De Staten Generaal namen dadelijk eenige algemeene maatregelen van voorziening tegen het verrassen van de grenzen in een oogenblik van zulk eene verwarring, en waarin men nog geenerlei vertrouwen op de gezindheid van Spanje had, en verbonden door eene aanschrijving de krijgshoofden aan hun eed den gemeenen Staat gedaan. - Maar op de eerste kennis van de noodlottige gebeurtenis, vergaderde Holland; terwijl inmiddels Dordrecht oogenbliklijk haren Oud-Burgemeester Jacob de Witt herstelde, Delft, Haarlem, Medenblik 't zelfde omtrent hunne Burgemeesters Duist en de Waal en Pensionarissen Ruil en Stellingwerf deden, want Keizer was nu (zijn partij opgegeven hebbende) Fiskaal ter Admiraliteit in het Noorder Kwartier. Amsterdam deed hetzelfde met hun Bikkers, maar met minder ostentatie, en dus minder hatelijkheid; en terwijl het bij de andere Steden de houding had van den boven aard staanden Prins te willen insulteeren, had het hier een voorkomen van een regelmatig toelaten van iemand, die uit persoonlijke inzichten verwijderd was, nu dat inzicht of beletsel van zelve ophield. Het
Duo cum faciant idem, non est idem1, hangt dikwijls aan de houding die men bij de daad aanneemt.
Met recht zegt wagenaar2, dat een dagvaart van Holland, waarop deze lieden hun Steden moesten verbeelden, den geest laat vermoeden die daar heerschen moest. Het was nu (indien ooit) het oogenblik, om zich voor altijd van het overbewind en de overmacht in wier bezit de gezamendlijke Provintien zich ten aanzien van elke afzonderlijk geplaatst vonden, te ontslaan. Dit moest het eerste punt zijn, dat hun ter harte ging, en het tweede, hun aristocratie onafhanklijk en volkomen te maken. Beide betrachtten zij.
Een beschrijving der Provinciale Staten tot eene buitengewone en breede Vergadering in de Hage, ten einde op de vaststelling van den Staat in de werkelijke omstandigheden te raadplegen en besluit te nemen, werd aan de Staten Generaal voorgeslagen, en door een expresse bezending van Holland aan de Provincien versterkt; onder verzekering dat Holland oprechtelijk voorhad, de Godsdienst conform aan de Dordtsche Synode te handhaven, de Unie zoo zij in 1579 bepaald was, na te komen, en de Krijgsmacht volgens de beraamde punten te onderhouden. Dit werd in Holland zeer aannemelijk gemaakt, ook bij de Stadhouderlijke partij vooral, door dat er bij gevoegd werd, een behouden van alle zaken in den tegenwoordigen vorm, tot dat de Prinses Royaal bevallen zou zijn van haar vrucht. - Het geen
dadelijk een denkbeeld gaf, dat die bevalling, en de geboorte van een Prins (zoo dit het geval wierd) invloed zou moeten hebben op die vaststelling van den Staat. Maar dit was een verschalking: want toen men 't ééns in de zaak was, vond men de uitdrukking wat bedenklijk, en zoo iets van een verbintenis in te sluiten, en daar werd in de plaats gesteld: tot dat daarop nader besluit genomen werd bij de Provintien, (waarin men weer eene dubbelzinnigheid toeliet, die tot afzonderlijke aanmatigingen van elke Provincie voorbereidde); en dit ging door1. Wat kunstgrepen men voorts te werk stelde bij Holland, om zich als dol Oranje-gezind bij de overige Provincien die welgezind waren, te houden, leert wagenaar-zelf, bl. 130.
In Zeeland, dat in de Amsterdamsche zaak zeer voor den Prins was geweest, en Oranje heette, werd juist op den dag van het geboren worden van den jongen Prins, zijn Repraesentant als Eerste Edele uit de vergadering gezet, en tevens werden er alle de waardigheden die hem toekwamen, vernietigd, of vervallen verklaard. En dit gedrag, zoo geweldig en in 't oog stekend, maakte dat de brief der Prinses die haar jonggeboren Zoon hen tot de waardigheden van zijn Vader aanbeval, overal ge-
heel ter zijde gesteld werd als bestond hij niet; want niemand wilde nu die goede voorbeeldige harmonie met Holland breken, en alles zou (daar het zich voor de drie hoofdpunten verklaard had) weldra in den rechten plooi komen.
Holland vergat ook het andere punt niet: het gaf (en ongevraagd) Octrooi aan alle de steden en plaatsen: ‘om haar eigen Wethouderschap te bestellen, in aeternum’ [ten eeuwigen dage]. ‘En voor zoo verr' eenige steden dit niet geraden mochten achten, trokken zij zich dit aloude recht van den Stadhouder aan, en stelden 't bij hun afzijn, aan hun Gecommitteerde Raden.’ Zoo als zij ook alle begeving van regeerings-ampten aan zich trokken ‘voor zoo verre die niet reeds vroeger aan andere lichamen gestaan hadden.’ Hier bij kwam ook de begeving van ‘alle krijgsampten van de hoogste af, tot dat van Kapitein ingesloten.’ De Garde van Z. Hoogheid werd bestempeld met den naam van Lijfwacht der Staten van Holland. - 't Hof van Holland verzettede zich vruchtloos tegen zoodanige bestelling van Wethouderen in de Steden, maar moest onderdoen. Want (zegt wagenaar) ‘de Staten toonden dat zij zich nu als souverainen van de Provincie gedragen wilden1.’
Die eigen bestellingen en perpetueeringen der Regeeringen door zich-zelve, waren echter alles behalven in den smaak der Burgerijen, en in Dordrecht en den
Briel veroorzaakte dit groote bewegingen (het geen oproer heette), om welke te stillen de Heer van Brederode, toen Veldmaarschalk, zich met eenige Gemachtigden gebruiken liet, en men dwong de Burgerijen door wapenen en bannissementen, zich deze nieuwe vrijheid van eene volstrekt independente Aristocratie te laten welgevallen. In Gelderland deed Nymegen, dat hetzelfde lang beoogd had, nu ook de Magistraats-bestelling zelve, en zoo deden de andere steden aldaar, die veelal in de possessie daar van waren. In Utrecht maakte men daar een Wet van ten eeuwigen dage ‘zonder dat men dat recht ooit aan iemand anders zou mogen opdragen.’ - In Zeeland kostte dit bloed eer het doorging. Schoon de Prins in Veere en Vlissingen de Wethouderschap niet als Stadhouder, maar als Markgraaf aangesteld had, trokken de Staten dit ook aan zich als behoorende tot het vervallen Stadhouderschap; en het is de moeite waard, de trouw- en eerlooze sofismata te zien, welke men zich veroorloofde, om een pas geboren kind op de hemeltergendste wijs te verdrukken. De twee Steden bleven zich tegen de Staten kanten, en de Statenvergadering-zelve van Zeeland raakte aan 't waggelen; tot na een jaar tijds, beide de steden 't opgaven, mits de Staten hen tegen de gevolgen vrij waarden. Te Middelburg daartegen trachtte men de Wethouders door den Prins aangesteld, in de regeering te houden, en ten dien einde waren eenige van die, door de Kiezers op de dubbele nominatie gebracht, waar de verkiezing uit geschieden mocht; en dit maakte bij de Middelburgers (van den vroegsten tijd af gebeten op 't huis
van Oranje, ter zake van Willem des Eersten begunstiging van het bijgelegen Arnemuiden) een geweldigen opstand, met plondering van eenige huizen aan Oranjegezinden behoorende; en de Wetsbestelling geschiedde naar zin van de tegenpartij.
De nieuwigheid van het vernietigen der waardigheid van Eersten Edele in Zeeland, verwekte daar sustenuen van verscheiden Edellieden1, die zich nu bevoegd rekenden, dit lid uittemaken, dat van ouds 't eerste der drie Leden van Staat plach te zijn, en nooit afgeschaft was. Maar dit was nu even weinig, door te drijven, als in 1615, wanneer daar ook poging toe gedaan was.
Zeeland handelde ook met Holland, nog voor 't eind van dit jaar 1650, om, eer de uitgeschreven Vergadering plaats had, over het benoemen van den jongen Prins tot Stadhouder eenstemmig te zijn; waartoe de Zeeuwen, ondanks al dat uitschudden van het Vorstelijk kind, zich niet ten eenemaal ongenegen toonden. Maar Holland verklaarde zich daar ten hoogste tegen. De Prins kon een Willem II, kon een Maurits worden, kon staan naar de Oppermacht, en was te na met Frankrijk, Engeland, Brandenburg enz. enz. bevriend en vermaagschapt, om hem niet met een oog vol achterdocht aan te zien enz. enz. - En dus werd dat punt afgedaan.
Nu was het jaar 1651 daar; en een groot aantal Gedeputeerden der andere Provincien kwam in de Hage tot de Groote Vergadering die den 18den van
January geopend werd. Want schoon de Provincie Utrecht eerst begrepen had, dat zulk eene bijeenkomst der Bondgenoten, volgens de Unie, niet dan in haar hoofdstad gehouden mocht worden, zij had dit overgegeven. Zij werd gehouden op de Cederen zaal van het Hof, door onzen Graaf Willem II gebouwd, en die met de behaalde zegeteekenen tegen Spanje (waar van nu nog weinige miskleurde en gescheurde overblijfsels, die de mot en de vochtigheid weêrstaan konden, op het Paleis te Amsterdam gezien worden) behangen waren: welke vaandels zekerlijk de vergaderde personen hadden moeten herinneren, niet slechts aan de Helden, door wier krijgsbeleid zij veroverd waren, maar ook aan het bewind, dat ze daar opgebangen had, als in een openbaar gebouw der gemeene regeering die daar vergaderde en zetelde, maar ze nooit aan Holland ten geschenk had gegeven, dat er niet een speld meer recht of eigendom aan bezat, dan eene der overige Provincien.
Een korte aanspraak van Donia, die wegens Friesland voorzat, ging vooraf, Waarop onze Kats (wel de ellendigste Redenaar die de wereld ooit opleverde) de Vergadering met een zeer wijdloopige Rede (vol oratorie van dien tijd) opende. Het wezendlijke van die Redevoering kwam neêr, op de gezindheid van Holland om de drie hoofdpunten, Godsdienst, Unie, en Militie, te onderhouden. Maar het laatste met invoerig van het recht van provinciale patentgeving tot in of uitmarsch van krijgsvolk op elker bijzonder territoir, en voorafgegaan consent. Onderscheiding
van betaalsheeren (zoo 't naderhand genoemd is) ten effecte van een meerder recht op de troepen, op een Provincie geassigneerd, en waarvan de begeving der hooge krijgsampten ook afhangen zou. En - eed van de troupes ook aan de bijzondere provincien. (Maatregelen, waarvan de Provintie die de meeste troepen op zich geadsigneerd had, zekerlijk een heerlijke partij kon trekken, zoo dra zij het goed vond; en waarvan wij in 1784-1787 het uitwerksel in al zijn kracht en omvang gezien hebben! - dan waar de goede Kats geenerlei erg in had.) - Ten aanzien van het Stadhouder- en Kapitein- Generaalschap, dit oordeelde hij met de Staten van Holland dat niet te pas kwam, want ‘Gods oude volk de Israeliten hadden van den uittocht uit Egipten af, tot den tijd der Koningen toe, nooit bestendige Richters of Kapiteinen-Generaal gehad’ (hij zei niet, hoe wel of kwalijk het zich daarbij bevonden had) ‘maar waren gewoon geweest, bij ieder veldtocht een Kapitein Generaal aan te stellen.’1 - Ook moesten er nieuwe Instructien zijn voor de Generaliteits-Kollegien. - Ita censeo was het [Dit was zijn oordeel zoo.]
