terug  begin  verderprepost

Nalezing

bij het VIo Deel.

Bladz. 66. r. 5. ‘te Antwerpen.’

[Hiertoe behoort: Confessionis sive doctrinae, quae nuper edita est a Ministris, qui in Ecclesiam Antwerpiensem irrepserunt, et Augustanae Confessioni se assentiri profitentur, succincta Confutatio, Auctore Judoco ravesteyn Tiletano, S. Theol. Prof. in Acad. Lovan. Lovan. 1567. 121 fol. (d.i. dubbele paginaas) 8o. Hij gelaat zich, in de Voorrede, niet te kunnen gelooven, dat een wijze en Christelijke Magistraat de kettersche leer en prediking zoude hebben kunnen auctoriseren; en verwijt voorts de Protestanten hunne verdeeldheid, waardoor de Martinisten even zeer waarschuwden tegen de Calvinisten, en hunne leer en hen-zelven even zeer verdoemden, als de Roomsche Kerk dit die beiden deed.]

Bladz. 79 aant. en 135. (H.v. Brederode - Willem de I.)

[Willem de Eerste; of het Tweede-Eeuwfeest der Vaderlandsche Vrijheid: zoo in de Kerk, als in den Burgerstaat, door het bloed van dezen, en andere edele en

[p. 281]

brave Vaderlanderen, als in een kostelijk Cement gelegd, [enz.] Dienende tot een Contrast tegen den Brederode van den Hoogl. p. burmannus secundus; op dat blijke, aan wien van beide men de Eer der grondlegging van deze dierbare Vrijheid, met recht en het meest, verschuldigd zij; door j.p. van overmeer, J.U.D. te 's Gravenh. 1767. 80 bladz, gr. 8o. - rijmelarij, met geschiedkundige aanteekeningen.]

Bladz. 86. ‘Vargas’

[Deze Licentiaat Joannes de Vargas moet niet verward worden met den Spaanschen Geestelijken en Staatsman van dien tijd, franc. de vargas, wiens authentieke berichten over het Concilie van Trente, waarvan hij mede lid geweest was, grootelijks strekkende ter bevestiging van het geschrevene door Fra p. sarpi, eerst in 1699 in het licht gegeven zijn door den beroemden Franschen Geschiedschrijver mich. le vassor. Z. sax. Onom. Liter. P.V. p. 307.]

Bladz. 161. r. 5-11. (Lumey's uiteinde).

[Iets over de laatste levensjaren en den dood van Willem, Graaf van der Mark, Heer van Lumey, is in scheltema's Mengelw. II D. 1 St. bl. 202-209.]

Bladz. 233. r. 4. ‘min of meer eene verdediging’

[Misschien toch eigenlijk slechts ‘verontschuldiging:’ want marnix beroemt zich, ‘dat men nooit bewijzen zal dat de Dienaren des Woords zulks zouden geraden hebben.’ Z. te water, Verb. en Smeekschr. d. Edelen. I D. bl. 282, 283, (die ditzelfde stuk gekend en gebruikt moet hebben,) en de Verdediging van de zaak

[p. 282]

der Hervormden tegen zeker Advijs (enz.) door de Gedeputeerden van de Synode der Herv. Gem. in Gelderland (a. van den berg), Amst. 1797; alwaar, bl. 33-37 gewichtige aanmerkingen voorkomen, om waarschijnlijk te maken, dat het volk door agens provocateurs (gelijk wij die nu zouden noemen) van de R. Cath. zijde tot die strafbare ongeregeldheden was aangezet.]

Bladz' 211. ‘ons patroon van Alven

[De Heer n.j. storm van 's gravesande te Rotterdam, algemeen bekend als geestig Dichter, doch mij persoonlijk onbekend, heeft de goedheid gehad mij over deze bijzonderheid eene inlichting te doen toekomen, waardoor het wonderbare er uit wordt opgelost en verdwijnt(1). Terwijl ik gaarn openlijk mijn dank betuige voor die heuschheid, neem ik de vrijheid ze te voltooijen, door dien brief van 10 Januarij 1835 en het bijgevoegd Rederijkers-vers hier in te lasschen:

‘Bij de lezing van het onlangs uitgekomen Zesde Deel van de Geschiedenis des Vaderlands, door Mr. willem bilderdijk, viel bijzonder mijne aandacht op het vermelde bladz. 241 (Ophelderingen en Bijvoegselen) omtrent zeker lied, welks coupletten sloten met het referein:

