[Het gene in de volgende bladen niet tusschen haakjes ingesloten is, behoort tot bilderdijk's eigen handschrift:
Het aldus ingeslotene ( ), is aanvulling uit zijn mondeling bijgevoegde:
Het aldus onderscheidene [ ], is toevoegsel van mij zelven.
H.W.T.]
Nog in mijn tijd klonk dat vrijgevochten overal bij het gemeen, en alle onbeschoftheden en brutaliteiten werden daarmeê verdedigd. Men begreep niet, dat, hoe zeer de Voorvaders als mannen gevochten hadden voor Vrijheid en Godsdiénst, en dus goed en bloed van moord en geweld beveiligd, eigenlijk de Natie sedert Maurits niet meer dan troepen betaald had, die deels uit dit Land, deel uit Duitschland, Frankrijk, en Engeland, zich daar toe verhuurden; en dat al de verdienste bestond in een standvastigheid bij het opbrengen van 't geld, daartoe noodig; en die voortvloeide uit het geen de oorlog hen winnen deed en waarmeê die wederstand hen verrijkte. Maar de lafste weversof klompenmakers-gast schreef na vijf of zes geslachten zich dat vrijvechten persoonlijk toe, zelfs schoon verre de minsten in den tijd van 't Nationaal vechten, onder de Natie behoord of ooit eenige verwantschap gehad hadden.
Over deze sustenue: quatenus probabil.
En deze vastgehouden tot den oorlog met Frankrijk toe.
't Oogmerk: Holland en Zeeland met Utrecht vereenigd, tot de eigenlijke mogendheid te maken; en de andere Provincien als accessoiren, onder bescherming van Holland aan te merken; bij wijze van 't Zwitsersche verbond, en wel met mederaadpleging, maar niet met kracht van stemming tegen Holland.
Hier voor kwam Jan de Witt naderhand volkomen uit. En om dit te weeg te brengen, wilde men zelfs de overige Provincien wel door Frankrijk veroverd zien. - Ook hield men dit nog vast bij de teruggave der drie Provincien met de vrede.
Men onderscheidde bij die Lieden tusschen het verbond der Unie, quà verbond, en het algemeene en Vereenigd bewind daarbij ingevoerd; als zijnde dit slechts toepasselijk en ziende op den oorlog met Spanje, en dus, daarmeê moetende vervallen.
Dit punt wel in acht genomen, maakt het gantsche gedrag der Hollandsche regeering klaar, en zoo men een maal aanneemt dat men 't daar ter goeder trouw dus begreep, is ook begrijplijker en beter toe te geven het tegen alles aandruischend gedrag, bij hen ruim 60 jaar lang gehouden. 't Was het systema dat Barnevelt aannam, en om 't welk door te drijven hij zoo brandend de vrede wilde, en het bestand doordreef, 't geen hij zich voorstelde in een vaste vrede te zullen veranderen. Zoo als hij ook bij dit bestand dadelijk zijn begrip in practijk bracht.
Geheel anders dacht Willem I daar over. ‘Bewaart uwe Unie wel.’ - Maar Barneveld begreep, dat Holland met Utrecht een genoegzame ronding gaf; en de Landprovincien niet zonder Holland bestaan konden;
maar zelfs met het geld van Holland verdedigd moesten worden, en dat dus, (naar zijn wijze van inzien) de Unie, die de Provincien gelijk stelde, onereus voor Holland was en een band, die Holland mocht afschudden, als onredelijk. - Dit aanzicht is misschien nieuw bij onze Historie; maar het ligt klaar in de Politicque Schriften van de eerste helft der 17 Eeuw, zoo wel als in 't gantsche gedrag van Holland.
[Bild. had hier eene nog harder uitdrukking: doch in deze geheele plaats is eene stuitende en onbillijke hatelijkheid blijkbaar tegen dezen kundigen en welmeenenden, getrouwen maar zelfstandigen Staatsman1. - Hierdoor spreekt B. van deszelfs ‘zeer onhebbelijke aanmatiging, welke zeer gegronde verbittering gaf,’ geheel volgens wagenaar; die deze zelfde partijdige beschuldigingen geboekt, doch op verkregen authentieke inlichting, eerlijk herroepen had. Z. wagen. Vad. Hist. XII D. vergel. met Amst. XIII St. bl. 274-281 en de Voorrede voor de Gedenkschriften van dezen alex. v.d. capellen, bl. xxxi, v. en de Gedenkschriften zelve, II D. bl. 274-332, en Bijlagen van dat Deel, bl. 433-458. - Vooral moet men in het IIo. D. lezen bl. 281-283 en 315-332, om ten volle bevestigd en met naïve uitdrukking breed beschreven te vinden, al wat B. schrijft van Hollands overmoed, zucht om de andere Provintien te overheerschen, pretensie dat de Unie nu eigenlijk ophield, ongeregelde en geweldige handelwijs enz. Oor-
deelde v.d. cap. evenwel de middelen door Prins Willem II gebruikt ‘al te hard en te ongewoon;’ en wilde hij en de andere Gecommitteerden uit Gelderland die niet voor hunne rekening nemen (bl. 283); dit oordeel staat hem vrij: doch hij-zelf erkent (ald.) dat het den Prins te doen was, en mocht en moest zijn, ‘om soo wel sijn selven te conserveeren, als de Unie te mainteneeren:’ welke middelen nu te gebruiken, als het dan, ongelukkig, tot een geweldigen stap komen moest, kon de Prins best beoordeelen; bloed is er niet gestort, en dit wilde de Prins ook niet; z. commelin, Beschrijving van Amsterd. bl. 1131 (uitg. van 1726) wagen. V St. bl. 108, v. 112, en vergel. bild. alhier bl. 25.]
[Het mislukken der overrompeling, dat eene blokade van de landzijde ten gevolge had, en het doorsteken van dijken door de Amsterdammers, gaf aanleiding tot eenige schermutselingen; doch waarbij geen bloed vergoten schijnt te zijn. Z. commelin Beschr. v. Amsterd. bl. 1135, v. wagen. Amsterdam V St. bl. 123, 132.]
In 1670 ‘verweten de Afgevaardigden van Rotterdam, gestijfd door die van Delft, dat deze Stad, steunende op hare macht en grootheid, de andere Leden van Holland tot onderwerping zocht te brengen en den voet op den nek te zetten, met bijgevoegde bedreiging, ‘dat men andermaal een leger voor de Stad zenden zou om haar te bedwingen.’ Wagen. Beschr. van Amsterdam V St. bl. 314: men zie aldaar bl. 315, het besluit daarop bij de Amsterdamsche Vroedschap genomen. [Namelijk: de
Regeering van Amsterdam verklaarde, ‘dat de Stad altoos gezocht had, in bescheidenheid en zedigheid uit te munten boven de andere Steden, en meermalen, uit inschikkelijkheid, veel over zich had laten gaan.’ - Zoo noemt de Paus zich ook den knecht der knechten Gods! - ]
Welk vermogen de Amsterdammers in 1617 in de maand van April, zelfs aan de Generaliteit en den Heere Stadhouder hebben overgegeven: t.w. op den 4o en 14o April, besloten die van Holland tot een Provinciaal Synode: waartegen Amsterdam c.s. zich bij de Staten Generaal en den Stadhouder vervoegde, verzoekende heul en hulp, aan denzelven al het recht en vermogen dat zij in Holland hadden opdragende.
't Was in de Stad ook in 't geheel maar zoo eenig niet met de Regeering.
De boer, op wiens losgeraakte paard de Amsterdammers bij het beleg zoo dapper schooten, hiette Cornelis Kaecx1.
Amsterdam in 1649 enz. van de Bikkers geregeerd. Geen kollegie in en buiten de Stad enz. of zij hadden er ten minste een nabestaande in, waar door zij alles dwongen.
Jacob Bikker, Jacobs Z., was onder zijn geslacht eertijds de rijkste. Andries en Cornelis hebben van hunne ouders niet meer dan 1000 pond. vl. ten huwelijk gehad. De rijkdommen van den Heer van Swieten [d.i. Corn. B.] zijn uit de W.I. Comp. oorspronklijk. Zoo haast deze opgerecht werd, bracht hij er al zijn vermogen in; en dus werd hij volgens 't octroi Bewindhebber. 't Eerste geluk daar in was toen de verovering van de zilver-vloot door Piet Hein; waar door hij 75 per Cent deed uitdeelen; daar op volgde de Honduras vloot, die 30 per Cent uitdeeling veroorzaakte. Nu waren de Actien tot een enormen prijs gerezen; en Swieten dit ziende, ontdeed zich van alles, verkocht zijne aandeelen en begon nu (daar hij de gelegenheden door zijn bewindhebberschap had leeren kennen en slim was), op de kust van Brazil in zijn particulier te handelen, waar hij wist dat de meeste winsten te doen waren; zoo dat hij, daar niemand een kist zuiker wist te bekomen, zijn pakhuis daar altijd vol van had, en met die monopolie 's jaars meer dan ƒ 100,000 op lei. Daar bij zette hij de Comp. in alles den voet dwars, en wist alle vorderlijke besluiten bij haar te verhinderen.
