terug  begin  verderprepost

[Over de zaak van Barneveld c.s.

Men vergunne mij ook nu wederom van de gelegenheid der uitgave dezer Geschiedenis gebruik te maken, om mijne eigen denkbeelden over de zaken rondborstig voor te dragen - en aan het bescheiden oordeel van den Lezer te onderwerpen. Ik zal dezelve, over de gewichtige zaak van Barneveld in haar geheelen omvang, hier in eenige, min of meer samenhangende, aanmerkingen bij een voegen.

 

1.) Men zou de Remonstranten te veel eer aandoen, indien men zich verbeeldde, dat oldenbarneveld en zijne meerderheid der Hollandsche Staten eigenlijk partij namen voor - en martelaars werden van - de Vijf Artikelen, en de daarin vervatte leer aangaande de Praedestinatie c. ann. - Er was omtrent de Kerkelijke zaken een dubbele, even principale, quaestie; van welke de andere, over de betrekking van Kerk en Staat, zeker de Politieken wel het meest ter harte ging. - De quaestien liepen wel in een, om dat de Arminiaansch-gezinden, vrezende in de Kerkvergaderingen bij kerkelijk oordeel het onderspit te delven, zich hechtten (accrocheerden) aan-, en verscholen achter, den Staats-tabberd; en de Staatslieden gretig deze gelegenheid aangrepen, - zoo al niet om wraak te ne-

[p. 267]

men voor den last dien zij ten tijde van Leycester van de Predikanten gehad hadden; althans - om nu door de Predikanten zelve meester in de kerk te worden: - Doch onpartijdige gelijktijdige Schrijvers, en die niet onmiddelijk in de zaak betrokken waren, dragen de zaak stellig voor, gelijk ik hier gedaan heb. - Theod. schrevelius, Rector te Haarlem, was Remonstrantschgezind, doch gematigd: te Haarlem wegens zijne gezindheid afgezet, werd hij te Leiden weer aangesteld; aldaar in zeventigjarigen ouderdom, op de meestvereerende wijze, Emeritus verklaard, terwijl zijn zoon cornelius in zijn plaats aangesteld wierd, keerde hij met der woon naar Haarlem terug1, en beschreef aldaar zijne Harlemias, welke hij in de Latijnsche taal te Leiden 1647, en door hem-zelf vertaald, te Haarlem in 1648 (in 4o) in het licht gaf2. Bij gelegenheid van het geen na het sluiten van het Bestand, te Haarlem in de Stads- en Kerkelijke zaken - en met hemzelven - voorgevallen was, haalt hij de twisten van den oorsprong op; en zegt p. 132: ‘quaestio incidit plena odii et invidiae, de summi Magistratus jure, et potestate circa sacra; Subnatae etiam circa annum 1597 va-

[p. 268]

riis in locis quaestiones - de aeterna Dei praedestinatione, de vocatione hominum ad salutem.’ - en p. 133: ‘Ita controversiarum in multos annos nec finis, nec modus. Adversus haec mala diu quaesita remedia, nequicquam: aliis Ordinum authoritatem; aliis potestatem Ecclesiasticam tuentibus. Ita duo articuli potissimum controversi in Belgio fuere. Quorum prior inter Ordines et supremas potestates, et personas Ecclesiasticas, hic fuit: An legitimo Christiano Magistratui conveniat in rebus Ecclesiasticis ordinem praescribere, in iis quae relligionem, aut doctrinam aut regimen Ecclesiae tangunt, ut vera et Christiana relligio subditis, et Ecclesiae nutritiis, in omni puritate, quae S. Scripturae conformis doceatur, utque in rebus Ecclesiasticis secundum ordinem ad aedificationem omnia administrentur, ad averruncanda schismata et scandala? Articulus alter, an sententia de divina Praedestinatione jam recepta cum annexis tolerari possint.’

 

2.) Ik heb altijd te minder medelijden met Oldenbarneveld gehad, (behalve wegens het geval van Pescarengis c.s. te Leiden: z. bov. VII D. bl. 270, en 't welk ik voor een waren Justitie-moord houde;) sedert ik van wagenaar-zelf geleerd heb, dat hij eigenlijk het slachtoffer is geweest 1o. zijner (in den letterlijken zin) onbegrensde eerzucht; door liever zijn personeel en inconstitutioneel overwicht in het beleid der Landszaken te willen behouden, dan, toen er de gelegenheid toe was, en hem die aangewezen en er op aangedrongen wierd, 's Lands Regeering op een vasten voet te willen brengen, waarbij hij een zeer aanzienlijke, doch meer bestemde waardigheid zou gekregen hebben; 2o. van een ongegronden - indien slechts wezenlijken en niet enkel kwaadwillig voorgewenden - argwaan tegen Prins

[p. 269]

Maurits, als stond die naar de Souverainiteit over deze Gewesten.

Wat het eerste betreft, zie men in wagenaar's XXXVI Boek, § 22, 23 (IX D. bl. 449-456) het behandelde onder de Lemmata: ‘Handeling over 't veranderen van den vorm der Regeering. - Tegenwoordige gedaante derzelve. - Groot gezag van Oldenbarneveld. - Gebrek in den tegenwoordigen vorm der regeeringe. - Middel om het te verbeteren. - Zwaarigheid om er Oldenbarneveld in te doen bewilligen. - De handeling blijft steeken.’ - en voorts van wijn in zijne Nalezingen op Wagenaar, I D. bl. 327 v. en 332; die, onder alle betuiging van eerbied voor Oldenb. (welke hij in zijne politieke denkwijze natuurlijk hebben moest) erkent, dat Oldenbarneveld ‘van die geaardheid was, dat geene omstandigheid hem ligtelijk zou hebben kunnen beweegen, tot het aanvaarden eener bedieninge, in welke hij eene vermindering had moeten ondergaan van 't bewind, hem, voormaals, met zoo veele reden, toevertrouwd’1.

Ad 2dum: Had Oldenbarneveld, gelijk hij sedert heeft voorgegeven, in de daad reeds ten jare 1600 vermoeden opgevat, dat Maurits naar hooger gezag in de Regeering stond, dan was het nu in 1609 de tijd en had hij de gelegenheid, die zucht te wijzigen of te teugelen,

[p. 270]

daar Maurits zich had zullen laten genoegen met de waardigheid van President van den nieuw in te richten Raad van State, waarbij Oldenbarneveld zelf het Ambt van Zegelbewaarder der Vereenigde Provincien bekleedende (v. wijn, Nalez. I D. bl. 332), aldus, als het er op aan kwam, zelf het Veto in de hand had, om aan een onwettig besluit van dien Raad of deszelfs Voorzitter, de onderteekening en uitvaardiging te weigeren1. Men zie voorts de aangehaalde plaatsen van wagenaar en v. wijn, en wagenaar IX D. bl. 86-88, en v. wijn 's Bijvoegselen en Nalezingen bij die plaats. -

[p. 271]

