. 227]

In hetzelfde jaar 1828 schreef de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, de Prijsvraag uit (voorgesteld door den Hoogl. m. siegenbeek): ‘Kan men wel met waarheid zeggen, dat de oud-Nederlandsche Republiek ooit in den eigenlijken zin des woords, een' vasten Staatsvorm (Constitutie) gehad heeft? Moest niet het onbepaalde en wankelbare van haren vorm uit den aard aanleiding geven tot die hevige beroeringen, welke haar, gedurende haar gansche bestaan, geschokt hebben? en welke heilzame lessen en gevolgen levert deze wijze van beschouwing voor den beschrijver van hare geschiedenis op?’ - Te vragen: welke lessen deze zaak voor den Nederlandschen Staatsman opleverde? - viel niet in de bestemming der Maatschappij. Doch ten opzigte der Geschiedkunde ziet men dat zij zich de treurige ervaring der laatste halve eeuw had ten nutte gemaakt, sedert zij in het jaar 1780 als prijstof had opgegeven: ‘Eene lofrede op de Unie van Utrecht!’(1)]

Bladz. 8. r. 16. ‘Bodinus, na wien Grotius.’

(Dat men geen bepaald denkbeeld heeft gehad van dit verbond, wat de rechtsbeginselen betreft, is wel zeker, want men was toen zoo ver nog niet: bodinus is de eerste die, in zijn werk de Republica, die principes het eerste ontwikkeld heeft; en van hem heeft grotius, in zijn Jus Belli ac Pacis, het zijne ontleend; gelijk hij (gr.) in het Jus Civile altijd covarruvias aanhaalt en gebruikt.)

[p. 228]

Ald. laatste regel; bij te voegen.

Res ita se habet.

Ordines Generales dicebant: ‘Nos Regem Philippum repraesentamus: Hinc imperamus.’ Recte sic: sed Rex Philippus Hollandis non imperat, nisi quatenus Hollandiae Comes est.

At quatenus Hollandiae Comes est, repraesentatur per principem Gulielmum. An hic itaque munere cessit? - Minime.

Sed vos, Ordd. Gener., Gulielmi Principis locum (ergo!) non subiistis in repraesentatione Comitis Hollandiae.

Idem in cacteris obtinet. Non itaque Regem Philippum repraesentatis in Hollandia, nec in Gelria, etc. sed tantum in iis ad quae concursu Comitis Hollandiae, Ducis Gelriae, cet. opus est.

Bladz. 12-14 (de pacificatie van Keulen.)

[Er zijn mij vier verzamelingen van stukken betreffende dezen Vredehandel bekend, welke alle zeldzaam voorkomen: eene Fransche in quarto bij Plantijn te Antwerpen, 1579, ongepagineerd, gaande niet verder dan tot 20 July 1578; - de Latijnsche in quarto met de aanmerkingen (van ad. van meetkerke)(1): te Leiden bij Andr. Schulten, 1580; 310 pag. - eene andere Latijnsche in octavo, te Antw. bij Plantijn, 1580, 351 pag.; en eene Nederlandsche, te Leiden bij Ch. Silvius, 1581, 388 bl. quarto, waar in de aanmerkingen mede gevonden worden. - Een merkwaardig stuk, zijnde een instructie aan de Nederlandsche Afgevaardigden om op het Spaansche Ultimatum nog meer te kunnen toegeven,

[p. 229]

dat in de Latijnsche uitgave bij Plantijn, p. 298-312, en in de Nederlandsche bl. 364-376 gevonden wordt, vind ik niet in de Latijnsche uitgave van Leiden.]

Bladz. 16. Aant. 1.

(Bij het leger van de Ligue, tot wier hulp hij gezonden was, aankomende, werd hij begroet met een lange oratie, waarin ook zijn vader Lamoraal geprezen werd: waarop hij zeide ‘van zijn vader niet te willen hooren; want dat die een rebel geweest was.’ - Hij zeide dit juist tot rebellen, voor welke hij nu ging strijden. Dit geslacht heeft zich later in Frankrijk nedergezet, en de laatste afstammeling is ten tijde der emigratie te Brunswijk gestorven en begraven, terwijl B. zich aldaar ophield.)

Bladz. 19. r. 2 v. ond. ‘vermaagschapt.’