Friesland (niet ten volle in de Hollandsche gevoelens) wilde de Vergadering opgeschort, om op dat alles zich wel te beraden; maar dat mocht niet zijn. En inderdaad, op die wijze hadden wij, die hier zitten, waarschijnlijk het eind der Groote Vergadering niet beleefd. Verscheiden Provintien gaven echter weldra hunne bedenkingen tegen het voorgedragene in. - Het moest ieder in 't oog loopen, dat bij de overmacht, die Holland, volgens deze voordracht (als de rijkste Provintie) over de anderen kreeg door de groote meerderheid der op Holland geassigneerde troepen, en de meerdere stemmen die dit zelfde Holland in den Raad van State had,1 waar de patenten des krijgsvolks nu aan bleven, Holland zich daar door tot volstrekt meester bij de Generaliteit deed maken. En dit besef dreef de overige Provincien om het gezag van den Raad van State nu grootendéels te verminderen, en aan de Vergadering der Staten Generaal over te brengen. Zeer verschillend waren ook de vonden die men zocht en voorsloeg om de geschillen die tusschen de Provincien weer konden ontstaan, tot afkomst te brengen, en de eendracht te bewaren, waartoe Friesland, nevens Groningen met de Ommelanden, een Stadhouder volstrekt noodzakelijk oordeelde; welk Friesland ook niet dulden kon, dat Holland het punt van 't Stadhouderschap als bloot provinciaal aangemerkt wilde; maar ernstig tegen alle verandering in Regeeringsvorm aanmaande: 't geen Holland (in meening zijn zin te doen, en te vreden dat de Provinciale Souverainiteit
hier erkend werd) niet beantwoordde. Langen tijd werd er over dit punt van vereffening der geschillen gekibbeld, tot men 't eindelijk nooit eens zag te worden, en het bleef voor eeuwig, onafgedaan subsisteeren.
Op 't stuk van den Godsdienst, verklaarden de Provincien1, de Hervormde Religie overeenkomstig den leer der Sinode van Dordrecht, elk in den haren te willen handhaven. - Te vergeefsch drongen de andere Provincien op een verbintenis daaromtrent; en hadden de Predikanten eene bezending aan de Vergadering gedaan, waarvan zij meer en rijkelijker vrucht hadden gehoopt.
Over de Krijgszaken; was meê vrij wat geschil, ten aanzien van 't gemeen, en 't afzonderlijk provinciaal gezag, zoo wel als over het al of niet kiezen van een Kapitein Generaal. Na veel haspelens bleef het bij Hollands wil, met die verandering alleen, dat het recht der patenten, bij provisie en tot nader last der gezamendlijke Bondgenooten, niet (als Holland wilde) aan den Raad van State, maar aan de Staten Generaal gesteld wierd, waar in Holland niet meer dan de andere gewesten te zeggen had: en nog dit met dit heerlijk bijvoegsel, dat de provinciale Staten, het krijgsvolk, dat in hun Provincien zou komen te leggen, ook! op eigen patent, zouden kunnen verleggen, naar zoodanigen hoek van die Provincie, als zij zouden goedvinden! -
Eenige kleinigheden, als het niet toelaten van Drenthe in de Vergadering, en het afwijzen der Brabandsche Edelen en Steden, om daar deel in te hebben, of ten minsten zich-zelven te regeeren, gaan wij voorbij. En de Vergadering stond te scheiden, wanneer Kats gelegenheid gaf tot vernieuwing van alle nu gesmoorde hatelijkheden. - Deze hals, niet opgewassen voor een Staatsminister, verlangde reeds sedert geruimen tijd van zijn ampt ontslagen te worden, en begreep het niet luisterrijker te kunnen neerleggen, dan met het afloopen van zulk eene Vergadering, waar in hij zulk een voornamen rol had gehad. Hiertoe bij zich-zelven besloten hebbende, begreep hij het besloten geschrift van Willem II, hem ter bewaring gegeven, in de Vergadering van Holland te rug te moeten brengen. Daar viel in bedenken, het stuk ongeopend te verbranden, of wel te lezen? Het laatste dreef boven, en nu kwamen de Oude driften met verdubbelde hevigheid weer op. - Onder tegenstemming van Leyden alleen, werd er eene Resolutie bij Holland genomen op advijs van eene Kommissie uit hun midden, waar bij de aanslag op Amsterdam, en het aantasten der zes Heeren verklaard werd voor een attentât op de vrijheid, hoogheid, en souverainiteit der Provintie, regelrecht strijdig met alle wetten, rechten en privilegien. De zes Steden wier Gedeputeerden 't gold, waren overbodig in verklaringen ten behoeve dezer Heeren te geven, als getrouwe liefhebbers des Vaderlands, en die in allen deelen aan de inzichten hunner Steden voldaan hadden; en daarop werd hun gehouden gedrag plechtig bij de Staten op den 23 Augustus
1651, goedgekeurd. - Nu werd het ook den in December reeds overleden Griffier Musch (schoonzoon van Cats) zeer kwalijk genomen, dat hij, (zoo men bij nasporing uitvond) de klachten over Amsterdam opgesteld of geredigeerd had. En ook Cats andere schoonzoon, Aartsen van Sommelsdijk, werd vervolgd en tot verdediging genoodzaakt, ter zake dat hij, naar zijn plicht en post als Kolonel bij de troepen tegen Amsterdam aangevoerd, geweest was, en den weg ter bepaling van den tijd der marschen afgereden en dus opgenomen had. - Dat Graaf Willem aan 't hoofd geweest was, was zekerlijk nog wat erger, maar Friesland wilde hem niet door Holland geschandvlekt hebben en drong dus op eene algemeene Amnestie bij de Staten Generaal. - Deze ging niet zonder een merkelijk ongenoegen van Holland door; en de afkondiging geschiedde den 19 Augustus: waar bij men beloofde ‘nu noch ooit te zullen gedenken aan het geen in het voorleden jaar voorgevallen was, noch ook eenig ressentiment deswegens tegen eenige Provintien, personen, en Huizen, in 't gemeen of bijzonder, betoonen, hoedanig hetzelve ook zoude mogen zijn: en verklaarde de Resolutien van den 5 en 6 Junij 1650 te houden als niet genomen, mitsgaders nul, krachteloos, en van onwaarde1; zoo als ook alles wat dien ten gevolge verricht en ondernomen was; met last om de blijken en overblijfsels daarvan uit de Staatsregisters te
royeeren.’ - Met oneindige moeite verkreeg Aarssen door 't aanhouden van de twee Provintien Friesland en Groningen, en dat van geheel de Hollandsche Ridderschap, dat hij in deze Amnestie begrepen werd; waarvan Holland hem volstrekt uitgesloten wilde hebben, als willende de vrijheid behouden om recht te doen, daar zij 't goedvond1. Echter sloot Holland hem (ondanks die Amnestie) uit, van in de Vergadering van Holland te verschijnen. - En nu, weder aan 't hollen gebracht, hield de partijzucht geen rust, en men dankte Amsterdam voor de manhafte verdediging, en besloot bij Staats-besluit, dat de kosten daar van ten dienste van den Lande geschied waren, waarom zij die brave Stad dan ook vergoed moesten worden, hetgeen ter somme van ƒ 5445-10 - dan ook dadelijk geschiedde. - Tevens werd de Ordonnantie ter voldoening van de onkosten der bezending aan de Steden, vernietigd ‘alzoo die door de Raad van State ten behoeve van Z.H. of die van zijnen Rade verleend was.’
Dit waren de laatste verrichtingen, die het werk der Groote Vergadering bekroonden! - Cats sloot haar met eene aanspraak, die (zoo mogelijk) nog belachlijker was dan die waarmeê hij haar geopend had. Zijne Inleiding was genomen uit de woorden van Salomo: ‘dat alle dingen hun tijd hebben;’ waar uit hij, zeer consequentelijk afleidt, dat er, als een tijd van bij een komen, zoo ook een tijd is van weêr heen te gaan; en dat bij consequentie ook die vergadering scheiden moet. 't Geen er best in was,
was, dat het dak, waaronder zij zaten, en waar geen spinnekoppen aan nestelen konden, hen herinneren moest dat zij ook in het bewind geen spinnekop moesten spelen met netten uit te spannen, ten einde iets te grijpen of te vangen: het geen te gepaster was, om dat er ook op die vergadering zeer ernstig gehandeld is ten einde de corruptien te keer te gaan. Een plechtige dankpredikaatsie volgde, en de Gedeputeerden gingen huns weegs. En den 13 September (dat is drie weken daar na) werd het gelukkig afloopen dezer vergadering in alle de Provintien met een plechtig dankfeest vol gebulder van geschut, en klokgelui, en allerlei vreugdebetooning gevierd.
De Gedenkpenning echter bleef achter, die Cats uitgedacht had, en die in der daad niet fraaier is dan zijne gedane redevoeringen1. - Maar de Gedeputeerden der andere Provincien hadden zich echter elk een gouden gedenkpenning van Hollands milddadigheid toegelegd, en vertrokken bij de te loorstelling, niet zeer te vreden. - Het stuk van Z.H. [z. bl. 43] is te vinden bij aitzema [bl. 399-401], en verdient alle oplettendheid.
Dus eindigde deze plechtige Vergadering, die zekerlijk zeer verwonderd moet geweest zijn, in geheel andere gevoelens voltrokken te worden, dan waarin
zij begon. Toen zij belegd werd, was alles (de Hollandsche factie alleen uitgezonderd) gantsch vervuld van de warmste aandoeningen jegens den overleden Prins en zijn Huis; en Holland had noodig dezelfde gevoelens voor te wenden, om met de overige Provincien aan te binden. Op den 14 November hadden in de Haag de klokken ter vermelding van de geboorte des Erfgenaams geluid en de Burgerij allerlei vreugde bedreven als, gelijk aitzema wel aanmerkt, voor haar geboren Vorst, en bij 't openen der Vergadering stelde men zich bij Holland aan, als geenerlei gevoeligheid behouden hebbende wegens het gebeurde. Men eindigde, met beschuldigingen, vervolgingen, haat en vijandschap betoon, vernietiging, veroordeelingen van het geen door den Prins en de zijnen verricht was, en met al wat de felste kwaadaartigheid tegen het Stadhouderlijk Huis in kon geven, en niet dan ter naauwernood eene Amnestie uit te brengen, die de partijschap voedde, en haar tot een triomf strekte. - En dus! dus gaat het veelal in groote vergaderingen. Wat goed is, geschiedt onder zeer weinigen, en het zekere middel om een goede zaak ten verderve te brengen is, het getal der raadplegeren te vermenigvuldigen. Ieder heeft zijn bijzonder zwak; die verstand heeft, ontdekt licht wat ieder beheerscht; en hij interesseert ieders zwak in het geen hij voor heeft te bereiken. Doorgaande vereenigen al die neigingen zich in, of buigen bij den mensch voor, ééne eenige; dat is de hoogmoed: dien te vleien of op te wekken, is de sleutel, waarmeê men alles indringt. Zelfs de beste, en die, tegen zijn over-
tuiging niet handelen, niet stemmen zou, deelt daar in, en doet met genoegen onder, wanneer de overstemming zijn hoogmoed vleit.
Ziedaar eene practicale observatie, altijd bewaarheid! men trekke er de morele, - de politique, - de rhetorische gevolgen uit; maar vooral, men misbruike haar niet ten kwade!
Onder de grieven, die men tegen Aarsen voortbracht, was mede een hoofdpunt, dat hij zich ten nadeele der Amsterdamsche regeering uitgelaten zou hebben wegens hun gehechtheid aan de Republikeinsche partij (zoo zij nog heette) in Engeland en de zucht om dezen in de hand te werken, en zelfs (misschien) zich daarmeê te verbinden. - Dit was een algemeen praatjen in dien tijd, en werd door de rijke Amsterdamsche Kooplieden onbeschroomd erkend, doch de Regeering vond het nog ontijdig, daar rond voor uit te komen, en toonde er zich daarom gevoelig over als over een laster. Maar welhaast kwam de zaak met die zelfde onbeschaamdheid voor den dag, als waarmeê men ze eerst ontkend had1.