Doch, gelijk Wagenaar zelf van eenig betoond verlangen of bewustheid van Maurits desaangaande niets heeft kunnen bijbrengen, moet ik hier doen opmerken, en (gelijk men 't in de rechtspraktijk zegt) acte nemen, dat niet slechts v. wijn, Nalez. I D. bl. 331, aan jeannin toestemt, dat maurits geenszins beoogde 't Gemeenebest ten zijnen behoeve in een Vorstendom te doen veranderen; maar dat hij ook daarbij aanmerkt, dat de Raadpensionaris J. de Witt hetzelfde betuigd had. Sterker getuige zal Maurits ten dezen wel niet behoeven. - Hoe bitter dit ongegrond opgewekt vermoeden Maurits gegriefd had, blijkt uit hetgene hij daarover, op het punt dat Oldenbarneveld sterven zou, vertrouwelijk aan walaeus zeide (bov. bl. 219). - En wat Oldenbarneveld daarop zoude geantwoord hebben1: ‘dat hij al van 't jaar 1600 af die vreeze gehad had,’ (wagen. X D. bl. 361. Brandt Rechtspl. bl. 179 enz.) dit gaat terug op den tijd der expeditie naar Vlaanderen, waar over z. bov. VII D. bl. 196, v. en 299. - (Z. ook bild. bl. 86 van dit Deel.)

 

3.) Bild. zegt bl. 231: ‘dat Barneveld wel gewild zou hebben dat de vier andere provincien’ (buiten Holland, Zeeland, en Utrecht) ‘rechtzinnig Gereformeerd bleven.’ - Dit weet ik niet te rijmen met het geen door bild. telkens meer of min duidelijk aan b. wordt te laste gelegd, van konkelen met Albertus, ook nog in deze Staatstwisten; van Holland enz. van de Unie te hebben willen scheiden; terwijl Gelderland en Overijssel door Albertus bezet zouden worden; ja

[p. 272]

van zich met Holland en Utrecht onder den Aarts-Hertog te begeven: bl. 43-47, 73, 82, 222, 233, en zelfs hier bl. 230. - Mij dunkt, dat indien er quaestie geweest was van partage, en de Land-provincien door Albertus te laten terugnemen, dezelve dan zeker niet hadden kunnen zuiver Gereformeerd blijven; - en indien Holland enz. zich-zelf onder den Aarts-Hertog had willen begeven, met ‘zulk een verdrag, waarbij men vrijheid van Godsdienst hebben zou’ (bl. 234); de andere zich niet zouden hebben kunnen handhaven, maar van zelve hadden moeten toevallen, en zich gelukkig mogen achten, indien zij slechts diezelfde vrijheid van Godsdienst hadden kunnen bedingen.

 

4.) Reeds bij het VI D. bl. 256, Aant., heb ik opmerkzaam gemaakt op de belangrijke wenken die de schrandere j.p. van cappelle gegeven had, nopens de betrekking die er bestaan had tusschen filips willem van oranje (den ouderen Broeder van Maurits), sedert dat die weer in vrijheid was gesteld en te Orange en te Breda gevestigd, en Oldenbarneveld. - Men zie den Filips Willem van Prof. j.p.v. cappelle, bl. 109-114, 120, 126-130, 237-239, 256-259. - Het vermoeden dringt zich mij op, dat filips willem wel eenig onderhandsch deel, 't zij dan meer actif of passif, in die Staatsberoerte, en tot stijving van de partij van Oldenbarneveld, kon gehad hebben1. - Sedert 1609 resideerde hij door-

[p. 273]

gaans te Breda (v. capp. bl. 123, 125). - Den 23sten Julij koos Maurits openlijk partij, en deed den ecla-

[p. 274]

tanten stap van met zijn geheelen hofstoet in de kerk te gaan, die de Contra-remonstranten hadden in bezit genomen (naast het huis van Oldenb.) z. bov. bl. 193. - Toen wierd deze woedend en dorste naar wraak; - die in den Haag niet kunnende verkrijgen, begaf hij zich naar Utrecht, en vertoefde aldaar weken en maanden (om ongesteldheid zoo 't heette, doch die niet zwaar schijnt geweest te zijn)1; en van 't geen hij aldaar al dien tijd gedaan heeft is weinig uitgelekt, doch veel te gissen (z. bl. 193, 194). - In Februarij 1618 sterft Filips Willem, slechts 62 jaar oud, aan een toeval, en terwijl hij anders scheen nog jaren lang te kunnen leven (v. capp. bl. 123-139). - Sedert begon Maurits meer en meer door te tasten; dankte den 2 Aug. de Waardgelders te Utrecht af, in weerwil van al den tegenstand der Hollandsche Gedeputeerden, die zich overhaast uit de voeten maakten, om niet vastgezet te worden (wagen. X D. bl. 231 en v.): doch Maurits liet hun nog vier volle weken om het hoofd gaaf in den schoot te leggen of zich uit de voeten te maken, en pakte ze eerst den 29sten Aug. - toen zij nog slechts drie uren delibererens noodig zouden gehad

[p. 275]

hebben, ‘zoo de Advokaat naderhand verhaald heeft1, om in de Synode ten volle te bewilligen’! - Een weinig te laat is veel te laat!

‘Wat ook de achtbare Staatsman’ (Oldenb. in zijne handelingen met Filips Willem) ‘beoogd hebbe,’ - zegt verder Prof. v. capp. bl. 129, - ‘zeker streed het niet met de eer en het heil des Lands.’ - Toegegeven: namelijk, dat Oldenb. het met zijne conscientie (die bij een oud Staatsman vaak vrij rekkelijk is) wist te plooijen. Maar nog meer toegegeven: ‘een verdrag met den Aartshertog, waarbij men vrijheid van Godsdienst hebben, en voor dwingelandij geen vrees zou hebben;’ zulk een vast verdrag en bestendige staat van zaken, in stede van het ten einde snellend Bestand, streed dan toch wel niet met de eer en het heil des Lands; al had men zelfs daarbij in naam den Vorstelijken rechtstitel van Albertus en Isabella erkend2; indien men slechts niet weer onder Spanje behoefde te vervallen. Maurits moest daarbij weg, dit sprak van zelf; maar hoe, indien men dan Fredrik Hendrik tot Stadhouder van Holland enz. onder de leiding van Oldenb. had genomen, en de Landprovincien, 't zij onder titel van Souvereiniteit, of als Gouverneur-Generaal voor de Aartshertogen, aan Filips Willem had gegeven; dan had men te gelijk een voormuur tegen alle invasien uit Braband, en dus ook ‘voor dwinglandij van buiten geene vrees’ gehad. - Er is misschien meer aan die plans, dan Bild, zelf, volgens bl. 52, schijnt te gelooven; doch hetgene hij bl. 43-45 voor-

[p. 276]

draagt, schijnt waarlijk gegrond. Indien men van den kant van Oldenb. het uiterste wilde wagen, en zich van den thans gehaten en onverdragelijk geworden Prins, maar dien men voor een kloek en dapper krijgsman kende, ontdoen (z. No. 6), moest men dan niet rekenen op Albertus en Spinola? - Ik bepaal mij dus liever, tot hetgeen mijn vriend v. cappelle op zijne boven aangehaalde woorden onmiddelijk volgen laat: ‘wat hij (Oldenb.) ook beöogd hebbe, zeker is het niet ten uitvoer gebragt.’ - (Z. voorts No. 6.)