Zoo als blijkt uit een Voorrede en opdracht van een Woerdenschen Burgemeester van dien tijd voor een boek van zijn maaksel over de Openbaring, waarin hij alle de Gereformeerden en wie niet Luthersch te samen met de Roomschen, Turken, Jooden, en Heidenen, regelrecht en zonder omweg naar de Hel zendt. Een aardig gedenkstuk van dien tijd! Opgedragen aan zijn geheele familie, bekleedende alle bedenklijke ampten en posten in Woerden van de hoogste tot de laagste.

Dit verklaart zich door de uitmoordingen van sommige steedtjens, en het leegvluchten van anderen, in die tijden. In Woerden was dit het geval geweest; en het was er dus goedkoop wonen, en niet vreemd, dat een Kolonie Brunswykers onder bescherming van Hertog Erik zich daar neêrzette, en welhaast het grootste deel der bevolking uitmaakte.

[p. 230]

Bladz. 20. r. 4 v. ond. ‘nisi causam.’

[Dit is eene aanspeling op het Appointement nisi causam, dat tot den voormaligen Hollandschen stijl van Procederen behoort, en waarover z. merula (of de haas) Man. v. Proced. I.D. bl. 392.]

Bladz. 22. r. 12. ‘4 of 5 dikke folianten.’

[Ze komen doorgaans voor, gebonden in drie Deelen.]

Bladz. 23. na r. 17.

De Hervormde Kerk had van haar oorsprong af de zaden van wanbegrip in zich, door haar beginsel, waarvan ze uitging. - De Roomsche worstelde ab initio met de toemenging van Heidensche Filozofie en de daaruit voortspruitende apostasie, maar de Hervorming bracht tot autolatrie. En 't kon niet anders, zoo dramen niet louter aan Jezus Christus hing met volstrekte zelfverloochening. En dit verdween met de verwachting der eerste Christenen, en het figuurlijk opvatten der profecyen, het geen (op de wijze waar op het geschiedt) niet veel beter is dan God op een beleefde wijs heeten liegen.

Bladz. 30. r. 4-7. ‘Het idee van Kluit.’

‘Non jure belli, quod nullum est, liberi facti sumus’ zegt pestel. Recte: bellum jus non gignit: sed qui licito remedio utitur, effectus hujus remedii licitè consequitur. Sic praedam bello partam, nostram facimus: sic immobilium possessionem. Dicas dominium harum non transire, nisi per pacem subsecutam. Ita est; sed ne in λογομαχίαν res abeat, exercitium dominii transit per occupationem bellicam, et si pace nil cautum est de restitutione, tacite ipsum dominii

[p. 231]

jus possessioni accedit. Conf. kluit Staatsreg. I.D. p. 240.

Bladz. 32. na r. 19.

‘Observandum est, (zegt pestel de Republ. Bat. § 17.) non ad libertatem religionis defendendam, sed ad jura civibus omnibus sine religionum discrimine communia, ab interitu vindicanda, populum ad arma vocatum fuisse. - Ordines quamquam demisissime queri, precari, instare non destiterant, aequum tamen obtinere non poterant. Post tantae miserine patientiam, 5 annos continuatam, nullum servitutis effugium supererat, nisi hoc, ut universitas civium legitime consociata injuriam facientibus vi resisteret. Quod bellum civile decernere cum diu cunctati essent Ordines, et non nisi praesentissimo discrimine susciperent, reatu vacabant.’
‘Ille erat, ille nocens, hos qui sibi fecerat hostes.’

Bijnkershoek Obs. jur. publ. L. II. c. I. onderzoekt met veel omslags, of de Koning voor, of met dien 26 July 1581, van zijn gezag en gebied vervallen gerekend moet worden, en besluit voor het laatste. Te recht, maar op zeer verkeerde gronden, en met de allerbitterste onkunde van het jus publicum bloot te leggen, zoo als hij die in der daad in alle zijne schriften, tevens met zijne persoonelijke kwaadaartigheid tegen Willem den I. aan den dag legt. De zaak is zeer klaar uit zich zelf. Tot dus verre was zijne [ph.] gehoorzaamheid en de uitoefening van zijn gezag geschorst en in andere handen gebracht, even als bij een furiosus of kind: maar nu werd zijn recht hem ontnomen, door eene volkomene abdicatie. Men stelle een filiusfam. wiens vader waanzinnig is. Hij blijft daarmede onder de patria potestas: maar die zoon wordt dignitate of quocun-

[p. 232]

que modo geëmancipeerd; en nu is de vader zijn jus patriae potestatis kwijt. Het eerste had plaats in den oorlog zoo dramen die tegen den Koning voerde, en hierom werd des Konings naam gebruikt, en moest dit (wat bijnkersh. spotte of raaskalle). Het laatste, bij de afzweering, die als een gevolg van den ban tegen Oranje en tegen nb. de genen die met hem verbonden waren, uitgegaan was.

