terug  begin  verderprepost
[p. 173]

Breeder ontwikkeling en opheldering van sommige punten in dit deel.

[p. 174]

Bij dit gedeelte der Geschiedenis vond ik, van de hand van B. zelf, doch afzonderlijk en van den eigenlijken tekst gescheiden, deze Bijlagen en nadere ontwikkeling der voorname hier behandelde punten aangaande de Godsdienstige en de Staatkundige twisten en beroeringen, ten tijde van het, der jonge en nog pas gevormde Republiek opgedrongen, twaalfjarig Bestand. - Om deze stukken, als vroeger bij het Derde Deel, geheel achter aan te plaatsen, daartoe schenen ze mij te gewichtig en met den voornamen inhoud van dit Deel te naauw verbonden; - en ze tusschen de gewone Bijvoegselen en Ophelderingen te verstrooijen, behaagde mij ook niet. - Ik besloot dus ze daarvan afzonderlijk en vooraf, terstond achter den tekst dezes Deels te plaatsen; en laat daarna de andere Bijvoegselen en aanmerkingen, van den kant van B.'s Handschrift, of uit de excerpten zijner Toehoorderen, of mijne eigene, volgen.

H.W.T.

[p. 175]

Breeder ontwikkeling en opheldering van sommige punten in dit deel.

De vijf artijkelen in de Remonstrantie 1610 begrepen. (Bij Bladz. 17).

1o. ‘Dat het decreet van verkiezing niet is het vrije welbehagen Gods, maar eene voorziening omtrent hen die gelooven of niet gelooven zullen.’

 

Ergo beslist niet, maar onderstelt;

is geen decreet, maar gevolg van een decreet; of wel, van een ondersteld toeval; of wel, van den mensch zelv' afhangende,

et sic Deus in incerto est [en aldus is God in het onzekere],

in indifferentiâ positus [onverschillig],

ac merè spectator [en een bloot aanschouwer].

 

2o. ‘Dat Christus de zaligheid voor allen en een iegelijk door zijn lijden verkregen heeft, doch op voorwaarden van te gelooven, en 't welk zij die zalig worden, zich door het geloof moeten toepassen.’

 

Ergo Deus non curat quis salvetur vel pereat, remque totam homini committit [dus bemoeit God er zich niet mede, wie behouden wordt of verloren ga, en laat de geheele zaak aan den mensch over].

[p. 176]

3o. ‘Dat aan alle menschen, zonder onderscheid, eene genoegzame genade is medegedeeld; (en deze) bestaande in het licht der Natuur en in de krachten den mensch na den val overgebleven, waardoor hij zich tot de bekeering zoodanig kon bereiden dat er niets meer ontbrak, dan door vermaningen uit Gods woord op een zedige wijze overreed te worden.’

 

Ergo quod sufficit, non sufficit [het genoegzame, is dus ongenoegzaam].

Overreed: waartoe? om te gelooven?

of, om te willen gelooven?

Het laatste helpt niet, en

het eerste is een uitwerksel van vatbaarheid, die van ons niet afhangt, en zeer onderscheiden is in de verschillende personen:

En dit onderscheid van vatbaarheid moet dan toch weèr van God afhangen.

Zoo dat dan Gods voorschikking toch 't radicaal wordt.

 

4o. ‘Dat het werk der Zaligmakende Genade slechts zedelijk is, en alleen bestaat in vermaning, noodiging, en overtuiging, zoo dat het altijd aan 's menschen vrijen wil staat, zich al of niet te willen bekeeren en de genade Gods aan te nemen of te verwerpen.’

 

Ergo men wil om dat men wil willen.

En - wat helpt het willen, daar overtuiging niet van den wil afhangt, maar resultaat is van individuëele vatbaarheid?

 

en 5o. ‘Dat dezulken die aan de zaligmakende genade reeds deel hebben, haar wederom kunnen verliezen; en dus verloren gaan.’

[p. 177]

Ergo is de genoegzame genade van art. 3, niet de zaligmakende.

Ergo zegt dit: dat de overtuiging weêr verloren kan worden, niets meer; En van bloote redelijke of menschelijke overtuiging is dit waar. - Maar deze kan geene Zaligmakende Genade heeten.

Ergo wordt ons eeuwig heil gants afhanklijk van onze meer of mindere vatbaarheid ter overreding (als art. 3 't noemt), en van de bestendigheid van die vatbaarheid.

Maar deze vatbaarheid en haar bestendigheid, van waar is die? - Ons-zelven geven wij ze toch niet. 't Is dus van 't geval (het geen non-sens is), of ('t eenige dat er overblijft) van gods schikking, die, God onveranderlijk zijnde, en zijne determinatie in zich-zelven hebbende, eeuwig moet zijn en ons praeexisteeren; en dus met één woord: van de praedestinatie.

prepostterug  begin  verder