Zie daar nu de Vereenigde Nederlanden erkend in het bezit van vrijheid en onafhanklijkheid door den Erfvolger en rechtverkrijgers1 van hunne Erflijke Vorsten! - Maar het was er verr' af, dat zij dus erkend zouden zijn door hunne twee bondgenooten, Frankrijk en Engeland. Dezen merkten die erkentenis van Spanje en Albert aan als een erkentenis in hunnen faveure, en de Vereenigde Nederlanden als aan hen onderworpen landen. Sints de aanbiedingen der Souverainiteit aan het een en ander dezer twee rijken, waren de Nederlanders der Unie aangemerkt, als een drijvend eiland occupationi patens [buit, voor die 't aanvaardde], dat zij animo occupeerden, [denkbeeldig in bezit namen] maar waar op zij den voet nog niet dorsten zetten, uit vrees van er meê weg te zinken; doch daar zij niet te min 't een en ander aan deden om den grond stevig en vast te maken, met inzicht om het dan voor het zijne te verklaren; maar geen van beide had ooit oogmerk om toe te staan, dat het op zich-zelf zou blijven. - Elizabeths oogmerk hebben wij gezien. Zij begeerde er meester van te zijn om er over te beschikken ten behoeve van den ouden meester, om met dezen een goede pais te maken; en maakte er voor zich-zelf
eigenlijk geen duurzame aanspraak op, maar misgunde 't haar buurman. Hendrik in tegendeel had reeds van den aanvang der troubles, bloot Koning van Navarre zijnde, aanzoeken van Lalain en andere Nederlandsche Grooten ontfangen, die zijn staatzucht ontvlamden1, en sedert bleef hem die prikkeling bij, om Heer der Nederlanden te zijn. Zijn hulp was in dit uitzicht, en hij had aan den dijk die er tegen den oorlogsstorm en Spaansche golven gelegd werd, geen zoden aangedragen, zonder die als een daad van occupatie van den grond te beschouwen; en hij vond het nu zeer impertinent, dat bij des ouden eigenaars derelictie van deze avulsa terrae portio [dit afgescheurd gedeelte lands] van zijn eigendom, dat brokjen hem niet erkennen en aannemen zou. 't Kwam hem toe, meende hij, en 't was zoo wel een voordeel voor 't land, als voor hem. In dezen geest had hij bij zijn Vredeverbond met Spanje, de Nederlanden niet anders daarin willen begrijpen, dan als landen onder zijn bescherming staande, en dus annexen van zijn gebied. En in dezen geest deed hij nu sedert eenigen tijd Jeannin werken, door redenen, beloften, geschenken enz. - En niemand ooit minder gezind daarvan af te zien dan hij!
Koning Jacobus was een geletterd man, goed Theologant, maar als Vorst een imbecillis2, en die zoo zijne Koninklijke waardigheid bewonderde, als een jong meisjen hare vurige oogen, wanneer zij ze op haar 14de jaar in den spiegel ziet. Deze be-
greep dat Elizabeths recht op de Nederlanden, schoon zij er verbis et factis [met woord en daad] van af had gezien, echter op hem overgegaan was, en in Konstantinopel deed zijn Ambassadeur, zoo als in Indie de Engelsche Kooplieden, Holland of de Vereenigde Nederlanden voorkomen als onderworpen aan Engeland.
In deze sustenuen, die men bij Hendrik en bij Jacobus kende, was het zeker ontijdig, maar het was echter niet zonder reden, dat men nu ook bij Frankrijk en Engeland drong om van hun een schriftlijke erkentenis onzer oppermacht en onafhankelijkheid te hebben. Doch het is ook geenzins te verwonderen, dat beide Koningen dit plat afsloegen. - Doch dat Barneveld geloofde dit van Jeannin te kunnen verkrijgen; dit is vreemd.
Het antwoord, dat Hendrik gaf, was ‘dat hij zijn eigen belangen niet in den weg wilde zijn.’
Echter zij weigerden geen van beide borg te blijven voor het Bestand.
Maurits had veel bij het Bestand verloren1, doch dit gaarne, had hij er het heil des Vaderlands in gezien; en ook nu, daar hij het als eene noodzakelijkheid aanmerkte, getroostte hij 't zich. Maar Jeannin, Maurits willende meêslepen, drong dat hij
deswegens schadeloos gesteld zou worden: dit had hij van den aanvang der onderhandeling aangedrongen, maar was door Barneveld ter zijde gesteld als ulterioris curae [van latere zorg]. Maar nu moest er op besloten worden. 't Geschiedde. Ook Fredrik Hendrik werd schadevergoeding toegekend. Ook de Erfgenamen van Willem I, wegens inkomsten uit Braband en Vlaanderen, welke men nu beschouwde als door het Bestand opgegeven en aan den vijand gebracht.
Oldenbarneveld nam wel geschenken, maar hoe handelbaar in dit punt, en hoe toegenegen aan Frankrijk, het punt van zelf Souverain te zijn, was bij hem onverzettelijk, en allen aandrang van Jeannin op hem ter onderwerping van het land aan Hendrik, waarbij dit punt verloren zou worden, werd door hem met vague uitdrukkingen beantwoord. - Hij [J.] moest dus of Maurits winnen, of door de jaloesie van Barneveld tegen Maurits, Barneveld tot zijn wil brengen: zie daar het problema dat hem te solveeren stond! - Nog iets kwam in aanmerking, te weten: dat Barneveld al dadelijk van de overgift aan Albert, van Spaanschgezindheid verdacht werd gehouden; en gedurende den handel over het Bestand dit vermoeden niet weinig bevestigd had. En dit deed vreezen, dat het te groote gezag van Barneveld, in geschillen tusschen Frankrijk en Spanje, aan Frankrijk nadeelig mocht zijn, terwijl men van Maurits niets dergelijks te vreezen had, die Spanje de bonne foi haatte.
Jeannin bracht dus wegens zijn meester in, dat Maurits geen gezag genoeg in het Gouvernement had, en meer auctoriteit hebben moest. Het Bestand was
inderdaad, en werd ook van wederzijde niet anders aangemerkt, dan als een rust in den oorlog, terwijl de status belli [de vijandelijke toestand] echter bestaan bleef, en de oorlog weêr in werking zou moeten komen. Groote aanbiedingen waren den Prins reeds gedaan, ja zelfs een Souverainiteit aangeboden, om hem van de Staten af té trekken. En wat, zoo hij eens besloot zich te retireeren, zou er dan van den Staat worden bij vernieuwing der vijandelijkheden? Wie meest den Spanjaart mistrouwde of meest vooruitzag, hing vurigst en innig aan Maurits.
Onder de overige gebreken van de Regeering, stak dit meest en meest algemeen in het oog, dat Barneveld Holland pro lubitu [naar willekeur] regeerde, en als perpetueel gemachtigde van Holland in de Staten Generaal ook daar met zijn aanhang alles wat hij wilde kon doordrijven ('t geen ook regulier en aanhoudend geschiedde), en dus in effecte de Oppervorst der Vereenigde Nederlanden was.
Om dit te keer te gaan begreep men een Raad op te rechten met Maurits aan 't hoofd, en waarvan zijn broeder Hendrik Fredrik en Graaf Willem (van Friesland) leden moeten zijn, tot beslissing van alle discussien tusschen de Provincien, uitvoering van de besluiten der Staten Generaal (aan wie de zaken van Vrede, Oorlog, buitenlandsche Verbonden, en Belastingen blijven zouden) en voorts de algemeene Regeering. - Velen hier te Lande hadden dit lang begeerd, en Koning Hendrik verscheiden malen daar op gedrongen, bij wege van raad, aanmaning, en vriendschappelijke te recht wijzing; maar nu werd dit op nieuw door Jeannin opgehaald en vernieuwd met
een nadruk van meerder ernst. - Elizabeths aanmaning om het bewind aan Maurits op te dragen, kwam hier bij aan velen te binnen, en men begon van het opdragen der Souverainiteit aan hem te spreken. Oldënbarneveld-zelf schijnt hier te voren niet vreemd van geweest te zijn, eer het misnoegen over de tocht in Vlaanderen tusschen beide kwam; maar sedert was daar niet meer van gerept, dan nu ter gelegenheid van den aandrang door Jeannin. - Dit was wel de meening niet van Jeannin; maar het kon tot den weg leiden, dien hij in wilde. Hij maakte een ontwerp van zulk een Raad, waarin hij de Engelsche en Fransche Gezanten als leden stelde (wederom ten blijk, dat men geen vrijheid ten aanzien dezer twee Rijken erkende of toestond!). Dat dit niet smaakte, verstaat zich; en men was wijs genoeg, om er zich niet duidelijk op te verklaren, en de deliberatien uit te stellen, en weêr uit te stellen, tot men de geheele zaak vergat.
Jeannin, na nog een Vertoog ten voordeele van de vrije of ten minste oogluikende dulding der Roomsche Kerkdienst overgeleverd te hebben, vertrok nu naar Frankrijk te rug met groote geschenken; maar had de vonken gestrooid, die Holland in vlam moesten zetten, en waar uit hij zich de bereiking van zijns meesters doelwit beloofde, maar deze leefde te kort, en werd op den 14 Maij van het volgend jaar 1610 van een moorder doorstoken.
Van de geschillen die uit het Bestand zelf ontstonden, zoo tusschen de Gouvernementen zelven als de wederzijdsche ingezetenen, en die ontallijk waren,
zullen wij niet spreken, noch ook van de gedurige klachten over inbreuken op dit Tractaat die van weêrskanten gevoerd werden. - De opvolging in het Hertogdom Kleef door den dood van Hertog Jan Willem scheen de oorlog op nieuw te zullen doen ontbranden, doordien de Staten nevens Frankrijk en Engeland, den Keurvorst van Brandenburg en den Graaf van Nieuwburg (welke hun beider aanspraken te samen smolten) voorstonden en hulp boden; terwijl de Aartshertog verplicht was 's Keizers sustenu, dat hem, hangende het geschil, het bezit van het leen toekwam, voor te staan. Niet te min het Bestand bleef voortduren; en mooglijk, zoo het dadelijk verbroken geworden was, dat het in veel opzichten gelukkiger voor het Land ware geweest.
Wij hebben al vroeg de eerste Synodes in de Nederlanden met nieuwe gevoelens bezig gezien, die door leeken of predikanten voortgebracht wierden, en welke zij met een stoutheid en trotschheid voorstonden, als of zij nu beroepen waren om de Kerk te onderwijzen en te verlichten: schoon alles nederkwam op een-zelfde maar minder of meerder vermomd en omgekleed semipelagianismus of erger, of ten minste dit tacitè [stilzwijgend] tot zijn grond had. Al vroeg had men Korenhardt gehad, wiens gevoelen veroordeeld was; naderhand had men in Leyden, in de Hage, en elders (gelijk wij opgeteekend hebben) dezelfde of soortgelijke afwijkingen van het echte, oude en ware Hervormde gevoelen, dat ook in dit opzicht dat van de oude Kerk en van de Apostelen is, zien begunstigen; en altijd was de Kerk en de Leydsche
Academie met haar daartegen opgekomen. Maar nu kwam de smet en de beroerte uit de Academie-zelve.
Jacobus arminius, van Oudewater geboren, maar Predikant te Amsterdam, begon daar niet slechts de stellingen te leeren en te prediken die sedert na hem genoemd zijn, maar openlijk tegen het algemeene rechtzinnige gevoelen te prediken met den ijver, welke aan alle Novateurs eigen is: en dit moest noodzakelijk het meer ernstig stilstaan bij en aandringen van den grondleer der menschlijke onmacht ten goede, der vrije genade, en de praedestinatie bij de Kerkdienaren ten gevolge hebben; 't een en ander de Gemeenten in twijfel, in onzekerheid, en deels in blinden ijver voor het nieuwe of oude gevoelen storten, waaruit scheuring ontstond en nog verder te wachten was, vooral door den grooten invloed van Arminius als Professor, en van de genen die uit zijn school uitgingen, en zijn leer wijd en zijd rond voerden. Dit had reeds van toen hij te Leyden in 1603 begonnen had te leeren, aangevangen, maar crescens eundo [zich meer en meer uitbreidende], was de zaak ernstiger geworden; en Arminius-zelf en zijn kwekelingen lieten niet na tegen den ouden leer uit te varen en haar als Godslasterlijk voor te stellen.