 

5.) Ten aanzien zulker (of andere) handelingen met Albertus, is het eene gewichtige aanmerking van bild. bl. 44 en 223, dat, al was er volkomen van gebleken, er toch in de toenmalige omstandigheden in de vonnissen geen gewag van had kunnen gemaakt worden: hetwelk dan ook wederom aanleiding gaf om er minder scherp op te inquireren. Men herinnert zich echter den brief van de Staten Generaal, ten tijde van Barneveld's executie afgezonden aan de Staten der resp. Provincien; waarbij zulk vermoeden niet onduidelijk te kennen gegeven, en in zoo verre het in de vonnissen zelf ontbrekende, aangevuld wordt1. De groot, brand, en wagenaar, achtervolgens, hebben goed argumenteren daartegen: de stukken van het proces, en de veelvuldige en langwijlige verhooren en buitenaf ingewonnen informatien, zijn nooit algemeen bekend geworden. - Wagenaar in zijn 28ste en 29ste Boek (X Deel) haalt eenige, meest over de Utrechtsche zaken in 1618 loopende, aan: doch ten opzichte van vermoede vroegere handelingen met Spanje of Albertus,

[p. 277]

vermeldt hij bl. 348-352, eerst, ‘in handen te hebben een oud afschrift eener verklaring van den Griffier Aerssens, zonder dagteekening, en naar 't schijnt, niet voltrokken:’ - daarna spreekt hij van twee verklaringen van Nic. van Berk, Burgemeester van Utrecht, de eerste van d. 28 September 1618 (ouden stijl), waarvan hij geen afschrift had kunnen bekomen; - ‘doch (voegt hij er bij) op den 21sten van Wintermaand wordt hij, wegens deze verklaring, onder eede op zekere vragen gehoord, die mij, nevens de antwoorden, ter hand gekomen zijn:’ - (denkelijk uit de papieren van Uytenbogaard; z. dezes Leven en Verantwoording, Cap. XI en XIII). Hij geeft het een en ander daar nit op; ook wat Uytenb. betreft, en wat deze (t. aang. pl.) daarop geantwoord had. Evenwel acht ik het niet overtollig, hier een oud en blijk baar gelijktijdig geschrift in te lasschen, dat mij ter hand gekomen, en (ofschoon ongeteekend) blijk baar een recollectie is, door Burgemr. van Berk, na het gemeld verhoor van 11/21 December, tot zijn eigen herinnering opgeteekend. Men hoort dus hier den man geheel met zich-zelf alleen, gemoedelijk opschrijvende wat hij zoo even onder eede had verklaard1:

 

‘Den 9 desember 1618.

Is tot my gecomen Sr Pots Secretarius over het exame van Bernevelt, ende dander gevangenen, mijn verwittigende, mede die aencompste van eenighe heeren Gecommitteerde, van wegen de heeren Staten Generaal als de heer voochgt van wegen gelderlant de heere van

[p. 278]

Sweden [Swieten] ende duijck van wegen hollant, ende van wegen de stadt Groeningen ende omlanden Gockinga, dat de selve heeren myn hadden doen groeten, ende laeten weten, dat haer Ed. mijn sauden comen aenspreken soo de selve hier waren, gecommitteert om eenîghe naerder In formaetie te nemen, op eenige persoonen ende saecken.

 

‘Den 11 [N. St. 21] desember 1618.

Sijn de voornoemde heeren tot mijn gecomen voor den middach, om te reculeren [recolleren], die verelaringe, die jck voormaels, gedaen hadde, vant t'ghene mijn beiegent was vanden advocaet bernevelt, Soo dat jek daer by persisteerde, Ende soo de selue mijn op nieus versochten, t'selue wedrom by eede t'affiermeren, hebbe t'selue gerne gedaen, ende daer bij gesecht, dat jck verwondert ben, dat die heeren sulex aen my versoecken soo onder de Staten Generael ende de raden van Staten eenige sijn ende andere grooten, die weten wat de selue is mede beiegent, deur den advocaet voornoempt ofte andere, - comen hier nae op propoost vanden Predikant vuijtenbogaert die jck seyde nu in Meij voorleden drij jaren, bij mijn gecomen te wesen vraegden mijn oft ick hier tutrecht wel langer sauden doruen blyuen, ende soo jck begerden te weten waerom - seijde mijn, siet ghij dat niet hoet hier om gaet, dat onsse Soldaeten, ende die vanden vijant, met malkanderen wel eens sijn, die buijten met malcanderen deijlen, ende spelen frere compaengion, wij sijn nu met Spaengien al eens, men sal niet meer orlogen, die van gelderlant, ende oueraijssel, sijn met de selue al geacordeert, als den vijant daer compt, soo sullen de poorten open-staen, ende jogelaten worden, ende wie sal haer beletten op utrecht te comen,

[p. 279]

ghij siet wel hoet hier ghestelt is, ende datmense, hier niet en sal wederstaen, - Waer op jck antwoorde, goede hope te hebben op Godt almachtich, dien jck was vertrauwende dat sulex niet en saude t'hoelaten - ouermits hier nog veul vrome luijden waren, wel geaffecktionneert tot de ware gereformeerde relige, waer op uytenbogaert seijde, jck kenne die van de gereformeerde relige jn holland tamelijck, maer hier tuijtrecht grondelijcken wel, die gene die als de prinssepaelste, van de relige te wesen ende haer juden nachtmael ostenteren, sijn die gene die eerst die huijcke sullen omkeeren, ende met den vijant toevallen om te mogen jn offitie, gecontinueert waerden ende haren staet, die werelt es niet meer, als ghij meijnt, jgelyck soeck sijn proffijet, ende trachten nae sijn voordeel - meer andere onbehoorlijcke woorden, die mij seer verdroten, van zoo eenen predikant, die ons daer jegens hadden behooren te troosten, ende op de genade ende almogentheijts Godes te animeren, soo hebben de voornoemde heeren hier van mede notitie genomen ende t'selue doen aenteijkenen, hoe wel jck lieuer anders ghesien hadde, meynende datse van desergelijcke acktien van vuytenbogaert ende syne trauloesheijt genoech waren, ende conden breeder ginformeert worden.’

