begin  verderprepost
[p. 1]

[Tekst]

Willem de III.

Zagen wij, met en sedert de vrede van Munster het Vaderland door een heerschzuchtige factie onderdrukt en op den brink1 van zijn ondergang gebracht, thands zullen wij 't weder zien opkomen en het toppunt van zijn luister beklimmen onder den echten afstammeling der grondleggeren van een Staat, die nooit zonder hen heeft kunnen bestaan. Wij hebben in dat akelig tusschenvak van Stadhouderloosheid, dat wij afliepen, de zaken in meer bijzonderheden nagegaan dan wij anders gewoon zijn; ten einde den draad wel vast te houden van eene intrigue, die in der daad de ziel der geschiedenis uitmaakte, en waar aan bij de onophoudelijke worsteling tusschen den Nationalen geest of gevoelens en den heerschenden aanhang, de beslissing van 't lot onzes vaderlands hing: doch thands kunnen wij wederom ruimer stappen doen in het doorzetten van onze beschouwing bij eene regelmatige en gelijkmatige regeering, die loutere glorie en voorspoed was, en alleen te vroeg voor ons eindigde.

 

Willem de Derde was dan Stadhouder, en de Natie te vreden; doch de harten bleven noodwendig met

[p. 2]

wantrouwen en achterdocht jegens de Regenten vervuld, wier Antistadhoudersch- en Franschgezindheid zoo zichtbaar geschenen had; en een geest van onrust woelde door de steden, dien het van het hoogste gewicht was te stillen. Met dit oogmerk schreef de Prins een rondgaanden brief aan de steden, die aldaar afgekondigd wierd, waarbij hij het nooit gehoorde verlies van zoo vele ‘steden, sterkten en provincien verklaarde toegeschreven te moeten worden aan den samenloop van omstandigheden die bij 's vijands geweldigen overmoed, Bevelhebbers en soldaten ontzet hadden, en waarbij de trouweloosheid en lafhartigheid van die genen, die de voornaamste en gewichtigste posten op de grenzen te verdedigen hadden, hun rol konden spelen, welke hij verklaarde te zullen straffen: door 't welk, (zeide hij), ontsteltenis bij de goede Gemeente, en argwaan tegen de Regenten ontstaan was, als of zij de gemeene zaak niet oprecht genoeg handhaafden; maar dat hem geene blijken noch gegrond vermoeden was voorgekomen, dat eenige Regenten zich schuldig gemaakt zouden hebben aan verraad, of onplichtelijke verstandhouding met den vijand. Vermanende wijders tot rust, gerustheid, en vermijding van gevaarlijke en strafbare opschuddingen en oproerigheden, welke hij ten hoogste veroordeelde, en waartegen hij de goede Ingezetenen gewaarschouwd wilde hebben, overeenkomstig de Plakaten, aan wier uitvoering hij zich gelegen wilde laten zijn.’

Deze publicatie werd bij de Gemeenten zeer wel ontfangen; maar zij was den Heeren Regenten, die

[p. 3]

van angst beefden, zoo lang de Burgerijen nog bij een schoolden, of de goede Gemeente eenige hoofden bij een stak, niet genoeg. Zij verzochten de Prins nog een sterk en scherp plakaat op zijn naam, tegen de burgerlijkē oproeren. De Prins begreep de meening zeer wel, en welk misbruik daar van stond gemaakt te worden, en gaf hun te kennen dat de oproeren niet te vreezen waren; en dat wat de beroerten betrof, die hier en daar nog niet geheel in de steden tot rust gekomen mochten zijn, deze hun oorsprong hadden uit Burger-hoplieden en voorname Burgers, eene even zoo respectabele klasse en niet minder wettige lichamen, als de Regenten, en die men niet met Plakaten moest meenen te dwingen, of als 't slechte graauw te bejegenen. Maar dat men (des noods) eene bezending aan de Burgerijen zou kunnen doen, om hun begeerte te verstaan en met hen te handelen. - Dit was niet in den Aristocratischen geest, en smaakte niet; echter zij omhelsden dit middel, mits de Prins zich aan 't hoofd stelde: die hun blootelijk te gemoet voerde, dat de staat van zaken hem niet toeliet met hen door de Steden te slenteren, maar zijn oog bij het Leger vorderde. Zij van hunnen kant, vonden 't beneden hun waardigheid, den Burgerijen, (wanneer de volstrekte nood niet dwong) eene zoodanige consideratie te toonen, en 't bleef er bij; zoo als dan ook de verwijdering en argwaan ter wederzijde voortduurde, en naderhand nog wel eens weêr in een opschudding uitborst.