Niet dat Arminius-zelf juist zoo verr' ging in zijne stellingen. Immers in de Disputationes van hem, door zijne kinderen na zijn dood uitgegeven, is niets zoo zeer aanstootlijks te vinden. Maar zijne leerlingen en volgelingen zijn 't, die hem dus moesten doen voorkomen, vooral daar hij reeds ab initio [van den aanvang af] van helling tot Roomschgezindheid en betrekkingen in Italie gemaakt, verdacht
en in opspraak geraakt was. En zekerlijk bracht de te verr' gedreven afkeer van een zoogenaamd fatalismus zijne school tot dat (alle Christendom verwoestend) stelzel van eigen kracht en vrijheid, 't geen het Egoïsmus zoo vleit. Hoe 't zij, zijne school liet niet na, de oude rechtzinnigheid polemicè aan te vallen, en weldra den contrepied van 't geen in de Kerk werd geleerd aan te nemen. Dit liep al vrij verr', ja werd met een onbescheid gedreven, dat niet te dulden was, en schoon men tot dus verr' aan de zijde der Predikanten nog al ontzien had de politijke Regeering daar in te mengen, bij wie men, (als reeds gebleken is) weinig troost voor de Kerk of Kerkleer, maar veeleer voorstand van die zich tegen haar stelde, gewoon was te vinden; men moest nu spreken. Franciscus Gommarus, rigide voorstander der oudvaderlijke rechtzinnigheid, mede Professor in de Theologie aan dezelfde Universiteit, doorgeleerd man, en door deze zijn post verplicht de studeerende jeugd de waarachtige gronden der Hervormde belijdenis in te scherpen, kon vooral dit scheurmakend en in zijn oog God onteerend stelzel geen verder veld zien winnen, zonder zich daar met kracht tegen te verzetten, stelde zich openlijk partij, handhaafde de Kerk tegen Arminius beschuldiging dat het Kalviniaansche gevoelen een Turksch noodlot inhield, God tot oorzaak der zonde maakte, mismoedigend, verhardend was, God in een helschen Tyran veranderde, enz. enz. en toonde van zijne zijde, dat Arminius leer in gronden en consequentien, Erfzonde, Voorbeschikking, Voorzienigheid, Zoenleer, en Genade vernietigde, en den mensch tot oorzaak zijner eigen
zaligheid maakte, enz. Men toonde daarbij dat Arminius met dezen zijn leer zoo van de uitdrukkelijk aangenomen Geloofsbelijdenis der Nederlandsche Kerk, als van den Heydelbergschen Catechismus afweek; welke beide stukken de Eenigheid der Kerk verbonden; 't geen men wel trachtte te plooien, maar niet te ontkennen was.
In der daad had over de zaak geene verdere discussie behooren te vallen. De afwijking en tegendruissching van en tegen de Hervormde Confessie en Catechismus was tastbaar, en deze waren de formulae fidei [geloofsformulieren] die de Hervormde Kerk (quâ talis) constitueerden; zoo dat die daar tegen leerde, tegen de Hervormde Kerkleer leerde. Bovendien waren diezelfde gevoelens in effecte reeds verscheiden malen door de Synoden voor onrechtzinnig verklaard, en het was een res judicata1. Indien men dit recht ingezien had en de zaak als zoodanig aangevat, zou alles waarschijnlijk een spoedig einde gehad hebben. Maar men ging niet over de afwijking, maar over den leer (niet over de deflectio a norma, maar over de norma zelve an recta esset)2 in discussien treden, en dit was verkeerd.
De Predikanten verzochten eene algemeene of Nationale Synode te mogen beroepen, en verkregen dit, na lang aanhouden in dit jaar 1606; maar die naar Arminius helden, hadden daarbij weten te doen voegen, dat de Belijdenis en Catechismus in die Synode
overgezien zouden moeten worden: 't geen in effect was die twee stukken die eigenlijk de norma zijn moesten, niet als norma aannemen, maar aan een oordeel onderwerpen, dat nog bepaald zou moeten worden en waarin Arminius nieuwigheid met Gommarus ouden onveranderde leer gelijk stond. Het was de quaestio juris conditi tot een quaestio juris condendi1 maken, en hier mede meende men had Arminius licht den triomf; want de geest des tijds was zeer gedisponeerd tot die nieuwigheid - en waarom?
Het antwoord is gereed, en de zaak eenvoudig deze: De trotschheid en eigendunklijkheid die sints de afzweering van Filip, en het aannemen van een Souverain gezag (waar op zich de stedelijke Regeeringen verhovaardigden), algemeen de zielen had ingenomen en de harten verdorven en omgekeerd, was niet bestaanbaar met dien geest van nederigheid, van zelfvernietiging, en van volstrekte afhankelijkheid van God, die het wezen des Christendoms uitmaakt, en den grond van de Hervormde Kerkleer. God alles, de mensch niets, is des Christens gevoelen, zijn zucht, zijn lust, zijn eenige troost; en hij gruwt van het denkbeeld, dat hij iets tot zijn zaligheid zou kunnen doen, of ze zelf willen, dan door Gods genade alleen. Hij brengt alles tot God, ziet, gevoelt alles in God, en gevoelt, dat hij-zelf geen vrijheid, geen macht om te willen heeft. - Dit gevoelen (want op verstandelijke theorie komt het hier niet zoo zeer aan), dit gevoelen kon wel bestaan met den staat van verdrukking, waarin men
was, toen men 't omhelsde, en niets op aard wenschte dan God in zijn Geest bij zijn dagelijksch brood. Maar het kon niet stand houden, bij heerschen, regeeren, en trotschheid, die wil heeft, en dien wil doordrijft, en altijd worstelt om hem door te drijven, en zich daar in behaagt. - Die trotschheid bestaat in eigenwil, en is 't tegengestelde van onderwerping, en verdraagt zich met geen Christelijke zelfvernietiging, 't zij theoretisch, 't zij practisch. Van daar zijn ook de Regenten (voor zoo verr' zij verstand genoeg hadden om consequent te zijn) altijd hellende geweest naar het Pelagianismus, en zijn de Arminianen altijd Aristocratischgezinden geweest.
't Is altijd een noodlottige verwarring geweest, dat men de twee quaestien niet afscheidde: Wat is de leer der Kerk? En wat is de ware leer? Non quaeritur an lex justa sit, sed an sit?1 als er quaestie over een daad in de Burger-maatschappij is. Non quaeritur an vera sit doctrina, sed an recepta?2 als er quaestie is over den leer van een Leeraar in een Kerkgenootschap? Wilt ge naar de wet niet oordeelen, wees geen Rechter; naar de leer niet onderwijzen, wees geen Leeraar in die Maatschappij! - 't Staat u vrij de Maatschappij uit te gaan; 't staat u vrij uw meening omtrent de wet of den leer voor te dragen; maar gij moogt tegen de wet geen vonnis wijzen, tegen den Leer niet preken of onderwijzen. -
Luther en Calvyn gingen uit de R. Kerk, en beschuldigden die van dwaling, en leerden buiten de Roomsche Kerk, maar zeiden niet dit is Pausselijke leer (ten minste niet toen zij 's Pausen tegenspraak ondervonden). Zoo kon Arminius de Hervormde Kerk van dwaling beschuldigen, en anders leeren, maar hij moest niet in de Kerk en voor Hervormden leer onderwijzen en opdringen, wat er meê streed. - Hier was hij in facto illicito [in eene ongeoorloofde handeling] en dit was een attentaat, et non audiendus erat sed repellendus1; onverminderd de quaestie over de waarheid van den Hervormden Leer in zich-zelve, maar die nu met hem of ten zijnen faveure niet in aanmerking kwam.
Gommarus had dus geen ongelijk, dat hij dit herzien van Belijdenis en Catechismus hier niet meê gemengd wilde hebben: nog moest zij werken als een lex condita, in 't oordeelen over 't geen Arminius geleerd had. En hier over kon alleen quaestie zijn.
Arminius vreesde echter een Synode, en verzocht tegen Gommarus voor den Hoogen Raad gehoord te worden. Dit was de weêrga van het dispuut van Korenhart met Saravia, dat nergens toe dienen kon. Maar Arminius had zich aan Barneveld gewend en dus de Staten van Holland stonden 't hem toe. - Dit dispuut gehouden, leiden de Staten beide Professoren op, niets te leeren strijdig tegen Schriftuur, Belijdenis, of Catechismus; in afwachting dat het geschil door een Synode beslecht wierd. Maar Arminius
had zich spoedig een interpretatie van de Belijdenis en de Catechismus gemaakt, waardoor hij zijn gevoelens daar even goed meê overéénbracht, als de Neologen hun Deïsmus en Pantheïsmus met het Euangelie of de Propheten. Maar, het geen nu de deur toedeed: Arminius en de zijnen schreven nu aan de Magistraat of 't Civil Gouvernement het recht toe, om over 't Kerkelijke te oordeelen en te beslissen, en hier (zegt wagenaar) hadden de Wethouders nader belang bij, en dit maakte hen Arminius (gantsch) genegen (en toegeneigd). Maar Arminius stierf, en men had nu bij de Staten van Holland (namelijk: de toongevers en raddraaijers aldaar) zulk een smaak in dien nieuwen leer, en was zoo gezind om de Predikanten en Rechtzinnigen te grieven, dat men in zijn plaats Vorstius beriep, die bekend stond nog vrij onrechtzinniger dan Arminius te zijn.
Uit de school van Arminius waren inmiddels eenige kwekelingen uitgebroed, jurantes in verba magistri [hunn' meester geloovig napratende], en anderen, ziende van waar de wind waaide, keerden hun kap daarna. Elke Kerkgemeente, die de rust en zuivere leer lief had en daar oprecht aan hing, begreep nu van welk belang het was, dat men leeraars van den rechten stempel kreeg; en de Klasses zagen in hoe dit de geheele Kerk interesseerde. De Klassis van Alkmaar besloot hare Leden te doen verklaren dat zij zich met de Belijdenis en Catechismus conformoerde. Vijf Predikanten wilden dit niet verklaren, en de Klasse schorschte hun dienst. Dit regt had de Klassis ontegenzeglijk; en die zich daar over bezwaard rekende, kon aan de Synode appelleeren.
Maar de Staten van Holland beliefden nu de Klassis dit regt niet toe te kennen, en belastten die vijf Predikanten te herstellen, onder welke zekere Venator de roervink was. De Klasse maakte hier zwarigheid in. De Staten bevalen de Wethouderschap van Alkmaar de Predikanten daar toe te dwingen. De Predikanten uit andere Klasses kwamen daar tegen op; ook die van Amsterdam, waar de Wethouderschap regtzinnig was, en schoon de Staten insisteerden, het bleef daar bij. Bij 't veranderen der Wet van Alkmaar, koos Maurits (bij toeval meent men) juist regtzinnige lieden; en nu bragt Venator c.s. 't alarm in de Stad, en strooide uit, dat deze lieden opgestemd hadden om krijgsvolk in de stad te brengen en de burgerij te verdrukken. Dit brengt de Burgerij in de wapenen, die dag en nacht wacht houden, 't Stadhuis bezetten, en naar de Staten zenden.