Nog geeft men den Bikkers na dat zij de smeederijen hier in den grond boorden, door 't ijzer in Zweden (beter koop) te laten bewerken.
Men was over hun hovaardij, onderdrukking der Burgers, dien zij den naam van Jan rap altijd toewierpen, zeer te onvreden; en zij hadden 't geweldig tegen de Kerkelijken geladen. Zij waren 't vooral die de
Arminianerij dreven, en tegen de Synode van Dordrecht uitvoeren enz. enz.1.
De Burgers van Marken en Rapenburg schonken, na den aftocht der troepen van Willem II aan hunnen Trommelslager een zilveren schild van ƒ 100 innige waarde, met de blokkeering van Amsterdam daar op.
[Het schijnt mij uit een der excerpt-dictaten, dat bild. in zijne lessen, de acht redenen, waarom kluit, Hist. d. Staatsr. III D. bl. 246-249, het gedrag van Willem II, bepaaldelijk in vergelijking van dat van Maurits in 1618, afkeurde, een voor een plagt te weêrleggen. Doch het is te minder noodig, dit weder uit te breiden, sedert de Heer wiselius de Nederlandsche Geschiedkunde edelmoedig en kloekmoedig den dienst bewezen heeft der uitgave van het zoo bondig als bescheiden Geschied- en regtskundig onderzoek, rakende het eigenmagtig en afzonderlijk afdanken van krijgsvolk bij de Staten van Holland, in den jare 1650, met de gevolgen daar van; vooral wat betreft de handelingen van de Algemeene Staten en van Prins Willem den Tweede. Te Brussel, 1828. - De zaak komt mij zoo eenvoudig en blijkbaar voor, dat ik niet genoeg de kunst bewonderen kan, waarmede de Geschiedschrijvers het oog der Natie, door de frappante materieele feiten van het zetten der zes Heeren op Loevestein, en den beraamden, doch mislukten aanslag op Amsterdam, hebben weten af te leiden en te verblinden, zoo dat men op
de eigenlijke punten van recht en feit, waarop het hier aankwam, niet meer lettede: en ik zou durven zeggen, dat de noodzaak voor Willem II, om door te tasten en de waardigheid en het recht der Staten Generaal, en het bestaan der Unie, te handhaven, nog sterker en dringender geweest is, dan die voor Maurits. Toen was er, ja, gevaar van gewapenden tegenstand en aldus van burgeroorlog; maar thans was de tegenstand en opstand en afval reeds daar, de Unie was facto geschonden. - Hoe groot of klein het overgebleven geschil was (kluit bl. 243, bild. bl. 14) doet er niet verder toe, dan in de zedelijke of voeglijkheidsvraag, wie nog meer, wie in het uiterste punt van verschil, had moeten toegeven? Maar dit aangaande, konden de Prins en de Raad van State, die reeds tweemaal aan een geveld besluit van Holland om feitelijk en onwettig af te danken, toegegeven en daarbij slechts even de glimp van hun fatsoen hadden kunnen bewaren (bild. bl. 6), - en konden de Staten Generaal, die bij plechtige bezending de Hollandsche Steden rondgereisd en goede en kwade woorden uitgeput hadden, - zelf best oordeelen: - en het schijnt mij in de daad, dat het er nu aan toe gekomen was, dat de zaak beslist moest worden, en dat Holland-zelf ze beslist wilde hebben (bild. bl. 7), ‘of het verbond der Unie van eenige kracht zoude gehouden worden, of niet; of er in het vervolg nog een Generaliteits-leger, dan of er slechts Provinciale benden zouden zijn.’ - Had de Prins niets gedaan, maar het door Holland gedane laten geworden en beklijven, dan was de zaak ook voor het vervolg beslist, maar dan was het ook met Staten Generaal en Unie gedaan geweest, en Holland en bepaaldelijk Amsterdam (capp. Gedenkschr. II D. bl. 328) had de Republiek overheerscht].
[Nota bene! of, gelijk men in de rechtspraktijk zegt: ‘ik neem van deze uitlating acte,’ tegen de genen dien B. zouden willen doen voorkomen als een voorstander van een Hobbesiaansch Absolutismus, of Filmeriaansch en Halleriaansch zoogenaamd droit divin of subrogatie van den Vorst in de Goddelijke oppermacht en Majesteit. Z. ook bov. D. VIII. bl. 232, v. aant.]
[In zijne Voorlezingen merkte B. nog aan: ‘dat het laten verwisselen van linnen streed tegen de toenmaals algemeene wijze van behandeling der kinderziekte, die alszins warmte vorderde.’ - Krachtig en geestig zegt B. in de Krekelz. I D. bl. 143:
In dit geschiedkundig eigenhandig opstel gaat hij echter niet verder dan tot de beschuldiging van onvoorzichtigheid. - Doch hier over straks!
De Heer Mr. wiselius heeft bij het bovengemeld Geschied- en regtskundig onderzoek enz. tevens uitgegeven de Historia morbi of de geschiedenis der ziekte van den Prins en het verslag der schouwing van deszelfs lijk, uit de papieren van const. huygens, bl. 177-185; doch welke, uit vergelijking met aitzema's verhaal, VII D.
bl. 121-125, blijkt in 't Latijn onder het oog van aitz. geweest en door hem gebruikt te zijn. De Heer W. Voorr. bl. xv, schijnt in dit stuk wel eenige bevestiging voor het toenmalig vermoeden van moedwillig verzuim (zoo niet stellige vergiftiging) aan te treffen. Doch een mijner hooggeachte Ambtgenooten, niet minder uitmuntend en beroemd als Geneesheer dan als Geleerde, door mij om zijn advys over die medicale Casus-positie verzocht, geeft het oordeel, welk ik de vrijheid neem hier woordelijk te laten volgen: ‘Wat de Geneeskundige behandeling betreft, zoude deze in 1835 bewerkstelligd zoo als in 1650, mij ten hoogste bevreemd hebben; en als de Prins 50 jaren later dezelfde ziekte had moeten doorstaan, en boerhaave of eenen zijner leerlingen tot arts gehad had, zoude de behandeling vooral in het tijdperk der ettering geheel anders geweest zijn. Het dikwijls verschoonen van lijf- en bedlinnen kan (me judice) niet zoo zeer als verwijderde oorzaak van den ontijdigen dood gehouden worden; daar zelfs na die veelvuldige verschooning, die toch altijd, sed maximâ cum cautelâ, zoo als de Medici bladz. 179 zeggen, plaats gehad heeft, de pokjes regelmatig zijn gezwollen, en goed gesuppureerd zijn. Men moet zich ook voorstellen een jong, sanguineus, Vorstelijk lijder, en zwakke, onderdanige Medici, die geenen moed hadden, om de dignitas principis van de aegritudo hominis variolis laborantis af te scheiden, om te verklaren, dat er bij het behandelen van zoodanig Personaadje eene zelfstandigheid van character vereischt wordt, welke zoo zelden gevonden wordt.
Naar de tegenwoordige methodus medendi variolis in genere, et in juvene plethorico in specie, valt er meer deze aanmerking te maken, op het toedienen der Bezoardica alexipharmica, bladz. 181, toen er reeds
oppressio pectoris voorhanden was; en dusdanige behandeling, van alle methodus rationalis vervreemd, kan zeer wel den dood veroorzaakt hebben, daar men in onze dagen die oppressio met vesicatoria, hirudines, en eene methodus prudenter antiphlogistica zoude bestreden hebben. Maar dat behoort tot de Historia Critica Dogmatum. Ik voor mij gelove dat men deze be of mishandeling in aanmerking genomen hebbende, niet met den Franschen Kardinaal behoeft te zeggen, dat men zich van den Prins ‘behendiglijk had afgemaakt’1.]
[Hier bij eenige kleine aanmerkingen:
1o. Men leide, uit B.'s scherp en spijtig gezegde niets af ten nadeele der zedelijkheid van den schilder Hondhorst. Immers houbraken, Leven der Schilders, I D. bl. 150 getuigt van hem: ‘Hij was bijzonder minzaam, beleeft en van een geregelt leven.’
2o. Willem II is ook zelf door van Dijk geschilderd geweest, houbr. ald. bl. 185: doch als kind; want het was vóór v. Dijks vertrek naar Engeland; en ik weet niet of dat schilderij in plaat gebracht is.