 

6.) Maurits moest, bijäldien men met de Aarts- ‘hertogen verdroeg, verwijderd worden.’ (bov. No. 4 aan 't einde.) Dit zou ook, ware men hem meester geworden, weinig zwarigheid gemaakt hebben. Gelijk ik beleefd heb, dat in de troubles voor (en in) 1787 het denkbeeld om den braven Prins willem V den Hertog Lod. van Brunswijk, wien men eerst deze landen te benaauwd had gemaakt, ‘naar Duitschland na te zen-

[p. 280]

den en hem aldaar zijne Nassausche Erfstaten te laten regeeren,’ in schotschriften onder de gemeente verspreid wierd; - heb ik, een jaar 5 à 6 geleden, bij eene boekverkooping te Dordrecht, banden met merkwaardige oude stukjes van deze twisten uit de tijden van het Bestand gezien, waaronder een gedrukt straatliedje met het referein: ‘zend den Mof weer naar zijn land:’ doelende op Maurits, zoon eener Duitsche moeder, Anna van Saxen, (Philips Willem was zoon eener Nederlandsche moeder, Anna van Buren)1. De zaken waren in 1618 in dien staat, dat er eene explosie komen moest: het moest (gelijk men zegt) buigen of barsten; en Maurits handelde niet slechts uit gevoel van recht en plicht als Stadhouder jegens de Unie en de andere Provincien, maar ook uit zelfbehoud.

 

7.) ‘Barneveld zei, na zijne veroordeeling: de Rechters hebben niet naar 't hetgeen voorheen wettig was, geoordeeld, maar naar 't geen men nu daar voor houdt (bladz. 216).’ Bild. heeft daarbij de weerleggende aanmerking: ‘Namelijk: vóór de Unie - na de Unie - Barneveld wenschende de Unie te verbreken, moest naar zijn plan en inzicht dus handelen.’ - Hier geloof ik, dat bild. Oldenbarneveld niet begrepen of deszelfs bedoeling onjuist voorgesteld heeft. Het zeggen van Barneveld schijnt mij eenige waarheid te hebben,

[p. 281]

en zijn beklag niet geheel zonder grond te zijn. - Namelijk: de Arminiaansche quaestien en personele veeten (van Oldenb. en Aerssens enz.) ter zijde gesteld, vind ik in den toenmaligen politieken twist, de bestendige (ja helaas! ook nog aanwezige en zeer zorgelijke!) quaestie tussen Centralisalie en Federalismus; toen vertegenwoordigd door de Oppermacht van het lichaam der Staten Generaal, of, daarentegen, de resp. Provinciale Staten. Hieromtrent kon men, van weerszijde ter goeder trouw, in opinie verschillen1. De zaak was noch door de Unie van Utrecht of latere Verdragen, noch door genoegzaam blijkbare en bestendige praktijk uitgemaakt. Het was eigenlijk meer eene quaestio de jure (publ. foed. Belg.) constituendo, dan de jure (satis et aperte) constituto. Maar de ééne partij, van vijf Provincien èn de beide Stadhouders, verbitterd over den langdurigen, en onwettig gewapenden, tegenstand van twee provincien, tastte dóór, en besliste, voor thans, de zaak, facto. - Maar nu werden de hoofden der onderliggende partij getrokken voor eene rechtbank ex post facto gekozen uit lieden van het tegenstrijdig systema; en werden beschuldigd van misdaan te hebben tegen een Staatsrecht, waarin die Rechters geloofden; doch het welk zij. (beschuldigden) niet erkenden; en 't welk ook in de daad nu eerst tot Staatsrecht wierd: - doch na den dood van willem II, in de Groote Vergadering en onder J. de Witt, voor het tegenstrijdige stelsel plaats moest maken2. (De weder-omwenteling onder

[p. 282]

Willem III. was meer ten voordeele van zijn personeel gezag, dan van dat der Staten Generaal; terwijl na zijn dood het systema der kleine Souvereiniteiten zoo ver wierd uitgestrekt, dat schier elke stemmende Stad in haar-zelve Souverein wilde zijn: waarmede dan ook alle kracht en klem der Republiek, naar buiten en naar binnen, verloren ging.)

In zóó verr' stierf dus Barneveld als Martelaar van Staat. Namelijk, van de Hoogheid zijner (adoptive) Provincie Holland. Maar wie hem prôneert als martelaar van 't geen wij thans Vrijheid in den Burgerstaat - of politieke vrijheid, d.i. bepaalde invloed der Burgerij op de Regering, noemen, heeft van de zaken geen het minste begrip.

 

8.) Het was, gelijk ik zeide, de quaestie tusschen de Souvereiniteit der denkbeeldige eenheid (doch wat is eene persona moralis anders? -) der unie, of van die der Staten van Holland enz. - de quaestie tusschen centraal gezag en federalismus: en Prins Maurits deed op d. 29sten Augustus 1618 in de daad even hetzelfde, wat op d. 28sten Januarij 1798 de zoogenaamde Revolutionairen, d.i. de consequente en doctrinaire omwentelaars van 1795, P. Vreede, W. Fynje, c.s. - met dit onderscheid slechts, dat in 1618 het naaste voorwerp van geschil, en de prijs der overwinning, was een Nationaal Synode; in 1798, een Grondwet voor de Bataafsche Republiek, uitgaande uit - en gegrond op - het beginsel van Eenheid en centraal gezag.

[p. 283]

9.) Een merkwaardig blijk en gevolg van deze gelijkheid van aard, is in het veelbesproken stuk der Gedelegeerde Rechters. - Dat de Staten Generaal de toenmalige Staatsgevangenen lieten vonnissen, is ten genoege verdedigd door kluit Hist. der Staatsreg. III D. bl. 138-145. Daar er nu geen Generaliteits-Rechtbank bestond - en NB. de beschuldigden tot twee verschillende Provintien behoorden - moest er een eigen Rechtbank ad hunc actum gevormd worden: en dit bleef aldus geschieden bij nieuwe beschuldigingen van misdaden tegen de Unie, zoo lang het nu tot stand gebrachte Staatsrecht duurde: b.v. in de zaak van Mom en Botbergen, in 16211; zoo ook nog onder Fredrik Hendrik, in 1626 (bild. bov. bl. 108), en in meer gevallen. - Maar juist hetzelfde heeft plaats gehad2 na die Centraliserende Omwenteling of Coup d'État van 22 Januarij 1798. Toen werden een paar Leden van de Nationale (of toen genaamd Constitueerende) Vergadering met veel ophef beschuldigd en in hechtenis gesteld, als hebbende eene Staatsmisdaad begaan; en de toenmalige Vergadering begreep, dat dezelve niet moesten te recht gesteld worden voor het Hof van Holland, maar door eene ad hunc actum benoemde Commissie van Gedelegeerde Rechters. - Doch eer die buitengewone Rechtbank tot stand gekomen was, gebeurde er een nieuwe Staatsschok, waarbij de bedrij-

[p. 284]

vers van d. 22 Januarij uit het bewind geraakten en door lieden van een flaauwer democratischen geest vervangen wierden: en bij het toen daargestelde Intermediair Wetgevend Lichaam geschiedde weldra de motie, om van die Gedelegeerde Rechters geen gebruik te maken, maar de zaak - NB. evenwel bij delegatie - op te dragen aan het Hof van Holland. Het geen geschiedde1.