Men had bij Holland reeds lang, en voornamenlijk door den invloed van Amsterdam, op het erkennen van de Gezanten des Parlements gedrongen, het geen eene openbare beleediging van den Koning (den bondgenoot onzes Staats), van den Stadhouder in zijn betrekkingen, en bovendien van alle gekroonde hoofden was. De Staat kon derhalve daar niet toe besluiten, maar dit nam niet weg, dat de Gezanten geduld werden, in Holland bij velen aangenaam waren, een aanhang vormden en organiseerden, en geldsommen zoo wel als wapenen uit deze Provincie trokken ten spijt van al wat eenigzins wel dacht. - Doch het zoogenaamd Parlement, machtig geworden, vond goed, dit niet openlijk erkennen, als een hoon aan te merken, en men vond bij den Staat toen geraden, den Nederlandschen Gezant Joachimi te rug te ontbieden tot groot leedwezen van 't afzonderlijk Holland. Dit zond een Raad uit de Vroedschap van Amsterdam (sub titulo van Kommissaris) naar Londen, met last ‘om het Parlement te erkennen, en alle tytels die het zou willen aannemen, en bij deze nieuwe macht voor Hollands koopbelang zorg dragen.’ Iets, dat den Prins zeer gevoelig moest zijn, en zekerlijk, bij het overige van het gedrag dat Holland jegens de Generaliteit hield, samen liep
om de eigendunklijkheid dier Provincie des te gevaarlijker aan te merken. - Intussschen kruisten enkele Koninklijke schepen, uit de Sorlings uitgeloopen, en joegen onze kooplieden, die in Engeland wapenen enz. aanbrachten, vrees aan. Klachten over zeerooverijen konden niet nalaten der Generaliteit een last aan Tromp af te persen, om alle rooverijen tegen te gaan; en dus werd de Staat in de oogmerken van Holland en tegen den Koning1, verwikkeld.
Maar dit was weinig voor het Parlement, dat Holland en geheel den Staat beheerschen wilde, en van het eerste oogenblik des republicaniseerens af, zich in 't hoofd gezet had, met Holland op de allernaauwste wijze te vereenigen: gelijk het ook naderhand daarvoor uitkwam. Het nam ombrage uit het in zee loopen van Tromp; en, wanneer Holland het wegens de oogmerken daar van gerust stelde, besloot het, op den Staat der Vereenigde Nederlanden aan te dringen; vooral hoop vestigende op de dood van Prins Willem en de veranderingen daar door in de algemeene Regeering ontstaan. - Ook was bij de meeste Provincien reeds tot de erkenning van de Engelsche Republiek besloten.
Het [Engelsch] gezantschap (dat in Maart 1651 aankwam) werd ook met veel statie ingehaald, schoon met zichtbaren afkeer des algemeens. Zij traden, na plechtig gehoor in de Groote Vergadering (toen gezeten) met Gemachtigden in onderhandeling, en
openden daar het plan om de Vereenigde Provincien met Engeland tot één enkelen Staat samen te smelten. - Dat Holland, het geen zich niet voorstellen kon in zoodanig een zamensmelting zijn overwicht te behouden, 't geen het thands had, van dat denkbeeld schrikte, begrijpt zich! - Ook wilde men wel zich verbinden, maar de Staten Generaal weigerden volstrekt in het geschil tegen den Koning of tegen Schotland, zich te laten zien, en de zaak mislukte dus.
Holland en Zeeland deden alles wat van hun afhing ten genoegen der Gezanten, en de Wethouderschap van Amsterdam onthaalde hen opentlijk, ten koste van de Stad; maar dit kon niet anders dan den haat en afkeer der Gemeenten en Burgerij tegen de Konings-moorders gelijk men hen op de straten nariep, te heviger, en in allerlei smaad en schimp te doen uitbarsten: zoo dat zij welhaast te rug geroepen, zonder iets gevorderd te zijn, (niet dan wederzijdsche vorderingen van oude schulden daar men sedert lang niet meer aan gedacht had), van ons scheidden, en zich vervolgens hooglijk van deze Landen beklaagden; waar van het gevolg, een oorlogsverklaring des Parlements aan ons was.
Ten allerminste had men met ons het traclaat van Hendrik VII met Filips den Schoone willen vernieuwen; waarvan den grond was ‘geen Engelsche’ muitelingen (daar onder betrok men nu de Koninglijke familie en haren aanhang) ‘in de Nerderlanden toe te laten.’ En de weigering hier van werd als eene vijandelijkheid aangemerkt. - Maar het geen hier de Kooplieden in allarm bracht,
was het emaneeren van een Parlements-acte, waar bij de invoer van vreemde voortbrengels van grond of kunst (de Italiaansche zijden stoffen echter werden uitgezonderd onder zekere verbanden) in Engeland, anders dan met Engelsche schepen, en Engelsch bootsvolk, verboden werd. - Deze akte, welke den naam droeg van acte tot aanwas van Engelsche Scheepvaart en Koophandel, werd sedert bij ons gemeen het Tractaat van Kromwel genaamd; en veellicht om dat men 't beschouwde als door de Hollandsche partij met hem beraamd, om door de kooplieden en 't zeevolk de gemeene Regeering te dwingen, om, ter afschaffing van zulk een bezwaar, Kromwel te wille te zijn tegen den Koning. Even als men zulke praktijken in 1780 met Frankrijk heeft zien plegen. - De zelfde akte werd toen ook (t.w. 1781) als het motif des oorlogs bij de domme Burgerij voorgewend: ‘men wilde’ (dus strooide men onder 't volk) ‘de akte van Kromwel vernietigd hebben,’ en de lieden lieten zich dit wijsmaken, tot zij naderhand beter leerden.
Het was Holland licht, ter voorkoming van den gedreigden oorlog, die van de Engelsche zijde reeds werkelijk met het nemen van Hollandsche schepen begonnen was, een Gezantschap naar Engeland door te dringen; maar niet, Kromwels getroffen hoogmoed en spijt neder te zetten, die nu niet meer handelbaar was. - Paauw, die in den Vredehandel van Munster zich bij de Hollandsche partij zeer aangenaam had gemaakt, was als Raadpensionaris aan Cats opgevolgd, maar maakte daar zulke bedingen van vrijwaring, bescherming, indemniteiten enz. bij,
dat men wel zien kon, dat hij de beroerten van 1618 en 1650 als paroxysmen van een constitueele kwaal aanzag, waarvan de vernieuwing in 't geheel niet onder de mirakelen te rangschikken was. Hij wilde ook vooral de Amsterdamschen burgers-rechten bij dat ampt niet op geven maar zich voorbehouden. - Doch ook tevens wilde hij van alle buitenlandsche kommissien vrij zijn. - Hij bleef dit dan ook van het Gezantschap naar Engeland; en Kats, Schaap, en van de Perre vertrokken, doch, flaauw ontfangen, konden zij noch intrekking der Acte, noch de te rug gave van schepen verkrijgen. Integendeel ontmoetteden zij geheel nieuwe sustenuen omtrent de visscherijen, het recht van heerschappij over de (zoo 't genaamd werd) Britsche Zeeën, en zelfs werd de lang afgedane zaak van Amboina weêr opgehaald, die altijd in Engeland de vaste leus van een besloten oorlog tegen Holland is.
De Staat der Vereenigde Nederlanden, die in vollen oorlog met Portugal was en bleef, zonder zich daar iets aan gelegen te laten zijn, of een schip tegen die Mogendheid uit te zenden, maar 't geen hij nog in Brazil overig had geheel en zonder restrictie ten prijs gaf; zag echter 't nemen van eenige Hollandsche schepen door Kromwel niet, of bracht 150 Oorlogskielen in zee onder Tromp, en de Engelschen namen dit boogst kwalijk: want zoo men slechts een verbond naar hun genoegen met hun sloot, zouden zij, voor Holland met een, de zee wel beveiligen, zeiden zij. Onder Blake was desgelijks een Engelsche Vloot in zee, en, daar Tromp vernam dat er 7 rijke Straat-davers in gevaar waren van door Blake
genomen te worden, zocht hij hem op. Het zij Tromp, nabij gekomen, wat draalde om de Engelsche vlag de eer te bewijzen, die het Parlement vorderde, het zij niet, na wisseling van twee enkele schoten, tusschen de twee Bevelhebbers, gaven zij elkander de volle laag, en eenklaps waren de twee Vloten aan malkander. Tromp had 42 schepen bij zich, en verloor er een van, in dit gevecht, dat door de nacht gescheiden werd. - Dit verminderde de verbittering van het Engelsche Gouvernement niet, en nu moest Paauw (ondanks zijn beding) ook naar Engeland om toch vrede te bewerken. Maar daar was geen mooglijkheid toe: ja zelfs niet tot een stilstand van vijandelijkheden, wat moeite men zich dezerzijds daartoe gaf.
Tromp derhalve (en zoo ook de Kommandeur van een Esquader, 't welk de Staten Generaal in de Middellandsche zee hadden om tegen de Fransche Oorlogs- en roofschepen te waken) kreeg last om de Engelschen aan te tasten en alle afbreuk te doen. Hij toog uit en ontmoettede in zee het terugkeerend gezantschap; dat hem het mislukken van alle onderhandeling bekend maakte. Of Paauw (aan de Amsterdamsche begeerte tot vrede, op wat voet ook, verkleefd) den Admiraal het aantasten der Engelschen, of uitvoeren van zijn ontvangen bevelen, afgeraden hebbe, blijkt niet; maar het werd hem openbaar nagegeven en bracht hem in zijn woning, zoo wel als op 't (nu onlangs afgebroken) slot te Heemstede in groot gevaar van geplonderd en mishandeld te worden, tot de Staten van Holland daar maatregelen tegen namen, en hem hij openbaar plakaat van die aantijging zuiverden.
Tromp kon niet voorkomen, dat een aantal Hollandsche haringbuizen den vijand in handen vielen, en 't baatte weinig, dit op eenige Engelsche visschers te verhalen. Stormen beletteden hem met de Engelsche Vloot slaags te worden, en verstrooiden de onze. Maar het geen Paauw wegens bekende Engelschgezindheid overgekomen was, moest op Tromp gewroken worden; die voor een aanhanger van het huis van Oranje bekend stond, en te zeer gereed was om tegen Engeland te vechten. Voor hem moest een soupler, gedweër Vlootvoogd gekozen worden, en die geene betrekkingen hebbende, voor alle indrukken vatbaar was, en te buigzamer, naar mate hij van geringer extractie was, en van jongs op nooit denkbeeld gekregen had dan van eene onmiddelijke en machinale onderwerping. Dezen man vond men in Michiel de Ruiter, uit de laagste klasse geboren, als jongen in een lijnbaan opgevoed, en vervolgens tot de zeevaart geraakt; waarin hij eerst bij de Koopvaardij door vlijt en oppassen opgeklommen, en sedert in 's Lands dienst overgegaan was. - Deze man ook dáár door getrouwe bedaardheid en plichtsbetrachting al hooger en hooger geklommen, werd spoedig het vertrouwen en vervolgens de afgod der Hollandsche partij, die hem voortrok voor alles wat geboorte, betrekkingen, of belangen in 't vaderland had. En(gelukkig!) zijn invloed vol braafheid en Godvrucht (schoon dit juist de tytel niet was, waar men bij de Hollandsche Souverainiteit veel meê op had) zoo wel als zijn moed en kunde, wettigde ook steeds zijne bevorderingen en de keus die men in de allergewichtigste zaken van hem deed.