3o. Naar het schilderij van Hondhorst, ken ik, door de gedienstigheid van den Heer j.t. bodel nyenhuis en uit zijn rijke verzameling, vijf onderscheiden gegraveerde portretten; - twee in groot formaat, drie in gr. 8o: - welke onderling zeer weinig op elkander gelijken. Op het grootste en oudste, tamelijk grof bewerkt, (H.R. Sculpsit, Clement de Jonge excudit), ziet de Vorst er wel wat ploertig of debauchant uit: doch op het folio-portret van Tanjé 1649, naar Hondhorst,
ziet hij zeer zedig en stemmig. Op het eerste 8o portret van Houbraken, van het leven van Willem II. (G. Hondhorst ad vivum pinx. 1649) is hij pensif en krachtig, doch als een schoon jong man. Een ander door Houbraken is in het XII Deel van wagenaar: ‘naar 't origineel van Hondhorst op 't Hof in 's Gravenhage;’ hier heeft Willem II iets zwaarmoedigs en ingetoogen. - In het portret door Philips, 1738, gegraveerd voor het Eerste Deel van den Tegenwoordigen staat der Vereenigde Nederlanden, ziet de Vorst er zeer dom en onbeduidend uit; en vertoont niets van die hoogmoed en heerschzucht, die men hem in den Bladwijzer, in V.) onbeschoftelijk verwijt1.
4o. In dezelfde verzameling zag ik ook twee gegraveerde portretten in groot formaat, van onzen Willem als negenjarig kind: het eene naar een schilderij van Miereveld, gegraveerd door W. Delff; het andere ook naar Hondhorst, door J. Suyderhoef bewerkt. Het is niet te ontkennen, dat het Vorstelijk kind volgens Miereveld er veel edeler en aangenamer uitziet, dan volgens Hondhorst.
5o. In het excerpt-dictaat van den Heer B.N. vind ik door bild. bij deze recensie der portretten en van Hondhorst, opgegeven: ‘het beste portret is dat bij een optrekking met cavallerie.’ Doch eene afbeelding van Willem II in plaat met zoodanig bijwerk, is den Heer B.N. en mij onbekend.
Maar, 6o. - Zonder iets aan het natuurlijk edel karakter en de geestvermogens van Willem II te willen te kort doen; is 't toch mogelijk, dat hij, ofschoon jong getrouwd, ook later niet vrij is geweest van jeugdige
feilen en uitspatting; en dat er dus in de groote gravure naar Hondhorst, en in deszelfs geschilderde portretten, die B. zoo zeer geërgerd schijnen te hebben, meer waarheid kan zijn dan B. en wij zelf wel wenschen. Een alzins geloofwaardig getuige, de geleerde Edelman janus vlitius1, verwant aan de Aarsens2, en aan het Vorstelijk Huis verknocht3, klaagt in vertrouwde brieven aan nic. heinsius van Febr. 1646 en Maart 1648 scherp en bitter over de losbandige en verfranschte zeden van den jongen Vorst4. - Welligt ware dit, indien hij was blijven leven, met de jaren gebeterd; maar
anders zoude er van de dichterlijke voorspellingen van B. nopens hem Bladz. 30, 31, weinig te recht gekomen zijn. -
7o. Het ‘allervuilst libel,’ den Zeeuwschen Buatist van het jaar 1668, en deszelfs vague beschuldiging van afschuwelijke daad nog op 't laatst van 's Prinsen leven en in dat laatste jagersleven, late ik, als de Heer wiselius (bl. 63, 65), aan de verachting die het verdient.
Hoedanig op den duur, en bij rijper jaren, 's Prinsen Staatkunde, en welke de toestand en de lotgevallen der Republiek zouden geweest zijn, ware hij blijven leven, is bezwaarlijk te zeggen; of liever behoeft, na dat het Goddelijk besluit die quaestie afgesneden heeft, - (sic erat in fatis!) niet meer onderzocht te worden. Doch het eerste en naaste gevolg schijnt gunstig geweest te zijn voor het behoud van de pasgesloten Munstersche vrede. - Dat de Prins ‘ten dezen tijde heimelijk arbeidde, om de vrede met Spanje te verbreken, en den Staat, te gelijk met Frankrijk’ (d.i. als bondgenoot van Frankrijk, 't welk steeds in den krijg met Spanje volhardde, waaruit wij ons niet zonder zwaar beklag van Frankrijk en min of meer bondbreukig tegen hetzelve - z. bild. VIII D. bl. 131, 166-169 - hadden te rug getrokken) ‘in te wikkelen in eenen nieuwen krijg tegen Filips IV,’ (wagen. XII D. bl. 115), is later geschreven door wicquefort, en veel later zijn in de Negociations du Comte d'estrades drie stukken, daar toe strekkende, in 't licht gegeven. De Heer wiselius (in een Aanteekening bij het Onderzoek, bl. 62, 63) verklaart dit kort weg voor belachelijk, beuzelarij, en zinneloos; bilderdyk bl. 29 spreekt over
de zaak geheel anders, en acht dit voornemen van den Prins, ‘nu machtig genoeg om het door te zetten,’ niet onwaarschijnlijk. Het is mij ook steeds toegeschenen, dat de inwendige gronden voor zulken wensch en voornemen van den Prins (en dus ook voor de echtheid der bij d'estrades uitgegeven stukken1,) sterker waren, dan de uitwendige gronden tegen de echtheid van twee dier drie stukken, reeds door wagenaar (bl. 116, 117) opgemerkt, uit de datums derzelve. Immers, dat waar het meest op aan zou komen, van den brief des Prinsen aan den Graaf d'Estrades, laat zich oplossen gelijk door wagenaar geschied is. De datum bij het project-tractaat, kan er in vago bij geprojecteerd zijn geweest, en doet weinig ter zake. - Daar tegen staan dan over 1) de spijt en schaamte, dien het edel gemoed des Prinsen kon gevoelen, over den bondbreukigen afval van Frankrijk in de gesloten vrede met Spanje; 2) natuurlijke spijt in zijn jeugdig en ridderlijk gemoed, dat die vrede, gesloten juist te gelijk met zijne opvolging tot het Stadhouderschap, hem zoo op eens de hoop had afgesneden van het hoog bewind te voeren in den krijg en zich een waardig nazaat te betoonen van zijn Oom Maurits en zijn' Vader Frederik Hendrik: - beiderlei gevoel 3) waarschijnlijk aangevuurd door de Fransche gunstelingen en oorblazers, waarvan hij, helaas! te veel omringd was (Z. vlitius, aang. bl. 251) - 4) de gelegenheid en het zeer verleidelijk lokaas hem aangeboden, in dat tractaat, om zich te wreken
op het hem, en reeds zijn vader1, zoo hatelijk Amsterdam, door de hem nu personeel toegezegde en erfelijke Souverainiteit van Antwerpen2, - en 5) de begunstiging van de Engelsche revolutionaire regeerders, bestrijders van hun Koning, zijn Schoonvader, door Holland, voornamelijk Amsterdam; en de gemeenschappelijke familie-affectie die er bestaan moest tusschen Willem II en Lodewijk XIII, ten voordeele van Karel II, aangevuurd, natuurlijk, door de Weduwe en de Dochter van den vermoorden Koning Karel I: - want men zou volgens dat concept-tractaat, ‘met een vereenigde vloot van Frankrijk en Holland beide, den Koning van Spanje en de Engelsche opstandelingen te keer gaan’ (wagen. bl. 116). - Hiertoe diende dan ook ('t geen anders met meer recht zinneloos en bespottelijk mocht geacht worden,) dat in Prinsgezinde pamfletten te dezen tijde, ‘de Amsterdamsche Heeren met haar complicen’ beschuldigd werden van ‘Desseinen om het Land wederom aan Spanje te willen brengen!’ (bij wisel. bl. 153)3.
niet letterlijk, ofschoon het als zoodanig door de teekens ‘ ’ bij hem voorkomt: doch de verandering is denkelijk niet ter kwader trouw. Geen Jurist zijnde, zal hij wellicht de kracht der verschillende woorden niet bedacht of zelfs geweten hebben, en geen begrip gehad van het fijn - doch zeer wezenlijk - verschil, tusschen vernietigen (rescinderen), en onwettig (ipso jure et ab initio nul en nietig) verklaren.]
[Op de eene zijde zou staan ‘een rots met zeven heuvelkens, als representerende de zeven provintien’ (met een kort opschrift;) op de andere zijde de Vergaderingzelve, met een lang opschrift.] - (Zoo sloeg tib. hemsterhuis, in 1747 verzocht een penning uit te denken op de verheffing van Willem IV, zeer geleerd, maar minder numismatiek, voor, het zonnestelsel, waarin de zeven planeten, de zeven Provintien, en het zonnetje in het midden, den Prins beduidde: dus zeven cirkeltjes op een ronden penning! - Zeer verkeerdelijk wil men tegenwoordig op de penningen altijd ook zetten, wat de allegorische beeldjes beduiden; dit moet de kundige lezer zelf opmaken: ook behooren op geen penning, geheele schilderijen, steden, landschappen, belegeringen, te staan; zoo als op onze vaderlandsche Legpenningen; - wier mottoos anders zeer schoon en krachtig zijn.)