 

10.) (Bladz. 64, 232.) - Wat betreft het niet geven - d.i. niet opdringen - van gratie aan Oldenb. - Wie de aanmerkingen van o.z. van haren met de aldaar bijgevoegde van bilderdijk (breeder in de uitgave van 1826), en die van kluit, III D. bl. 158, 159 - of slechts het kort en naïf antwoord van Maurits op den breeden en bewegelijken brief van Willem Lodewijk (beide ald. bl. 499-5042) gelezen heeft, en de ge-

[p. 285]

steldheid der zaken en gemoederen, waar de pas gefnuikte partij zoo trotsch en wrevelig was, in aanmerking neemt (en, als billijk is, de thans heerschende zachtere denkbeelden over doodstraf in 't algemeen, en vooral om politieke misdaden, ter zijde stelt); zal Maurits wel kunnen beklagen, dat hij het vonnis, waarop het niet blijkt dat hij invloed geoefend heeft, moest laten zijn gang gaan: maar in billijkheid moeten erkennen, dat hij niet anders kon handelen, zonder zich en zijne zaak te verraden, en nu hij alles gewonnen had, zich overwonnen te geven. Het ware nu een feitelijk stuiten van een gewezen vonnis geworden; en dus eene duidlijke bekentenis - die men zeker niet nagelaten zou hebben er uit te trekken - dat of het vonnis onwettig, of onrechtvaardig was, of dat hij het niet durfde te laten voltrekken1.

 

11.) ‘Men weet, dat Barneveld op het schavot tot het volk zei: “Mannen, gelooft niet dat ik een ver-

[p. 286]

rader ben; ik sterf als een goed patriot.” Z. bild. bl. 222; wiens aanmerking hierbij, ald. en bl. 223, mij in zoo verre juist toeschijnt, dat hij gevoelt, dat Barn. wilde doen opmerken, dat hij niet als Verrader, of om menées met den vijand (hoe veel daarover ook in de precedente informatien mogt voorgekomen zijn z. No. 5), was veroordeeld. - Maar dus kon, ja moest Barn. ter goeder trouw in de opinie zijn, dat men hem dit niet als strafschuld aangerekend had (z. bild.-zelf, bl. 84), en mocht dus trachten, dat lak, dat hij wel wist dat bij velen hem aankleefde, van zich af te werpen.

Doch men merke hier tevens op, de oorspronglijke beteekenis van dat in onze staats-geschiedenis (welke helaas! grootendeels slechts die is van onze staatsgeschillen) naderhand zoo befaamde woord patriot. - Het is bij ons reeds ontstaan en als partijnaam algemeen geworden in den bevrijdings-oorlog tegen Spanje1: ‘men gaf den naam aan hun, die 's Lands zaak, tegen de dwingelandij, waren toegedaan;’ en dezen maakten er eene eernaam van; en zoo teekende Willem van Oranje (het hoofd en de ziel van die partij) zich in een brief aan de Algemeene Staten reeds in 1577, ‘uw geaffectioneerde Vriend en Patriot.’ Z. van wijn, Nalez. op Wagen. I D. bl. 290, v. - Het waren de genen, die het denkbeeld en de behoefte aan een eigen Vaderland, als zelfstandigen Staat, niet als een onderhoorig wingewest van een vreemd rijk en natie, levendig en diep gevoelden, en daar alles voor over hadden. Z. mijne aanmerking bov. bl. 252 ond. aan en 253.

[p. 287]

12.) De hoogstmerkwaardige berichten omtrent de laatste uren van Barneveld, bl. 214-223; zijn ‘uit eigenhandige aanteekening van walaeus,’ die, volgens bild. bl. 83, mede een Oud- (enz.) Oom van hem was. Doch men verbeelde zich daarom niet, dat bild. eenige bijzondere eigenhandige aanteekeningen van walaeus gebruikt heeft. In tegendeel is al wat B. aldaar heeft, blijkbaar vertaald uit het Latijnsche Vita walaei, dat voor de tweede vermeerderde uitgave zijner Opera Omnia, Lugd. Bat. 1647, gevonden wordt. Doch ook baudartius heeft tot het breed verhaal, dat hij, XI B. f. 52-56, van die omstandigheden doet, eigenhandige aanteekeningen van walaeus gebruikt1; gelijk dan ook zijn verhaal, behalve eenig verschil in orde, en enkele van elders bijgevoegde punten, met het Latijusche Vita Walaei volkomen overeenstemt. Dat het Latijnsche verhaal, waarvan zich bild. bediend heeft, onmiddelijk uit die Aanteekeningen van Walaeus is opgesteld, is niet zoo volkomen zeker, als wel, dat er geene reden is, om aan deszelfs authenticiteit te twijfelen: blijkens 1) de volkomen overeenstemming met het verhaal van baudartius, dat uit die aanteekeningen gesproten was; 2) om dat de Schrijver van dat Leven (ik denk, jo. walaeus, zoon van ant. en Medic. Prof. te Leiden) dat gedeelte van het verhaal begint met te zeggen: ‘non ingratum erit illius (Barnev.) extrema

[p. 288]

audire, quae Walaei ore habeo, et ejus manu invenio fuisse annotata:’ 3) om dat het geheele zeer omstandige en vol kleine bijzonderheden zijnde Vita Walaei, blijkbaar uit aanteekeningen, of wel zeer pertinent verhaal van hem-zelven, is opgesteld.

Dat Walaeus, gelijk bild. schrijft bl. 83 aant., reeds te voren personeel toegenegen geweest zou zijn aan Barneveld, is mij even min gebleken, als dat Barn. Walacus (uit hoofde hiervan) uit de Synode zou hebben laten halen, om hem in zijn uiterste bij te staan. Van beide blijkt veeleer, uit het geheele verhaal van Walaeus-zelf, het tegendeel; en Barn. had slechts even te voren zijn doodvonnis vernomen, toen Walaeus, die inmiddels, van wege de Rechters, en door een uit hen, van Dordrecht gehaald was, bij hem gebracht wierd.

 

13.) Dit betrof slechts eene kleine, en weinig ter zake doende, onnaauwkeurigheid van bild.: hoedanige ik onpartijdig vermelde, waar zij mij voorkomen; zonder dat ik zijn geheele Geschiedwerk kritisch kan gaan nastudeeren om ze te zoeken. - Maar van meer gewicht is, het gene ik te zeggen heb over de verschillende voordrachten van Barnevelts laatste uren, bij walaeus en baudartius (dat eigenlijk hetzelfde is), en in de (zoogenaamde) Waarachtige Historie van (enz.) J. van Olden-barnevelt. Deze laatste, veel breeder, en overal hatelijk gekleurd, en opgegeven als het verhaal van Barnevelts dienaar, Jan Franken, is door de latere partijdige Schrijvers geheel gevolgd; door hen die schijn van onpartijdigheid wilden geven, als brand en wagenaar, nevens het eerste bericht, als eene tweede bron voor die geschiedenis, vermeld. Maar het blijkt, deels uit de geheele toedracht der zaak, deels uit de stellige en met redenen bekleede verklaring en desaveu van

[p. 289]

gemelden Jan Franken zelven1, dat dit tweede verhaal volstrekt geen geloof verdient, en door een deftig en onzijdig Geschiedschrijver geheel had moeten verworpen worden2.

