terug  begin  verderprepost
[p. 320]

IX Deel1.

Bladz. 63 - 68 (M.H. Tromp - Obdam.)

[Lezenswaardig is het geschrift: Een praatje van den Ouden en nieuwen Admiraal: zijnde een noodige verantwoordinge voor den Overtreffelijke Zeeheld, M.H. Tromp, tegen verscheiden valsche beschuldigingen. Door een oprecht Hollands Zeeman. Amst. 1663, 40 bladz. 8o. Gematigd en bescheiden geschreven2; en, behalve geschiedkundige bijzonderheden over de laatste bedrijven

[p. 321]

van M.H. Tromp, ook gegronde aanmerkingen behelzende over eenige toenmalige misbruiken: 1. de Marine-krijgsraden1. - 2. Het schaften voor het Volk, of victualieren der schepen door de Scheepskapiteinen2. - 3. Het zenden van Soldaten aan boord, zonder Officieren.]

Bladz. 114. - Ol. en Rich. Cromwel.

[Belangrijk zijn de Memoirs of the Protector, Oliver Cromwel, and of his Sons, Richard and Henry. Illustrated bij original Letters, and other family papers. Bij ol. cromwell, Esq. 3 Edition in two Volumes. Lond. 1822. Gr. 8o.]

Bladz. 188 ‘Triple alliantie.’

[Twee authentieke bronnen over de geschiedenis van dit, zoo zeer ten onrechte hooggeprezen verbond, zijn de Lettres de Mr. le Chev. g. temple, T. I. à la Haye, 1700,

[p. 322]

en de Lettres du Comte d'arlington au Chev. temple,1 Utrecht, 1701.]

Bladz. 204 r. 16. ‘krengde.’

[‘Een schip krengen, is een schip op zijde leggen, om een lekgat te stoppen.’ Weiland, Woordenb. in V.]

Bladz. 220 r. 15 ‘Welk een toestand.’

[In het afgelegene Friesland was men ook wel benard, maar zoo radeloos niet. Een voortreffelijke opwekking van moed en kracht, door de Princesse Weduwe van Will. Lodewijk, Albertina Agnes, (waardige Dochter van Fredrik Henrik, en door welke het tegenwoordig regeerend Huis afstamt van Prins Willem I), is onlangs uitgegeven in het Mengelwerk van de Leeuwarder Courant van 3 Mei 1836 - en verdiende ergens beter bewaard te worden; b.v. in de Bijdragen voor de Vaderl. Geschiedenis en Oudheidkunde, door den Heer j.a. nyhoff; welke nu juist van pas komen om het Geschied- en Letterkundig Mengelwerk van wijlen den Heer j. scheltema te gaan vervangen.]2

Bladz. 235. r. 9. v. ond. ‘Hans Bontemantel.’

[Dat ziet op wagen. XIV D. bl., 85, 86: - wien men verder, bl. 86-88, zien moet over het geen hier bladz. 236 zeer in 't kort verhaald wordt.]

[p. 323]

Bladz. 236, in 't slot. ‘Jan de Witt toonde er een blij gelaat bij.’

[Wagen. XIV D. bl. 89, en valkenier I D. bl. 695 ald. aang. ‘Men hoorde in desen tijd mede, dat den Raad-pensionaris in die wonderlijke verkeeringe en resolutie sodanig den Politiek wist te ageren, dat hij soude geseyt hebben, dat Sijn Hoogheyt de man was, in wien God en 't volk een welbehagen schepte1, en dat sijne ziele in het avancement van Sijne Hoogheyt nu sulke verheuginge genoot dat sijne wonden sich veel beter ter cure schikten, als voorheen, ter oorsake dat door dit Avancement van Sijne Hoogheyt de Burgerlijke beroerten, die door heel Hollant tot noch toe niet geheel gestilt waren, beter souden cesseeren.’ - Het zelfde vindt men verhaald in verscheiden pamfletten van die dagen, ook voor de catastrophe.]