Men vond nu bij den Staat goed, den oorlog tegen Engeland, bij wege van retorsie te voeren, als wagenaar zegt, die tot verstand van dat ding naar aitzema wijst, waar het echter niet verklaard wordt. wagenaar schijnt dit opgevat te hebben als een bijzondere wijze van oorlog voeren: maar dit is het niet: de Staten beteekenden met dit woord in hun manifest niets anders, dan dat zij niet voor aanvallers, maar afweerers van den aanval der Engelschen aangezien wilden zijn; en hun brieven van retorsie zijn niets anders dan brieven van repressalie, zoo men 't thands noemt.
In 't uitgeven van dezen maakte echter de Hollandsche partij vrij wat zwarigheid, vrezende de Engelsche vrienden meer te verbitteren.
De Ruiter, met 30 kleine scheepjens en eenige branders ter gelei' van eenige Kropvaarders uitgeloopen, raakte 26 Augustus voor Plymouth in gevecht met den Vice-Admiraal Askue met 40 schepen van oorlog, die naar gemelde havenplaats week; waar door de koopvaardij-schepen behouden werden, anderszins zekerlijk ten prooi geworden. - Naderhand voegde hij zich bij een andere. Vloot onder de Witte die voor de Vlaamsche Kust kruiste. Op den 8 October raakten zij slaags met Blake, die op hem afkwam. Wel twintig onzer scheepsvoogden hielden zich buiten den slag en maakten met de invallende nacht zich weg, zoo dat men 't des morgens geraden vond, de hier door al te ongelijk geworden kans te ontwijken en de Engelsche Vloot, die weder den strijd zocht, te ontzeilen. Op deze wijs liep men tot onzent weer binnen, maar de Staten Generaal (weinig
met deze laatste tocht verkuischt) brachten op nieuw een vloot in zee, die zij weder aan Tromp toevertrouwden, wiens roem reeds gevestigd was, en die het hart van het bootsvolk bezat; onder wien de Rutler dan nu ook nevens Evertszoon en Florissen beval. 't Waren bij de 70 (NB) meest gehuurde schepen , die men ten oorlog had toegerust, waar meê Tromp omtrent de 300 Koopvaarders voorbij Engeland geleiden moest. Doch op de Engelsche kust vond hij de Vloot onder Blake, met wie hij in gevecht raakte, en de Engelschen sloeg, tot wijken dwong, en 2 oorlogsschepen veroverde. Hij bracht voorts zijn gelei ten einde en bracht een groot getal Straatdavis-vaarders in 't wederkeeren veilig te rug, fier van den vijand de zee te hebben doen ruimen.
Het is van dit oogenblik dat de roem der Hollandsche vlag teekent, en wij zijn dien aan Tromp schuldig, wiens verdiensten door deze Provintie altijd verduisterd zijn, en wien de Ruiter nooit heeft kunnen opwegen.
Men duchtte zeer voor heimelijke en verraderlijke ondernemingen van den vijand op eenige Zeesteden. Ook de uitvinding van vernielende vuren tegen de Vloten in de havens-zelve; en wees van deze zijde zulke middelen, als ook hier tegen de Engelschen aangeboden werden, van de hand; uit vrees van retorsie.
De inwendige verdeeldheid middelerwijlen in Holland en Zeeland, door het vijandelijk gedrag tegen den jongen Prins bij de Burgerijen onstoken, nam hand over hand toe, daar er dagelijks voedsel aan gegeven werd, door al 't geen strekken kon om die
anders dachten niet slechts geheel van alle deel of invloed in de Regeeringen en Magistraturen te ontzetten, maar zelfs te drukken en te vervolgen1.
Het wegnemen van de Prinsen vlaggen en vaandels bracht een opstand te weeg, vooral in de Haag, waar de gewapende Burgerij-zelve de nieuwe vaandels met erwten en bonen aan flarden schoten, en geheel in roer raakte. De naam van de Loevesteinsche factie kwam nu op bij de Burgerijen, waarmeê de aanhang van de zes Heeren beteekend werd, en die tot de geheele slooping der republiek in onze dagen gebleven is, en nog niet vergeten kon worden. Alles schreeuwde in geschriften en bij monde, om een Hoofd voor den Staat, een Stadhouder en Kapitein Generaal. - Ieder beseft, dat het juist niet zeer moeilijk is, zulke bewegingen te stillen, als men de macht in handen heeft en niets behoeft te ontzien; maar het geweld waarmeê men de gevoelens onderdrukt, roeit ze niet uit, maar smoort ze alleen voor
een latere uitborsting. - De geweldige uitrustingen ter zee, maakten ook de Admiraliteits-kassen zeer ledig, en het bootsvolk wilde in Amsterdam zich met geen gedeeltelijke betaling laten genoegen, waar tegen de militaire macht aangevoerd werd. Het was niet gestild, of men bracht eenige van de opgevatte personen met groote ostentatie op het schavot, dat voor het eerst, in onze republiek met soldaten omzet stond, en dezen, den toevloed der nieuwsgierigheid bij eene bevolking als die van Amsterdam, ontwarende werden bevreesd, en vuurden op de weerlooze en niets ergs denkende burgers, waaruit vluchten, verwarring, verdringing, vertreding, en het verdrinken van een geweldige menigte menschen ontstond. Een gebeurtenis daarom ook inzonderheid merkwaardig, om dat zij in 1748 in terminis1 op dezelfde plaats vernieuwd werd, en in eenen adem duizenden lieden van den burgerstand het leven kostte, die het Damrak met hun lijken vervulden: waarvan op zijn tijd!
De Amsterdamsche regeering, nu triomfeerende, en blinkende van glorie, ten koste van vrij wat burgerbloed, een oproer gedempt te hebben, waarin echter de burgerij geen het minste deel had gehad, wilde nu haar hoogheid ten top voeren, en kondigde eene vergiffenis af, voor wie er nog schuldig aan mocht zijn. Maar dit konden de andere Steden niet dulden, als zijnde een daad van Souverainiteit, waar van men al het gewicht inzag. Niet dat den anderen Steden dit niet even zoo wel als Amsterdam smaakte, zelf Souverain te wezen, ieder in den
haren, en ook van de Staten van Holland een bloot Ministerie van Gedeputeerden te maken, als men van de Staten Generaal deed; maar men begreep Amsterdam te groot, te rijk, en te machtig, om niet, zoo de eenheid van Oppermacht eens weggenomen was, weldra de andere Steden allen onder zich te brengen, en dus de eenige Souverain van Holland te worden. - Amsterdam wrijtte wel wat tegen, maar beloofde echter, dat zij zulke dingen niet weer zou doen, maar de pardons en amnestiën aan de Staatsvergadering overlaten.
In Zeeland droeg ieder Oranje-linten, en riep om het Stadhouderschap aan den Prins verzekerd te hebben. Men begreep daar de algemeene stem te moeten involgen, en ontwierp, hem ten minste tot Kapitein Generaal en Admiraal onder de administratie van Graaf Willem (den Stadhouder van Friesland) tot zijn meerderjarigheid te maken. Maar Holland kwam met een bezending tusschen beide, aan 't hoofd waar van Jan de Witt was, toen Pensionaris van Dordrecht. - Het verschijnen dier Kommissie wekte vrij wat opschudding te Middelburg, en de Staatsleden wilden wel ontslagen zijn van haar te ontfangen, en trachtten ze te disponeeren om slechts hunne boodschap in geschrift over te geven; maar Jan de Witt wilde volstrekt gehoor hebben. 't Werd gegeven, doch geen antwoord dan van te zullen delibereeren; en 't keerde het plan ten behoeve van den Prins niet, waar over men in 't raadplegen was; zelfs wilde men 't gaarne doorzetten, maar ongaarne alleen staan, en daarom trachtte men Gelderland en Overijssel in 't zelfde spoor te bren-
gen, en gelijktijdig met deze twee gewesten daar op te besluiten. Daar was men er zeer genegen toe, maar raakte in dispuut, of er eerst een Instructie voor den Prins gemaakt worden moest, dan daarna. Dit was het werk van de Hollandsche Gemachtigden die ook derwaart gezonden waren om het werk te keeren, en zeer schrander dit middel uitvonden, gelijk de Witt-zelf in zijn Brieven erkent1. Nu het zoo verr' was, werd er een nieuwe poging op Zeeland gedaan, die daar gants niet aangenaam was, schoon de Zeeuwsche Stedelijke Regeeringen meer tot de Hollandsche begrippen neigden, dan zij openbaar dorsten toonen. Nu ging er een Kommissie van Zeeland naar Holland, en lei daar de ware gevoelens vrijer aan den dag; waarom zij ook de zaak geheel buiten de algemeene Staatsvergadering (bij H.H. Mog.) hielden, tot groot ongenoegen van eenige hunner Kommittenten: 't geen eerst in het volgend jaar geschiedde, als wanneer Holland dit weêr kwalijk nam. - In dit alles toonden Friesland en Groningen zich zeer Prinsgezind, Holland vijandig in de grootste kracht van het woord, en de overige Provintien waren verdeeld, en gaven toe aan de tweederlei invloeden, die zij nu van deze dan van de andere partij ontfingen; doch natuurlijk was die van Holland, waar wezendlijk polityke bekwaamheid was, en aan wie men sints lang gewoon was te eedeeren, de sterkste.
In Februarij 1653 overleed Paauw, en Jan de
Witt volgde hem op als Raadpensionaris onder acte van indemniteit als zijn voorganger bedongen had.
Hij was inderdaad wat men slim of schrander noemt, en doorgaands met gebrek aan oordeel, en onverzettelijke vooringenomenheden gepaard gaat. Zijn betrekking als zoon, tot den bij de Loevesteinsche factie zoo aangebeden en zoo almachtigen Jacob de Witt, gaf hem daarbij een aanzien, vertrouwen, en invloed bij al wat deze partij aanhing, als niets evenaarde; en hij werd, bij derisie niet slechts, maar om dat hij inderdaad de ziel van dien aanhang was, de wijsheid van Holland genoemd, schoon hij persoonlijk een vrij belachlijk mengsel van pedanterie, magistratuur-hoogmoed, en onnoozelheid was, waar de buitenlandsche gezanten meê speelden naar welgevallen: Hij was nog vrij jong, voor de post van Regent van Holland niet slechts maar van de geheele Mogendheid der Vereenigde Nederlanden, als in Stadhouderlooze tijden de eerste Minister van Holland noodwendig zijn moest: (namelijk 27 jaar) Maar - ‘dans les ames bien nées’ enz. - Hij kreeg dadelijk ‘gelegenheid (zegt wagenaar p. 232.) om zijn bekwaamheid te toonen, aan het eindigen des Engelschen Oorlogs.’ Elie luzac wierp hem voor, dat Jan de Witt daar in geenerlei bekwaamheden getoond had. ‘Het zij zoo,’ antwoordde wagenaar in zijn tegenschrift; ‘ik heb dat ook niet gezegd, maar alleen, dat hij gelegenheid kreeg om ze te toonen, hij mag het dan gedaan hebben of niet.’ - Hij had gelijk: het was reeds lang voor hem, de mode geweest om dezen afgod der magistratuur aristocratie ook te prijzen, om al wat hij zou hebben
aant.kunnen doen; en dit kon zekerlijk zoo veel tegenspraak niet onderhevig zijn, als die men hem toezwaaide, om 't geen hij werklijk gedaan heeft. [z. de Ophelder. ]
Het was van belang, den oorlog met kracht, immers met groote ten toonspreiding van macht en ernst, door te zettten, ten einde aan een Vrede te geraken. Dit systema vond J. de Witt, en bleef er getrouw aan. Echter de goede wil om 300 oorlogsschepen tegen Engeland over te stellen, was boven de krachten, en het bleef bij die er reeds in zee waren: en deze bestonden hoofdzakelijk in een getal van 63 onder Tromp, die in verschillende Convoien verdeeld moesten worden. Des niettegenstaande werd hij gelast, de Rivier van Londen te sluiten; 't geen niet anders was dan hem en de geringe macht, daartoe bruikbaar, aan groote nadeelen bloot te stellen. - In alles wat er geschiedde, weet men niet, of het aan een dommen hoogmoed en zelfbetrouwen toe zij te schrijven, dan wel aan een oogmerk, om door roekloosheden zich à la merci van Engeland te stellen: en nooit heb ik bij mij zelven die questie voldoende kunnen oplossen. Ik (voor mij) geloof dus, (ieder gebruike zijn eigen oordeel) dat er van beide wat onderliep, en dat die het roer draaiden, vrij onverschillig waren hoe 't loopen mocht, als in beide gevallen even zeer verzekerd van hun doel te bereiken.