 

14.) - Ik maak een afzonderlijk No. om, als 't ware met een Fiat Insertio, opmerkzaam te maken op hetgeen de Heer wiselius over Oldenbarnevelt zegt, in de Staatkundige Verlichting der Nederl. bladz. 332. Ik schrijf de plaats zelve niet uit, omdat het werk in de boekerij moet zijn van elk die onze geschiedenis met verstand wil beoefenen3.

[p. 290]

15.) Bekend is vondels schimpdicht Geuse Vesper of Krankentroost voor de Vier-en-twintich (in zijn Gezangen, bl. 536). Maar tamelijk onbekend, ofschoon gedrukt, is de Parodie daarop, of Krankentroost voor de vijanden van de Nationale Synode; en nauwlijks iemand zal weten, dat deze tot maker heeft, den braven, godvruchtigen en geleerden Mr. z.h. alewyn, Schepen der Stad Amsterdam1. Deswege, - en om dat zulke troost ook nog niet te onpas komt, - geef ik den Zang en Tegenzang, (die oorspronglijk beide nevens elkander in plano gedrukt staan, doch hetgeen dit formaat niet toelaat):

Geuse vesper, of Kranken-troost, voor de vier-en-twintigh.

Op de wijze: Brande Patinice.

I.
 
Had hy Hollant dan gedragen
 
Onder 't hart,
 
Tot zijn afgeleefde dagen,
 
Met veel smart,
[p. 291]
 
Om 't meineedig zwaert te laven
 
Met zijn bloet,
 
En te mesten kraey en raven
 
Op zijn goet?
II.
 
Maer waerom den hals gekorven?
 
Want zijn bloet
 
Was in d' aders schier verstorven.
 
In zijn goet
 
Vont men noit de Pistoletten
 
Van 't verraet,
 
Uitgestroit, om scherp te wetten
 
's Volleks haet.
III.
 
Gierigheit en wreetheit beide,
 
Die het zwaert
 
Grimmig rukten uit der scheide,
 
Nu bedaert,
 
Zuchten: Wat kan ons vernoegen
 
Goet en bloet?
 
Och, hoe knaegt een eeuwig wroegen
 
Ons gemoet!
IV.
 
Weest te vreên, haelt Predikanten
 
West en Oost:
 
Gaet en zoekt by Dortsche santen
 
Heil en troost:
 
't Is vergeefs, de Heer komt kloppen
 
Met zijn Woort.
 
Niemant kan de wellen stoppen
 
Van dien moort.
[p. 292]
Besluit.
 
‘Spiegel, spiegel u dan echter,
 
Wie gij zijt:
 
Vrees den worm, die dezen rechter
 
't Hart afbijt.
 
Schent uw handen aen geen Vaders,
 
Dol van haet.
 
Schelt geen Vromen voor verraders
 
Van den Staet.
 
J.v. Vondel.

Parodia Vondeliana, of Kranke-troost, voor de vyanden van de nationale synode.

Op de wijze: Had hy Hollant dan gedragen.

 
Heeft zy dan de kerk gedragen
 
Onder 't hart,
 
En gekampt met zo veel plagen,
 
Zo veel smart,
 
Om verbasterd kroost te strekken
 
Stof tot schimp,
 
En den ambtenaar te dekken
 
Met een' glimp?
 
 
 
Maar waarom zo fel verbolgen?
 
Want, wie 't zy,
 
Ieder, die Armijn wil volgen,
 
Staat het vry.
 
't Woelen tegen patriotten
 
Is een grijns,
 
Opgedrongen, om te spotten
 
Met meer schijns.
[p. 293]
 
Hoogmoed en deïsterye,
 
Zwart van gal,
 
Leven nu in poëzye.
 
Eerlang zal
 
't Hart van naweên angstig wroegen.
 
Ach! hoe wreed
 
Doet dit sterrefbedde ons zwoegen,
 
Klam van zweet!
 
 
 
Weest te vreên; haalt toleranten,
 
West en oost.
 
Gaat en zoekt by pasquillan ten
 
Heil en troost.
 
't Is vergeefs: 't ontwaakt geweten
 
Spelt nu straf.
 
Spotlust heeft zijn kracht vergeten
 
Bij het graf.
Besluit.
 
Spiegelt, spiegelt u dan, dichters,
 
Wie gy zijt.
 
Vreest de wraak des hoogsten Richters
 
Na de tijd.
 
Werpt op brave kerkhervormers
 
Schimp noch smaad.
 
Scheldt geen vromen voor bestormers
 
Van den Staat.
 
 
 
Zo iemand lust schept in vertalen;
 
Laat hem dan hier het hart ophalen.
[p. 294]

16.) Dit zou mij bijkans brengen tot de Arminiaansche quaestie zelve, en die over de Synode van Dordt, de Formulieren, de Heerschende Kerk, de Tolerantie, enz. Doch ik heb voorgenomen mij voor als nog alleen met de Staatkundige quaestie in te laten. Ook is het stelsel van overheersching der zoogenaamde Heerschende Kerk - onder den naam van bescherming - door den Staat, eerst volkomen tot stand gebracht in en na den tijd van J. de Witt. Voor ditmaal late ik het dus bij de plaats van jo. coccejus; die men voor aan dit Deel gevonden heeft; en bij de aanbeveling om bij baudartius na te lezen in het XI Boek, f. 87-89, het Cort verhaal van eenighe exorbitante proceduyres door het beleyt van weynich personen sedert ettelicke jaren herwaerts jegens de Contra-remonstranten by der hand genomen: - en men sla dan nog eens even een oog op zijn latijnsch gezegde, boven door mij opgenomen bij No. 12, bladz. 287 ond. aan ('t slot van aanm. 1.) -]

 

[Dit laatste blad reeds in de proef staande, ontfang ik het Vijfde Stuk des Eersten Deels van de Bibliotheek der Nederlandsche Geschiedschrijvers des Hn. Mr. s. de wind - nog even tijdig, om de Lezers van bilderdijks Geschiedenis te kunnen verzoeken, bij het VI D. bl. 240 te willen aanteekenen: ‘Z. de wind Biblioth. I D. 5 St. bl. 571-577.’ - Voorts kan ik niet nalaten, den Heer de w. hier mijn openlijken dank te betuigen, voor zijne heusche erkentenis mijner geringe doch welmeenende bijdragen tot aanvulling van zijn verdienstelijk en bebelangrijk werk.

 

H.W.T.]