Bladz. 255. - ‘Gedenkpenning’

[Er is wel een gedenkpenning op die Groote Vergadering, en op welks eene zijde die afgebeeld is: v. loon, II D. bl. 364: maar die is zeker niet op openlijk gezag geslagen.]

Bladz. 264 - (de ijzeren kist)

[Een geacht en kundig vriend in 's Hage, van wien ik (de Heeren van wijn en d'yvoy nu niet meer kunnende vragen!) mij vleide eenige inleiding te bekomen, doet

[p. 324]

mij opmerken, dat mijn berichtgever wellicht twee kisten met papieren verward heeft: dat het waarschijnlijk is, dat er bij de meerderjarigheid van Willem III wel gezorgd zal zijn, dat de ijzeren kist met geheime familie-papieren hem terug gewierd; en ‘daar die kist familie-papieren van het Huis van Oranje bevatte, kan zij wel niet dezelfde geweest zijn, waarin men na 1795 de stukken omtrent de regtspleging van Oldenbarneveldt zou gevonden hebben. De overlevering zegt, dat er zoodanig eene kist is gevonden; maar met zekerheid weet men er niets van, en uit de officiele bescheiden blijkt daarvan niets. Mij komt het niet onwaarschijnlijk voor. Doch wie heeft dezelve gevonden, en waar is die kist gebleven? Men zegt, dat de kist in de jaren van 1780 zou gevonden zijn; dat over het bezit van dezelve geschil tusschen den Griffier van H. Ed. Mog. en den Raadpensionaris ontstaan is; dat daarop de Prins, tot voorkoming van verdere disputen, vooral in die onrustige tijden, die kist onder zich heeft genomen; dat Voorda en Valckenaer, belast met het onderzoek der papieren van den Prins, na 1795 zich van de kist zouden hebben meester gemaakt, - en dat na dien tijd niets meer van haar is vernomen.’ -

Bladz. 265 (en 134) ‘een Neef van J. de Witt.’

[Bild. volgt n. bondt en p. paulus, die op gezag van Pieter de Groot, als Schrijver noemen eenen joan de witt, Advocaat voor 't Hof van Holland, en Neef van den Raadpens. de Witt; p. paulus Verkl. d. Unie v. Utr. I D. Voorr. bl. ix en Inleid. bl. 76. - Dit zouden dan drie van gelijken naam ter zelfder tijd zijn; want in 1666, ten tijde van het doodvonnis tegen Buat, was er een J. de Witt in de regeering van Dordrecht, en

[p. 325]

van daar afgevaardigd in de Staten van Holland, en zoo in de Staten Generaal, welke hij toen juist presideerde, en uit wier naam hij, om hun de moeite eener bezending (nagenoeg in hetzelfde locaal) uit te winnen, (quasi) aan de Staten van Holland surséance van de executie ging verzoeken. Z. aitzema, boven bl. 277 in de aant. aangeh. en de Resolutien van Holland van dien tijd, en balen, Dordrecht, bladz. 1310.]

Bladz. 270 (Mevr. Buat).

[Amelot d.l.h. T. II p. 222, 223 spreekt groot kwaad van de zeden dezer vrouw, die in Frankrijk gebleven, en aldaar tot de Roomsche Kerk overgegaan was; ‘mais en abjurant l'Heresie, elle ne crut pas devoir abjurer le putanisme.’]

Bladz. 273, Aant. 1.

[Volgens de Memoires du Comte de geiche p. 284, zou Buat bijna drie uren tijd gehad hebben, om zich-zelf en zijne papieren, of een van beide, te bergen: maar hij was er niet op bedacht; ‘il n'eut pas l'Avisement.’ - ]

Bladz. 275, aant. 2. ‘Wiquefort ms.’