Gemachtigden van Maurits en Gecommitteerde Raden1 derwaart gezonden, vonden de Burgerij zoo ingenomen, dat zij de nieuwe regeering salvo honore ontsloegen, en een nieuwe aanstelden, waar in Venators aanhang de groote meerderheid had. En deze Vroedschap stelde een nieuwen Kerkenraad aan, die de Klassen van N. Holland voor geheel wetteloos verklaarden, zette twee Predikanten af, en lieten Venator weêr tot zijn dienst toe. De Staten van Holland keurden dit goed. Barneveld had zich daar van de Predikanten gewroken. Maar Venator gaf een boekjen uit, dat zoo onregtzinnig was, dat het in hel noch hemel kon, werd weêr afgezet, en ging naar Frankrijk.
Zulke troubles had men op meer plaatsen, zonder dat zij echter tot de nieuwe Kerkleer betrekking schijnen te hebben; maar zoo veel is zeker, dat de Arminianerij er een middelijken invloed had; daar deze gevoelens meer Pausgezind dan Gereformeerd zijnde, de naam van Paus- of Spaanschgezinden daar uit ontsproot, waar door zij hier en daar in den haat waren, en Magistraten die hen begunstigden daar door van Spaanschgezindheid verdacht raakten.
Hoe 't zij, te Leeuwaarden was desgelijks eene opschudding over de Magistraats-personen; en in Utrecht ging het zoo verr', dat de Stad door Fredrik Hendrik belegerd moest worden; en na de overgave weêr op nieuw een samenzweering ontstond, die zwaar gestraft moest worden. - Het was ook inderdaad niet te verwonderen dat daar in Alkmaar zulk geweld (en met zulk een gevolg) gebruikt was, om Arminiaansche Magistraten te krijgen; elders de Gemeenten zich even zoo zeer tegen de Arminiaansche Magistraten verzetteden, als daar tegen de regtzinnigen. Ondertusschen viel dit anders uit, door dat Barneveld partij trok en Maurits niet; als die van het Kerkelijk geschil nog niets wist, en er geen belang in stelde; zoo dat in Utrecht ten minste de Arminiaansche Regenten het veld tegen de Gemeenten behielden.
Wat van die bewegingen zij, zeker is het en buiten tegenspraak, dat de Gemeenten alomme tegen de Arminianerij waren, en geen Predikanten hooren wilden dan van den ouden leer. Waarmeê het geschapen stond dat die nieuwigheid welhaast voorbij zou moeten gaan. De Arminianen kwamen nu bij
aant.een in stilte (1610) en leverden aan de Staten van Holland een Remonstrantie in tot verdediging van hun gedrag, verklaring van hun gevoelen vervat in 5 punten, zeer dubbelzinnig gesteld (zoo dat men er zich, schoon niet in hun verstand, meê zou kunnen vereenigen) [z. de Bijvoegs.], en verzoek dat de Staten (als aan wie zij Remonstranten 't hoogste gebied in Kerklijke en Wareldlijke zaken toekenden, (waar men altijd die Heeren zeer meê streelde) geliefden te bewerken dat zij in een nb. wettige en vrije Synode gehoord, of zoo dat niet zijn kon broederlijk verdragen wierden. Hier van de naam van Remonstranten.
De Staten lieten ook niet na, de Klassen aan te schrijven, dat zij tot nader (nb.) last, niemand iets boven die vijf (Arminiaansche) punten zouden vergen te belijden, en ondertusschen de eendragt bevorderen. Maar de Klassen verklaarden deels zich daar niet naar te kunnen gedragen, of deden er deels het zwijgen toe, en handelden des niet minder, als zij meenden hun pligt jegens God en de Kerkgemeente te zijn.
Nu wilden de Staten zelven de zaak van de geschilpunten beslissen, en deden zes Arminiaansche en zes andere Predikanten voor zich komen en over de 5 punten der Remonstrantie ten hunnen overstaan disputeeren; maar moesten bekennen dat zij er geen licht in zagen, en zonden ze weêr heen met aanbeveling van broederlijke Eendracht.
Dit noemde men de Haagsche Conferentie. - Bij den aanvang daarvan gaven de regtzinnige Predikanten een Contra-remonstrantie over tegen de
Arminiaansche Remonstrantie, en nu werden de namen van Remonstrant en Contra-remonstrant de gewone onderscheiding, die men minder hatelijk vond dan de vorige. - Beide Remonstrantie en Contra-remonstrantie werden nu tot voorwerp van de Staatsvergadering van Holland gemaakt, daar men 't nu fraai vond niet alleen Souverain maar ook Paus te spelen. - De Contra-remonstranten sloegen voor (zoo men volstrekt geen Synode wilde) dan ten minste de weêrzijdsche punten aan de buitenlandsche Academien ter decisie te zenden, waaraan zij verklaarden zich te willen onderwerpen. Doch daar hadden de Remonstranten even weinig zin in als in een Synode der Nederlandsche Kerk. - En met reden; want de zaak was voor zoo vele eeuwen bij de geheele Christenheid reeds uitgemaakt, zoo wel als zij 't hier te lande bij de Nederlandsche Kerk was. Maar het resultaat der deliberatien van de Staatsleden was wederom, dat men malkander verdragen moest, en niemand het een of het ander gevoelen opdringen. Dan hiertoe was het te verr' gekomen, men kon over en weder niet nalaten, de Gemeente en Katechumenen tegen de zwevende dwaling te waarschuwen en te sterken, daar men die dwaling over en weder Godslasterlijk achtte1.
Vorstius onrechtzinnigheid ondertusschen ging zoo verr' dat men hem (schoon de Remonstranten hem voorstonden) niet dorst laten onderwijzen, maar men gaf hem zijn Professors-tractement voor niet, en Gomarus daar tegen werd door allerlei bitterheden gedrongen, zijn ontslag te nemen, en 't Land te verlaten, zonder tractement. - En dit heette nu onpartijdigheid en de zaken tot rust brengen, door van wederzijde de heethoofden zich kwijt te maken. In de plaats kwamen de Remonstrant episcopius (die een rechte Bisschops-geest had) en de Contra-remonstrant polyander. Oldenbarneveld kwam nu weêr met zijn Kerkordening voor den dag die hij in 1591 niet had kunnen doordringen. Dit kon hij ook nog niet, maar zij werd gepromulgeerd, als een recht dat men den Magistraten van steden en dorpen gaf, om er gebruik van te maken zoo zij 't goed vonden (nb.), ten einde in de Kerk meester te zijn. 't Geen nog veel slimmer was, dan of ze algemeen ware geweest. En wagenaar (Xde D. bl. 55) teekent zelf aan, dat deze Kerkordening den leer, zoo wel als de kerktucht, en de plechtigheden betrof, die dus aan den willekeur van een Voorzittenden Burgemeester of Boerenschout gesteld werden.
In Rotterdam zette de Magistraat, die geen Contra-remonstranten dulden wilde, nu een Predikant af, om dat hij tegen het Remonstrantsche gevoelen preekte. Hij predikte nu in stilte, en men ontzei hem de stad niet alleen, maar zette hem met dienders de stad uit. Hij ging nu te Schiedam en Delftshaven prediken, waar de Rotterdammers hem ijverig kwamen hooren, zoo als zij ook op de dorpen bij
andere Contra-remonstranten te kerk gingen, de Rotterdamsche Predikanten voor stoelen en banken Arminiaansch latende preeken: - de uit Rotterdam gezette Gezelius werd te Edam beroepen. - In Rotterdam-zelf begon men ook wel Godsdienstige oefeningen tot onderhoud van de echte Hervormde leerstukken te houden, maar de Magistraat stoorde die en stelde er boeten op, zoo voor de beleiders daarvan als voor die er een huis of kamer toe verstrekte. - En dus die de Gereformeerde Godsdienstoefening wilde, moest wel even zoo zeer naar buiten de Stad trekken, als onder Filips. En ook deze vrijheid was nog te veel voor de Arminiaansche partij. En in Rotterdam inzonderheid was het in de publieke kerk zoo Remonstrantsch, dat men openlijk bij de Gemeente zei, liever een varken te willen hooren dan zulke Predikanten. Een' makelaar welke iets dergelijks gezegd had werd daarom zijn makelaarschap en burgerrecht ontnomen; en zoo meer.
Zeeland, Friesland, Groningen en Ommelanden wilden van geen Arminiaansche afwijkingen hooren, maar bleven getrouw aan den ouden leer. In Gelderland en Overijssel daartegen begonnen de Remonstranten eenigzins voet te krijgen.
Barneveld was geen Remonstrant. Op verr' na geen Godgeleerde zijnde, verstond hij zelfs het punt waar het geheele geschil aan hing, volstrekt niet. Hij zag in het Remonstrantsche gevoelen geen kwaad, maar helde in der daad vrij meer tot den leer, waar hij oud in geworden was en nooit aan getwijfeld had. Maar hij had een ouden wrok tegen de Predikanten, en kon niet nalaten dien aanhang voor
te staan, die aan de politique macht de Kerk onderwierp: en dit punt doordrijvende, was hij den rechtzinnigen Leer, op zich-zelven, niet vijandig; maar zijn staatsbegrippen en heerschzucht verbonden hem aan de Remonstranten. Een van tweën derhalve was hem genoeg, en hij daar omtrent niet beslist: of de Contra-remonstranten moesten er onder; of de Remonstranten door hen geduld worden. - 't Eerste scheen niet gemaklijk te zullen gaan; en hij lei derhalve nu toe op het laatste. Hij gaf den Remonstranten in dat zij slechts daarop moesten staan, dat men hun, hun vijf punten verdraaglijk verklaren zou; en op dien voet werden er nieuwe conferentien aangelegd. Maar, wetende hoe die punten door hen verstaan en verklaard werden, konden de Contra-remonstranten dit niet toegeven1. Barneveld deed den Koning van Engeland de 5 punten voorstellen, en deze schreef aan de Staten Generaal dat hij ze verdraaglijk oordeelde; doch dat men ze niet op de Predikstoel leeren, maar alleen in stilte dulden moest. Doch dit liet niet na, dat hij de Remonstranten als ketters en scheurmakers beschouwd wilde hebben, en zich hevig tegen Vorstius verklaarde. Men rukte dit zeer samenhangend oordeel uit zijn verband, en drong den Contra-remonstranten als 's Konings oordeel op, dat hij de 5 punten verdraaglijk verklaarde; en was zeer te onvreden dat zij zich aan dat Koninklijk oordeel niet onderwerpen wilden. Even of
't niet een andere quaestie was, 't verdragen van een gevoelen; of 't verdragen van het leeren en prediken van dat gevoelen, in de Kerk en als Kerkleer. Huig de groot werd nu door Barneveld drok gebruikt in dit werk, zoo in Engeland als hier, en schreef zijn Pietas Ord. Hollandiae, waarvoor hij Pensionaris van Rotterdam werd gemaakt. Het boekjen dat de Professor sybrandus lubberti van Franeker ter wederlegging daartegen schreef, werd door Barnevelds gezag voor een libel verklaard en verboden.
Nu namen de Staten een besluit bij meerderheid (Amsterdam protesteerde daar tegen), waar bij door de Staten ‘gebruikende (zeggen zij) de macht die hun als wettige Hooge Overheid toekwam’ (en derhalve even zoo bevoegd, als Filip in zijn tijd, wien zij 't echter betwistten) aan de Predikanten belast en voorgeschreven werd wat zij zouden hebben te leeren, en verbod ‘om de Praedestinatie op de Predikstoel of anderszins onder de Gemeente te brengen’ - met bijvoeging: ‘alzoo de Staten dien Leer (die zij daar vaststelden) voor genoegzaam ter zaligheid en ter Christlijke stichting bekwaam hielden.’
Wat moet men van zulk eene aanmatiging zeggen? En moet men zulke dommigheden niet vervloeken?