Bladz. 37. r. 8. ‘opzettelijk verdedigen.’

Deze verdediging kwam neêr

in facto: op de mishandelingen.

in jure: op de theses bij grot. Annal. III. 50.

‘Gentium jus esse, alterius perfidia solvi mutuos nexus.’

duivelenleer! en

niet ad jus publicum te appliceeren: - en

‘Sapientibus haud ignotum, populi ex consensu, populi gratia institutas esse potestates, ut superiores singulis, ita infra universos; quae si publici curam privatos ad usus verterit, populo, id est, Ordinibus rite coactis, judicium ac vindictam relinqui.’

Ex consensu populi institutas!

infra universos!

ad usus privatos!

judicium ac vindicta!

rite coactis: - quot fallaces hypotheses! quae deliria!

Bladz. 51. ‘de Nieuwe Stijl.’

[Daar deze verbetering van den Paus kwam, vond ze vooral in de Protestantsche landen veel tegenstand en werd er langzaam aangenomen. Inmiddels geeft dit veel moeilijkheid in de de dagteekeningen der feiten welke de Geschiedenis vermeldt. Bijzondere moei-

[p. 233]

lijkheid is er aangaande ons Vaderland, wegens de provinciale Souverainiteit, welke zich hier deed gelden. Het is dus een zeer verdienstelijke arbeid - (bijzonder ook door de volledigheid en naauwkeurigheid, waarmede dezelve verricht is) hieromtrent besteed door den geleerden Prof. j.w. de crane: (Eerste en Tweede) historische Verhandeling over den Nieuwen Stijl, en deszelfs invoering en gebruik in ons Vaderland, bijzonder hij de Staten Generaal, en over de moeijelijkheden uit de lange gehechtheid van sommige Gewesten aan den Ouden ontstaan; geplaatst in het Tweede en Vierde stuk van het Friesch Archief voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde(1).]

Nieuwe Stijl.

Staten van Holland. Reso. 14 Xber 1582, naar noene.

 

Den 12. had Z.H. den Staten aangeschreven, om op 't voorbeeld van verscheiden Vorsten, Potentaten, en Heeren over de Christenheid den Nieuwen stijl in te voeren, overeenkomstig het Placaat van den Hertog van Anjou bij advis van de Generale Staten tot Antwerpen vergaderd en ook (van) den Rade van Staten, geëmaneert: welk placaat aldaar geinsereerd is.

‘François etc. - gegeven in onse Stadt van Antwerpen den thienden dag der maendt van December in 't jaer onses Heeren 1582.’

[p. 234]

Dit placaat behelst de Clausule: ‘Wel verstaende nochtans, dat hier mede niet en sullen verkort, nochte geprejudiciëert werden eenighe Calangeringen ofte vernaderingen, praescriptien, actien, van wat natuyre die wesen mogen, Chynsen, Pachten, Huyren, Obligatien, termynen van betalinge, Wisselbrieven, Mandamenten ofte praescriptien, welke allen haren volkomen loop hebben sullen, niet tegenstaende verkortinge van de tien dagen voorsz. even alsoo of die niet geschied en ware.’

Die nieuwe stijl begint daar met den 15 December 1582 te rekenen als 25o en het Nieuwe Jaar 1583 dus aan te vangen op den 22o O.S. en op gemelden 15en 't Kersfeest te vieren.

‘De Staten aanmerkende de subite verandering en de kortheid des tijds - hebben de Staten verklaert dat met de publicatie van den voorn. Placate (van den Hertog) alsnoch gesupersedeert sal worden tot de expiratie van de jegenwoordige pacht, ofte tot dat met nader kennisse van saecken van de veranderinge voorn. in de omleggende provincien rijpelijck daerin voorsien sal moghen worden.’