Middelerwijl hadden de Franschen niet stil gezeten, die Ravenstein namen en slechtten, en Grave

[p. 4]

en het slot van Gennep bezetteden; Niemegen veroverden, met de schans van Crevecoeur en den Engelenschans nabij 's Hertogenbosch: Bommel desgelijks innamen, en 't beleg voor den Bosch sloegen: zoo dat thands 't steedtjen Muiden, Gornichem, en Woudrichem, de frontierplaatsen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden aan deze zijde van Zeeland waren, terwijl de Hinderdam, Bodegraven, Nieuwerbrug, en Goejanverwellensluis tusschenposten van verdediging waren. De overstroomingen die men te werk stelde om dezen frontier eenigzins weerbaar te maken, verwekten groot ongenoegen, gemor, en beweging bij de opgezetenen, die er bij leden, en werden nog zeer onvoldoende bevonden. En de posten waren bij gebrek van manschap, zoo zwak bezet dat zij tegen geen ernstigen aanval eens vijands bestand gerekend konden worden; en met één woord gezegd, 't was alleen Gods genade, die den vijand naar Staatsbraband wendde, en dus van de overrompeling van een dezer posten afhield, waaraan wij 't behoud des Vaderlands danken.

De Groot met zijn mede-afgevaardigde Odyk, eer er nog eenig denkbeeld van een verkiezing des Prinsen tot Stadhouder was, op den 27 uit de Hage vertrokken, had Lodewijk XIV te Rhenen, op den 29 Juny zijn volmacht getoond, en bood tot vrijkooping van de Republiek der Vereenigde Nederlanden zoo zij rijlden en zeilden, behalven de Generaliteits-landen, die men hem geheel overliet, tien miljoenen. - Maar het was daar niet mêe te doen. De Koning eischte al wat de Staat quocunque titulo bezat buiten de zeven Provinciën, en bovendien al

[p. 5]

wat in of buiten de Provinciën tusschen den Rhijn en Lek in de Spaansche Nederlanden gelegen was: zoo als ook Delfzijl, met twintig van de naaste Kerspelen, 't geen ruim de helft der Provincie Groningen omvatten zou. Voorts afschaffing van tollen en lasten voor de Franschen; openbare Godsdienstoefening voor de Roomschgezinden, in alle Steden, en inruiming, overal, van één kerk of meer, met onderhoud der Priesters van 's Lands wege: toelating der Katholyken in alle ampten, Wethouderschappen, regeeringen etc.: en acht miljoenen gouds, dat is na genoeg 11½ miljoen Hollandsche Guldens, voor de kosten des Oorlogs. Hier bij geheele effening van de schuld van Denemarken; 't Graafschap Meurs voor den Keurvorst van Keulen.