Gecommitteerde Raden (een Kollegie waar de dwinglandij altijd gezeteld heeft) bemoeiden zich met alles, straften burgers en ingezetenen van steden zonder egard voor het privilegium de non evocando, waar men bevorens altijd zoo meê schermde of 't te pas kwam of niet; en deze subalterne tyrannen waren, als altijd, nog erger dan hun hoofd of hoof-
den. - Dit alles gaf verbittering tegen den Advokaat en hij werd nu van alles kwaads beschuldigd en verdacht gemaakt. En zoo men hem vooraf beticht had van oogmerk om het Land weêr aan Spanje te brengen, zijn begunstiging van de Arminianery (als toenadering tot den R. Kerkleer)1 werd als een bevestiging van dit vermoeden gebruikt.
De Amsterdamsche Regeering was welgezind, ware er slechts dat neuswijze Burgemeestertjen Hooft niet in geweest, dat zoo fraai tegen de opdracht der Souverainiteit aan Willem I. georeerd had. Echter was zijn invloed thans zoo groot niet als toen hij simpel Vroedschap was. Amsterdam was derhalve de schuilplaats der oude rechtzinnige belijdenis, en het was daar derhalve dat vergaderingen van Contra-remonstrantsche Predikanten bijeen kwamen, om met elkander te raadplegen, hoe een Nationaal Synode te verkrijgen, zonder 't welk zij zich gewetenshalve verplicht vonden, om van de openbare Kerk zich af te zonderen: welke Vergaderingen bij aanschrijving der Staten verboden werden, met last aan de Magistraten, om die niet te gedogen.
Terwijl het zich te Rotterdam, Leyden, Gouda, de Haag, Haarlem (nu men de hoop op een Synode opgaf) tot zulk eene afzondering schikte, was men in andere (zoo het hiet) verdraagzaam, dat is, algemeen Remonstrantsch: - maar die afzondering werd ook niet toegelaten.aant.
Het kon niet missen of uit de scheuring tusschen
Remonstranten en Contra-remonstranten moest onder de laatsten een tweede voortkomen; en daar ieder niet even veel belang in de Godsdienst stelde, deelden zij zich natuurlijker wijze in onverschilligen en ijverigen, die de Magistraat gematigden en stijfkoppigen; het algemeen vrijgeesten of papisten, en welmeenenden; anderen, politijke en geneefsche geuzen noemde. De eerste soort kon het niet schelen, maar de andere, die de Godsdienst, waar hun vaders voor gestorven waren nu even zoo weinig meenden te moeten opgeven als onder Filip, deden hier en daar eenige addressen, dat, bij verandering van Magistraten toch lieden gekozen mochten worden die wel dachten, en niet zonder religie waren. Dus was het in Leeuwaarden, waar aan door den Stadhouder Willem Lodewijk ook voldaan wierd; maar door brieven en instigatien ontstond er toen tegen de nieuwe Regeering een opstand, die allerbloedigst scheen te zullen worden, en de Stadhouder deed onder.
Zoo had het gesmeuld en voortgekankerd tot in 1616, als de Barneveldsche partij volstrekt meester wilde zijn, en aan de vrijheid van Godsdienst geheel en al een eind maken, 't geen den naam van wegneming der oneenigheid dragen, en vrede der kerk heeten moest1: en het fraaie plakaat kwam uit van den 1e Maart, waarbij allen, die zich schuldig maakten aan partijschap, scheuring, of oneenigheid als verstoorders van de gemeene rust, straf bedreigd werd. - Dit was tegen de stem van Amsterdam en verschei-
aant.den andere steden doorgedreven; doch men bekommerde zich meest om Amsterdam, en zond eene bezending derwaarts aan de Wethouderschap, om die resolutie evenwel te helpen handhaven ‘alzoo zij toch ook verstonden dat de Opperste macht, beide over kerkelijke en burgerlijke personen en zaken den Staten toekwam’1. Huig de Groot deed daar een Oratie in de Vroedschap, waarin hij de praedestinatie stelde niet te behooren tot het fondament maar tot het gebouw van de Kerkleer, en waar het derhalve niet op aan kwam; en men malkander dus (zoo het heette) in de Kerk verdragen moest, en zich niet over afscheiden. En dewijl de Staten dit begrepen vi summae auctoritatis ac majestatis suae [uit kracht van Oppermacht en Majesteit], zoo moest ieder die het anders begreep zich (ten spijt van zijn conscientie) daaraan onderwerpen. En dat de Staten geen Synode wilden, maar de zaak zelf beslissen, daarin hadden zij Keizer Theodosius, Honorius, en de Magistraat van Bern tot hun voorbeeld: ook hadden zij de onderrichting of voorlichting van geen Synode noodig. - Maar deze Oratie, hoe lang en hoe vleiend ook voor Hun Ed. Achtb. deed geen effect. - Amsterdam verklaarde, de Hervormde Godsdienst te zullen blijven handhaven zoo zij was, en niet zoo men ze nu maken wilde, en geen verandering aannemen, ten zij door een Synode bestemd: voorts geen plakaten op op haar naam uitgevoerd te willen hebben, tegen de standhoudende religie, dan na het overwegen der nieu-
wigheden in een Synode: - en de Contra-remonstranten niet afgezet of vervolgd te willen hebben onder voorwendsel van scheuring, om dat zij zwarigheid maakten Remonstrantsch te leeren, of bij Remonstranten te kerk te gaan. - Niet te min men nam in de Haag weêr op nieuw een Resolutie ter bevestiging van de vorige, en verbood nu uit de Belijdenis of Catechismus bewijs te nemen maar in tegendeel die uit Gods woord te verklaren. [z. de Bijvoegs.]
Nu hield men derhalve geen maat meer. 't Hof van Holland, dat in alles de quaestio de meo et tuo [het wettig bezit] in acht nam, ook in het overblijfsel van politijk bewind, dat het nog had, raakte in oorlog ('t geen God beter 't! meer gebeurd is) met Gecommitteerde Raden. Contra-remonstrantsche Predikanten werden afgezet, bij den hoop: afzonderlijke vergaderingen en preken of oefeningen van Contra-remonstranten werden streng verboden, op verbeurtverklaring zelfs van 't huis of veld waar zij vergaderden; en zware boeten daar boven.
Dit deden nu de Staten van Holland niet directè, maar de Steden, Bailluwen, Mannen van een landstreek (als Schieland b.v.) deden dit, uit krachte van de macht door de Staten aan hen verleend! Inzonderheid was het Schielands plakaat zeer vermaard wegens de willekeurigheid en (zoo men het noemde) strengheid: - zeggen wij vrij: ten hemel steigerende dwinglandy!
't Liep zoo sterk, en de doleantien der Gemeenten uit alle plaatsen van Holland werden zoo talrijk, dat de Staatsleden ter Vergaderingen zelve, daar van begonnen te schrikken en riepen, dat men te verr' was
gegaan, en de volhouders (zoo men thans zegt) de addressen niet meer lezen dorsten, maar ze ter zijde leiden. Barneveld-zelf werd verlegen. - In Overijssel volgde men Holland; in Gelderland dobberde men; en in Friesland liet men geen Predikanten toe dan die de Belijdenis en Catechismus onderteekenden.
In Amsterdam begonnen nu in 't begin van 1617 de Predikanten zich geheel van de Remonstranten af te zonderen, en zij verklaarden bij gemeen besluit, dat zij geen kerklijke eenigheid met hun onderhouden konden: van welk besluit eenige echter afkeerig bleven. In de Hage vormde men eene Correspondentie (gelijk het genoemd werd) tot verdediging van den zuiveren leer tegen de Remonstranten; welke men niet als Kerkbroeders erkennen kon. - Dit had plaats overal. - De Remonstranten hier tegen aan. Deze vereenigden zich op gelijke wijze, en klaagden den Staten dat hun Resolutien niet gehoorzaamd werden, en zij er derhalve zich ook niet aan binden konden1. Ook stelden zij punten van vereeniging onder zich op, die zij weder (tegen de Belijdenis en Katechismus) door de hunnen deden teekenen.
Barnevelds verlegenheid deed zoo veel bij de Groot, dat men te Rotterdam den Contra-remonstranten aanbood hun één Predikant van hun leer te vergunnen, mits zij zich niet afzonderden: maar dit hielp niet.
Toen het tot die hoogte gekomen was, kon het niet buiten den Prins blijven, die tot dus verre daar geheel geen deel in genomen had, en er nog buiten
wilde blijven, maar echter in de Staten-vergadering van Holland tegenwoordig zijnde, dat de kerkelijke geschillen op 't tapijt kwamen, van begrip was, dat men de Contra-remonstranten niet alleen vrij moest laten prediken, maar de afgezette Predikanten herstellen, of ten minsten anderen van denzelfden leer in de plaats stellen: waarin verscheiden Leden hem toevielen; doch Barneveld brak de deliberatien af.
De Prins trok geen partij: maar hij was zeer moeilijk op Uitenbogaart, Barnevelds lieveling en die Barneveld (met al zijn slimheid en eigendunklijkheid) beheerschte; dat die hem Vorstius zoo sterk tot het Professoraat te Leyden had aanbevolen, waar men zoo meê uitgekomen was, en hij achtte zich daar door geëxponeerd en, als ware 't, geprostitueerd (als men 't noemt).
In Amsterdam hadden de Remonstrantsche Predikanten het onderspit; in tegenstrijdigheid met hetgeen elders plaats had, en daar zonderden zij zich nu openlijk af. Eenige malen hadden zij daar een Predikant uit Warmond gehad; en huurden nu een groote schuur, juist op Dwarsboomsloot, die zij tot een soort van kerk inrichtten; en daar wierden zij door een oploop van 't gemeen uit dien hoek gestoord, en de stoelen en banken, zoo wel als de glazen bleven niet heel. - Aanmerkelijk was het, dat toen er (ten tweede) een huis van den broeder van Episcopius, een recht Remonstrantsch ijveraar geplonderd werd, waar men uitgestrooid had dat zij ook predikten, de lieden die daarover gevangen wierden, juist zelf Remonstranten waren. En men mag daaruit afnemen, dat het een opgemaakt werk van
de Remonstranten-zelven was, om over oproeren en vervolging te kunnen klagen, ten einde langs dien weg de Regeering, die hun tegen was, veranderd te krijgen; even als wij 't in 1785 in Rotterdam door dezelfde clique hebben zien practiseeren. Zij klaagden dan ook, vroegen bescherming van de Staten en vrijheid tot afzonderlijke vergaderingen tegen 't plakaat, dat ten hunnen voordeele gemaakt was; maar verscheiden der Leden van Holland begonnen reeds niet meer door Barnevelds bril te zien (wien hij trouwens ook zelv' reeds van de neus begon te vallen) en zij werden naar de stedelijke Magistraat verwezen, daar zij geen gehoor vonden; zoo dat zij nu naar Abkou en Vreeland ten preek gingen.
In den Haag was Uitenbogaart predikant, en tegen dien dorsten de drie andere Predikanten, schoon Contra-remonstrantsch, niet kikken. Ja het ging zoo verr', dat in de Haag niemand meer een rechtzinnig Predikant aan zijn huis dorst ontfangen, uit vrees voor Barneveld. - De jongste Predikant echter kon in die overheersching zich niet schikken, en deze wilde van Uitenbogaart het Avondmaal niet ontfangen. Dit onmiddelijk onder het oog van den Souverain, en des Souverains Souverain, Barneveld, was even als onder Filips het weigeren van ter Mis te gaan, en hij werd derhalve in zijn predik-ampt geschorscht. Daar waren echter Raadsheeren in het Hof (en ook de Griffier) en meer andere voorname lieden, die Uitenbogaart niet langer konden hooren preken, en daar voor uitkwamen. Nu sprak Barneveld den Prins aan, om hem weêr voorop tot een schild te zetten, als van ouds, ten einde zich bij de Staten
(zoo heette 't) te voegen: maar Maurits zei altijd onzijdig geweest te zijn in een geschil dat hij niet verstond, zoo min als Barneveld het scheen te verstaan, en dat hij daar buiten wilde blijven. Toen zond hij Uitenbogaart daar op af, maar Maurits was veel te cordaat om zijn sofismen aan te hooren, en zei hem kort en goed, dat zoo hij niet gelooven wilde wat de Contra-remonstranten leerden, hij die ook niet dwingen moest, om te gelooven, wat hij goedvond te leeren, en dat, naar zijn verstand, ieder ten minste gelijk recht had op een vrije Kerk, en op 't houden van 't Avondmaal met die hij voor zijn broeders erkende.