[Zie hier wat wiquef. over deze politique interventie bij de justitie zegt, Livr. XV:’ ‘La Cour Provinciale de Hollande, qui est composée de gens, dont la pûlpart ont peu de connoissance d'affaires criminelles tant soit peu extraordinaires, et point du tout des crimes Ed' tat, y avoit fait autrefois des fautes assez énormes, de sorte qu'àfin qu'elle ne fut pas trop indulgente dans cette affaire, les Etats de Hollande lui envoyèrent dire par sept Députés de leur assemblée, qu'ils désiroient qu'elle fit justice; qu'ils entendoient que Buat avoit commis

[p. 326]

crime de lése majesté, et qu'il fut puni selon la rigueur des Loix. Les amis de la maison d'Orange disoient, que ceux qui avoient la direction des affaires dans l'assemblée des Etats de Hollande, se seroient bien dispensez de faire faire cette députation, parce que le Souverain, qui renvoye la connoissance d'une affaire à la justice ordinaire, s'en doit rapporter à l'honneur et à la conscience des Juges, pour le jugement du procès, et ne les pas forcer par des préjugés, ou par des commandemens absolus.’ - Hij weet daar op alleen te zeggen, dat Willem III. naderhand, (op instigatie van g. fagel, zoo hij zegt1) zelf bij het Hof van Holland was gaan presideren, toen de zaak tegen p. de groot aldaar dienen moest. Doch hij vergeet er bij te zeggen, dat P. de Groot door het Hof vrijgesproken wierd.

De Graaf de guiche, ofschoon een Franschman, zegt van deze zaak en deze bemoeyingen in dezelve (p. 285): ‘cette action, n'aïant point autre Dessein, que de procurer la Paix, ne pouvoit au plus meriter qu'une correction, et ne devoit pas attirer un Chastiment. Néanmoins, de Witt y porta la Republique avec tant d'Apreté, qu'il sortit même de la Bien-séance, en sollicitant la cour de Justice de pancher à la Rigueur.’]

Bladz. 282-284. ‘Van Dorp van Maasdam.’

[Het blijkt uit de Stukken van het Proces, dat de Heer van Maasdam eene missive door J. de Witt aan

[p. 327]

hem geschreven ‘uit het jacht van Holland en Zeeland, in de Wielingen, d. 4 Sept. 1666’, op d. 7den Sept. in de Vergadering van het Hof had medegedeeld.]

Bladz. 285 v. 5 v. ond. ‘ouderdom der Predikanten.’

[Er is een geschrift van het j. 1664, langwijlig als deszelfs titel: de Lamenterende Kercke; over verscheydene seer schadelijke ende aanstootelijcke disord'ren ende vervallen, so in deselvige zijn ingebroken; ende particulierlijck over het vord'ren van heel jongen en minderjarige Personen tot het Predick-Ampt: ofte een Kort Begrijp van 't gene aengaende die materie ende den aankleven van dien wert verhandelt in het Boeck onlangs in 't Fransch uitgegeven, getituleert: d' Interest van de Kercke. Leyden, Anno 1664. 126 bl. 4o. eng gedrukt. Zeker niet van den schrijver, doch wel in den geest, van het Wittiaansch Intrest van Holland. Het Fransche Boek, waarvan dit wordt gezegd een ‘Kort Begrijp’ te zijn, heb ik nooit gezien; en weet niet of het bestaat: het kon zeer wel een politique fictie zijn, om de voorslagen, als vroeger elders gedaan, hier te lande minder aanstootelijk te maken. ‘De drie voornaamste punten van dit Tractaat (zijn): vooreerst de groote disordre die in de Kercke is ingebroocken, dat men tot het Predikampt toelaet Jongelinghen noch maar even gekomen uit de schoole en uit de kintsheit, van 17, 18, 19, 20 jaren, of weynigh daer over. Ten tweeden de gebreckelickheyt van onse Kerckelijke Regeringe. Ten derden, den voorslagh van een Kerkelyck Senaet, om alle de defectuositeyten van onse gemelte Kerckelijke Regeeringe te vervullen en te suppleren.’ - ‘Dit kerkelijk Senaat, zou bestaan wit Heeren van de Regeeringe, Predikanten en gemeene Stants-personen, in gelijcken getale.’ - De bepalingen op den ouderdom der Predikanten, zijn, gelijk men ziet,