[Dubbel onjuist: want het was alles behalve een tractaat of overeenkomst met onzen Staat, tegen wien het geheel ingericht was; en Cromwel was toen nog geen Protector. Gewoonlijk echter wordt zij bij ons de
Navigatie-acte van Cromwel genoemd. Over dezelve, vooral in betrekking tot ons Vaderland, heeft de Heer p. simons opzettelijk geschreven, Diss. Jur. Inaug. de Anglorum Lege navali, ejusque vi in patriam nostram Tr. ad Rh. 1829, en in zijne Verhandelingen, bl. 65, volg. - De nieuwere Staathuishoudkunde betoogt, dat die vijandelijke maatregel aan Engeland-zelf meer kwaad dan goed gedaan hebbe. Z. say, Traite d'Econ. polit. T. I. ch. 9 aan 't slot, en de Schrijvers in de 7o uitgave aldaar aang. Zeker is het, dat ze toen onzen koophandel zeer moest belemmeren en onze scheepvaart een deerlijken neep geven: - doch ook, dat Engeland thans van het beginsel dier acte te rug komt. Z. hogend. Bijdr. tot de Huish. v. Staat, VII D. bl. 354].
(De onvoorzigtigheid van Cats met het voor den dag halen van het verdedigingschrift van Willem II, gaf hier zeker aanleiding toe; doch de gemoederen waren reeds tot de geheele omkeering van sustenuen voorbereid. - Bij het leven van den Prins, was er een blindelinge overgegevenheid aan hem; maar met zijn dood zochten zij een appui, en waren genegen daartoe alles aan te nemen, wat zich aanbood. Holland gevoelde dit, maakte er gebruik van, en vleide de overige leden met de hoogheid en souverainiteit der Provintien: en hierdoor vonden zij zich in 't eind zoodanig aan de Hollandsche sentimenten verkleefd, dat zij te rug schrikten bij 't einde tot besluiten te zijn gekomen, waartoe zij gemeend hadden nooit te kunnen vervallen. Friesland alleen was door invloed van zijn Stadhouders meer standvastig; en ware deze Provintie er niet geweest, 't zou nog veel erger geloopen zijn).
[De Heer de jonge (wiens opzettelijk en naauwkeurig bewerkte Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen, over al wat tot dit onderwerp betrekking heeft, zelfs met den uitvoerigen wagenaar, veel meer dan met dit werk van bilderdijk, die omtrent alle wapenfeiten zoo zeer beknopt is, vergeleken moet worden) - de Heer de jonge spreekt in zijne Geschiedenis II D. 1 St. bl. 219 slechts van ‘eenige bloodaarts’ gedurende dezen geheelen oorlog: en, terwijl bild. hier ronduit zegt: ‘wel twintig onzer Scheepsvoogden,’ zegt de Heer de j. slechts ‘ettelijke Kapiteins.’ Hij-zelf verzwijgt echter in de verhalen der bijzondere gevechten geenzins dat gestadig plichtverzuim van velen, en de schadelijke gevolgen daar van. Doch wanneer hij de oorzaak er van voornamelijk zoekt in personelen haat en wrevel tegen den Vice-Admiraal W. Corn. de Witt, wegens deszelfs ruwen inborst en straf gezag, is het mij moeilijk die lafheid en laaghartigheid, ten dage van den slag, enkel uit zulke oorzaak af te leiden. Ook gebeurde dit wangedrag geenzins alleen op de schepen onder zijn onmiddelijk bevel staande; en het begon weêr in den volgenden oorlog, toen hij reeds van kant was (II D. 1 St. bl. 190 enz.). Ik ben dus genegen geloof te slaan aan het geen bild. zegt van Neefjes en gunstelingen der Admiraliteits-heeren en andere regenten1. Ja de
Heer de j. vermeldt zelf, II D. 1 St. bl. 189, hoe, na het sneuvelen van den Luit. Adm. m.h. tromp, deszelfs lijfknecht tot Scheeps-Luitenant aangesteld wierd; - en ook uit later tijden zijn er nog sporen, dat gewezen lijfbedienden, gelijk in het leger, zoo ook op de vloot met Officiers-plaatsen begiftigd wierden.
(Dit huren van schepen tot den zeekrijg was lang in gebruik. Het kon goed gaan, zoo lang men Oorlogsen Koopvaardyschepen weinig onderscheidde, en op de schepen alleen schoot om gelegenheid te geven tot enteren. Toen er zee-manoeuvres kwamen, werd het anders: men kon met de ongelijke koopvaardyschepen geen linie van bataille formeren).
[In het werk: Het ontroerde Nederland door de wapenen des Konings van Vrankrijk (enz.) te Amsterdam bij M. Wz. Doornik, 1674 4o. I D. (op de tweede ongenummerde bladzij na de eerste bl. 345), vind ik een zoo zonderling portret beschreven van dezen Raadpensionaris, dat ik niet na kan laten den Lezer er op te onthalen: ‘d'Heer Mr. Joan de Wit, Raadt Pensionaris van Hollandt en West-Vrieslandt, &c. de voorsz. Ruardts Broeder, was een man bij na zonder weerga van verstandt, en andere uitstekentheden: Hy was Meester van de vrije Konsten, een doortrapt Politicus, een welspreekent Orateur, een scherpzinnigh Philosoof, toegedaan die van de Carthesiaanse meyninge, een zoet-vloeijent Poëet, als hy er zijn werk af wilde maken, een lieffelijk streelder der snaren, op zijn Violons, een aardigh Danser tot oeffeningh van 't Lichaam; Hij kon ook vermakelijke Potzen met Kaart- en Goochel-spel aanrechten; Een Perfekt
Mathematicus, dat is Wis-konstenaar, met de kennis van Huys- en Krijgsbouw: was mede ervaren in de Magia Naturalis, dat is Natuurlijke Tover-konst; verstaat, dat Hy kon te weegh brengen en vertoonen, dingen, die volgens 't uyterlijk aanzien, loutere Toverye scheenen te zijn, en in der daat, door de Natuur en Konst wierden uytgewerkt. Boven dit alles, bestierde hy alle de zaken van den Staat, als hier voren Pag. 57 gezeyt is1; en spitste zijn groot verstant, voornamelijk om
't Hooghloffelijk Huys van Oranjen, zo veel mogelijk was, t' onderdrukken, apparentelijk, om zelf, en met de zijne, was het dan niet met de naam, zo was het met der daadt, voor Stadt-houder, van Hollandt, &c. te ageeren. Misschien dat hij gemeynt heeft door alle deze wetenschappen, zich zelven uyt allerley gevaar te konnen redden, doch 't heeft anders gebleken.’]
[Dit, en meer andere plaatsen, zien op den zoogenaamden De Witten oorlog, d.i. de letterkundige en geschiedkundige twist, in vele schriften en tegenschriften gevoerd in de jaren 1756 en 1757, tusschen e. luzac en j. wagenaar als hoofd-partijen; maar waarin de la fargue, p. de clercq, en anderen, zelfs de groote tib. hemsterhuis, en de Kleinere p. burmannus, zich mengden; naar aanleiding van het geen de Negociations du Comte d'estrades meer bijzonder vermelden van den invloed van dien Franschen Staatsman, en van zijn Koning door hem, bij j. de witt en deszelfs partij. Wanneer zulk een pamflet-oorlog aan den gang is en het publiek interesseert, mengt zich de hebzucht der boekfabrijkanten (boekverkoopers en loonschrijvers) spoedig daar in; en maakt dan (terwijl ook van beide kanten reeds al het wezenlijke gezegd is); dat men eindelijk er een walg van krijgt. Zoo is er dan ook een zeer groote
zoogenaamde literatuur van dezen oorlog, en weinigen gelukt het eene eenigzins volledige verzameling van deze stukjes te vinden of te maken: doch de voornaamste en van inhoud merkwaardige geschriften zijn slechts weinig in getal, en komen dikwijls voor, en verdienen eene plaats in de boekerij van elk beoefenaar onzer Geschiedenis.]
[Deze voortreffelijke en zeer aanzienlijke Staatsman en Rechtsgeleerde, wordt door den beroemden Rechtsgeleerden ulr. huber, niet slechts aangevoerd als sprekend blijk van het voortduren in Friesland van de Romeinsche instelling van Adoptio of aanneming in kindsplaats; maar ook hoog geroemd wegens zijne personele eigenschappen. Praelect. ad T. I. de Adopt. n. ult. en elders. Z. ook vriemoet, Ath. Fris. p. lxiv-vi, en g. de wal, de Clar. Frisiae J Cons. p. 37, 126 sq., 434.]
[Men merke op, hoe B. hier, te recht, te kennen geeft, dat door de genen die eene algemeen verspreide denkwijze miskennen, of gewoon zijn de dingen alleen op hunne eigene wijze te zien en die van anderen niet te tellen, - lichtelijk aan georganiseerde conspiratie
wordt toegeschreven, 't geen slechts de natuurlijke uitlating is van een bij velen te gelijk bestaande gevoelen. - Dit strekke ter opheldering en bevestiging van 't geen ik vroeger zeide III D. bl. 322 no. 28.]