 
Ons patroon van Alven
 
Zal u met zijner zalven
 
Bestryken al zoo wel:
[p. 283]

en ik herinnerde mij dadelijk dit lied, als afkomstig van de Redenrijkers mijner geboorteplaats 's Hertogenbosch; en welligt doe ik U Hooggeleerde geen ondienst met het volgende daaromtrent te vermelden:

Het geheele lied komt voor in den Bundel der dichtwerken, vertoont of uitgesproken op het landjuweel te Antwerpen den 3 Augustus 1561, en welken bundel onder den tijtel van Spelen van sinne vol scone moralisatien enz., in het jaer 1562 te Antwerpen bij Willem Sylvius is uitgegeven. Aldaar verscheen ook de s'Hertogenbossche Rederyk-kamer de Vierighe Doorn of Moyzes Bosch en won er den prijs van het best ebaetement met eene factie of klugt (zie van Lett. x 4 tot y 3) van welke de hoofdpersonaadjen zijn de patroon van den Alven en Alvinne zijn wijf, op welker raad, hij, de patroon, acht van zijne geburen zalft en van hunne dwaasheid geneest, waarna een hunner, Peerken van Tuyl genaamd, ter eere van den patroon het liedeken zingt, waar van het referein als boven is luidende.

Ik ben zoo vrij een afschrift van het geheele lied hierbij te voegen, niet om de dichterlijke waarde, want die is al zeer gering, maar om zoo veel te meer te doen zien dat daarmede wezenlijk niet op den Hertog van Alba gedoeld kan zijn, en door Alven alleen dwazen verstaan moet worden.’

 
Comt groot en smal,, Helpt hier tghetal
 
En vrueght der sottekens stercken
 
Bysonder al,, die half syt mal
 
En noy int vroede wercken
 
Vry onbeschaemt,, ghelyck als wy
 
Soot wel betaemt,, verthoont u vry
 
Denckt soo ghy syt ten halven, eest haest ghewonnen spel
[p. 284]
 
Ons Patroon van den alven,, sal u met synder salven
 
Bestrycken alsoo wel.
 
 
 
Al eest dat grof,, der muelen stof
 
U hoyen heeft doortoghen
 
Der boonen snof,, dien ghy spreeckt lof
 
U noyt en heeft gheloghen.
 
Noch is u noot, meer hulpen hier
 
Op dat den cloot,, wel rolle fier
 
Denckt soo ghy syt ten halven enz.
 
 
 
U niet en weert,, daer u noch deert
 
Met vry te kennen gheven
 
Als ghy besmeert, syt onverveert
 
Sals u al meer aencleven
 
Vry thuils ghesint, volght desen voet
 
Siet in den wint,, maect goeden moet
 
Denckt soo ghy syt ten halven enz.
 
 
 
Des keyserts mast,, staet hier door-vast
 
Daer ghy u aen moet houwen
 
Teaproenken past, daer elck na tast
 
Die gaern den alf aenschouwen
 
Dit blyckt toch claer,, soomen hier spuert
 
Dus treedt vry naer, de bellen ruert
 
Denckt soo ghy syt ten halven enz.
 
 
 
Ghy prinskens fraey, al comdy spaey
 
Men sal u niet wech jaghen.
 
Des alfkens draey,, om u lamaey
 
Sal u seer wel behaghen
 
Dus hier op d lest, eer wy dan gaen
 
Neemt dit in d best,, van ons ghedaen
 
Denckt soo ghy syt ten halven, enz. -]
[p. 285]

Bladz. 299. ond. aan. ‘het trouwjaar van l.m.j.v. hoogeveen.’

[Dit was 1798. De brave vrouw overleed d. 5 Dec. 1831, nalatende twee kinderen, vermeld bij Prof. te water, in het aangeh. werk, bl. 178.]

(1)[Indien evenwel, gelijk het schijnt, het referein van dit lied toen een tijd lang in den mond des volks is overgebleven en zonder oogschijnlijke oorzaak nageneuried geworden, is het geen wonder dat men dit naderhand herdacht, en er iets van dat onverklaarbaar en toch onloochenbaar voorgevoel, (Ahuung; praesaga mali mens) in heeft gevonden.]
prepostterug  begin  verder