Dit lekte uit, en de Contra-remonstranten vroegen een Kerk voor zich, die men oordeelde (om Maurits wille) hun aldaar wel te moeten toestaan, doch aan de voorwaarden verbinde wilde, mits geen afzonderlijken Kerkenraad te houden: dit wilden zij niet belooven. Zij kregen echter de Gasthuis Kerk tot de helft van 1617, wanneer zij in de Kloosterkerk (die niet gebruikt werd, en nu door Prins Maurits bezichtigd was geworden, en dien ten gevolge door de Contra-Remonstranten in bezit genomen en gerepareerd wierd) overgingen, die gelegener was. En van nu af ging Maurits met zijn Neef Graaf Willem van Nassau, en zijn Hofstaat, in de Kloosterkerk ten preek.
De afzondering der Contra-remonstranten in de Haag volkomen zijnde, was nu in vele der overige Steden niet te keeren; en de pogingen der Remonstrantsche Magistraten dienden slechts om de Burgerijen zich tegen hen te doen verzetten. Het bedrog
dat Barneveld zich veroorloofd had met den brief des Konings van Engeland kwam ook, met de wezendlijke gevoelens des Konings, aan den dag en besloeg dus ten voordeele der rechtzinnigen, en een nieuwe brief van Jacobus ried tot het beroepen van een Nationaal Synode: dat ook door geheel Zeeland, Gelderland, Friesland, Groningen en Ommelanden, door bezendingen aan Holland werd aangedrongen. Holland raadpleegde drie maanden, eer het daar op antwoordde; en daar er intusschen hier en daar, bij het jaarlijks afgaan en vernieuwen van de stedelijke regeringen, zachtjens aan zachter of meer Contra-remonstrantschgezinde personen op de kussens kwamen, en de Prins, gedrongen om zijn gevoelen over de partijen te zeggen 1o. geen zwarigheid gemaakt had om te zeggen, ‘dat hij de Contra-Remonstranten hield voor de oude Gereformeerden, die zijn Vader op den stoel gezet hadden,’ 2o. en ook gezegd had ‘dat hij zich niet over zou laten halen, om iets tegen de Hervormde Godsdienst te doen,’ zoo blies Barneveld onder zijn aanhang den allarmkreet, dat de Souverainiteit der Staten in gevaar was, en dat men de Remonstrantschen door middel van wapenen staande moest houden, zonder 't welk die Souverainiteit niet te bewaren was, dewijl alles daarop toelei om Maurits Graaf te maken, als zijn vader. - Hij had gelijk: ieder moest in zulke omstandigheden even zoo op Maurits zien, als in soortgelijke op Willem I; en de wrok tegen de Kerk en zucht om daarin de wet te geven, had dit zoo verr' gebracht; ware Maurits slechts vatbaar voor eenige staatzucht geweest, en niet een bloot op-
recht en rechtschapen krijgsman, uit den aard afkeerig van 't Politieke.
Men had dus verre de lieden gevleid met een Synode, ten einde hen, in dit uitzicht, den druk dien men hen oplei, als een ras voorbijgaand euvel, dat dan van zelfs zou voorbij gaan, met lijdzaamheid te doen dragen, en de zich opposeerende Staatsleden dus ook over te halen om meê in de besluiten die men nam te bewilligen; maar nu besloot men bij Barneveld de zaak te brusqueeren. Men sloeg bij een Resolutie 4 Augustus 1617 (die men de scherpe Resolutie noemde) de Synode plat af; bekrachtigde de vorige Resolutien tegen de Contra-remonstranten; en gelastte de stedelijke Magistraten waardgelders aan te nemen tot executie daarvan: verbood de Hoven van Justitie met die zaken te moeien, maar zich over alle bezwaar alleen aan de Staten-zelven te addresseeren. En besloot verder de andere Provincien met woorden te paaien, en Prins Maurits, zijn broeder, en de Prinses Douarière door een bezending te verzoeken dat zij de hand wilden leenen aan dit alles1.
Wat Maurits betreft, die bezending kon niet uitdoen, daar hij zijn kommissie besloten had te volgen, zoo wel als zijn hart, dat hem verplichtte, alle onderdrukking te weeren, en niet te ondersteunen. Maar de Fransche Louize was met die bezending gevleid, en boezemde haar Zoon in, om zich aan de Staten te houden; bij een verdere uitbarsting kon hem dit nuttig zijn, en 't was goed, dat de jonger broeder, wanneer de ouder zich verklaarde, de andere partij te vriend hield, enz. enz. Maar één woord, Fransche politique, die bij haar zoon ingang vond, en van de gevolgen waarvan men hem datgene beloofde, 't geen men Maurits (zeer te onrecht) beschuldigde te verlangen.
Men hield echter bij 't afslaan van de Synode, nog een slag om den arm! En sprak, van volstrekt geen Nationale Synode te willen. Waarom? om dat daar (dit advoueerde men) de Contra-remonstranten de groote meerderheid zouden hebben1. Maar (des noods) zou men tot een Provinciale Synode kunnen verstaan (wanneer men namelijk eerst alle de Contra-remonstrantsche geestelijkheid afgezet en uit de Provincie gebannen had, zoo als besloten was). Ook wel tot eene algemeene Synode (deed men voor); - of men dit meende, is licht na te gaan. Zeeland wilde geen Algemeene Synode, en begreep, dat er alleen quaestie was, wat de Leer der Nederlandsche Hervormde Kerk was, 't geen noch provinciale Synode in Holland, noch algemeene, maar alleen een Nationale, kon uitmaken.
Men nam nu Waardgelders aan; tot groot ongenoegen (als te begrijpen is) van de Schutterijen, waarvan velen hier en daar ontschutterd werden; terwijl men haar elders een nieuwen eed afdrong. In Leyden verschanste men het Stadhuis tegen de Burgers met een eikenhouten verschansing, waarmeê de Breestraat, van de Marsmansteeg tot de Korenbrugsteeg afgezet werd, met 4 stukken geschut, die geheel de Breestraat ter wederzijde enfileerden, en met ijzeren pinnen, die men Barnevelds tanden noemde, versterkt; en te Haarlem, met palissaden, die de ruimte onder het schavot insloten, en de Kouw genoemd werden. Te vergeefs boden de Schutterijen aan, dubbele wachten te doen, en de steden in rust te houden. De Magistraten moesten eigen satelliten hebben, die geenerlei betrekkingen hadden dan tot hen, die ze betaalden, en meestendeels uit de guarnisoenen van Albert in de Spaansche Nederlanden naar Utrecht kwamen toevloeien (waar zij naderhand ook weêr heen trokken). - Amsterdam en Dordrecht waren de voornaamste steden onder de dissentieerenden, en aan dezen geschiedden nieuwe bezendingen om zich met de Resolutien te conformeeren, maar zij bleven weigeren.
De ontschutterde en anders bezwaarde Burgers van Leyden maakten onderlinge verbintenissen, die zij met hun namen in een cirkel onderteekenden, als Justinianus in de Instituten verhaalt dat in fraudem legis Fusiae Caniniae geschiedde1, en waar bij zij
Gemachtigden aanstelden, om zich aan den Hoogen Raad te beklagen1. Maar men bande en zette nu gevangen al waar men verdenken op had van dit besloten te hebben: en de arme burgers konden geen gehoor in rechten vinden. En de eenige weg was naar de Staten; maar deze wezen ze af, met verklaring dat zij gehoorzamen moesten. In enkele gevallen echter deden Hof en Hooge Raad hun plicht, maar de Staten namen 't zeer kwalijk en verboden 't bij aanschrijving op aanschrijving; zich ook 't judicieele, wanneer 't de nieuwe dwangplacaten of de overtreding daarvan betrof, aantrekkende, eerst bij wege van evocatie, maar weldra bij algemeene Resolutie van den 4 Augustus 1617: hoe zeer Amsterdam en de steden van 't Noorderquartier zich daar tegen stelden, die de Justitie als 't eenige bolwerk van burgerlijke vrijheid, haar vrijen loop wilden doen houden. - De Hooge Raad weigerde ook aan deze Resolutie te gehoorzamen, schoon Hoogerbeets en nog een paar de Souverainiteit der Staten ook zoo verr' uitstrekten. Dit gaf verdeeldheid in den Hoogen Raad, waar Hoogerbeets c.s. zich tegen de overige stelden op fundament dat hij de Staten voor de Hooge Overheid hield. Des onaangezien, en zonder dit te betwisten, beweerde men dat de Staten noch kennis noch 't recht hadden om Justitie te oefenen. En Hoogerbeets werd weêr Pensionaris van Leyden als [hij was] eer hij Raadsheer wierd.
Niet te vreden met Holland te verwaardgelderen, ging Barneveld zelf naar Utrecht, en daar bezorgde hij met de Staten en Stads-Vroedschap deze lichting
en werving desgelijks: zijn lang verblijf aldaar ontschuldigde hij met zijn gezondheid, als of deze dit vereischte.
Niet minder dan tegen deze tyrannike evocatien (in der daad erger dan Filips zich ooit aangematigd had) waren Amsterdam, Dordrecht, Edam, Enkhuizen, en Purmerend tegen dit invoeren van een gewapende macht ten dienste van stedelijke Magistraten; en dat ter harer discretie, en ten koste van het gemeene Land, in een tijd dat men zelfs 't oorlogsvolk niet betaalde of betalen kon. Deze Steden begonnen nu ook met elkander afzonderlijk te raadplegen. De andere acht gaven daartegen een vertoog in het licht, maar dit vertoog deed de vier niet van concept veranderen, noch de Gemeenten of Burgerijen meer Barneveldsgezind denken.
Nu het zoo hoog liep, kon Maurits niet stilzitten. Een gewapende macht, buiten de stedelijke Schutterijen, in de hand van stedelijke Magistraten en buiten zijn eed, en apertè [blijkbaar] ingericht om de onderdrukking der Kerk door te zetten, en dit nog wel terwijl men (quasi om schaarschheid van geld) de weinige krijgsbenden onder Hem nog meer afdanken en verminderen wilde1, kon, mocht hij als Stadhouder niet dulden. Te vergeefs had hij den Vroedschappen der Steden dit met alle zachtheid onder 't oog gebracht; men volhardde. En dus, terwijl men in den Briel bezig was of op 't punt was Waardgelders aan te nemen, kwam Maurits dit voor, en (zijn broeder meênemende) begaf hij zich onverwacht in die stad, en deed er 2 vaandelen voet-
volk in komen. En dit, waarschijnlijk, verhinderde de overige steden, die ze nog niet aangenomen hadden, van de aanneming, door de vrees van ook zoo gepraevenieerd te worden.
Thans dacht men met een Provinciale Synode de zaak een glimp te geven. 't Was Barneveld wel tegen de borst, maar hij vreesde nog veel meer een Nationale Kerkvergadering, waar toe de Staten Generaal zoo goed als geresolveerd waren. Holland beweerde dat die niet kon of mocht doorgaan dan eenstemmig, en zij wilden die niet: en dit op grond van het 13e Art. der Unie van Utrecht1. Men besloot echter; daar kwam een protest tegen op naam van Holland, Utrecht, en Overijssel: maar tegen dit protest protesteerden Amsterdam, Dordrecht, Enkhuizen, Edam, en Purmerend, in de Notulen der Staten Generaal. - Sommigen der Leden aarzelden toch tegen Holland de zaak door te dringen: maar zij besloten echter, en bepaalden Dordrecht tot de plaats. Veel was daar over te doen, en de verwarring met protesteeren en tegen protesteeren zoodanig, dat er de hoofden van draaiden. Uitenbogaart de zaak niet te keeren ziende, oordeelde dat men bewilligen moest, en zien hoe men 't maakte, om in de Synode een contenance te houden, en in geval men veroordeeld werd zich toch te helpen; maar zijn medebroeders begrepen 't geheel anders en Barneveld nam het hem zeer kwalijk af: dit was, zei hij, 's Lands gerechtigheden weggeven, en dat deed hij niet.