[p. 328]

kort daarna op de Hollandsche Synoden tot stand gekomen: die openbare hervorming van het Kerkbestier heeft men, naar het schijnt, niet durven bestaan; (doch de Staten en de Stads-regeringen hadden buitendien middelen genoeg, om de Predikanten in bedwang te houden1.) Zonderling is het, dat juist op den toen voorgeslagen voet, in deze laatste jaren van Staatswege ingericht zijn, de Provinciale Commissien van Toezigt op de Administratie der Kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormden.]

[p. t.o. 328]



illustratie

1 - Door tijds gebrek heb ik veel van de Nalezing van dit Deel moeten uitstellen; en moet zoo ook de bl. 264 toegezegde Literatuur van den Witten-Oorlog tot het volgende Deel laten wachten: - het geen ook eigenaardig is, alzoo in dat Deel hunne geschiedenis eerst afloopt.
2Bladz. 25. ‘Mij dunkt, dat men, in deze gelegenheid van tijden, niemand behoort te haten, omdat hij goed Prins is, en ook en behoorde die gene, die goed Prins zijn, de andere partij, die men Staatsche of Loevesteiners* noemd, mede niet te haten: het is een verdrietig en periculeus werk, dat sulke verdeeldheden in een Land komen, besonder als men die partijen begind te noemen met d'een of d'ander naem, gelijk als Hoeks en Kabeljaus;’ enz. - Bladz. 39 ond. aan: latende voorts onze Magistraten en Overheden de zorg bevolen zijn: Vertrouwende en verhopende dat zij dat wel ten besten nut en oorbaar zullen dirigeren.’
*(Het blijkt mede hier uit, wat ik reeds vroeger elders heb gezegd, dat Loevesteiner, wel een partij-naam, maar geen scheld-naam was.)
1(En het geen misschien opheldering geeft nopens de weigering, later, van c. tromp, om een Krijgsraad, die over wangedrag van Zee-Kapiteinen oordeelen moest, te presideren.)
2(Nuttige aanvulling van hetgeen de Hr. de jonge daarover heeft in de Gesch. v.h. Ned. Zeewezen, II. D. 2 St. bl. 120 v.)

1(L'on y a ajouté, une Relation particuliere de la Mort de Madame [la Duchesse d' Orleans], écrite en cinq Lettres, par une personne de qualité présente à sa mort.)

2[Het door bild. geteekend en bij dit Deel gevoegde kaartjen dient, om met een opslag van het oog te kunnen zien, hoe diep de Franschen in 1672 in het hart van het Land waren doorgedrongen; terwijl het overige van Holland doorinundatiën tegen hen beveiligd was.]

1[NB. Dit zijn de eigen woorden van Husaï aan den jon gen Absalom: - wien de looze man met zijn kunstigen raad ras ten verderve hielp, 2 Sam. XVI, 18 en H. XVII - en ik twijfel niet, of J. de Witt was jegens den jongen Willem III even goed gezind.]

1(Doch van het geen hij tegen dezen zegt, doet men veiligst, niets te gelooven; daar hij overal de grootste kwaadaardigheid blijken laat tegen dezen grooten Staatsman, doch wien hij als de oorzaak van zijn ongeluk aanzag. Verg. v. wyn, Bijvoegs. op wagenaar, XIV St. bl. 110 v. en XV St. bl. 110.)

1[De Stad Utrecht had echter in deze jaren, sedert 1668, bij den Hervormden Kerkenraad aldaar een' Commissaris Politiek gesteld. Z. burman, Traj. Erud. in Lamb. Velthuysius.]
prepostterug  begin  verder