Bladz. 65. Aanteek. ‘Koets.’ - ‘Staatskoets.’

[De Koetsen kwamen (volgens de Annales politiques van den Abbé de s. pierre, I.P. p. 59, 60) eerst eenigzins in gebruik in het begin der 17de eeuw; en ook toen waren er in Parijs naauwlijks 100, voor de voornaamste Dames. De Koetsen met glazen waren nog veel later, en de Prins van Condé had omstreeks 1660 de eerste van deze soort te Parijs uit Brussel aangebracht. De oude Koets van Staat, is na 1795, ten gevolge van den ouden Staat-zelf, geslecht. De Heer j. scheltema heeft toen van die rijkgestoffeerde en ge-

[p. 235]

beeldhouwde Koets een luimige en geestige beschrijving - doch met scherpe zinspeling op den toenmaligen staat van zaken, waar de omwenteling zulke lelijke en wrange vruchten droeg, gegeven (in den smaak van de Lanteernen van v. woensel).]

Bladz. 63. ‘Corn. de Hooghe.’

(Zijn kleinzoon was de vermaarde Plaatsnijder (en Schrijver) romein de hooghe; wiens Leermeester jan luyken was.)

Bladz. 79. Aanteek.

[De Gulden Legenden van de Stadhouders in Holland en Westfriesland zijn wel in haar geheele I. Boek, Van Prins Willem den Eersten, hatelijk tegen dezen Vorst geschreven: doch het hier gemelde vind ik er niet bepaaldelijk. Meer nog in het smaadschrift (waarvan die Gulden Legenden de uitbreiding en verdediging zijn); de Stadhouderlijke Regeering in Holland en Westvriesland; alwaar (bl. 31 van den druk in kl. 8vo; bl. 26 van dien in 12me) staat: ‘Zoo slaat echter de Prins de hand ann het rad van eer- en staatzucht; begint in Juny en July 1584 het momaanzigt van geveinsdheid (van niet zijn eigen, maar 's Lands voordeel en vrijheid te zoeken) af te trekken, staat naar de Grafelijke Hoogheid, en het gene hij Stadhouder des Konings van Spanje zijnde, wettelijk had afgezworen, komt hij nu, Regeerder en Stadhouder door de Staten gekozen zijnde, onwettelijk en door vuile kuipery, niet bedektelijk naar te jagen. - Maar de dood maakt op den 10. July 1584 door een moorddadige hand, een einde van dit onrechtmatig vervolgen van de Op-

[p. 236]

perheerschappij en van des regeerzuchtigen Prinsen leven.’]

Bladz. 80. r. 9 v. ond. ‘den Middelburgschen Schrijver.’

[Hier wordt bedoeld ‘Het Leven van Willem den I. (enz.) geschreven door ***;’ in drie Deelen in gr. 8vo, uitgegeven in 1732(1): een werk: geschreven met vlijt en met verstand, doch in den oud-aristocratischen geest; hetwelk bij algemeene traditie toegeschreven wordt aan den Heer l.f. de beaufort, die in de eerste helft der achttiende eeuw onderscheidene staatsbedieningen in de Provincie Zeeland bekleed heeft(2). - Het hier bedoelde wordt gevonden in het derde Deel van dat werk bl. 689. Hier tegen verscheen in 1734 in het licht, eene Lofverkondigende Verhandeling over de laatste bede van Willem den Eersten (enz.) geschreven door een Engelsch Edelman, on uit die taal, naar den tweeden druk(3), overgezet; bij H. Scheurleer, voor rekening van den Auteur(4) 168 bl. Andere exem-