Het kon niet missen of Tromp, eer hij zich nog tot uitvoering van dezen dollen maatregel gereed maken kon, moest, terwijl hij met een konvoy van een aantal te rug keerende koopvaarders belemmerd
was, op den 30 April de Engelsche vloot van ruim 70 kielen onder Blake ontmoeten, en slag leveren. De dapperheid hier betoond was ongemeen aan onze zijde, en de overwinning helde zeer merkelijk ten onzen voordeele, als 26 Hollandsche Kapiteinen (neefjens van Hollandsche magistraten, en die wel wisten wat zij deden) zich van den wind bedienden om uit het gevecht te geraken. Tromp had een onverbeeldbaren arbeid om intusschen de Koopvaarders tegen de Engelsche fregatten te verdedigen. Een aantal Oorlogsschepen waren aan wederzijde gezonken, als de nacht tusschen beide kwam; maar des anderen daags vernieuwde de strijd in de allerongunstigste omstandigheden; en uit het reeds gemelde is licht af te nemen, dat de Engelschen nu de overhand moesten houden. Vooral daar de schepen zoo wel uitgerust waren, dat de meesten gebrek aan buskruid hadden: en wel, die het meest aan boord, die er 't minst gebruik van hadden gemaakt. Tromp ontweek derhalve (en meesterlijk!) de Engelschen met een dreigende houding, en nam de koopvaardijvloot in hoede, waarmeê hij naar 't Vaderland te rug stevende: doch hij kon niet verhoeden, dat de Engelsche vloot, nu in vergelijking, veel machtiger, hem weêr inhaalde, en hij moest een derden slag doorstaan. Hij scheen den Engelschen Admiraal wederom tot afdeinzen te dwingen; maar dit lag in het Hollandsche plan niet; etlijke Kapiteinen verlieten wederom het gevecht, en lieten Tromp met een klein getal daarvoor zitten. De Ruiter, die, ter goeder trouw zijn plicht doende (hij was de eenige van al de Hollandsche gunstelingen) al daadlijk zeer
geteisterd werd, werd geheel reddeloos geschooten, en moest masteloos in 't sleeptouw genomen worden. De nacht viel wederom in; en, hoe gehavend, wist Tromp nog zulk eene houding aan te nemen, dat de Engelsche Admiraal na een vertoon van oogmerk tot nieuwen aanval, afhield en als beschaamd naar de Engelsche kust sloop; waarna Tromp van zijne zijde de koopvaarders (van welke eenige echter gemist werden) naar den Hollandschen wal bracht. - Negen Oorlogsschepen en ruim zesde-half honderd dooden kostte ons deze ontmoeting, en 24 Koopvaardijschepen.
Hoe zeer men dezerzijds de Scheepsvloten veel lof gaf (die 't verdiend hadden zoo wel als die de Engelschen in de hand hadden gewerkt), en ook geschenken (ten blijk van te vredenheid) uitdeelde, Tromp liet zich niet dan met den grootsten weêrzin tot het hervatten van het Vlootbevel overhalen; en daar hij 't den geheelen Staat niet wijten kon, wat hij zeer wel inzag het werk van de in Holland heerschende factie te zijn, deed hij het niet dan schoorvoetende, en onder protèstatie dat hij niet aansprakelijk wilde zijn, voor de gevolgen van een zeetocht, met zulke schepen, zulke uitrustingen, en zulke Kapiteinen! - Dertig nieuwe Oorlogsschepen werden aangebouwd, en men bracht door vertoon van welwillendheid Tromp tot zwijgen.
Jan van Galen geraakte bijna gelijktijdig in de Middellandsche Zee aan het hoofd van een Esquader Hollandsche, in gevecht met eenige Engelsche schepen. De Staten hadden korten tijd te voren zich aangematigd om hem een soort van reproche te
doen, dat bij een vroeger voorval hij de zeemacht die hij onder zich had niet meer gewaagd had; en hij was zwak genoeg van karakter, om zich daarom nu roekloos bloot te geven, ten blijk dat het hem aan geen moed en verachting van 't leven mangelde. Geen wonder derhalve dat het hem nu (ondanks het beleid dat hij bij deze ontmoeting ontplooide) het leven kostte. Zijn graftombe (ellendige belooning voor een krijgsman wanneer zij door een politiek lichaam gegeven wordt!) staat te Amsterdam in de Nieuwe Kerk, en het opschrift is bekend. [Z. de Bijvoegs .]
Van meer belang was de zeeslag die op de hoogte van Nieuwpoort voorviel, waar Tromp de Engelschen (volgens zijne ontfangen bevelen) opzocht. De Hollandsche vloot was veel zwakker, zoo niet in getal, zeer zeker in het kaliber van schepen, geschut, en manschap; en beide vlooten bedroegen nabij de 100 kielen. Deze strijd, die op den 12 Junij voorviel, was hardnekkig en bloedig. De Engelschen weken; maar de wind veranderde in hun voordeel, en zij hervatteden nu dadelijk het gevecht, daar het Tromp ondoenlijk was met zijn schepen en onderbevelhebbers de vereischte manoeuvres tot effect te brengen, om zich die verandering ten nutt' te maken. De onkunde der Neefjens van regeering (zoo niet de kwade wil) bracht een schrikkelijke wanorde in de Hollandsche vloot. Tromp was woedend en hield het gevecht nog een uur na zonnen-ondergang gaande. Des anderendaags toonden de Engelschen geen zucht tot hervatting van den strijd, maar hadden zich merklijk verwijderd, en Tromp bediende
zich van die omstandigheid om de Wielingen binnen te vallen. Obdam was Gemachtigde der Staten op de vloot, en Hollander, door Holland gekozen, ging hem de naspraak na, dat hij Tromp belemmerd had in 't vervolgen der Engelschen, even of men een sterker vijand vervolgen kon! die van Holland verklaarden dit voor laster; maar het was niet noodig geweest.
Tromp, en wien 's Lands roem ter harte ging, hield aan om versterking der vloot, en dit kon men niet af. In Oogstmaand koos men derhalve wederom zee, ten getalle van omtrent 90 zeilen. De Koning van Engeland (Karel II) wenschte zich op deze vloot te begeven; maar dit vlijde de Hollandsche partij in 't geheel niet, en moest afgewezen worden. Zelfs waren zij daarover zoodaniger wijze te onvreden, dat zij bij openbaar besluit, allen Hooge Uitheemschen personaadjen verboden, voet op hun territoir te zetten, zonder uitdrukkelijk verlof en vergunning van hun, Staten van Holland. Vereenigt dit (zoo gij kunt) met het Jus Gentium! [Volkenregt.]
Het laatste gevecht had de Engelschen stouter gemaakt, en zij kruisten vlak voor onzen wal en zeegaten. - Tromp liep uit, en 't gevolg was, een nieuwe zeeslag op den 8 Augustus 1653, ter hoogte van Katwijk. Deze liep zonder eenig merkbaar voordeel aan de eene of andere zijde af; maar op den 10den raakte men wederom aan elkander nabij den mond der Maze. Tromp brak de slagorde des vijands door en weder door, maar een musketkogel in de borst nam hem het leven. Evertsen en de Ruiter tracht-
ten vruchteloos de uitwerking van dit ongeluk te herstellen; daar het op nieuw aan geen Kapiteins ontbrak die met hunne schepen den wijk kozen. Men scheidde uit het gevecht met gelijk nadeel; dezerzijds met verlies van 10 schepen, en vele gevangenen die de Engelschen meê namen. - Het lijk van Tromp kreeg te Delft een tombe. - Amsterdam verviel middelerwijl zoodanig, dat er wel 3000 huizen ledig stonden: - wij zagen het daar onlangs vrij slimmer gesteld; maar dit was toen eene ongehoorde en onverbeeldbare blijk van ontvolking. En, gelukkig de tijd, toen dit nog zulk eenen indruk maken kon.
Het gedrag van verscheiden zee-officieren liep tevens in deze herhaalde zeeslagen derwijze in 't oog, dat men bij Holland (nu de dood van Tromp en het leedwezen over zijn verlies de gemoederen aangreep, en tot algemeene verfociïng der lafhartigen gestemd hield, en een eclat daarover gevreesd werd) niet af kon, eenige te recht te stellen: maar de Neefjens die 't voorbeeld gegeven hadden, liepen, tot groote ontstichting van het algemeen, vrij. Die lieden werden namelijk allen, na gehouden onderzoek, zeer brave en onvertzaagde lieden bevonden, zonder eenig onderscheid; en het was een bloot ongeluk uit enkele toevalligheden, dat hen belet had, hun dapperheid te werk te stellen. - Dit verzwakte de vurigheid der begeerte naar een Stadhouder niet, bij de Burgerijen in Holland; maar het zettede de Magistraten te meer aan, om den vredehandel met Engeland te vernieuwen, en op alle mooglijke wijs door te
drijven, terwijl men tevens zijn best deed om den Prins van Oranje als de eenige oorzaak des Oorlogs te doen aanmerken, die men (quasi) aan 't gemeene belang des Vaderlands verplicht was op te offeren.
Inderdaad echter begreep men 't bij de Hollandsche factie geheel anders. Maar men ondervond dat de oorlog, die men toch bij hun niet van harte voerde, als meenende in het Parlement een steun te vinden, den aanhang van den Prins vergrootte, en sterker, ja stouter deed worden; gelijk wagenaar zulks ook niet verbergt. Ja zelfs, men zag dat den Prins daardoor de weg gebaand werd tot zijn vaderlijke en voorouderlijke waardigheden, van welke men zich steeds zoo veel moeite gaf om hem uit te sluiten. De zaak moest dus anders beleid worden; en, terwijl men nu zag dat het binnen 's Lands niet te keeren was, moest het dus bestoken worden dat Kromwel die uitsluiting van Oranje als een voorwaarde van Vrede vorderde. 't Kostte moeite, het daarheen te stieren, want His Highness, de Lord Protector, was veel te hoog om zich voor een kind van 3 jaren bevreesd te toonen, en belachte dit eerst uit de hoogte; maar echter, hij was ook, om persoonlijke redenen van belang tot vrede genegen, en wilde derhalve de Hollandsche Regenten daar in wel te wil zijn1 - Het begon reeds te nijpen, het gemeen kwam overal in gisting, de stille Burgerij
werd luidruchtig, Friesland drong aan, Zeeland geperst door de volksbewegingen daar ontstaan en niet neder te zetten, was gereed toe te vallen; en het waren alleen de hooge krijgsampten, ter begeving van Holland staande, en waar door deze Provincie de Hooge Regeerings-personen van Gelderland, Utrecht, en Overijssel (als wagenaar bl. 250 zeer wel aanmerkt) van den Loevesteinschen aanhang afhankelijk hield, die deze twee [l. drie] Provintien nog beletteden den overigen toe te vallen. En in Holland zelfs hield Leyden zich ook volstandig, met een goed deel der Ridderschap, tegen de daar overheerschende factie.