De Koning van Engeland, deze twist vernemende, deed zijn Ambassadeur bij de Staten Generaal een redevoering houden over dit Kerkgeschil. Hij verklaarde Arminius gevoelen voor een nieuwigheid, de leer der Contra-remonstranten voor de oude, echte, en waarachtige leer des Chrisendoms en der Hervorming, en beschuldigde de Hollandsche Regenten daarbij, van de getrouwe belijders door hun Resolutien, bij meerderheid van stemmen op een factieuse wijze genomen, gekweld, verdrukt, en tot afzondering genoodzaakt te hebben, die men onder den hatelijken naam van scheuring en oproer met plakaten en straffen te keer wilde gaan, die eene gewelddadige vervolging constitueerden. Hij merkte daarbij aan, dat de Unie van Utrecht op de Godsdienst gegrond was, en tot handhaving van de Hervormde Kerk, die men nu onderdrukte; en dat het de zaak der geheele Nederlandsche Kerk was, en Holland geen Kerk à part moest willen maken. - Hier tegen ontbrak het den Staten van Holland niet aan herhalingen van het oude deuntjen, dat men (nb.) nooit om den Godsdienst de wapenen had opgevat, maar om 't schenden van de privilegien der Staten; waaronder geen 't minste was, orde op Kerkelijke zaken te stellen, Predikanten aan en af te zetten, en te beletten dat Gerechtshoven provisien van Justitie tegen hun Resolutien verleenden. En dat hun besluiten 't beste middel waren om de kerkelijke eendracht te verkrijgen1.
Ook deden zij een boekjen in 't licht verschijnen, de Weegschaal getijteld, tot breeder weêrlegging van des Ambassadeurs gehoudene rede. - 't Geen deze zeer onbetamelijk vond. De Koning-zelf nam het zoo hoog, dat de Staten Generaal zich verpligt achtten om het boekjen te verbieden en ƒ 1000. aan die den Schrijver, ƒ 600. aan die den drukker zou kunnen aanwijzen, te belooven. Maar 't placaat werd (quasi) in de Haag tot ostentatie voor den Ambassadeur, maar nergens anders in Holland afgekondigd: en Oldenbarneveld wilde de premie niet verdienen. 't Was geschreven door een Remonstrantsch Predikant Taurinus, die er wel voor betaald was.
Had Engeland een Anti-barneveldsche Oratie gedaan, Frankrijk moest nu (naar de volstandige regel) een redevoering en sens inverse laten doen. Dit geschiedde door den bekenden Maurier (d'Aubery), die voor het uitstellen van de decisie was, tot men 't van zelfs met malkanderen eens wierd. - De Prins deed zelf een reis door Holland en schreef ook brieven aan de steden over den tegenstand tegen 't Synode, 't aannemen der waardgelders, 't afvergen van nieuwe eeden en verpligtingen aan de bezettingen, tegen zijn gezag, en 't recht der gerechtshoven; alles ten einde zij op de aanstaande Staten-dagvaart beslagen ten ijs zouden komen, zoo als ook Amsterdam, Enkhuizen, Dordrecht enz. dit alles tot punten van beschrijving gemaakt wilden hebben; schoon de acht anderen dit zochten af te weeren. - Op de Staten-vergadering verzocht Oldenbarneveld al wederom zijn ontslag, en werd ook weêr overgehaald om te blijven: dit was telkens het middel om nog wat meer gezag te krijgen.
Men sprak nu (1618) in Holland van een Provinciale Synode, die de Nationale zoude kunnen voor af gaan als praeparatoir, of volgen als confirmatoir: anderen wilden alleen een Provinciale, en geen Nationale gedogen. Deze echter won een stem meer, die van de tegenpartij afging, en verscheiden steden waren gereed mede om te vallen, als Haarlem zich zeer stijf toonde, stout sprak, en de partij van Barneveld een hart onder den riem stak. Alle echter kwamen zij overeen, dat zij de Wethouders wilden handhaven: en dit (zegt wagenaar) was toch het voornaamste dat bedoeld wierd. Dat stuk, dat Haarlem inbracht was een opstel van de Groot, vol kracht en nadruk, maar op 't oude weêrkomende: door Haarlem moest het ingebracht worden, om dat Dordrecht aan de Contra-remonstrantsche zijde was, en Haarlem dierhalve de eerste stad was die 't woord had van de Remonstrantsche partij.
In Nymegen had men de Regeering opgemaakt om zich niet meer door den Prins te laten aan- of afstellen, als strijdig met de privilegien. - 't Was zoo, 't streed met de oude privilegien; maar als de stad in 1591 aan den Prins overging, werd de Magistraatsbestelling aan hem opgedragen bij voorwaarde, gedurende den oorlog. Quaeritur nu [Nu was de vraag], of 't Bestand vrede dan oorlog was. Reeds was de Prins, zoo lang het Bestand nu duurde in de possessie, en hij ging nu ook voort. Nu klaagde men aan de Staten van Holland, en de acht Antinationale of Antisynodale steden besloten dadelijk daarover aan de Staten van Gelderland te schrijven, die het zich aantrokken; maar de vier anderen wilden niet gedo-
gen dat het op naam van de Staten van Holland geschieden zou: en dus geschiedde 't op naam van acht Staatsleden: maar de Geldersche Staten gaven den Prins volkomen gelijk. - Dit middel om de Synode door oneenigheid in Gelderland tegen te gaan mislukte derhalve.
Overijssel viel ook toe; en de stijfhoofdigheid van de factie die Holland thans regeerde en met Utrecht in een smolt, was voor ieder zoodanig stuitende, dat men 't rond uit onmooglijk verklaarde, dat Barneveld dit zoo rond liet staan, zonder een steun aan Spanje te hebben; en hij openlijk daar van beschuldigd werd. - 't Krielde van geschriften, waarin dit beweerd werd. In andere werd op een geweldig veranderen van de Regeering in Holland gedrongen, eer het te laat mocht zijn. En zelfs de Prins zei, dat hij voorzag dat het eindelijk daar toe zou moeten komen.
Aan zekeren Dankerts, Notaris te Amsterdam, was een geschrift, met zijn naam onderteekend, uit den zak gevallen, waar in hij den Advocaat groote giften uit Brussel verweet. 't Werd Oldenbarneveld toegezonden; deze bragt het in de Staten-vergadering en begeerde, dat men Dankerts van Amsterdam zou halen, om (quasi) zijn beschuldiging te bewijzen. Men schreef daarover naar Amsterdam, en men zette dadelijk Dankerts in civile gijzeling ter voorkoming van evasie ('t geen ook al was wat men doen kon), maar weigerde het privilegie de non evocando te schenden door hem naar den Haag te zenden1.
De Fiscaal werd toen door de Staten naar Amsterdam gezonden om Dankerts daar te hooren: maar men weigerde hem een verhoor, dat te Amsterdam niet gehouden kon worden dan door den Officier ten overstaan van Schepenen, en op decreet van Schepenen; maar niet zonder opening van proces, en buiten alle form. - Barneveld klaagde zijn nood aan de Prinses Wedo. van Oranje, waar hij zeer intiem meê was, en uit wie hij alles trok wat Maurits zeide of deed, dien zij recht Stiefmoederlijk affectioneerde. En deze ried hem een brief aan den Prins te schrijven, ter zijner verdediging. Hij deed het met veel betuigingen van zijn toegenegenheid aan het Huis van Oranje, en schreef ook een vertoog over zijne onschuld aan de Staten van Holland, dat hij ook dadelijk in het licht gaf.
Maar dit veroorzaakte een hagel van nieuwe geschriften tegen hem. Hij arbeidde daar tegen met het gezag der Staten, die premien op de aanbrenging van schrijver of drukker zetteden; en den Advocaat bij openbaar placaat ‘om zijn langdurige en getrouwe diensten in hunne bijzondere bescherming namen:’ zonder dat hij begreep, dat de leden het Hoofd wel beschermen kunnen zoo lang het hoofd ze bestiert, maar niet als dat ophondt: (het geen duizend hoofden van factien en partijschappen bedrogen heeft.)
Lang genoeg had men uit Holland en de andere Provincien misnoegen gezaaid, om er nu een tamelijk aantal korrespondenten te hebben met wie men tegen Prins Maurits correspondeerde. Men begreep, dat de Prins, die in dit alles een meer dan Jobs geduld geoefend had, zoo hij 't eenmaal wilde, wel een eind aan die factie kon maken; en dus dat men dit voor moest komen. Hier toe moest men in Utrecht en Holland een vereeniging van wapenen en van versterkt terrein tot stand brengen, dat tegen Maurits en de Staten Generaal bestand zou zijn, ingeval men het recht der Unie van die zijde wilde doen gelden. Ingevolge van dien was men bedacht, om zich van Schoonhoven en van Woerden, waar eenige zwakke bezetting was, meester te maken. Leyden drong op het laatste; Utrecht op het eerste; en men had reeds ten dien einde korrespondentie in deze plaatsen, om den aanslag te ondernemen. Ja de Rotterdammers zonden er ten dien einde waardgelders naar toe, onder schijn als of zij die ontsloegen, en deze uit zichzelf derwaarts gingen1. Maar men wilde ook de sloten Duurstede, Ter Eem, en Abkou in hebben. Indien dit nu ten uitvoer gebracht was, en derhalve de Inlandsche oorlog begonnen, koomt natuurlijker wijze de vraag op: wat had men dan verder voor uitzicht of plan? Want dit kon toch niet ontveinsd worden, dat met die macht die men in Holland en Utrecht bezat, de troepen waar Maurits en de Generaliteit meester over waren en die zij uit hunne Provincien en uit Duitschland vermeerderen konden, en geheel de
Hollandsche Gemeente niet tevens tegen te staan was. En zoo men Barnevelds partij niet geheel voor zinloos houden wil, zie ik niet hoe men er aan twijfelen kan of zij had buitenlandsche hulp in 't oog, die niet komen kon dan van Frankrijk, of van den Aartshertog. En zeker was de eerste te verr' af, om niet te laat te komen; maar de andere daar tegen, die in Kleef, Lingen enz. talrijk en versch versterkt was, (terwijl men bij Holland de troepen geweldig verminderd had, en nog dagelijks op verminderen drong), juist bij de hand, om in Gelderland en Overijssel te vallen, en daar door aan Barneveld ruimte te geven. En als dit dan zoodanig beschouwd wierd, was er dan ook reden, om van Maurits zijde niet langer te sammelen? En om Barneveld als een vervloekte verrader aan te merken? - En dat er tevens reden was, om hoe zeer dit algemeen genoeg uitgelekt was, het echter (quasi) te willen ignoreeren, verstaat zich; want zoo dit in het proces van Barneveld c.s. opzettelijk geroerd en in 't vonnis uitgedrukt was, gaf men den Aartshertog niet slechts een causa belli [een reden om het Bestand te breken en den oorlog te hernieuwen], maar men moest het dezer zijds ressenteeren en 't Bestand afbreken, het geen in dat oogenblik van verwarring, en bij de versterkte legers van Albertus dolligheid geweest zou zijn. Zoo dat men wel verplicht was, om dit (quasi) te ignoreeren; - en ook buiten dit punt
‘On n'avoit pas besoin de lui chercher des crimes.’