1[Men zie over hem foppens en paquot aang. bij sax. Onom. P. IV. p. 93; maar vooral ook hem-zelven, Harlem. p. 145, 146, p. 268, 269 en de Dedicatio aan de toenmalige Regering van Haarlem. Hij troostte zich in zijne afzetting met het schrijven van een lief godsdienstig-zedekundig (thans zeldzaam voorkomend) boekjen: Αλεξιϰαϰον sive de Patientia, Lib. IV. L.B. 1623. 12o.]
2[Van de vertaalde Beschrijving is eene tweede uitgave; met platen versierd, en ‘vermeerderd met historísche aanteekeningen tot 1760;’ doch in stijl gemoderniseerd. Weshalve ik, de oorspronklijke uitgave der vertaling niet kunnende bekomen, den Schrijver hier (in den tekst) zijn eigen Latijn laat spreken.]
1Toevertrouwd, ja; namelijk, in een lijdelijken zin: men had het hem laten verkrijgen, en zich aan zijn beleid - en doordrijvendheid - over- en toegegeven: - met zoo veel reden: ja; maar het ongeregeld gezag aan den hoofdleider eener omwenteling met reden toevertrouwd, moet ophouden en geregeld worden, zoodra de nieuwe toestand gevestigd is; en dus was het bij ons daarvoor de tijd, na het sluiten van het Bestand; en jeannin gaf hierin een wijzen en vrienden-raad.
1[Men zegt, dat gysbert karel van hogendorp in 1813, dit Land het gezag van Napoleon doende afwerpen, en den toenmaligen Prins van Oranje inroepende, reeds een ontwerp van Staatsregeling gereed had, dat nagenoeg op zulk een als bij wagen. IX D. bl. 452, 453 aangeduid wordt, zou neergekomen zijn: het welk dan ook beleefdelijk (quansuis) ‘tot grondslag aangenomen’ zou zijn bij de toenmaals benoemde Commissie tot het ontwerpen van de in Maart 1814 ingevoerde Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden; doch zoodanig omgewerkt, dat die geest er geheel uit geraakte. - Wat daar van zij, weet ik niet, en wil of kan dus ook over dat ontwerp van g.k. van h. niet oordeelen: maar ik weet 1.) dat, indien er soortgelijk een regeerings-vorm in 1813 of 1814 had kunnen te pas komen, dan zeker het Kanseliers- of Raadpensionaris-ambt, met het Veto tegen onwettige maatregelen, natuurlijk aan g.k. van h. toegekomen had; - 2.) dat het hem volkomen betrouwd ware geweest; en hij zoo zeer als Oldenbarneveld, tegen schadelijke of onwettige maatregelen, zelfs van een overigens door hem bemind Vorst, manmoedig weerstand hadde geboden en er alles aan gewaagd. - 3.) dat het te wenschen was, dat het eerste ontwerp der Staatsregeling van 1814, van g.k. van h., als een belangrijk historisch document, (dat toch niet eeuwig verborgen blijven kan, en waarvan geen wezenlijke redenen bestaan kunnen om het achter te houden,) in het licht werd gegeven. -]
1[‘zoude geantwoord hebben!’ - Want walaeus vermeldt dit niet; en dus is er geen genoegzame grond om het te gelooven. (Z. ben. aanm. 13, en baudart. ald. aang.)]
1De Heer v. cappelle, ofschoon een uiterst voorzichtig en gematigd man, geeft duidelijk te kennen, dit ook te gelooven. Bl. 128-130: ‘Deze brieven geven stof tot velerlei nadenken. Men leert er de geheime verstandhouding tusschen oldenbarneveld en filips willem duidelijk uit kennen. Wat was 's Prinsen oogmerk? - Het staat wel niet met leesbare letteren uitgedrukt, maar schijnt toch genoegzaam door; het was, om in eene hooge betrekking het Vaderland te dienen. Wie zal dezen wensch laken? Wie hem niet veeleer toejuichen, en zich verheugen, dat ook deze telg van Nassau zich geroepen voelde, om het gebouw te dekken en te beschermen, dat zijn vader had gesticht en ter tinne toe opgetogen? Maar was de vervulling van dezen wensch mogelijk? Kon filips willem wel in eene mindere betrekking geplaatst worden dan maurits? En zoo neen, kon de Nederlandsche Staat de hulp van dezen ontberen? Zeker gedurende het bestand beter dan in den oorlog; maar was het geene ondankbaarheid, in eenig opzigt, al ware het ook in schijn, hem te vernederen, zonder wiens heldenmoed Nederland eene prooi zijner bitterste vijanden zoude zijn geworden? Er is meer. Filips willem beleed het Roomsche geloof, en was hieraan bijzonder gehecht; kon het bestaanbaar geacht worden met de inrigting van den Staat, dat hij niettemin aan het bestuur in een aanzienlijken rang wierd toegevoegd? En zoo neen, zoo hij hiervan bewustheid droeg, hoe dan zulks overeen te brengen met zijne blijkbare begeerte? Dat oldenbarneveld 's Vorsten voornemen in het algemeen begunstigde, schijnt genoeg te blijken; maar wat was zijne bepaalde bedoeling? Hierover ligt een sluijer, dien hij zelf niet goed gevonden heeft op te ligten. Zal men nu tot gewaagde gissingen toevlugt nemen? Een wijd veld staat hier open voor degenen, die lust vinden hersenschimmige ontwerpen te scheppen, en in verbeelding tot wezenlijkheid te brengen; maar tot historische zekerheid kan men niet geraken. Wat ook de achtbare staatsman beoogd hebbe, zeker streed het niet met de eer en het heil des Lands. Wat hij ook beoogd hebbe, zeker is het niet ten uitvoer gebragt. Misschien was voor zijnen geest zelf niet alles duidelijk, en wilde hij afwachten wat de tijd baren zoude, terwijl intusschen zijne leiding van filips willem, die hem gewillig volgde, niet dan nuttige uitwerkselen hebben kon. Maar, zoo maurits en zijne vrienden iets van deze briefwisseling en verstandhouding mogten hebben ontdekt, of zoo zij slechts opmerkzaam geweest zijn op de bescherming, die de Advocaat van Holland steeds den Prins van Oranje verleende, welke vermoedens zullen er dan in hunne borst zijn opgerezen? Hoe zal de vonk van vijandschap, wel gedekt, maar niet gedoofd, hierdoor op nieuw zijn ontgloeid geworden, om, in verband met andere brandstoffen, die het vuur der tweedragt hebben gevoed, eene vlam over Nederland te doen opgaan, die zijne beste krachten dreigde te vernielen?’
1Wagen. X D. bl. 168, 186. (Hij bleef er omtrent drie maanden. Baudart. IX B. f. 86 a .)
1Wagen. X D. bl. 240, uit uitenbogaard.
2[‘der Legitimiteit haar recht laten wedervaren:’ - zou men thans zeggen, in de nieuwe leer van theocratisch Staats- en Volkenrecht die men tracht in te voeren.]