Reeds had men bij de Staten Generaal weten uit te werken dat de geheime Staatscorrespondentie der Republiek aan Jan de Witt en weinigen die van zijn begrippen waren, werd toebetrouwd, en het was dus niet moeilijk, bericht in te brengen dat men in Engeland tot de onderhandeling niet ongenegen was. Ook was er werklijk een kreatuur van de Witt en Beverning in Engeland, die hun overschreef wat hun geliefde. Hierom matigde Holland zich aan (tegen de sterke wederspraak van Leyden, die dit hooglijk
afkeurde en veroordeelde,) buiten kennis der andere Provintien en uit eigen naam afzonderlijk, ja in het geheim, aan het Engelsch Gouvernement te schrijven, ten einde elkander de hand te bieden tot het bijleggen der geschillen. Dit schrijven werd dadelijk in Engeland gedrukt en gemeen gemaakt onder den tijtel van ootmoedige supplicatie der Staten van Holland aan 't Parlement, om vrede te mogen verwerven. 't Parlement schreef weêrom, dat men zich hield aan de voorwaarden, laatst aan Paauw medegedeeld, en die door de Nederlanden verworpen waren.
Hoog werd de prostitutie op deze wijze de Mogendheid der Vereenigde Nederlanden op den hals gehaald, bij de overige Provintien opgenomen. Holland plooide zoo veel het kon, maar zag echter van zijn oogmerken niet af. Zeeland nam hier gelegenheid uit, om nieuwe verbintenissen met Frankrijk voor te slaan; maar Holland vond dit ongeraden. Men werkte dan ook zoo lang en zoo ijverig, dat de staten generaal zich lieten overhalen om aan 't Parlement te schrijven, dat zij bereid waren om Gemachtigden over te zenden, zoo 't Parlement slechts tijd en plaats bepaalde; en 't Parlement begreep, dat hier niets anders te pas kwam, dan den vorigen Vredehandel bij 't punt waar hij was blijven steken weer op te vatten, en dat men derhalve hiertoe noodwendig te Londen moest komen.
Nu was de Republiek ingewikkeld, en hoe zeer volstrekt ongenegen om op zulk een voet, als waarop men afgebroken had, aan te knopen, zij kon niet te rug. Men zond derhalve Gemachtigden, maar NB.
zonder tijtel, en gelast om die aanknoping te ontduiken, maar andere voorslagen of uit te lokken of zelf te doen: weder onder tegenkanting van Leyden, dat volstrekt weigerde in eenigen stap te deelen, waardoor men gebracht zou kunnen worden, met Engeland eenigzins gemeene zaak te moeten maken. - 't Hing nu veel af van de personen die tot de onderhandeling benoemd stonden te worden, en als bij de Staten Generaal eenige welgezinden in voorslag kwamen, dreef Holland, dat ieder Provintie harentwege Gemachtigden noemen moest; hetgeen doorging; zoo als zij dan ook twee personen voor zich benoemden, reeds door hun ijver tegen den jongen Prins en zijn Huis, in verschillende bezendingen en onderhandelingen vermaard geworden, t.w. Beverning en Nieuwpoort: Zeeland voegde er in van der Perre, een man van gelijke gezindheid bij. Friesland wilde eerst, zoo wel als de andere Provincien, niemand bijvoegen; maar uit aanmerking van de gekozen personen, benoemde 't een ijverig voorstander van het Oranjehuis, en deze was Jongestal , eerste Raad in het Hof van Vriesland. - De Staten Generaal waren zelfs genegen een drievoudig verbond met Engeland en Frankrijk tot stand te brengen, en gaven de Gezanten een last daarmeê overeenkomstig: maar gelijk zij in geene betrekking wilden gerukt worden waar door zij casu quo [t'eeniger tijde] gedwongen konden worden partij voor Engeland te nemen, wilde Holland daartegen volstrekt geene verbintenis waaruit een oorlog tegen Engeland zou kunnen ontstaan, en waar kon dat alles derhalve op uit loopen? Eindelijk, en alles te samen getrokken,
Holland wilde volstrekt vrede met Engeland, op wat voet ook, en tot welken prijs het zijn mocht. En welke instructien en inzichten 't best bij de Gezanten achtervolgd en vervuld stonden te worden, was licht te voorzien.
In Engeland was intusschen de constitutie veranderd, het Parlement hield op, en Kromwel had een Raad van State opgericht, waar nu de Gezanten gehoor kregen. Maar Beverning was de andere gezanten lang vooruit, en had reeds zeer veel voorbereid eer deze aankwamen. En het is hierdoor, dat over de wijze, hoe de gezindheid tot vrede bij de Engelschen opgewekt zij geworden, een donkere nacht gespreid blijft. Wat de goede trouw van Beverning betreft; voor zoo verr' die jegens zijn partij ging, daar kan men verzekerd genoeg van zijn: maar het systema was sints lang, bij die lieden, en 't was nu gecanoniseert, dat men geenerlei plicht jegens de Unie had, dan voor zoo verr' Holland dien wilde toestaan, en dat Holland in de overheerschende factie bestond, tegen welke alle geopposeerd begrip, oproer, meineed, en hoog-verraad was. I nunc et crede Juratis, vel Jurantibus! [Ga nu, en geloof aan 't gezworene of aan hen die zweeren!] - Maar blijven wij bij het blijkbare, zonder dieper te tasten!
Men begon in Engeland met op te werpen, dat, dewijl de Nederlanders de vorige onderhandelingen afgebroken hadden, zij beginnen moesten met Engeland de schade daaruit gevolgd met de oorlogskosten enz. te vergoeden, eer er van eenig Tractaat gesproken kon worden. Dit trof; maar waar zou die
vergoeding op neêr komen? men was laf genoeg, dit te vragen. - Een kleinigheid, zei Kromwel, en waar men niets tegen kon hebben.
Het sleurde een poos, als men eindelijk zich verklaarde, en de kleinigheid bestond in het geheel overgeven van den gantschen Staat en Mogendheid der Vereenigde Nederlanden, aan Kromwel: door of bij wege van een vereeniging, (Coälitie noemde men het) die beide volken in een smelten en dus tot maar één Gemeenebest zoude maken, onder ééne oppermacht. - De Gezanten hielden zich of zij de meening niet begrepen, maar deze werd hun zeer duidelijk gemaakt; en verklaarden toen op een zoo ongehoorden en monstrueusen voorslag niet anders te kunnen, dan naar huis keeren en verslag doen. Men plooide toen zoo wat, wilde drie Engelschen in den Raad van State bij ons, en drie Nederlanders in dien van Engeland hebben, en op deze wijze een gemeen Staatsbewind oprechten; maar een concept als dit moest Holland ruim zoo zeer als de andere Provincien tegenstaan, en Bevernink bleef met van de Perre in Engeland, terwijl de twee anderen bericht gingen doen en bevelen halen.
Ondertusschen waren Denemarken en Zweden bij een Zee-oorlog als die tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden gevoerd werd, gewichtige Mogendheden, om dat van haar de pek, teer, het hout, en het ijzer, en zelfs voor een zeer groot gedeelte de hennep komen moest, waar geheel de Zee-oorlog aan hing; en wie van de vechtende partijen haar te onvriend had, buiten staat moest zijn, zee te bouwen. Men had dus in 't vorige jaar reeds
een gezantschap aan beide Kronen gezonden, met inzicht om een Verbond tegen Engeland te bewerken. Edoch dit gelukte in Zweden volstrekt niet, waar de Koningin door van Beuningens trotschheid tegen hem ingenomen werd; terwijl voor het overige, Zweden over vroegere gebeurtenissen van meer of minder belang slecht Hollandsch-gezind was; alleen beloofde de Koningin zich onzijdig te zullen houden. De Keizer (de andere gemachtigde) slaagde in Denemarken vrij beter; tot zoo verr' zelfs dat de Koning 22 Engelsche schepen met krijgs- en scheepstuig geladen deed aanhouden, en vervolgens hun de Zond toe-sloot; en er weldra ook in de Hage een Verbond (den 18 Februarij 1653) geteekend werd, waarbij de Koning zich verbond 20 Oorlogsschepen in zee te houden, ten einde de Engelschen uit de Zond te houden, waar voor de Staten hem met geld ondersteunden; en de twee partijen, om zonder elkander geen verbond met Engeland aan te gaan. Echter was de Koning niet te bewegen om zijne oorlogsschepen bij de Hollandsche tot eenen gemeenen oorlog tegen Engeland te voegen. - Ook de Hanzee-steden werden vruchteloos aangezocht om daar deel in te nemen.
Thans was de geheele onderhandeling in Engeland in handen van Beverning, en vervolgens, van hem en Nieuwpoort, die alles voor hun mede-gedeputeerden niet slechts, maar ook voor hun Kommittenten, bedekt hielden, en hielden met de Witt briefwisseling in een cijfer, niemand dan hem bekend. De Witt waarschouwde Beverning in zijn brieven, van toch te zorgen, dat zijn mede-gedeputeerden of iemand
van die daar niet achter kwame, of dit cijfer ooit in handen kreeg. Dit wekte geweldigen argwaan; vooral daar men nu eensklaps roemde ‘dat de patronen der vrijheid de overhand nu weer hadden, en dat de andere Provincien nu met hun Prinsjen wel weg zouden blijven.’ De vrienden van het Stadhouderlijk huis werden wakker, en in de Hollandsche Steden stak men hier en daar de hoofden bij een. - Men moet dit niet aanmerken als of er iets bijzonders gesmeed wierd, en dit een soort van vlaag van opschudding was die er opstak. Neen. Men had bij het lichaam der Natie nooit begrip gehad van een Hoofdelooze Regeering, of Staat zonder Vorst; vernam de geboorte van Willem III als van den geboren Vorst des Lands; begreep wel dat men zoo lang als die een kind was, hem niet kon laten regeeren, en dat het moeilijk was, zich over een plaatsvervanger van hem te verstaan, maar kon zich niet voorstellen, dat het wezendlijk den Regenten in 't hoofd komen kon, hem van de regeering te ontzetten. Doch nu kwamen er zulke geruchten, deels uit Engeland, deels uit de Witt zelf en die naauwst aan hem verkleefd waren, voortgevloeid, dat men nu erg kreeg. De gesprekken hier over en het ongenoegen dat men uitte, werd misduid, oproerig gerekend, en de lieden in rechten vervolgd.
Te Vlaardingen, gelast volk te werven, deed de Burgermeester Hoogenhoek dit doen op naam van den Prins van Oranje, gelijk hij 't altijd bevoorens had zien doen; maar welke eenvoudigheid den man zeer kwalijk door Gecommitteerde Raden werd afge-
nomen. In Amsterdam, was het gemeen razend, dat hetzelfde zonder 's Prinsen naam geschiedde, en wilde de Trommelslagers daartoe dwingen. Predikanten, die uit hartelijkheid voor den jongen Prins gebeden hadden, gelijk zij (toen nog niets over het gebed gearresteerd zijnde) voor alles en een ieder baden, naar het hun in het hoofd kwam, werd de Stad ontzegd. Dit verergerde de zaak, en de lieden wilden vrij denken en vrij spreken hebben. Ook was het bij velen een gewetenszaak, te toonen, dat zij hart voor het huis van Oranje hadden: zonder daar iets meê te bedoelen, dan alleen hun hart te kwijten. Te Dordrecht, waar de zetel der heerschende partij was, trok de Burgerij op met Oranjen-wapentjes, 't geen als oproer geduid werd. In de Haag liet de Burgerij niet af Wilhelmus te blazen, daar hoezee bij te roepen, en door haar vaandels te schieten dat er de lappen afvlogen. Toen de jonge Prins te Breda ingehuldigd was en te rug kwam, trok hem een groote hoop jongens met Oranje versierd als hij kermistijd, te gemoet; en daar zij hem gemist hadden, kwamen zij 's anderen daags op het binnenhof voor 's Prinsen venster de trompet blazen, en vivat roepen. - Zulk eene kleinigheid dit was, namen de Staten van Holland dit zeer hoog, en de Fiskaal van het Hof werd gelast deze knapen oogenbliklijk te verstrooien. Hoe de Fiskaal dit van zijn departement rekenen kon, weet ik niet, maar wel, dat hij het persoonlijk deed, waar uit hem vele onaangenaamheden van het gemeen overkwamen, als scheldwoorden, en baldadigheden aan zijn huis. - Dit was genoeg om het geschreeuw van Land-
en Prinsen-verraders tegen de bekende roervinken der Hollandsche partij bij het baldadig graauw te doen opgaan. En zij-zelve koesterde dit, en verspreidde de mare dat er een menigte in aantocht was om zich bij het Haagsche gemeen te voegen, ten einde de Logementen van Dordrecht en Amsterdam te plonderen, enz. onder voorwendsel van 't welk men sterker bezetting in de Haag lei. En, in der daad, men mag twijfelen, of het voor de de Witten, vader en zoon, wel een overbodige voorzorg was: want nu reeds waren zij hier in een geweldigen haat, dien zij nooit nagelaten hebben, tegen zich te voeden.
