[Hiertoe behoort: Confessionis sive doctrinae, quae nuper edita est a Ministris, qui in Ecclesiam Antwerpiensem irrepserunt, et Augustanae Confessioni se assentiri profitentur, succincta Confutatio, Auctore Judoco ravesteyn Tiletano, S. Theol. Prof. in Acad. Lovan. Lovan. 1567. 121 fol. (d.i. dubbele paginaas) 8o. Hij gelaat zich, in de Voorrede, niet te kunnen gelooven, dat een wijze en Christelijke Magistraat de kettersche leer en prediking zoude hebben kunnen auctoriseren; en verwijt voorts de Protestanten hunne verdeeldheid, waardoor de Martinisten even zeer waarschuwden tegen de Calvinisten, en hunne leer en hen-zelven even zeer verdoemden, als de Roomsche Kerk dit die beiden deed.]
brave Vaderlanderen, als in een kostelijk Cement gelegd, [enz.] Dienende tot een Contrast tegen den Brederode van den Hoogl. p. burmannus secundus; op dat blijke, aan wien van beide men de Eer der grondlegging van deze dierbare Vrijheid, met recht en het meest, verschuldigd zij; door j.p. van overmeer, J.U.D. te 's Gravenh. 1767. 80 bladz, gr. 8o. - rijmelarij, met geschiedkundige aanteekeningen.]
[Deze Licentiaat Joannes de Vargas moet niet verward worden met den Spaanschen Geestelijken en Staatsman van dien tijd, franc. de vargas, wiens authentieke berichten over het Concilie van Trente, waarvan hij mede lid geweest was, grootelijks strekkende ter bevestiging van het geschrevene door Fra p. sarpi, eerst in 1699 in het licht gegeven zijn door den beroemden Franschen Geschiedschrijver mich. le vassor. Z. sax. Onom. Liter. P.V. p. 307.]
[Misschien toch eigenlijk slechts ‘verontschuldiging:’ want marnix beroemt zich, ‘dat men nooit bewijzen zal dat de Dienaren des Woords zulks zouden geraden hebben.’ Z. te water, Verb. en Smeekschr. d. Edelen. I D. bl. 282, 283, (die ditzelfde stuk gekend en gebruikt moet hebben,) en de Verdediging van de zaak
der Hervormden tegen zeker Advijs (enz.) door de Gedeputeerden van de Synode der Herv. Gem. in Gelderland (a. van den berg), Amst. 1797; alwaar, bl. 33-37 gewichtige aanmerkingen voorkomen, om waarschijnlijk te maken, dat het volk door agens provocateurs (gelijk wij die nu zouden noemen) van de R. Cath. zijde tot die strafbare ongeregeldheden was aangezet.]
[De Heer n.j. storm van 's gravesande te Rotterdam, algemeen bekend als geestig Dichter, doch mij persoonlijk onbekend, heeft de goedheid gehad mij over deze bijzonderheid eene inlichting te doen toekomen, waardoor het wonderbare er uit wordt opgelost en verdwijnt(1). Terwijl ik gaarn openlijk mijn dank betuige voor die heuschheid, neem ik de vrijheid ze te voltooijen, door dien brief van 10 Januarij 1835 en het bijgevoegd Rederijkers-vers hier in te lasschen:
‘Bij de lezing van het onlangs uitgekomen Zesde Deel van de Geschiedenis des Vaderlands, door Mr. willem bilderdijk, viel bijzonder mijne aandacht op het vermelde bladz. 241 (Ophelderingen en Bijvoegselen) omtrent zeker lied, welks coupletten sloten met het referein:
en ik herinnerde mij dadelijk dit lied, als afkomstig van de Redenrijkers mijner geboorteplaats 's Hertogenbosch; en welligt doe ik U Hooggeleerde geen ondienst met het volgende daaromtrent te vermelden:
Het geheele lied komt voor in den Bundel der dichtwerken, vertoont of uitgesproken op het landjuweel te Antwerpen den 3 Augustus 1561, en welken bundel onder den tijtel van Spelen van sinne vol scone moralisatien enz., in het jaer 1562 te Antwerpen bij Willem Sylvius is uitgegeven. Aldaar verscheen ook de s'Hertogenbossche Rederyk-kamer de Vierighe Doorn of Moyzes Bosch en won er den prijs van het best ebaetement met eene factie of klugt (zie van Lett. x 4 tot y 3) van welke de hoofdpersonaadjen zijn de patroon van den Alven en Alvinne zijn wijf, op welker raad, hij, de patroon, acht van zijne geburen zalft en van hunne dwaasheid geneest, waarna een hunner, Peerken van Tuyl genaamd, ter eere van den patroon het liedeken zingt, waar van het referein als boven is luidende.
Ik ben zoo vrij een afschrift van het geheele lied hierbij te voegen, niet om de dichterlijke waarde, want die is al zeer gering, maar om zoo veel te meer te doen zien dat daarmede wezenlijk niet op den Hertog van Alba gedoeld kan zijn, en door Alven alleen dwazen verstaan moet worden.’