1 Wagenaar , X D. bl. 367 v.; de brief in zijn geheel bij baudart . XI B. f. 61 b .
1Het stuk is, blijkbaar, van dien tijd: of het van n.v. berk eigenhandig is, kan ik nog niet zeggen; doch hoop het nader te kunnen doen. De spelling is letterlijk gevolgd.
1Ik was te Dordrecht slechts bij de openlijke bezichtiging der boeken; maar moest mijne commissien aldaar achterlaten. Die wierden slecht uitgevoerd, en ik kon niet eens vernemen, wie die stukken gekocht had. Ik meen, een verzamelaar in die Stad: doch, wie ook, zal, hope ik, de goedheid voor mij, - en voor de Geschiedkunde - wel willen hebben, die de Heer St. van 's gr. oor mij gehad heeft (z. D. VII. bl. 282).
1Maurits zeide: ‘dat de Advokaat die maximes in Kerk en Staat niet had gevonden, maar ze er in had willen brengen; en dat hij als Stadhouder zich daar tegen had moeten verzetten’ (bild. bl. 219): en ik zie geene reden om aan zijne oprechtheid in zijn begrip te twijfelen.
2Z.s. styl, in zijne merkwaardige Voorrede voor den Tweeden Druk zijner Opkomst en Bloci der Vereenigde Nederl. en wiselius, over de Staaik. begr. onzer Vooroud. bl. 191.
1Z. van wyn, Bijvoegs. op Wagen. X D. bl. 109-111. - Wagen. X D. bl. 421 verzwijgt deze bijzonderheid geheel.
2Ja nog sterker: want in 1618 kwam er de omstandigheid bij, dat de beschuldigden tot twee provincien behoorden; in 1798 waren het beide Hollanders. Dit verklaart dan ook eenigzins de toenmalige verandering van maatregel, waarvan straks.
1Vervolg op wagenaar, 39 D. bl. 289-291 en 40 D. bl. 68, 69; doch vooral de Dagbladen zelve der beide Staatslichamen ald. aang.
2De brief van Willem Lodewijk, doet zijn verstand en hart even veel eer aan: doch men kan dit erkennen, en W.L. prijzen, zonder bevooroordeeld en onbezonnen Maurits te laken. - Maurits is, mijns inziens, in dezen dubbel te beklagen: 1.) om dat hij buiten de mogelijkheid gesteld wierd, om gratie te verleenen, waartoe ik overtuigd ben dat hij van harte genegen was. 2.) Om dat nu Oldenbarneveld door zijne eigen en zijner familie halstarrigheid, over Maurits triomfeert in de gemeene geschiedenis en de publieke opinie. Nu heet Barneveld, de Martelaar van Staat (ja God beter't, voor de Vrijheid); Maurits, de wraakzuchtige, de wreedaart, en wat dies meer is. - Men moet Barneveld den roem geven van consequent en waardig gehandeld te hebben: en ik ben overtuigd, dat in een dergelijke catastrophe ook G.K. van Hogendorp liever den kop had laten afhakken, dan gebogen had.
1Bild. zegt bl. 63: dat Maurits, als Stadhouder van de Unie, niet eens het recht van gratie had (doch hij erkent, dat M. de gratie wel had kunnen verkrijgen: - indien hij ze slechts had kunnen vragen -). Kluit, III D. bl. 159 zegt: ‘dat de beschuldiging, dat Maurits toen van zijn recht van Pardon geen gebruik gemaakt heeft, zelve onwedersprekelijk bewijst, dat hij dat recht bezat: - dewijl anders de pijl geen doel raakt.’ - Zonderlinge gevolgtrekking, voorwaar! Men leze: ‘dat de beschuldiging (enz.) vooronderstelt (enz.)’: dan is de conclusie goed; maar het bewijs is altijd nul. - Maar kluit zelf had bl. 138 aangehaald v. wyn's Bijvoegs. op wagenaar X D. bl. 111, en daar had hij kunnen vinden, dat twee jaren later, in het verraad van Mom en Botbergen, Maurits twee schuldigen pardonneerde; en wel zoodanig, dat hun namen niet in het vonnis vermeld wierden; dus bij wijze van abolitic, zelfs bij gebleken en erkende schuld.
1In zijn uitheemsche form, patriót, schijnt het mij over te staan, tegen het schimpend, waalschgevormd, espagnol (Spanjaart, Spaansgezinde.)
1Dit is reeds opgemerkt door brand, Rechtspl. bl. 181, en de bewijsplaats vermeld: ‘a. walaei Operum. T. II. p. 430.’ (Alwaar de brief gedrukt staat, waarbij baudartius aan Walaeus voor die mededeeling dank zegt. - Baud. zegt er bij: ‘Ik hebbe binnen Gent beleeft de onthoofdinge van Embyse. Barnevelt is waarlick den tweeden Embiese. In mundo semper eadem agitur fabula, tantum sunt diversae personae.’)
1Bij baudart. XI B. f. 52b en 53b. De plaats verdient nagezien te worden.
2Ik ontken niet dat baudartius partijdig tegen de Remonstranten was: doch zijn werk ‘een doorgaand smaadschrift tegen de Remonstranten’ te noemen, komt mij, van den anders zoo gematigden Schrijver van de Bibliotheek der Nederlandsche Geschiedschrijvers, wat te hard voor. In allen gevalle is een smaadschrift nog geen lasterschrift; en ik kan niet nalaten, uit al wat ik van hem weet of ken, baudartius te houden voor een braaf en gemoedelijk man, onbekwaam om de geschiedenis moedwillig te vervalschen. Men hoore hoe hij spreckt in den bl. 287 gemelden brief aan walaeus (Opp. T. II. p. 430.) van den 1 Novemb. 1622: ‘De aenwijsinghe die U.E. mij doet van misslagen bij mij in dese editie begaen, is mij seer aengenaem: ick hebbe ooc selfs hier en daer noch eenige plaetsen gevonden, waervan ick naderhand beter ende breeder bericht ghecreghen hebbe: hope het in dese tweede editie te verbeteren, daertoe ik U wer E. en anderen dergelijcke verstandiger ende ervarener Mannen hulpe ende aen wijsinghen versoeke en supplicere.’ -
3De Heer W. behandelt Maurits zoo billijk en toegeeflijk als mogelijk was in zijn (en het gewone) denkbeeld, dat die wezenlijk naar de Oppermacht gedongen hebbe. De Heer W. was waardig geweest, Maurits volkomen, en niet slechts ten halve, recht te doen. Z. bov. No. 2. bl. 271.
1Hij was een der Leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, waar aan dezelve de meeste verplichting heeft: niet slechts wegens taalkundigee Verhandelingen, waarmede hij het Eerste, Tweede, Derde, en Zevende Deel harer eerste Werken (in quarto) verrijkte; maar ook wegens een Legaat van kostbare, oude, gedeeltelijk unique Handschriften, bevorens door hem gekocht uit de nalatenschap van den beroemden Taalkundigen balth. huydecoper. - Als maker van dit dichtstukjen schrijft mijn Vader hem op, die sedert hun gemeenschappelijk academieleven te Utrecht, tot aan zijn dood toe, zijn boezemvriend was, en wiens stellig getuigenis hier afdoende is.

prepostterug  begin  verder