[Wagenaar XII D. bl. 6 vermeldt wel, dat Karel gedurende de regeering van Cromwel in Engeland, nu en dan heimelijk in Holland kwam bij zijne zuster, en dat Downing dit eens gewaar wierd; doch heeft niets van deze intrigue van de Witt of deszelfs toestemming om Karel te doen vatten. Doch in een pamflet van het jaar 16721: Decreet der Louvesteinsche Vaders ontdeckt, bl. 4, wordt gezegd: ‘Meester Johan kondschap hebbende van Koning Karel, en zijn broeders verblijf te Rijswijk, ijlt hun na om haar aan hun vadermoorder Cromwel over te leveren2.’]
deze Prinses hunne zuster, en te gelijk haar (en hun eigen) broeder den Hertog van Glocester, te hebben doen vergiftigen, en wel NB. bij gelegenheid dat beide ziek lagen aan de kinderpokjes: voornamelijk om dat zij zeer tegen het huwlijk zouden geweest zijn van den Hertog van York met de dochter van den Kanselier Hyde (Graaf van Clarendon), welke te voren staatdame van de Prinses van Oranje, en in zoo ver in haar personelen dienst geweest was. (Er staat ‘kamenier en staatdochter, en bij gevolge haar Dienstmaagt geweest:’ doch dit is hier pasquilleus verdraaid: zie straks)1. Doch ook in een beter geschreven Wittiaansche brochure, van het jaar 1672: Verhael van 't Voornaemste 't gene desen Staat 't sedert eenige jaren is overgekomen enz. en dat toegeschreven wordt aan theoph. naeranus, bl. 11, 12, wordt ook nog uit gelijken hoofde geargumenteerd tegen het toenmaals reeds loopend gerucht van het huwlijk van den jongen Prins Willem met de dochter van den Hertog van York, (welk later, eerst in 1677, tot stand gekomen is, en de bekende gewichtige gevolgen voor Engeland en voor geheel Europa gehad heeft): ‘om dat hij geboren is van een Princes, tegen welke gedurende haar leven de Hertog heeft gehad een grooten en bitteren haat - spruitende uit deze reden: om dat dese Princesse sich heftichlijck stelde teghens sijn huwelijck met de doghter van den Cancelier, 't welck in der daat seer onghelijck was, zijnde doen ter tijdt niet meer dan haer Staet-juffer.’]
[Zie wagen. XIII D. bl. 39 en het onbeduidend Bijvoegsel van v. wijn, 13, St. bl. 35, (met een onverstaanbare verwijzing in zijne aant.) - Ik meen vernomen te hebben, dat die ijzeren kist, na het vertrek der Vorstelijke familie in 1795 achtergelaten, toen door de Hollandsche magthebbers geopend en gespolieerd zou zijn; doch kan er niet meer bepaald van zeggen: maar heb het punt hier op nieuw ter sprake willen brengen, in hoop dat er (zoo ver dit, na schier 40 jaren, nog mogelijk is) ernstig en naauwkeurig onderzoek naar moge geschieden. - (Z. de Nalez. bij dit Deel.)]
[De geschiedenis en literatuur van dit vermaard geschil vult een groot deel van de kerkelijke en godgeleerde letterkundige geschiedenis, en in de verzamelde bundels twistschriften, dezer jaren: men zie, behalve anderen op welke ik minder behoeve opmerkzaam te maken, c. burman Trajectum Eruditum, op Nethenus, Schoockius, G. Voetius.]
(Onder Barneveld had men den invloed der Burgerijen afgeweerd van het bestel en beleid der Regeering, en de Magistraat was alleen alles; het was een onbepaalde autocratie, die men van de Steden in globo en van de Stedelijke Regeeringen dreef; zoo dat de Staten van Holland alleen waren Gedeputeerden en bloote representanten der Steden en der Edelen, welke laatste reeds niets meer konden uitvoeren. De Arminianen hingen aan de Provinciale Regeering, en gevolgelijk aan de Magistraten; de Coccejanen aan de Magistraten, en gevolgelijk aan de Provinciale Regering.)
[Als schrijver komt op den titel voor D.H. dat toch wel dezelfde van den hove of de la court zal zijn, die in deze jaren in den geest van j. de witt zoo veel onder de letters v.h.v.d.h.l.c. en d.c. heeft uitgegeven. Het werk is gedrukt te Amsterdam, bij Cypr. van der Gracht, 1663, 1664, in drie deeltjes kl. 8o. het eerste getiteld: Public gebedt, ofte consideratien tegens het nominatim bidden in de publique Kerken voor particuliere persoonen, en specialijken voor den tegenwoordige Heere Prince van Orangien 98 bladz. Het tweede en derde: Public Gebedt, ofte consideratien ten vervolghe omtrent het zelfde, zoo veel als aangaat het bidden voor de hooge en mindere Overheden in de Publique Kercken, 46, en 274 bladz.: doch dan volgt nog met aparte paginatie (1-116) de VIII Sectie van dat Deel: waarin aangeteykent worden de solutien ende antwoort op verscheyde objectien in deze tweede consideratien tegens mijn opgestelde voortgebragt.]aant.
[Het spijt mij van bild., doch doet mij genoegen voor den Godsdienstigen zin onzer Natie, dat ik hem wederspreken moet, in zoo ver hij hier blijkbaar te kennen geeft, als of de uitdrukking ‘naast God’ na de revolitie van 1795 uit de vracht-brieven onder Zeeschippers ware gesloten. - In tegendeel, in de nog dagelijks gebruikt wordende Cognoscementen of Vracht-brieven staat nog wel degelijk de oude ‘Schipper naast God;’ - en in de Bodemery-formulieren, verklaart de Schipper zich gereed om te varen, ‘met den eersten goeden wind, die (dien) God verleenen zal;’ - en zoo ook in de gedrukte formulieren van Assurantie, ofschoon op nieuw geredigeerd na en naar het Fransche Wetboek van Koophandel (dus in of na 1811), is de melding behouden, van ‘de goederen enz. geladen of nog te laden in het schip, hetwelk God beware!’]
(Zoo als men elken opstandeling brigand scheldt. Coxinga was geen gemeen Zeeroover, maar verwant aan de oude Sinesche, en door de Tartaren onttroonde dynastie; en zocht hare zaak, zoo lang en zoo ver hij kon, staande te houden. Hij had dus in zoo ver overeenkomst met onze verbannen-zwervende en naar een vast plekje gronds zoekende Watergeuzen.)
[Bild. heeft bl. 107, 108 te smadelijk van dezen braven Prins gesproken, en toch zelf moeten vermelden, hoe deze, terwijl hij scheen aan het snoer van J. de Witt te loopen, zich meester wist te maken van deszelfs geheimen, welke aldus ook ter kennis kwamen van de Friesche Staten. - Doch te goed van vertrouwen schijnt de Vorst allezins geweest te zijn, en zich geen denkbeeld te hebben kunnen maken van den beleedigden trots en de wraakzucht der Aristocratie; maar zich verbeeld te hebben, dat hij, die het hoofdbewind had gehad bij den aanslag van Willem II op Amsterdam, de gunst en het vertrouwen der Hollandsche Staatsleden weer zou kunnen verwerven. Dit bragt hem dan wel eens in een verkeerde en zijner onwaardige positie; waar van ik niet nalaten kan deze anecdote te vermelden, die ik vind in een zonderling mystiek-Oranje pamflet van 't jaar 1672 (geschreven na den val, maar voor de moord der de Witten): Nimrods (d.i.J. de Witt) Mugge-swarm noch in 't Harnasch tegens Oranje (enz.) bl. 4. ‘Heeft niet een Vlegel, die sijn Werf op een Stellingh torste, de vaen swaeyende van het Noorder-quartier, hoewel hem beter den Harck en Wan sou gepast hebben, derven den genereusen Prins Willem, van Vrieslant, op versoeck van sijn stem te hebben, om tegens den Bisschop te ageren, nu omtrent vyf jaren geleden, desen Prins Willem vernoemt, niet genoodt op een smaedelijck Middach-mael, dat hij Prins konsenteerden, denckende sijn stem te verkrijgen, en daer komende, vond op den dis geset Stockvis en Graeuwerten, en soo hij was aengeseten, wiert hem een houte tafelbort met een blaeuwe modde daer op, voorgelecht. Men kan afmeeten hoe desen Heer in sijn
schick was: wel is waar, bij aldien men aen een oort geweest was, daer de schaersheyt dus selver had gesprooeken, sou dit opgediste voor een Konincklijcke Bancket hebben mogen verstrecken, maer ter plaetse sijnde, daer den hoorn van overvloed sich nyt goot, om soo een Prins nae sijn waerdicheyt met delicatessen te konnen tracteeren, was het met hem dapper de spot gedreven: gelijck het oock vervolghde, dat dit domme creatuer koutende van sijn tractement, den Prins toe scheerste, by aldien hy sijn dis dus sober hielt, dat hy dan niet hoefde gekomen te hebben, om sijn dienst aen hem te presenteren. De Vorst kropte dese spot-reden op, en ginck van daer onverrichter saecke, hem niet gewaerdigende om met hem daer woorden over te willen verwisselen.’ - (Doch nu ben ik ook verplicht, de verdediging of opheldering er bij te geven, waarmede wijlen de goede en geleerde Mr. j. scheltema mij dit boekjen te rug zond, dat ik hem, als bijdrage tot zijne verzameling over de oude zeden in Nederland, had medegedeeld. Aldus schreef hij mij: ‘Deze Vlegel was zeker niemand anders dan Mr. Nicolaas Stellingwerf Pensionaris van Medemblik - een der zes Heeren die op last van Prins Willem II. in 1650 naar Loevestein vervoerd werd. - Hij heette volgens van wijn: de onverzaagde, zie mijn Staatkundig Nederland, in Voce.