Maar men ziet er uit van wat natuur de opschudding was, der Barneveldsche of Arminiaansche partij. -
Of men Fredrik Hendrik Anti-stadhouder tegen Maurits gemaakt zou hebben, gaat niet zeker, maar daar is (om de bijzondere intimiteit van Barneveld met Prinses Louise) wel eenige schijn voor: ook blijkt uit het verhoor van de Groot, dat Fredrik en zijn moeder zeer in het oog geloopen waren en niet vrij van verdenking. - En verbeelde men zich nu zulk een toestand! En hoe onze Grootvaders dat spel beschouwen moesten! - Zij, die Barnevelds plan [doorschouwden] om Holland, Zeeland, en Utrecht van de Unie af te scheiden, moesten zij nu niet de praeparatoiren erkennen, en de verdeeling der overige Provintien tusschen Albert en Holland te gemoet zien, en de nieuwe Venetiaansche Republiek der Hollandsche Aristocratische Magistraten de kruin opheffen, met Barneveld als Doge aan 't hoofd. Men las het in Barnevelds ziel, en wij lezen 't er nog in, zoo wij hem eenmaal hebben leeren kennen; het geen waarlijk met iemand, die bij al zijn schranderheid, zich-zelven zoo weinig meester was, niet zeer moeilijk is, zoo men den man zelf beschouwen wil, en aan geen portraiten gelooft. [z. de Ophelder.]
Utrecht voornamelijk was bevreesd voor den Prins, en schreef hem een brief van toch niet in de stad te willen komen. Hij kwam er evenwel, en men dorst hem de poort niet voor 't hoofd sluiten; doch hij ging er slechts door naar den Landdag van Arnhem; en men bewaakte hem daar met 4 vendelen Schutters, op de wijze als men Leycester gedaan had. Terstond daarop raadpleegde men daar over het vermeerderen van het getal der Waardgelders; terwijl men bij de
Staten Generaal raadpleegde om ze te doen bedanken.
De Pensionarissen van Haarlem, Leyden, en Rotterdam (de Haan, Hoogerbeets, de Groot,) en een Burmeester de Lange van Gouda, werden door de Hollandsche factie gemachtigd om bij Utrecht, dat alreeds den moed verloren gaf, aan te dringen op het aanhouden van de waardgelders, om de ‘muiters (dus drukten zij zich uit) ‘tot hun plicht te houden gelijk men in Leiden en Haarlem en elders in Holland deed.’ Rotterdam had reeds zijn Secretaris daar over naar Utrecht gezonden; maar desniettegenstaande, werd Ledenberg door de Staten van Utrecht, naar den Prins in de Haag afgevaardigd, met last hem te verzoeken om eenige Staats-troepen, zonder 't welk zij bevreesd waren, die afdanking te doen; maar Ledenberg, geheel aan Barneveld verkocht, in plaats van zijn last uit te voeren, liep naar Uitenbogaart, en daar werd een conventikel van de Groot en Hoogerbeets, de Lange van Gouda, en den Pensionaris de Haan van Haarlem, aan het huis van een particulier belegd (want openbaar dorst men 't niet) en daar werd besloten, dat Ledenberg zijn last niet aan den Prins openen zou, maar te rug keeren met de evengemelde kommissie, om, met de vrij groote partij, die zij nog in de Staten van Utrecht hadden, deze bij hun samenzweering te houden. - Die van Utrecht verlangden ondersteuning in geld daartoe1: zoo niet, moesten zij 't hoofd wel in den schoot leg-
gen bij den Prins. En daar gaf men hun hoop toe; mits zij zich maar niet verhaastten van maatregelen te veranderen. Alle zulke zaken geschiedden door middel en tusschenkomst van Uitenbogaart, die Barnevelds vertrouwde en geheime agent was.
Men geliet zich intusschen in Holland als of men de waardgelders uit nood aannam, maar ze wel afdanken wilde zoo de Prins eenige vaandels waar men affecteerde geen vertrouwen op te stellen, wilde afdanken, en de steden dan met Nederlandsch krijgsvolk bezetten, met last om de Magistraten en Resolutien te beschermen en handhaven, al ware 't ook in zaken den Godsdienst betreffende. Men begrijpt licht dat dit in effecte derisie was: daar echter bejegende men de Staten Generaal meê, wanneer die op 't afdanken der waardgelders drongen.
De Staten Generaal besloten nu eenige hunner Vergadering af te vaardigen nevens den Prins om in Utrecht de waardgelders te doen afdanken. En zes steden van Holland besloten een bezending daar tegen te doen op naam van de Staten van Holland. Zij zonden ook brieven aan den Kolonel van het krijgsvolk in Utrecht ('t geen ter betaling van Holland stond)1 met last nb. van niet dan aan de Staten van Utrecht of de afgevaardigden van die van Holland te gehoorzamen. - De Hollandsche afgevaardigden vertrokken, kwamen in de Statenvergadering van Utrecht en in de Stads-Vroedschap, maar de Utrechtschen dorsten, schoon de afgevaardigden dit wel gewenscht hadden, den Prins niet
uit de stad houden, en deze kwam met de afgevaardigden van de Staten Generaal.
Hun voorstel was 1o. afdanken der Waardgelders en 2o. toestemming in de Nationale Synode. - De Hollandsche afgevaardigden kregen hier kennis van, en kwamen den Prins vertellen dat zij gekomen waren, ‘om met die van Utrecht te raadplegen op een eenparige orde op 't stuk der Waardgelders, en op de verzekering der steden.’ Hij beantwoordde dit koeltjens, en gaf te kennen dat hij wel zag waar 't om te doen was: de anderen maakten er een soort van kijvagie van. Hier op volgde een formele weigering van Utrecht, waar nu de Barneveldschen weêr den boventoon hadden en de anderen overmochten, op de 2 punten; te honender om de bewoordingen en het niet erkennen van de kommissie voor afgevaardigden van de Staten Generaal (het geen, quasi, daar op steunde, dat Holland in die kommissie niet gestemd had). - Amsterdam en de andere rechtzinnige steden hadden ondertusschen de Hollandsche resolutie en kommissie naar Utrecht voor nul verklaard, en zonden nu van hunne zijde een kommissie ter ondersteuning van die der Staten Generaal.
Men had in Utrecht den Prins lelijke afjacht gegeven; en dit was geschied. Maar nu vroeg een der leden: ‘zoo de Prins nu evenwel zelf de waardgelders eens afdankte?’ En nu raakte in de vergadering alles in de war, en men wist niet wat dan. De Hollandsche Gemachtigden zochten hun te beduiden dat men met de Waardgelders den Prins wel 't hoofd konde bieden; maar daar behoorde moed toe, en dit was een vrucht die aan de Utrechtsche karsen-
boomen niet groeide. Ook verklaarden de Hoplieden der Waardgelders dat zij niet tegen den Prins begeerden te dienen: dit verklaarden de Hollandsche afgevaardigden voor trouwloosheid, desertie, overloop, en gekwetste Hoogheid des Lands, want (zeiden zij) die lieden hadden een jaar lang 't geld van Utrecht getrokken, (en 't was dus klaar, dat zij nu hun eed die zij niet als waardgelders, maar als burgers aan Maurits en de Unie gedaan hadden, even zoo wel schenden moesten als die hen daar voor betaalden!) Men stelde evenwel Fredrik van Bacxen tot Opperbevelhebber der Waardgelders aan. Ook den Militaire troepen, wien men bevel gaf, niemand dan de Staten van Utrecht te gehoorzamen, hielden dezelfde Hollandsche afgevaardigden daar een redevoering, waarbij zij ze trachtten te beduiden, dat dit zeer wel bestaan kon met hun eed aan de Unie en aan den Prins; want dat zoo zij tegen dien gebruikt waren, de Prins dan een Tyran was, en men hem derhalve vrij een kogel door den kop schieten mocht op 't krediet van hun (de afgevaardigden van hun betaalsheeren) af. - De Groot zegt dat hij er geen deel in gehad heeft, maar alleen voor de Duitschers en Walen, die men begreep dat geen Neerduitsch genoeg verstonden om dit wel te vatten, dit in het Hoogduitsch en Fransch repeteerde, 't geen toch op zich zelfs een onschuldig ding was!
Dit alles scheen echter niet veel indruk te maken, en men werd zeer verlegen. Nu schrijven naar den Advocaat. - Deze wist geen raad voor 't moment, maar als de fransche gezanten kwamen (schreef hij) zou men wel middel vinden, om den Prins uit Utrecht
te trekken. - De Hollandsche afgevaardigden belastten nogmaals de soldaten ter Hollandsche betaling staande, niemand dan de Staten van Utrecht te gehoorzamen, en leverden den Hoplieden daar 't schriftlijk bevel van de Staten van Holland van over; en zij hadden de stoutheid van daar kennis van aan den Prins te geven, ten einde hem bang te maken. En daar op vertrokken zij uit de Stad, weldra gevolgd of reeds voorgegaan door de Utrechtsche Regenten.
De Prins zeer tranquil, ofschoon niet zonder zorg, deed het Guarnisoen op de Neude in de wapenen komen, waar eenige vendels van buiten bij kwamen, en ontbood daar toen de waardgelders en dankte ze af. - De welmeenende Regenten kwamen hem straks begroeten; de Burgerij een andere regeering verzoeken; en de Prins voldeed daaraan; zoo als hij ook in de Ridderschap en Geëligeerden verandering maakte. De Contra-remonstranten verkregen een kerk.
Nu keerde de Prins naar de Haag en werd door de Staten Generaal en door de zes Hollandsche steden plechtig bedankt. En deze drongen de andere steden om zich ook van de waardgelders te ontdoen. De Groot beduidde de Rotterdammers, dat het niet anders kon. De Leydenaars praesenteerden request aan de Staten Generaal, waar in zij geweldig over den moedwil der waardgelderen klaagden (die zich daar bij de Magistraat aangenaam mêe maakten dat zij de Burgers mishandelden) en over de Wethouders die dien moedwil aanmoedigden. En daar volgde een plakaat op waar bij de afdanking in strenge bewoordingen bevolen werd. Holland had nu tegen
de zaak niet meer, maar had het gaarne nog wat verschoven gehad, doch het ging door, en de afdanking geschiedde alom zonder opschudding. - De Koning van Frankrijk zond Boisise als Gezant hier, om tot eendracht en gematigdheid in de Kerkverschillen aan te manen. Maar hij kreeg tot antwoord dat de Koning deswegens zijn hoofd nu gerust neêr kon leggen, maar den Staat een dienst zou kunnen doen met drie of vier Hervormde Theologanten uit zijn Rijk op de Nationale Synode te zenden. Reeds lag er een brief aan Frankrijk en Engeland gereed, door de Groot opgesteld, om hun 't tegenstelde te verzoeken, die men in zijn Verantwoording vinden kan. De brieven van uitschrijving tot deze Synode waren reeds op den 25 Junij gedateerd en afgezonden. Die van Holland hadden ze ongeopend terug gezonden, maar nu bewilligden Edelen en Steden, Gouda alleen uitgezonderd, daar in, evenwel men maakte nog restrictien, op den 29. - Maar het gevangen nemen van Barneveld, Hogerbeets, en de Groot, en de daardoor ontstane verandering in de Regeering van Holland, verwekte een geheel anderen geest, en deze restrictien verdwenen, behalven dat Gouda bleef dissentieeren.