Het gemeen dus in ééne stad gaande gemaakt, sloeg dit over naar anderen, waar men zelfs geen voorwendsel wist, maar toch het woord Landverraad kende, dat altijd een vermogende Ieus is. - In Alkmaar was deerlijk gerammeid, doch de Schutterij had het oproer (gelijk het daar wezendlijk was en in de volle kracht van het woord) gestuit.
Te Enkhuizen, waar de Regeering oneenig was uit persoonlijke veete, geen betrekking hebbende tot 's Lands toestand, werd een Trommelslager die volk wierf, gedwongen, om den naam van den Prins bij dien der Staten Generaal te voegen: maar gebeten zijnde op den Burgemeester de Lange, sloeg het over tot plondering van het huis van dezen. De Wethouderschap verzocht eenig krijgsvolk om de rust der Stad te bewaren. De Staten van Holland waren overbodig ettelijke vendels voetvolk, muskettiers, en Ruiterij te zenden, en tevens Gemachtigden uit hun, met twee Leden van het Hof van Justitie en den
Fiskaal, tot onderzoeken, vatten, vervoeren, straffen, enz. van de schuldigen; en ook om bij het trommelslaan persoonlijk te adsisteeren. Mutatis mutandis [in het wezen der zaak] was 't het model van de vermaarde Staats-Kommissie te Rotterdam in mijn tijd: waarvan suo loco [te zijner plaats].
Die van Enkhuizen verklaarden, dat zij wel eenig krijgsvolk, maar juist geen arméé, en vooral ook geen Gemachtigden gevraagd hadden. En Leyden verzettede zich met nadruk tegen die Resolutie, als strijdig met de stedelijke en burger-privilegien.
De Leden der Vergadering van Holland hadden elkander tot geheimhonding verbonden, maar het geslacht van Papirius was lang uitgestorven, en heeft buitendien hier in Holland nooit recht kunnen aarten; gewoonlijk was dit het middel om de besluiten te spoediger ruchtbaar te maken. Hoe 't zij, het gemeen te Enkhuyzen kreeg er de lucht van, nam het Stadhuis in, bezette de poorten, plantte (of ten minsten rolde) 't geschut naar de wallen, en wendde 't tegen de naderende schepen die van Amsterdam met de troepen aankwamen; en dadelijk afhielden. No riep men triumf, stak een Oranjen-vaandel op, zette de Wethouderschap af, brak het tuighuis op, haalde eenige honderden ponden buskruit uit de bijgelegen molen, en zette zich wijders aan 't zuipen.
De Gemachtigden van Holland kwamen voor de Stad en vonden de valbrug opgehaald en de poort gesloten: en hun needrig verzoek om toch binnen gelaten te worden, vond geen gehoor. Zij wachtten eenige uren voor de Stad; keerden toen naar de Haag te rug en deden verslag. En, als 't gaat, de
aant.bewegingen hielden in Enkhuyzen van zelfs op, en de regeering trad weder in functie - Maar dit was nu den Heeren Staten niet genoeg. Een acte van non praejudicie werd aan de Gedeputeerden gegeven, en tien weken na hun vergeefsche reis, keerden de Gemachtigden weêr, en 't volk voor het stadhuis met het trekken van de klok bij een gekregen hebbende, als of iets gepubliceerd zou worden, kwamen er op dat zelfde oogenblik zonder dat iemand het merkte 9 vendels de poort in. Daar werd ook werklijk een Publicatie afgelezen, en deze behelsde, dat niemand zich tegen het intrekken der troepen zou hebben te verzetten; en als zij verwonderd omzagen, stonden zij reeds van die troepen omringd. Eenige lieden werden nu gevat, maar het schijnt niet, dat het Hof van Holland iemand gestraft heeft. - Maar Enkhuyzen was nu van woedend Prinsgezind, woedend Staatsgezind, zoo als het toen begon genaamd te worden.
‘Het was (zegt wagenaar bl. 296) klaarlijk gebleken dat de bewegingen in de Steden, en vooral die te Enkhuyzen, aangelegd waren om den Prins te doen verkiezen tot Kapitein Generaal.’ In een zekeren zin is het waar; voor zoo verr' zij naamlijk daar een strekking toe hadden; en voor zoo verr' zij uit wrevel tegen een regeering sproten die haren volstrekten onwil daartoe toonde bij een volk dat dit verwachtte en wenschte. Maar valsch is het, voor zoo verr' hij te kennen wil geven, dat het een beraamde zaak was, met een oogmerk aangevangen, of door anderen aangelegd, dat is belegd, ontworpen, bestierd, en tot een eind of doel gericht. - Het
aant.gemeen heeft geen doel, en wagenaars aanmerking dient alleen, om ingewikkeld te kennen te geven, dat er lieden boven het gemeen achter scholen, die het tot baldadigheden ophitsten. Dan, hier is geen spoor of blijk van. 't Ware ook dwaasheid geweest: want waren er zulke geweest, die het met hun plicht bestaanbaar gerekend hadden, men had (niets was lichter geweest) de Oranje-partij kunnen organiseeren, en regelmatig te werk gaan. 't Waren enkel opwellingen van te onvredenheid, die bij de eene of andere gelegenheid uitborsten, in der daad zonder doel, en waarbij volstrekt geen ander opzet was dan zich te toonen, en eens uit te razen1. - Alleen te Haarlem had de zoo sterk blijkende zucht van de burgerij voor het Oranjehuis, en dit zonder beweging van het gemeen2, het uitwerksel op de Wethouderschap, dat zij het besluit nam, om ter vergadering van Holland voor te stellen: ‘dat men aan die volstrekt Nationale zucht behoorde te voldoen, en den Prins bij de Staten Generaal tot Kapitein Generaal voor te slaan: eer men er, 't zij door het volk, het zij door de andere Gewesten toe gedwongen wierd.’ De Pensionaris Ruil werd met deze last naar den Haag gezonden. Maar het viel hem, die ook op Loevestein gezeten had, zeer hard, en de Witt, aan wie hij dit te kennen gaf, bewoog hem licht om dit uit te stellen, tot men de stad in andere begrippen gebracht zou hebben; zoo als dan ook spoedig gebeurde, en de zaak verviel.
't Geen Holland niet wilde, deed Zeeland, waar 't moeilijker was de Gemeenten in band te houden. Te Goes was, ter gelegenheid dat er eenige Prinsgezinden in de Regeering geraakt waren ('t geen aldaar bij de algemeenheid dier gevoelens niet voor te komen geweest was,) het Oranje-vaandel geplant; en straks daar op begeerde de Schutterij van Middelburg (anders op verr' na de warmste in deze partij niet) hetzelfde, met bewilliging van de Wet en Raad der Stad. Elders droeg men Oranje linten, 't zij uit zucht voor den Prins, 't zij als vrij-gelei langs de straten; en alles in het rond scheen zich in het zelfde gevoel voor den jongen Vorst te vereenigen. Weshalve Zeeland dan nu ook het besluit reeds een jaar vroeger genomen (en ter gunste van Holland buiten kracht gehouden), uitvoerde, en hem werklijk ter Generaliteit tot Kapitein Generaal en Graaf Willem tot zijn Lieutenant voorsloeg.
Buitengewone Gemachtigden werden door Holland zoo wel als de gewone Gedeputeerden ter Generaraliteit te werk gesteld om dien voorslag buiten deliberatie te houden. Bij voorraad werd de zaak bij de Provincien overgenomen. Friesland en Groningen alleen lieten zich uit en bedankten Zeeland met nadruk. De Witt vreesde nu, dat eenige Steden in Holland zich mochten laten omzetten, door bezendingen uit H.H. Mogenden, en namen een besluit dat zoodanige bezending niet aangenomen mocht worden; en tevens deden zij een vertoog opstellen over de nutteloosheid van een Kapitein en Admiraal Generaal. Dit vertoog is breed genoeg, wel gesteld, en wordt J. de Witt-zelven toegeschreven.
Dit stuk rond gezonden veroorzaakte dat Groningen in tegendeel Gelderland bij een ander vertoog aanmaande, op den aanstaanden Landdag Zeelands propositie toe te vallen. Maar daar wist de Witt door Nieuwpoort die uit Engeland eenig verslag kwam doen, en Amerongen (onder schijn van tot bewilliging in de gemeene lasten te komen verzoeken) genoeg tegen te werken, en de ijver van Groningen baatte niet. Men bediende zich mede van 't motif, dat 's Prinsen aanstelling een dadelijk afbreken van de Vredehandeling in Engeland ten gevolge zou hebben, gelijk Bevernink (niet zonder last van de Witt-zelven) aan hem schreef, en dit te meer, daar de Prins nu ook de orde des Kousenbands van zijn Oom Karel ontfangen had.
Dit argument werkte echter nu vrij minder dan of het eenigen tijd vroeger gebruikt ware geweest. Want juist nu kreeg men kennis van den wonderlijken voorslag der Coalitie, die ieder even zeer tegen de borst stiet. Geen der genen die niet met het hart aan Engeland hingen, of hij begreep dat men dadelijk alle onderhandeling afbreken moest. Doch de liefhebbers der vrijheid (gelijk zij zich noemden zegt wagenaar bl. 307, en ik voeg er bij, gelijk alle zich gewoon zijn te noemen die buitenslands steunsel zoeken om in hun Vaderland den meester te spelen) meenden, dat schoon die Coalitie niet aan kon gaan, echter geen middel onbeproefd gelaten moest worden om de Vrede te verkrijgen. En hierin mag men hun geen ongelijk geven, zoo zij slechts bloot Vrede, en die eerlijk gewenscht hadden. Veel was er te doen, en, onder de Hol-
landsche Steden-zelfs, groot verschil hoe zich te gedragen; maar men werd het in Holland bij overstemming eens bij de Generaliteit door te drijven dat men de Gemachtigden op nieuw een poging deed doen, om, met afzien van de Coalitie, een naauw verbond tusschen de twee Republieken te verwerven. 't Geschiedde en het Gezantschap vertrok dus op nieuw.
De Engelschen stonden nu niet op de Coalitie, maar sloegen al spoedig een ander verdrag voor, van 27 Artykelen, die iets meer behelsden, dan het comiter servare majestatem populi Romani1 insloot. De Gemachtigden weerden zich tegen de aanmatigingen daar bij vastgesteld, en dorsten 't naauwlijks overnemen. Maar intusschen stierf van de Perre, en Kromwel werd Protector.
Deze, van het Hollandsche gezantschap gecomplimenteerd, deed nu een nieuwe hoop om te slagen, ontluiken. Maar hij lei er nog een loodtjen op, en wilde nu de moorden voor een halve eeuw op Amboina begaan, gestraft hebben. Echter het was hier loven en bieden tusschen twee commerciëerende Republieken (of quasi), en men kwam al nader en nader: waar bij echter geen reden over verstond was één punt, dat hij stijf en onwrikbaar vasthield, en dit punt was: ‘dat de Prins van Oranje noch eenige afkomeling van hem ooit Stadhouder, Kapitein Generaal
of Admiraal, het zij van de Unie, het zij van eenige der Provincien zou mogen gekoren worden, maar altijd geweerd worden.’ - Men begrijpt licht met welk eenen ijver en warmte Beverning al zijne welsprekendheid uitgeput zal hebben om Kromwel van dit punt af te brengen! Maar helaas! 't hulp niet, dan alleen in zoo verr' dat hij met de verzekering en belofte van de Staten van Holland omtrent dit punt te vreden zou zijn. En met dit ultimatum vertrok het Gezantschap dan weder naar herwaart om - verslag te doen.