Het onthaal aan Gr. Willem Fredrik gegeven, getuigt van de eenvoudige leefwijze te Medemblik. - Ik ben in 1809 in het huis geweest weleer door hem bewoond, en naar des mans achter-kleindochter af te meeten zal zijne vrouw niet zeer beleefd zijn geweest: zij liet mij niet alleen op de vloermat staan, maar wilde niet geloven dat ik iets van den Pensionaris wist.
Auke Stellingwerf, Schout bij nacht, was een broevan den Pensionaris.
Stokvisch en graauwe erwten waren schotels die men bij bruiloften opzette, en iets extra. Het blaauwe tafelkleed, hier modde genoemd, was nog later in algemeen gebruik. - Ik heb den rijken Burgemeester Bakker te Broek, met zijn huisgezin gezien aan een tafel met een blaauw bont kleedje gedekt. - Bij den Maire van Zaandijk, de Notaris Yf, zag ik nog oude Couranten op zulk een kleedje om het bemorsen te beletten.
Houten schotels of bakken waren nog in 1812 geenzins iets zeldzaams op de tafels aan de Zaan. Ik heb dit meer dan eens gezien. - Zelfs bij rijke lieden.
Het leggen van een blaauw doekje op het houten bord was wel iets zeldzaams. - Ik ben eens op een vischmaal bij rijke lieden geweest, alwaar aan Nicht Siegenbeek en aan mijne vrouw alleen een servet werd gegeven.’) - Maar er is eene zwarigheid nopens de tijdsbepaling, wanneer deze, 't zij dan meer of minder onhebbelijke bejegening zou hebben plaats gehad. 't Boekje schrijft van ‘nu omtrent vijf jaren geleden,’ toen er quaestie was van ‘tegen den Bisschop te ageren.’ Maar de eerste Munstersche Oorlog, die hier toch bedoeld zal worden, was van 1666 en 1667; doch Prins Willem was reeds d. 31 October 1664 gestorven, en heeft dus niet kunnen solliciteren om aan het hoofd van het leger tegen den Bisschop gesteld te worden. Zoo dat ik denk, dat de Vorst tegen het eind zijns levens weer op nieuw pogingen zal gedaan hebben om voorname leden van regeering voor zijne keus tot het het ambt van Veldmaarschalk van den Staat te winnen. Hier van vind ik wel niet bij bilderdijk of ook bij wagenaar: maar scheltema Staatk. Nederl. II D. bl. 487 zegt van hem: ‘zijne toenmalige (in 1654) uitzigten naar het Veldmaarschalksambt bleven onvervuld: waarschijnlijk zou hij later in dezelve geslaagd zijn, doch
het ongeluk dat een pistool afging onder of kort na het laden maakte in 1664 een einde aan zijn leven.’]
[Henri de Fleury de Culan, was opgevoed in het Vorstelijk gezin van Oranje, en had tot vrouw Elisabeth Maria Musch1, dochter van den befaamden en zeer gehaten Cornelis Musch, en Elisabeth Cats. Musch, Griffier der Staten Generaal, terwijl zijn Schoonvader Cats Raadpensionaris was van Holland, was de rechterhand en misschien wel de aanhitser geweest van Prins Willem II, en kort na deszelfs afsterven ter goeder ure door den dood aan de wraak der thans weer triumferende Loevesteiners onttrokken. Er is zelfs een vermoeden, dat hij zelf hun uit den weg gegaan zij. - Maar die verwantschap heeft zeker Buat geen goed gedaan: te minder daar zijne vrouw en hare Moeder onbemind waren bij die partij2, en zijne vrouw wellicht schranderer dan
hij1.aant. - Maar bild. bl. 170 ond. aan, spreekt van Buats ‘broeder en zuster Kievit:’ dit geloof ik dat eene vergissing is, en eene verwarring gesproten uit de andere moeilijkheid die Kievit in die zelfde dagen had, wegens den (gefingeerden of althans door hem geredigeerden) Brief van den Heer v. Sommelsdijk, tot defensie van zijn Schoonbroeder C. Tromp in deszelfs krakeel met de Ruyter; waarin ook de vrouw van Kievit, Tromps zuster, en hun twee ongehuwde zusters Tromp, de hand gehad hadden: - welke zaak te gelijk met, en tusschen deze van Buat, vermeld wordt bij aitzema XII D. bl. 356, en bij wagenaar, XIII D. bl. 220.
De zaak van Buat, met de incidente Jurisdictiequaestie, is kort maar bondig vermeld bij bild., en breeder bij wagenaar, en vooral bij aitzema; bij wien, en in den Holl. Mercurius (op Augustus 1666) de zeer breed geëxtendeerde Sententie te vinden is: lang genoeg, althans, voor een dood-vonnis2.
Doch ik heb mij hier te verdedigen, over het gene ik, - in mijne verontwaardiging over alle misbruik van macht, en vooral wanneer dat gaat onder schijn maar met verkrachting van het heilige recht, - mij had laten ontvallen reeds bij het VII Deel van dit werk bl. 270, nopens ‘de Goddelijke wraak tegen J. de Witt over den dood van Buat.’ En ik gevoel dit vooral verplicht te zijn aan den verdienstelijken Schrijver van j. de witt en zijn tijd; die mij hier over, heuschelijk, te rede stelt, in zijn tweede Deel, bl. 201, 202.
Evenwel, ik had ter aangeh. pl. gesproken van ‘de wraak over buat en jacob van de graaf:’ nu komt de zaak van J. van de Graaf eerst aan het einde van dit Deel; - en de Nemesis zelve, in het volgende Deel van bilderdijk. - Tot dáár behoude ik dus vóór mij, het eigenlijk ontwikkelen en staven mijner eenigzins stoute uitspraak; en spreke hier slechts over de vraag: of en in hoe verr' J. de Witt te beschuldigen is, over of bij den dood van buat?
Vooraf moet ik, als bij een Wiskundig Betoog, postuleren, dat J. de Witt, in dezen tijd, en dus ook in dit geval, was de Staten van Holland, en de Staten van Holland (geleid werden, en bezield door) J. de Witt. Hij was de minister der Staten, tegen hem werd de misdaad begaan van gekwetste Majesteit (z. 't vonnis van J.v.d. Graaf, Julij 1672), en hij was, in de daad,
onverantwoordelijk Minister1. Ook was hij nu nagenoeg op zijn zenith van macht en van glorie.
Nu zegt de Heer simons (bl. 202): ‘de dood van Buat kan niet voor rekening van de Witt komen, ten zij men oordeele, dat hij de zaak had moeten verzwijgen: maar mogt hij dat? ik geloof niet dat eenig eerlijk Staatsdienaar in zijn geval, dat zou hebben durven doen, of men moest den eed op zijne instructie gedaan voor niets willen houden.’ - Dien eed had ik er liever buiten gelaten: doch ik betwist de Witt het recht niet, om de achterbakse correspondentie van Buat en die hem misdadig moest voorkomen, aan te geven en te doen vervolgen2: - maar ik wijt hem (gelijk het algemeen hem, toen en in 1672 weet) de dood van Buat.
Want, wat ook het ‘misdadige en dubbel misdadige’ (bl. 201) van Buats intrigue zij: hij voor zich, en gesterkt door de voorname lieden zijner partij, wier instrument hij was, mogt steunen op zijne goede bedoeling, van niets te willen, dan de bevordering van zijn jongen Prins, en een eerlijken vrede met Engeland: en zoo stierf hij in de overtuiging van onschuldig te lijden3
Maar zijn dood was een politique maatregel, een soort van coup d'état, een steek in 't hart zijner partij, die hem voorop gezet had en nu moest zien sneven, een cement voor den zetel van J. de Witt, en een afschrik voor de genen die dezen Staat van Frankrijk zouden zoeken af te trekken1.
Sed nihil haec ad Edictum Praetoris - dit ging het Gerichtshof niet aan. Zou het Hof van Holland, om die foppagie aan J. de Witt begaan, en om die intrigues voor de bevordering van den jongen Prins2, Buat
ter dood willen veroordeelen? Men vreesde van neen; en de zachte behandeling bij dat Hof, van Jan van Messem, de Witt's ontrouwen Opper-klerk, gaf weinig hoop daartoe1. - Dus kwamen de Staten zelf voor den dag, en ‘lieten niet af, het Hof, bij herhalinge, te vermanen, om over Buat recht te doen, volgens de ‘Plakaten van den Lande,’ zegt wagenaar XIII D. bl. 221. Doch hier is het aitzema, die men lezen moet2; of
nog liever de Hollandsche Staatsresolutien zelve, die wel gedrukt, en de plaatsen bij wagenaar aangewezen zijn; doch die omslagtige verzameling is slechts voor
weinigen toeganglijk. Ik geef derhalve, tot blijk hoe zeer de Staten zich er aan gelegen lieten liggen, - en hoe men de Justitie en het Hof behandelde! - ook die plaatsen (doch in compressen druk) in haar geheel.