Wij hebben deze geschiedenis der Remonstrantsche troublen tot aan Barnevelts gevangenis stuksgewijze en in hare bijzonderheden gevolgd, om niet in 't geval te zijn van, met de zaken en gros te nemen, het ongelijk van de eene of andere partij onwillig te verzwaren. Ook heb ik er geene faiten in gebracht dan welke van de sterkste voorstanders van de tegenpartij volmondig erkend en door hen zelven
aangevoerd worden. Een fait koomt er bij, dat aanmerklijk genoeg is: dat is, dat Barneveld zich verklaard zou hebben, dat men 't spel welhaast meester zou zijn door buiten den Prins nog 10,000 man aan te nemen; en hem dan onbewimpeld te zeggen, dat zoo hij zijn streng verder wilde vasthouden men zich aan den Aartshertog zou onderwerpen en overgeven. Vrij wat omstandigheden maken dit waarschijnlijk en, in der daad zoo het in dit oogenblik niet beslist ware geworden, had het daartoe moeten komen; doch ik geloof evenwel niet, dat dit Oldenbarneveld ernst was, maar beschouw het als een bloot voordoen, en dezelfde list, waarmeê hij Engeland en Frankrijk dikwijls tot zijn wil had gekregen. Doch zoo veel is zeker, dat duizenden het geheele Bestand daartoe alleen doorgedreven achtten, om door vermindering van het krijgsvolk Maurits macht te verminderen, en dan zijn gezag te besnoeien door juist dit zelfde middel: meenende Barneveld zich dan even zoo tusschen Maurits en Albertus als te voren tusschen Frankrijk en Engeland, in balans en onafhankelijkheid te houden, en volstrekt Regent der geheele Unie te worden, of, met afscheuring van de Unie, van de drie Provintien die hij regeerde, maar waarvan 't onvoorzichtig gedrag jegens de Kerk hem Zeeland verliezen deed, en in Holland de geheele burgerij tegen maakte. En wanneer wij dit zelfde plan een leeftijd later door de Loevensteinsche factie vernieuwd en de hand aan de uitvoering gelegd zien, is hier naauwlijks aan te twijfelen.
Maar wij zijn thans verplicht, de details die nu van geen gewicht zijn, te laten varen, en zullen de
zaak van de gevangenneming en het Crimineel proces van Barneveld en dezen en gros beschouwen.
Hier komen in aanmerking, 1o. de competentie van die hem gevangen stelden en deden oordeelen; 2o. de schuld, die men hem opleide. - Want wij kunnen hier met de zaak van Barneveld volstaan, als met welke in den grond die zijner Medegevangenen dezelfde is.
Ad 1um; de Competentie.
't Koomt hier niet aan op de Souverainiteit over de Provincien in 't algemeen, aan de Staten Generaal toegeschreven, welke ab initio nu eens door hen gesustineerd, en door de Provincien toegegeven [wierd], dan wederom bij de Provincien gereclameerd, en zonder tegenspraak geoefend. De verwarring in dit stuk, koomt daar uit voort, dat men altijd tweederlei zaken geconfundeerd heeft; het Overbewind en de Souverainiteit. - De Staten Generaal hadden niet de Souverainiteit der Provincien, maar een Overbewind over de Provincien, hun door de Provincien, bij een verdrag over en weder op haar verleend. - En hier doet geene praeseance, of voorrang bij een begrafenis toe, noch ook het kommissie geven of zelfs het aanstellen van Stadhouders in de Provincien, door het kollegie der Staten Generaal, 't geen de Stadhouders, geen repraesentanten, dienaars, of uitvoerders van de Staten Generaal maakte, maar van de provinciale Souverainiteit; even gelijk het assumeeren, of surrogeeren, of aanstellen van een voogd, dien voogd geen repraesentant of dienaar, of bezorger [maakt] van 't belang van den persoon of magistraat die hem aanstelt, maar van de pupillen, waarover hij aangesteld wordt. -
En even weinig was het eed doen van alle ingezetenen der Provincien aan de Staten Generaal een blijk van hun Souverainiteit.
Maar die Staten Generaal (waar door men niet het Kollegie in den Haag vergaderende, maar de Provincien alle te samen en in één lichaam indissolubel vereenigd, verstaan moet) waren een Mogendheid uit Souveraine lichamen bestaande, en deze Mogendheid geconstitueerd en erkend binnen en buiten 's lands. Zij hadden dus de rechten aan een Mogendheid, qua talis [als zoodanig] verknocht, en zonder welke geen Mogendheid begrepen kan worden; en deze rechten hadden de Provincien niet. Want iets anders is een Mogendheid, iets anders, een Souverain te zijn1. - En dus was er inderdaad een vinculum Juris publici tusschen de Provincien, en niet bloot Juris Gentium [een Staatsrechtelijk, niet enkel een Volkerrechtelijk Verbond]. Doch dat vinculum Juris publici was zoo onbestemd, dat de een er een Summum imperium [Oppergezag], de ander een bloot Staatsverbond van maakte, gelijk het in alle anomalien gaat, wanneer men ze tot een factice Systema [eigendunkelijk gevormd stelsel] wil t' huis brengen2.
Doch beschouwen wij 't alleen als een Staats-verbond. - Van zeer vroeg af, was het een verzekering in de verbonden der Vorsten, die zij elkander over en weder gaven, dat zij tot elkanders behoef hunne Leenmannen, beampten, en onderdanen, de tractaten, die zij sloten, mede deden bezweeren en teekenen, ten effecte, dat zij niet alleen zich daardoor verbonden, niets tegen die tractaten te doen, of te helpen doen, maar zoo veel in hun was, te achtervolgen, en zelfs hun Vorst, Leenheer, en Souverain, tot de vervulling daarvan te houden en te dwingen. - En dus was de eed welke door alle Provinciale leden, en alle ingezetenen aan de Staten Generaal gedaan was, niet een eed van getrouwheid en gehoorzaamheid als aan hun Souverain, maar (zonder dat daar quaestie in was van Souverainiteit) als aan een bewind (even als, onder de Graven, aan een Stadhouder, aan een Vice-Gouverneur enz. gezworen werd, waar meê 's Graven Souverainiteit niet leed of betwist werd); maar dit niet blootelijk, doch ook als eed aan die Mogenheid of (wil men) aan de gezamendlijke vreemde Souvereinen op het Tractaat gedaan; het welk ieder individueel in bediening of buiten bediening verbonden werd te onderhouden, zelfs dan als de Souverain het breken wilde. - Zoo had Willem de I, Souverain geworden van een of meer Provincien, zoo had Anjou geen macht om de Unie te breken, maar wilde hij 't doen, zoo mocht geen Staatsdienaar, geen onderdaan van hem, daar in
trempeeren, maar was verplicht hem daar bij te houden1.
Ik zeg, de Unie was een Mogendheid. Maar laat (des noods) de geheele Mogendheid daar, en beschouw de Provincien als onafhankelijke Souverainiteiten. Wanneer een der contractanten niet aan het contract voldoet, heeft elk der overigen, heeft de geheele persona moralis het recht om den overtreder des contracts te dwingen. - Maar dit concerneert de persona moralis met wie men gecontracteerd heeft. - Doch de individuëele die gezworen had het tractaat te onderhouden, hoe is 't daar meê?
De geheele oude en moderne geschiedenis leert ons dat de zulke t'allen tijde als meineedigen en verraders gestraft zijn geworden; en met recht: want zij zijn het.
Maar wie straft die? - De beleedigde Vorst of Mogenheid. - Valt die schuldige door oorlog of anders in zijn macht, hij straft hem: zoo niet, hij eischt hem op, om hem te straffen. En de ontzegging van dien opeisch is jure Gentium een beleediging en een justa belli causa [een rechtmatige reden van oorlog]. En men ziet dus ook dat in dit geval het geen straf is om een daad van den Souverain, uitgevoerd door de zulken; welke grotius-zelf echter admitteert als rechtmatig; maar om eigen eedbreuk en verraaderij van de aangenomen custodie des tractaats.
In 't geval derhalve van de misdaad aan Barneveld c.s. opgelegd, waren de Staten Generaal, als beleedigde Mogendheid, of ('t geen op het zelfde neêrkomt) de Provincien der Unie, als beleedigde Souveraine Provintien, bevoegd, om niet slechts Holland tot terugkeering tot de verplichting die 't Unietractaat meêbracht te dwingen, maar ook den Staatsdienaar, die [misdaan had] met er zich 't werktuig toe te maken (al ware hij niet de dux en 't Caput gregis [de belhamel] geweest) te straffen.
En hier kon men geen privilegia of pacta [voorrechten of verdragen] tusschen den Souverain van Holland en de Staten of 't volk aangegaan, tegen in roepen1; die konden en moesten werken tegen de opvolgers in de Souverainiteit van Holland, en dus tegen de Staten van Holland, die ze nu tien jaren lang zoo fraai verkracht en geschonden hadden met aftrekking van de ingezetenen van hun domestiken en wettigen rechter, en de zaken van justitie, recht, of misdaad, (alle reclamen ongeacht) aan hun lichaam, en aan hun Gecommitteerde Raden, te brengen; maar dit ging geen vreemde Provincien aan, die 't jus gentium, en het geen jure gentium uit het aangaan van het tractaat-zelf volgde en voortvloeide, oefenden. - En wat van privilegien in de Unie gerept was, betrof alleenlijk, en kon op niets anders slaan, dan op de
uitvoering van het bewind door de Staten Generaal in ieder der Provincien te voeren. Maar het was hier geen daad van bewind: - 't was een vindicatie van de Unie tegen een vijandelijk vergrijp, een ding, waarover bij 't tractaat niet voorzien was geworden, en die niet [te] voorzien was; maar praeter spem [onverhoopt] opkwam; en omtrent welke derhalve op geenerlei wijs aan het jus gentium gederogeerd noch iets het minste door de Unie afgestaan was, of betwist kon worden.
Het is zoo: Holland had (in abstracto [op zich zelf, rechtens,]) Barneveld kunnen straffen, door het Hof van Justitie. Maar kon het dit in concreto [in der daad]? Holland had (door Barneveld bestuurd, vervoogd, verleid, mishandeld, onderdrukt, en gedwongen enz., sed non refert [dit doet er niet toe]) Barnevelds plans, oogmerken, middelen, daden en bedrijven goedgekeurd niet alleen, maar voor die der Provincie, voor die van den Souverain der Provincie, aangenomen, erkend, daar zijn sanctie aan gegeven, en zij waren door Holland als eigen daden, als bevelen aan Barneveld gegeven en door hem overeenkomstig zijn last uitgevoerd, gewettigd geworden, en bleven dit nog, en wat meer is, zij hadden hem tegen de gevolgen daarvan en 't ressentant van de Unie en den Stadhouder uitdrukkelijk gewaarborgd en in hun bescherming en sauvegarde genomen; en dit (woordelijk) ‘'t zij hij in Justitie, 't zij hij daar buiten over dit alles of iets van dien, bemoeilijkt mocht worden.’ Ei lieve! konden nu die zelfde Staten van Holland (want de persona moralis [de zedelijke persoon] bleef de zelfde, en dus verre ook nog de personae physicae [dezelfde leden] die
haar uitmaakten) den Advocaat daarover te recht doen stellen, daarover vonnis tegen hem op hun naam en gezag doen uitspreken? wat gedrochtelijk denkbeeld? Hadden zij zich dit benomen? en, zoo 't eens in genere [in 't algemeen] waar is, dat een Souverain volstaan kan, met waar de deditio ad poenam [uitlevering ter straf] door een ander gevorderd wordt, den schuldige zelf te straffen; hadden zij zich hier die keuze niet zelf benomen? Hier toe konden zij aan hun Hof van Justitie geen gezag verleenen: maar nog meer; ook het Hof van Justitie, en geen Gerecht in de Provincie had daartoe of macht of bevoegdheid; immers bij hun geruchtmakende Resolutie hadden zij de judicatuur van alles wat deze troublen betrof aan zich getrokken; en konden zijzelf hem tegen hun Resolutien en bevelen veroordeelen? of konden zij nu ex post-facto [achterna], nu hij, daarop gerust, die bevelen had uitgevoerd, hem door de tegenovergestelde partij doen oordeelen? Zou dit niet de allerschreeuwendste trouwloosheid geweest zijn die ooit begaan was, en waaraan de menschlijkheid repugneert? - Maar zoo zij hem niet zelf kon