Nu draalde de vrede niet lang. Holland nam de voorwaarden aan, en de Generaliteit volgde, met eenige kleine veranderingen meer de bewoordingen dan den grond der zaken rakende: inzonderheid werd in plaats van het artykel der uitsluiting van den Prins van Oranje gesteld: ‘dat al wie ooit Kapitein of Admiraal Generaal der Unie of Stadhouder eener Provincie wierd, dit verdrag zou moeten bezweeren.’ - Op den 15 April 1654 werd het geteekend. En de Acte van Seclusie door Holland beloofd werd nu ook, op het aandringen van Lord Protector, alhoewel niet dan onder herhaalde Protesten van Haarlem, Leyden, Enkhuyzen, en Edam, door Jan de Witt, bij overstemming (die in dit punt volstrekt niet vallen kon) op den 4den May geconcludeerd, staande Vergadering opgesteld, en met 14 stemmen gearresteert, en daar op in eenen adem gegrosseert, en afgevaardigd, en ook des anderen daags met even zoo veel haast naar Engeland gezonden. En dit alles geschiedde onder volstrekte geheimhouding, welke de Witt de Leden vooraf had doen bezweeren, waar
aan de protesteerende Leden echter, bij zulk eene handelwijze nu verklaarden zich niet verder verbonden te achten.
Slaan we nu hierbij kortlijk een oog op het ensemble van Hollands gedrag, of liever van dat van Jan de Witt.
α) Van den aanvang der Engelsche omwenteling af, betoont men een sterke drift voor die party, bij een vurigen haat tegen den Prins: men haalt hen aan, dient en ondersteunt hen, ten spijt en tot terging van de overige Gewesten.
β) In den oorlog weert men zoo veel men kan den overwinnenden Tromp, geeft hem slechte onbruikbare schepen, ondersteunt de lafhartigheid en het plichtverzuim, van die alles doen wat mooglijk is, om hem door de Engelschen te doen slaan en vernielen. En drijft vrede-onderhandelingen door, wier aanvang zelfs een onverzwelgbare hoon voor de Mogendheid was, en waarbij men zich aan allerlei laagheden onderwerpt.
γ) In dien vredehandel wil men geen Gemachtigden van den Staat, maar Provinciale; benoemt den allergeweldigsten vijand van 't Huis van Oranje, en die de onaangenaamste voor de Unie was dien men kiezen kon.
Dezen, volstrekt overgegeven aan Jan de Witt, doet men buiten de overigen handelen; en schrijft hem voor, alles alleen te doen, alles voor hen geheim te houden: bedient zich in de korrespondentie met hem van een afzonderlijk cijfer; toont de grootste angst, dat dit cijfer aan de anderen bekend worde: doet hem de bevelen der Unie daarlaten; telkens heen en weer reizen, buiten en tegen wil van de
Unie: dringt op een blene-signé van de Unie voor hem, om alles, wat het ook zijn mocht, in Engeland te kunnen toestaan: drijft alles hoe absurd, beleedigend, en vernederend in te willigen. En terwijl men bij de Unie ondanks de herhaalde bezendingen daar tegen, en 't gewelddadig bedwingen van den algemeenen Nationalen wensch, den Prins bevorderen wil, en de Unie zich dit volstandig en in weerwil van alle kunstgrepen, niet wil laten verbieden, sluit men in 't heimelijk, provinciaal, met Kromwel, op den voet dien de Unie met bewijs van afschrik verworpen heeft, tot eeuwige seclusie van den Prins en zijn eventueele kinderen zoo lang zijn geslacht duren zal; laat zich en alle Regenten de vrijheid ontnemen, om ooit in zulk een gewichtig punt het belang van den Staat te behartigen; maakt van de Staatsvergadering van Holland een heimelijk eedgespan, concludeert daar tegen alle recht bij overstemming op een punt, dat de vrijheid der Staatsdeliberatien en tevens de plichten jegens de Unie raakt, en met eene onvoorbeeldige verhaasting, die de angst aan den dag legt, dat men er op te rug mocht komen, en niettegenstaande de krachtigste protestatien van verscheiden en zeer voorname leden, voleindt en expedieert men dit alles in weinige uren, met al de drift van een partij kwaaddoeners die hun roof in veiligheid willen brengen. Zeker, die dit alles te samen neemt, moet andere motiven onderstellen, dan een Nabuur, die iets vordert, te wil te zijn. - Sed sufficiat hoc attigisse! [Doch, dit in het voorbijgaan.]
Men hield deze fraaie seclusie zoo veel verborgen
als men kon; maar zij moest weldra uitlekken. Haarlem drong wel aan dat men bij de Generaliteit daar opening van moest doen, maar men begreep ‘dat Holland aan niemand rekenschap schuldig was, en het haar eigen zaak was, die niemand aanging.’ Zelfs, wilde men 't voor Zeeland verheelen.
De Prinsessen, Moeder en Grootmoeder, en ook de Keurvorst van Brandenburg (als Oom), toen 't gerucht dat daar van begonnen was te loopen geloofbaar werd, wendden zich over de zaak aan H.H. Mog. en tevens aan Holland, om de zaak die men niet onderstellen kon reeds geheel in één oogenblik volvoerd te zijn, te keeren, en te weten wat er van was. Friesland bracht ter Generaliteit klachten in wegens Hollands afzonderlijke verbintenis; maar de Hollandsche Gedeputeerden hielden zich of zij van niets wisten, en die klacht niet begrepen. Zeeland kwam toen uit, verklaarde de zaak en wilde haar vernietigd hebben. Men vorderde opening van Holland, en wilde die ook van de Ambassadeurs (want die qualiteit was hun voor het sluiten der vrede, ter contemplatie en believing van Kromwel, gegeven) geeischt hebben: maar Holland stelde dit van tijd tot tijd uit, en verbood Beverning de Akte meê te deelen. - Intusschen was de Vrede afgekondigd geworden, en gevierd, maar met luttel blijdschaps, daar men algemeen reeds van 't geheim wist. - De laffe Brederode, die de eerste geweest was om ter Hollandsche Staatsvergadering voor de seclusie te stemmen, gaf te dier gelegenheid in de Haag eenige Oxhoofden wijn, maar niemand wilde zijn wijn proeven. In Amsterdam meende men de Predikanten ook door geschenken van
wijn, en het volk door Wilhelmus blazen, te paaien. - In Dordrecht stak het gemeen een Oranjenvlag op de toren, met oogluiking van den Magistraat en zelfs zonder tegenstand van Jacob de Witt, die Regeerend Burgemeester was. In Leyden wilde men zelfs noch illuminatie noch pektonnen, zoo was de verondwaardiging algemeen over een Vrede, ten koste van zulk eene laagheid en ondankbaarheid als elk daarin zag. - En men dorst dit algemeene gevoel niet tergen.
Dit vergrootte niet weinig, toen men, behalven de kenniskrijging van verscheiden vernederende artykelen des tractaats, ontzachlijke sommen gelds naar Londen zag gaan, ter voldoening van de schade-vergoedingen, waaraan men zich jegens Engeland onder velerlei namen onderworpen had, en die met veel moeite bij een soort van arbitrage, eindelijk op een miljoen en bij de 80,000 Gl. Hollandsch bepaald werden. Een som, die toen waarlijk ontzettend was! en buiten welke de Engelschen nog geheel andere schadevergoedingen ten laste van onze Oost- en West-Indischë Compagnien berekenden, (behalven den geheelen afstand van het eiland Pouleron), in baren gelden bijkans nog tot een Miljoen gebracht. De Akte van verbod van invoer bleef in stand; de vaart op de Engelsche Kolonien was verboden. Die op Amboina den haat der Engelschen niet geschroomd hadden, moesten als moordenaars (voor zoo verr' zij nog leefden) gestraft worden; en de Erfgenamen van die men als verraderlijke misdadigen gestraft, en bij ons Gouvernement als zoodanig verklaard had, moesten met geldsommen gepaaid worden, die (nog al
genadig) maar circa 40,000 Guldens bedroegen. De ouder en door alle Mogendheden erkende Republiek, moest zich tegen alle Jus Gentium aan de nieuw opgekomen en door niemand erkende hondsvotten wien 't behaagde gelijken naam (quasi) aan te nemen, op de openbare Zee tot een eerbewijs verplichten, dat alleen aan den Konings-tytel verschuldigd was, en daar meê verviel, en waarover ieder zeeman het hart van spijt barsten moest. Den wettigen Vorst en Bondgenoot des Staats mocht men niet op zijn vrijgevochten grond dulden noch iemand der zijnen. En hier kwam dan nog bij, dat het onnoozel Vorstelijk kind, de erfgenaam der Stichteren en bevrijderen van Volk en Staat, en de hoop en liefde der Natie, waar zij met hart en ziel aan hing, en zonder wien zij geen bloei of bestaan voor zich mogelijk achtte, voor eeuwig en onherroepelijk van alle bewind, gezag, en voorouderlijke waardigheid (ter willekeur van den Engelschen Tyran!) verwijderd en uitgesloten wierd! Dit griefde op eens, en op alle de gevoelige punten van 't hart: en geheel het Volk werd met een stroeve neêrslachtigheid bevangen, die zich niet liet afleiden, maar wraak van den Hemel bad over die zulk een Vrede hadden doorgedreven of aangenomen, en die ze vervulden.
Die dit recht beseft, en daarbij den indruk dien dit op jonge kinderen had toen in den eersten tijd, waar in alles zich onuitwisselijk in het gemoed vestigt, en die sedert in de gevoelens der ouderen opgevoed werden, kan zeer klaar begrijpen dat in 20 jaren tijds, het toen bloeiend geslacht, wanneer al
die vroeger indrukken door de hoogste ongelukken die een Staat over konden komen, verlevendigd werden, niet kon nalaten de de Witts met een getergd gevoel te beschouwen; dat, eenmaal uitbarstende, bij het gemeen tot atrociteiten oversloeg, waar men niet zonder afgrijzen aan denken kan.
Holland naamlijk was nog een Natie. 't Was nog met geen duizende Fransche Emigrés overstroomd, die met de Fransche taal en zeden overal verachting voor 't voorvaderlijke instortten, en de innige banden waardoor men aan Volk en Vaderland vasthoudt, verwoestten: 't was nog met geen sprinkhaans-zwerm van Duitschers overladen, die hier hun brood komen bedelen, om weldra de Inboorlingen te smaden en te vertrappen: en het schuim van alle Natien was hier nog in die maat niet heengevloeid, dat het alle Burgerlijk karakter in bloote geld- en roofzucht versmoorde. Men gevoelde diep, en had een bestendig karakter, en hield vast aan voorouderlijke denkwijze. Onverschillig voor 't vaderland geworden, neemt men niet meer ter harte, dan wat het egoïsmus onmiddelijk raakt; en het is alleen bij een natie zoo verbeestelijkt als de Franschen, dat men uit legereté of als een amusement gruwelen begaat en ook weêr verfoeit. - Maar in 't toenmalig karakter der Natie, was die akelige gebeurtenis in het jaar 1654 derwijze voorbereid, dat zij in 1672 onvermijdbaar was, en ook was zij van toen af door wijzen voorzien.
Dit in het voorbij gaan!
Eindelijk moest Holland toch met de zaak zoo zij lag, voor den dag komen. En groot was het
ongenoegen, dat daar over tusschen de Provincien