Is goedtgevonden ende verstaen, dat de voorschreve eerste ende andere Raden van den Hove alhier ter Vergaderinge bescheyden, ende henluyden uyt den name ende van wegen haer Ed. Groot Mog. serieuselijck gerepresenteert sal worden de enormiteyt van de feyten, ende delicten door den Rithmeester Buatt begaen, mitsgaders de sware gevolgen uyt soodanighe saken voor den Staet te apprehenderen staende, als mede indien soo hooge Crimina niet met de vereyschte rigeur naer de Wetten souden werden ghestraft, met serieuse recommandatie dat zyluyden in de selve saecken, als mede in die van Johan Kievit, Eeuwout van der Horst, ende alle anderen die inagelijcx daar aen schuldich mogen werden bevonden, willen procederen met de vereischte vigeur, ende met alle doenlijcke promptitude.
Sijn ingevolge tot voldoeninge van haer Ed. Groot Mog. Resolutie van gisteren ter Vergaderinge binnen gestaen de eerste en de andere Raeden van den Hove, ende is henluyden uyt den name eude van wegen haer Ed. Groot Mog. serieuselijck gerepresenteert de enormiteyt van de feyten ende delieten door den Ritmeester Buat begaen, mitsgaders de sware gevolgen uyt soodanigen saecke voor den Staet te apprehenderen staende, als mede in dien soo hooge Crimina niet met de vereyschte rigeur nae de Wetten souden werden gestraft, enz.
In achtinge genomen zijnde, dat de feyten ende delicten by den Rithmeester Buat, ende sijne Complicen geperpetreert, voor soo veel haer Edele Groot Mo. albereyts uyt de concessie [l. confessie] van den selven Buat, mitsgaders uyt de Minuten van desselfs Missiven ende andere Stucken hebben konnen afnemen, van soodanigen dangereusen gevolge zijn, dat by aldien daer jegens niet met behoorlijcke promptitude, vigeur ende vereyschte naedruck werde geprocedeert, ende soo hooge Crimina naer de dispositie van de Wetten ende Placaten van den Lande ten uytterste gestraft, te beduchten staet, dat daer uyt veel ongemacken voor den Staet souden komen te rijsen, die aen de selve in tijden ende wylen een irreparable slach souden konnen toebrengen, Is naer voorgaende deliberatie goedtgevonden ende verstaen, dat d'enormiteyt van de voorschreve delicten, ende de consequentie, die by ontstentenisse van een severe Administratie van Justitie over de selve met reden te beduchten staet, door Commissarisen van haer Ed. Groot Mo. alsnoch aen den Hove op het krachtichste sal werden gerepresenteert, met ernstige recommandatie, dat deselve daer op behoorlijcke reflexie willen maecken, ende speciael bevel dat de Raden haer in desen precise naer de Wetten ende Placaten sullen hebben te reguleren, sonder daer van in het Sententieren van den voornoemden Buatt, ende andere sijne Complicen eenichsints te deflecteren, dewyle haer Ed. Groot Mo. niet als met de hoochste onaengenaemheyt haer van der selver rechtmatige verwachtinge in desen gefrustreert souden konnen sien, ende sijn ten fine voor-
schreve versocht ende gecommitteert, gelijck versocht en gecommitteert worden bij desen d'Heeren Vivien, van der Dussen, Burgersdijck, Hop, Paets, van der Geest, ende van Neck, ende sal dien onvermindert Extract authentijeq uyt de bovenstaende haer Ed. Groot Mog. Resolutie de eerste ende andere Raden van den opgemelten Hove toegesonden worden om te strecken tot der selver naerichtinge.
De Pensionaris Vivien heeft ter Vergaderinge gerapporteert, dat de Heeren haer Ed. Groot Mo. Gecommitteerden, in gevolge van der selver Resolutie Commissorinel in date den tweeden deser lopende maendt op gisteren by den Hove behoorlijck gerecipieert ende geplaetst zijnde, aen den selven naeder hadden gerepresenteert den ernst van haer Ed. Groot Mo. ontrent de bewuste sneeke van de Rithmeester Buat, ende sijne Complicen, ende dat daer op by den Heere van Maesdam, als eersten Raet, uyt den naeme van het gantsche Collegie, als dienthalven alvoorens hebbende geconcerteert, in substantie was geantwoort, dat haer Ed. Groot Mo. haer souden gelieven verseeckert te houden, dat de Raden in het termineren van de saecke van den voornoemden Rithmeester Buat, ende sijne Complicen haer precise naer de Wetten, mitsgaders naer de Placaten van den Lande souden reguleren, ende toonen- goede Patriotten en de Liefhebbers van het Vaderlant te wesen, soodanich als de selve in goede conscientie bevinden souden te behooren; Waer op gedelibereert zijnde, hebben haer Ed. Groot Mo. de gemelte Heeren Commissarissen voor haer genomene moeyte ende aengewende debvoiren bedanckt, ende is het voorsz Rapport wyders aengenomen en gehouden voor notificatie1.
‘Het Hof veroordeelde hem, derhalve, ter dood’ (zegt wagenaar bl. 221) ‘op den vijfden van Wijnmaand.’ - Doch het is van belang te weten, hoe het daarmede eigenlijk toeging; en ik heb het geluk, dit van zeer nabij te kunnen vermelden1.
Zie hier, hoe in de vergadering van het Hof van Holland, d. 5 Oct. 1666, de stemmen over Buat geweest zijn.
Sixti: poena morti proxima.
Nierop: crimen laesae majestatis.
Pauw: poena mortis et confiscationis bonorum.
Goes: gevangen houden gedurende den Oorlog, met confiscatie van goederen.
Ockers: poena morti proxima.
Fannius: poena mortis et confiscationis bonorum. (Deze Raadsheer voegde er nadrukkelijk bij: ‘dat de H.H. Staten willen, dat men oordeele na de
Wetten en ordonnantien,’ en: ‘de waarschuwing ende de becommeringe van H.H. Staten, en dat zij de Hoven hebben aengeseyt, dat zij na dat Placaat zouden hebben te vonnissen.’)
Honert: Eerst: crimen laesae majestatis; hoewel niet in summo gradu. - Gedrongen zich nader te verklaren, stemde hij: poena mortis et confiscationis bonorum.
Pres. v. dorp: poena mortis et confiscationis bonorum.
Dus wierd ter doodstraf met confiscatie van goederen geconcludeerd, met 5 tegen 3 stemmen. Had honert, die weifelde, en wiens eerste stemming had moeten leiden tot de straf naast den dood, zich niet tot het doodvonnis gevoegd, dan hadden nog de stemmen gestaakt, en het zachtere gevoelen gepraevaleerd.
Maar een wonderlijk en ongelukkig toeval - (of eene duivelsche intrigue) - had Buat beroofd van eene stem, die zeker hem niet mede ter dood veroordeeld zou hebben. - De Raadsheer van der graaf (Vader van Jacob van der Graaf, van Junij 1672) een dier dagen uit de Hofsvergadering komende, werd, in 't voorbijgaan van de gevangenis van Buat, verzocht ‘even bij dezen te komen, die hem verlangde te spreken.’ Denkende dat die hem iets te verzoeken of te klagen had, de gevangenis betreffende, gaat hij bij hem boven; vindt Buat ongesteld, maar die zich bevreemd toont over dat bezoek, en ontkent naar hem gevraagd te hebben. Nu wisselt v.d. graaf met Buat eenige onbeduidende woorden in presentie van den Cipier, en gaat weer heen, niet ergs vermoedende. Maar weldra wordt in de Courant van Jo. Naeranus vermeld, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had den gevangen Buat te
gaan bezoeken, en dus zich blijkbaar partijdig had betoond. Van de Graaf wordt hier over onderhouden bij het Hof, en verhaalt de zaak eenvoudig zoo als ze gebeurd was. - Maar nu begreep men daar toch, dat hij zich van de verdere cognitie over de zaak diende te excuseren. - Zoo was die stem, die wellicht nog op Honert of een ander invloed had kunnen hebben, voor Buat verloren; en Buat ging ter dood: - maar ik denk toch, dat in het huis van den Raadsheer van de Graaf van tijd tot tijd wel eens sprake zal geweest zijn van hem, en van den valschen trek dien men ten zijnen opzichte aan den Raadsheer gespeeld had.
De fungerende President, van dorp van Maasdam , wiens stem ter dood in dezen beslissend geweest was, wierd van de tegenpartij hier over beticht. Ik heb geene reden om die beschuldiging te gelooven; maar evenwel om ze te vermelden1.]