[p. 237]

plaren van denzelfden druk, hebben den titel van gedrukt te zijn te Leiden bij B. Onnekink, 1779, en daar is dan doorgaans (voor of achter) bij, eene Verdedigende Redevoering voor de eer van den doorlugtigen getrouwen en doorzichtigen Grondlegger der Vaderlandsche Vrijheid, Willem den I. uit het oorspronkelijk Engelsch van een Edelman van Hudlesex in het Nederduitsch overgebracht (94 bladz.); waarvan in het Voorbericht aan den Vaderlandlievenden Lezer gezegd wordt: ‘de Drukker was het bij inkoop magtig geworden bij het Copy van een zeker werkje, getyteld, Lofverkondigende Verhandeling (enz.) welk werkje Ao. 1734 in den Haag bij Scheurleer gedrukt, en uit het Engelsch vertaald was: 't werd door alle welmeenenden voor de nagedagten van den held gretig ontfangen; doch dewijl men in die tijd onder zeker slag van Lezers, niet gaarne iets las, dat de eer van Vader Willem betrof, bleef dit vervolg vermoedelijk onuitgegeven.’(1) - Beide werkjes, doch de Verdedigende Redevoering voor aan, zijn nog eenmaal, in 1785, opgewarmd (niet herdrukt) te Amsterdam, bij G.W. van Egmond. - Van de Lofverkondigende Verhandeling bezit ik een exemplaar, dat door MS. correctien en bijvoegselen ingericht was voor een nieuwen druk, waar dan onder aan den titel had zullen staan: ‘Voor Rekening van J.C.R.’.]

[p. 238]

Bladz. 81 r. 10. ‘dit Grieksch te lezen staat.’

[Eigenlijk niet woordelijk dat Grieksch: maar in de zaak. Het gene er staat is de Grieksche senarius:

Συ, Ζευ, γινωσϰεις τωνδε τ' ἀιτιαν ϰαϰων!

De Schilderij schijnt van het begin der zestiende eeuw. De woorden zijn zeker bedenkelijk, doch kunnen te vele verschillende beduidingen hebben, om er in 't wilde naar te gissen.]

Bladz. 82. ‘Iets over 's Prinsen lijkstatie.’

't Geschil bij de Lijkstatie van Prins Willem I.

Resolutie der Staten Generaal 3. Augs. 1584.

 

De Raad nevens zijne Excellentie, als behoorende tot den Prins, wiens hooge functien hem aan 't Hoofd, der Regeering van de geheele Republiek stelden, wordt bestemd, diensvolgende voor de Staten Generaal te gaan.

Hier tegen verzetten zich de St. Generaal, als zijnde door het ophouden van dat Hoofd der Republiek die opperregering dezes Raads vervallen, en zij nu verandwoordelijk aan de Staten Generaal, als Hoogste Overheid van den Lande.

Dit wordt niet betwist. Holland wil dien Raad nu aangemerkt hebben als Bedienden des Prinsen en ze daarom voor 't lijk doen gaan.

Dit weigeren dezen; staan op hun stuk en beroepen zich op den Graaf van Hohenlo en Prins Maurits als de naastbestaanden, die zich de begrafenis moesten aantrekken. Maar de Staten Generaal zeggen niet onder deze Heeren te staan, en houden hun streng vast.

[p. 239]

Te dier gelegenheid werpt Holland een ander geschil op, en begeert voor de Staten Generaal te gaan, om dat het in Holland was, en te voren ook zoo begrepen; te weten, dat de plaatselijke Staten voor de Staten Generaal gingen.

Dezen weigeren ook dit, en brengen bij dat het gebruik altijd anders was. En

De Staten van Holland erkennen ten aanzien van het geen zij meenden voorheen geschied te zijn, mis gehad te hebben, en laten de Staten Generaal dien volgende voor zich gaan.

 

De eerste quaestie derhalve met algemeen goedvinden tegen den Raad nevens Z. Exc. beslist; want die wordt als gedissolveerd of vervallen aangemerkt, en de Leden daar van gaan ieder onder zijne Provintie, waarvan hij gedeputeerd was.

En van
de tweede quaestie staan ook de Staten van Holland af en gaan achter de Staten Generaal; maar het zij als territoriale Staten, het zij als toen voorzittende, het zij als eerste in het bondgenoodschap (hoe men 't nemen moge) gaan zij voor de overige Provinciale Staten.

Calkoen(1) knoeit hier over; maar merkt aan dat er onderscheid is tusschen voorrang van gezag, en voorrang van beleefdheid. Juist: maar zoo 't voorrang van beleefdheid geweest ware, hadden de Staten van Holland, achter de Provinciale Staten van elke Provincie moeten gaan: - 't was derhalve geen beleefdheid, maar erkentenis van voorrang per se, en niets is ook natuurlijker, dan dat Representanten van geheel de Republiek voor die van eene Provincie gaan.