[In de Verjaargedichten van antonides van der goes, die te Rotterdam leefde, is er een op Kievit (bl. 141 van den derden druk van anton. Gedichten): waarin deze regel voor komt.
‘U in dat onweer mêe uitheemsch deed schipbreuk lijden.’
Hierbij zegt bild. in zijne nog onuitgegevene aanmerkingen bij de poëzy van antonides: ‘Het zal niet onnuttig zijn aan te merken, dat dit ziet op zijne verwikkeling in de ongelukkige zaak van den braven Buat, wiens bloed den kwaadaartigen Jan de Witt, zoo jammerlijk op het hoofd heeft gedropen, als bij die onze geschiedenis verstaan wel bekend is.’]
En expeditien van zeemacht op de kusten; extrema, non facile adhibenda,
ten zij om possessien te nemen, die als bloote possessien aangemerkt worden, en niet als tot het wezen van 't rijk behoorende, waar men tegen oorloogt; als Colonien etc.
Kwalijk zou men thands, en kwalijk ten aanzien van den tijd na de Munstersche vrede, 't jus belli van grotius reclameren.
't Is geheel veranderd.
Te lande trekt men op elkanders territoir: te water - in elkanders zeën en zeestroomen jure belli: - maar niet in de landrivieren: en dit is contumelia, qua etiam in bellis abstinendum est.
[Een blijk hier van is de verzameling der Resolutien van consideratie, der Ed. Gr. Mog. H.H. Staten van Holl. en West-Vr. genomen sedert den aanvang der bedieninge van den Heer johan de witt, als Raadpensionaris van H. Ed. Gr. Mog. Dienende zoo wel voor de toekomende als tegenwoordige tijd: beginnende met d. 2 Aug. 1653 en eindigende met d. 19 Dec. 1668: oorspronkelijk gedrukt als prakticaal handboek van Staatsbeleid, alleen voor de leden der regeering: welke druk, in groot folio, eerst geëindigd in 1672, het jaar der catastrophe, zeer zelden voor komt.
Op één na het laatst artikel hier voorkomende, is een besluit omtrent den ouderdom der te beroepen Predikanten, genomen op het raport van den bovengemelden Heer van Maasdam (van Dorp) Presiderende Raed in den Hove, die bij autorisatie van H. Ed. Gr. Mog. de Provinciale Synoden van Noord-Holland van
de jaren 1664-1668 achtereenvolgens als Commissaris Politiek had bijgewoond. Over dat onderwerp nog iets in de Nalezing.]
Tevens de onnutte en beleedigende Clausul in Criminele sententien: praefererende gratie voor rigueur van Justitie, afgeschaft. Jure; maar quo fundamento afgeschaft?
Overblijfsel in 't bedanken enz.1. - Oorsprong in 't vragen van recht door den delinquent zelf.
[Zij bevestigde den Franschen invloed aan het Engelsch Hof, niet slechts door de Fransche Maitres die zij bij Karel II naliet; maar ook door het invoeren der Fransche Modes; waarover een klacht is van een vaderlandlievend en gelijktijdig schrijver (e. bate) in de Historia Nuperae Rerum Mutationis in Anglia. Lond. 1697, p. 39, 402. Doch de verleidelijke Vorstin kwam pas weer thuis, of zij verloor het leven door vergif. Haar Lijkrede door den beroemden bossuet is een zijner meesterstukken.]
[Een andere trek van fierheid en quant-à-moi van den jongen Vorst, welke, naar de orde waarin ze voorkomt, uiterlijk van het jaar 1669 kan zijn, wordt gevonden in de curieuse verzameling: Memoires historiques, politiques, critiques, et littéraires, par amelot de la houssaie, T. I. p.m. 86 (Ed. d'Amst. 1737). Ik deel dezelve mede, zoo als ik ze aldaar vind1: ‘Un jour le Prince d'Orange, qui a regné depuis en Angleterre, ayant rencontré à la promenade le Comte d'Estrades, Ambassadeur de France, voulut faire passer son Carosse le premier; mais le Comte l'en empêcha. Tandis qu'ils contestoient, un des Gentilshommes qui accompagnoient
le Prince alla consulter la Princesse Amelie de Solms, son aïeule, laquelle fut d'avis que le Prince mît pied á terre, sous couleur de vouloir se promener à pied: & cela fut exécuté au contentement du Comte, qui eut ainsi tout l'avantage. Le Prince fut blâmé de cette concurrence, par le Pensjonnaire de Wit, qui lui dit, que n'étant ni Stathouder, ni Capitaine Général (il ne le fut que quelques années après) il n'avoit pas dû compéter avec un Ambassadeur de France, ni avec tout autre Ambassadeur de Couronne, attendu que le Stathouder même, lorsqu'il y en avoit un, étoit assis au-dessous de Messieurs les Etats, & ceux-ci au-dessous des Ambassadeurs Royaux.’]
Te onderscheiden!
| A. | 't Geen 't Gouvernement doet.
|
||||
| B. | 't Geen particulieren doen.
|
[Dezelve is zeer levendig beschreven in het zeer merkwaardig en nog onuitgegeven opstel: Verhaal van saeken voorgevallen op den aenvangh van de beroerten en oorlog in dese landen, in den jare 1672 bij een gestelt door mij onderschrevene n. witsen (de hoogberoemde Staatsman en Geleerde); welk ik onlangs, uit de nagelaten Boekerij van wijlen den geleerden Mr.
j. scheltema heb aangekocht; en hoop, geheel te kunnen in het licht geven: tevens met de eigen-levensbeschrijving van dezen grooten man, en wat er verder bruikbaars zijn mag in het, te voren door mij op de verkooping der Handschriften van wijlen den geleerden j. koning, gekochte N. 348 van die verzameling, (Catal. bl. 45). - Dit verhaal over 1672 was reeds gedeeltelijk ter uitgave voorbereid door wijlen den Heer J.S. zelven, en had uitmuntend voor zijn Mengelwerk gepast: doch hij schijnt dat plan opgegeven te hebben, om redenen - die de verstandige Lezer bevroeden zal, als hij het stuk zelf ziet.]
De worstelinge jacobs. de vierde druk, in de Hage bij Levijn van Dyck 1672.
NB. hij is onthoofd 29 Junij 16721.
Uit dit boekjen blijkt dat hij een recht braaf jongeling was, zeer getroost te sterven, en oprecht overtuigd Christen, die ook in groote reuk van heiligheid stierf, en waarlijk overtuigd was van zijne verzoening met God.
Hij was geboren 14 Augustus 1649, en dus 22 jaar oud. Van een allerzachtsten aart, en van elk bemind.
Hij was Student te Leyden, en stond op het promoveeren. (Moest hij dus ook door de Academische vierschaar niet gereclameerd zijn?)
Hij zei, voor zijn sterven, iets dat een voorspelling van 't einde der de Witten schijnt te behelzen:
‘Met mijne executie zal het wel makkelijk afloopen, maar wat veranderingen en beroerten daar kort op volgen zullen, zal de tijd leeren, en dan zal mijner door gantsch Holland gedacht worden. Hier, op deze voorpoorte zal het alsdan zoo stilletjens en ordelijk niet toegaan, als thands. Op deze Ridderkamer, daar ik thands zit, zullen andere bewegingen gezien en gehoord worden! die de geheele wareld over klinken zullen. - Wie had ooit gedacht, dat ik hier gebracht zou worden! maar als anderen hier gebracht en wêer van hier gebracht zullen worden, dan zal men over hen meer dan over mij, (ja, over mij nog meer dan over hun) verwonderd zijn, maar in gelegenheden die veel verschillen zullen.’
Tot aandenken van dit zijn zeggen (of voorgevoel) sneed hij op de bedstede waar hij toen, en kort daar na Corn. de Witt gelegen heeft:
Nescia mens hominum fati sortisgue futurae1, 't geen er (zegt de Schrijver) nog gelezen kan worden2.
Zoo vreesde men voor opschudding bij zijne Executie
dat ‘de valbruggens van de Hage 's morgens alle opgehaald en met Burgerwachten bezet werden.’ - Dit echter was als het sluiten der poorten bij Executie te Amsterdam, veellicht een oud gebruik; maar! - ‘de poorten en boomen van Delft, van Leyden en van Rotterdam werden zoo binnen als buiten om de Cingels mêe gesloten gehouden, om allen toeloop naar den Haag te verhinderen. Ook was de gantsche Ruiterij opgezeten, om de plaatse des gerichts wel te bewaren voor allen oploop en geweld.’
De verbittering over die executie was allergeweldigst door de geheele Haag en bij alle standen van menschen, en rustte op den lang ingezogen haat tegen den ondraaglijken hoogmoed en tyranny der beide de Witten; op hun henlen met Cromwel enz. - 't algemeen beklag en kennis van het goed karakter van de Graaf, wiens vader in den gruwelmoord van Buat, door de menées van Jan de Witt zoo verongelijkt was, ten einde dien moord door te zetten; en de wijze zelf waar op de Graaf i