[p. 240]

Edoch, strict genomen, bewijst het de Oppermacht der Staten Generaal over de Provincie niet; maar alleen 't hooger bestuur over de gezamendlijke Provincien, als door de Unie vereenigd, ten aanzien van deze Unie.

En meer is in effecte ook niet beweerd, schoon men door onbepaaldheid van uitdrukking geharreward heeft.

De Staten Generaal hebben 't bestuur der Republiek als Mogendheid, de Souverainiteit van de Provincien in zich vereenigende. Doch waar het de Mogendheid niet raakt is de provinciale Souverainiteit intact.

En het is uit die Mogendheid, dat quod ad jus gentium voortvloeit
het regt van Ambassadeurs te zenden,
vrede en oorlog te maken
en daar door de Provincien te verbinden.
En, quod ad Jus publicum
het regt van Criminele Jurisdictie, meê gedeeld of
gedemandeerd
aan Admiraliteiten,
't Militair wezen,
Kolonien, enz.

Ald. ‘Zijn praalgraf.’

[Hiervan vind ik niets bij B. noch in de excerpten; en het is te bekend en te dikwijls beschreven en afgebeeld om er over te gaan uitweiden. De steen in het voormalige Prinsenhof(1) alwaar de Vorst zijn bloed voor 't Vaderland gestort heeft, aanwijzende ‘de teykenen der Kooglen,’ is ook afgebeeld in de Verzameling der Gedenkstukken in Nederland, door den zoogenoemden Timareten, 1777. I Deel bl. 176.]

[p. 241]

Ald. ‘Zijn karakter.’

(Hij was een groot man, maar niet zonder gebreken. Godsvrucht was het doel zijner handelingen. Men kan van hem zeggen:

 

-- justior alter
Nec pietate fuit, nec bello major et armis.

Hij was niet slechts de grootste Staatsman, maar ook de grootste Generaal van zijnen tijd; wanneer hij troepen had, waarmede iets was uit te voeren; ofschoon hij niet zoo in de gelegenheid is geweest om zich te signaleren, als Egmond bij St. Quintin. Zijne twee veldtochten toonen zijne tegenwoordigheid van geest: maar Alva was ook listig, en stoorde zich niet aan de aanmerkingen die over hem gemaakt werden, maar bediende zich van het voordeel zijner positie en recuseerde het gevecht, daar hij het zonder slag leveren langer tegen den Prins kon uithouden, dan deze tegen hem.)

Ald. ‘Zijne Brieven.’ enz.

(Uit vele huisselijke brieven van Oranje aan zijne Vrouw, blijkt zijn beminnelijk karakter: - maar ook zijn gebrek aan geld, vooral ook in zijne oorlogen onder Karel V. tevens met de zucht om altijd zijn fatsoen op te houden.) [Ik heb dit weinig beteekenend excerpt overgenomen, om dat er uit blijkt, dat B. kennis van en toegang tot de brieven gehad heeft, met welker uitgave toe te staan, Z.M. den Koning een nieuwe rijke bron opent voor de authentieke kennis der Vaderlandsche Geschiedenis: terwijl de Heer Mr. w. groen v. prinsterer, door zijne zorgvuldige behandeling en naauwkeurig toelichten dezer te voren bijkans geheel

[p. 242]

onbekende stukken, aan den vereerenden last of vergunning op eene waardige wijze beantwoordt.]

(1)[Zoo als de Heer j.c. de jonge van de Unie van Brussel. Ik geloof, dat men gaarne met deze aanmerking van B. zal instemmen. Misschien was er zelfs nog wel aan te voldoen.
H.W.T.]
(1)1780 en 1783: de tweede eigenlijk bezorgd door den Zeeuwschen geleerden j. ermerins; doch waarbij een Vertoog van v.d. spiegel-zelf, over de betrekking van Johan Graaf van Nassau tot de Unie van Utrecht (versierd met een afbeeldsel van dezen Graaf naar een origineel schilderij van Mierevelt).
(2)Van het eerste Deel dezer Verklaring bestaat een dubbele druk, van het zelfde jaar en bij den zelfden Uitgever, doch met verschillende paginatie; waardoor men dikwijls te leur gesteld wordt, wanneer men het Ie Deel der verklaring van P. Paulus ergens aangehaald vindt: het verschil is van 172 bladzijden, die in den Ie druk tweemaal afzonderlijk, in den tweeden doorloopend gepagineerd zijn. Deze aanwijzing zal nu voldoende zijn, om den genen, die hetgene hij uit dit I Deel aangehaald vindt, in zijn exemplaar vergeefs zoekt, te recht te helpen; daar hij nu slechts deze 172 bladzijden voor- of achter-uit na te slaan heeft.)
(1)Z. kluit, Historie der Holl. Staatsr. I D. bl. 57, 58.
(1)[Daar deze Theses niet algemeen bekend of verkrijgbaar zijn, meen ik wel te doen, met ook nog deze andere welke betrekking hebben op onderwerpen dezer Geschiedenis, hier bij te voegen. Het zijn deze:
XL. Belgae sub Comitum imperio libertate cum publicâ, tum privatâ, caque plenissimâ, gavisi fuêre. [Nu begrijpt men eerst, hoe B. zulk een groot voorstander was van de oude Grafelijke Regeering.]
XLI. Florentii V, Comitis Hollandiao, injusta caedes fuit.
XLII. Privilegium magnum (quod vocant) a Maria Burgundica Batavis concessum, quo minus ab initio valuerit, nihil obstat. [Dit is de leer van pestel, tegen die van kluit.] Hodie autem aliquam vim ejus superesse, haud affirmaverim.
XLIII. Imperium Philippo II. abrogatum non fuit ante aanum 1581, die 26 Julii.
XLV. Nullum amplius Sacro Romano Imperio in Belgium Federatorum jus superest.
XLVII. Jure suo Belgae Federati Anno 1648 peculiarem pacem cum Hispanis pepigerunt, neque violati cum Gallis federis accusari possunt. [? - Videbimus infra.]
L. Ordines jure suo usi sunt, cum, flagrante bello Civili, pecuniam sacram rei militari adhibuerint.]
(1)[Men zie ook de twee redevoeringen van w.a. ockerse, ‘Over de gebreken der nelonde Nederlandsche Staatsregeling,’ in mijne derde Verzameling Mnemosyne, II. D. bl. 157 volgg.]

(1)Volgens foppens Bibl. Belg. T.I. p. 7: anderen schrijven de Leidsche uitgaven toe aan agg. albada.

(1)[Men zie hierover ook het merkwaardig Bijvoegsel van den Heer v. leeuwen, bij zijne vernieuwde en zeer verrijkte uitgave der Friesche Land-Krouyk: It aade Friesche Terp, Leeuw. 1834. (bl. 466-469; alwaar hij ook aanwijst, hoe, in één bijzonder opzicht, de oude stijl in Friesland steeds blijft gelden.)]

(1)(Eene bibliographische merkwaardigheid is bij dit werk, een privilegie tegen den nadruk verleend door de Staten van Zeeland.)
(2)De Heer s. de wind heeft, op schijnbaren grond, getwijfeld gehad aan de waarheid van dit algemeen gevoelen; doch is door onpartijdig onderzoek, en dienstvaardige mededeeling van eigenhandige stukken, in de gelegenheid gebracht om zichzelven en het publiek van de waarheid dezer opinie te overtuigen: waarvan ik het betoog billijk aan hem zelven overlate, bij het vervolgen (waar naar wij verlangen) zijner Bibliotheek der Nederlandsche Geschiedschrijvers.
(3)De eerste Engelsche uitgave wordt gezegd in 1714 gedaan, en aan Koning George I. opgedragen geweest te zijn.
(4)(Denkelijk toch wel van den Vertaler, Auteur der Aanmerkingen.)
(1)(De Schrijver van die Voorreden beklaagt zich verder (bl. vij) ‘dat men, zelfs in de groote victorien, die wij naast God, aan (dezes) 's Mans beleid en zijne Patriotten schuldig zijn, dezelve aan een beuzelachtig zwak van vrijery en Saletverzinsel toeschrijft, zoo als bij voorbeeld (zegt hij) ten opzigt van 't beleg van Leiden, de geheele overwinning en 't Ontzet aan de Vrijerij van francisco de valdez wordt toegeschreven.’)

(1)[Oldenb. eer verded. bl. 44 volgg.]

(1)Thans.....!

prepostterug  begin  verder