Zekerlijk was dit nog iets meer dan het geheel vragen, dewijl het de opbrengsten waar het overige alleen door kon blijven onderhouden worden, wegnam; en met die noodwendig het overige (erger dan wegnam) vernietigde. Doch dit alles was een kleinigheid; daar moest nog de onverduurbaarste smaad bij komen. Jaarlijksch moest een plechtig gezantschap daartoe af te schikken, den Koning, bij een openbaar gehoor, ten aanzien en aanhooren van geheel de wareld, in de nederigste houding, den dank der Nederlanderen komen betuigen, dat hij, de Koning, ten tweedenmale het Land aan de Staten wêergegeven had, en hem t'elken reize (op dat hij 't niet vergeten mocht) een gouden gedenkpenning aanbieden ter waarde van tien dukaten; vertoonende die grootmoedige daad van den Koning in deftige figuren en vleiende inscriptien. - Ten blijke dat hij

[p. 6]

wist met wie hij te doen had, voegde Z.M. daar bij, dat hij bloot handelde met die Provinciën, die hem 't geld zouden betalen, en de ingenomen Provinciën aan deze zou overgeven, om die onder haar macht en regeering te houden.

Dit laatste punt vermocht alles en verzoette de zaak derwijze, dat, ware er (door het bestuur der Voorzienigheid) geene omwenteling op denzelfden tijd, dag, en uur, in Holland ontstaan, daar is geen twijfel aan of men had deze voorwaarden gretig omhelsd. En zoo iemand gelooft, dat dit punt zelfs door de Groot aan den Koning of Louvois voorgesteld is om de overige te doen aannemen, ik ben verr' van hun tegen te spreken, schoon ik het bij al de waarschijnlijkheid die het heeft, niet zou durven verzekeren. Het plan van de Witt was geen ander geweest; het was dat van de geheele Loevesteinsche factie, de overige Provincien, of te laten varen of onder zich te brengen als overheerd; en zie daar nu in eens het doel bereikt waar ruim 60 jaar om gewerkt was. De Unie was weg; Holland vrijmachtig. Dit was alles waard. Over het stuk der Katholyken zou men nog wat gehandeld en dit bezwaar wel afgekocht hebben, en daar van had men dan den roem en dank nog gehad binnenslands. Op een som gelds was ook altijd nog iets af te slaan, en daar zou wel een middel zijn om die te vinden. - Geen wonder derhalve, zoo de Groot met een blijmoedig hart nevens zijn medeafgevaardigde te rug kwam. Maar ongelukkig voor hem en zijn partij, was toen hij aankwam, alles in den Staat omgekeerd, en die schoone kans verkeken. - Hij deed

[p. 7]

nu, vrij bedeesd, op den 1e. July, zoo bij de Generaliteit, als bij Holland (aan wien 's Konings antwoord eigenlijk gericht was) verslag. En het was er verr' af, dat men zoo gretig toegebeten zou hebben, als de Groot bij zijn belofte, om binnen vijf dagen bij den Koning met het antwoord te rug te zijn, zich verbeeld moet hebben, en, ware er geen Stadhouder gemaakt, zich met recht verbeelden moest. De vijf dagen waren reeds om eer er bij Holland omvraag over geschiedde. De Leden begrepen vrij algemeen dat men niet handelen kon of mocht dan op den voet van de voorslagen waar mêe de Groot gezonden was, en daarop, dewijl ze eens gedaan waren, nog voort kon gaan; doch 't laffe, of mooglijk, zoo men 't wel beschouwt, nog stouthartige Leyden, vond 's Konings eisch nog wel te billijken, en dat de Groot volmacht moest hebben, om dien (met afdinging van 't geen er van af te dingen mocht zijn) in te willigen en daar op zonder uitstel te sluiten. En waarlijk, die begrijpt dat men geen schelmstuk ten halve moet doen, moet dit wettigen; want met dat Tractaat in en de Fransche troepen bij de hand, zou men immers op zijn beurt de burgerijen wel dwingen en de gedwongen verkiezingen vrijmachtig te niet doen. En dit zat er bij Leyden: daar was ook op gehoopt, toen men zoo draalde met de afkondiging van 's Prinsen verkiezing voor te lezen.

Intusschen ware daar niets mêe gevorderd. Want in dat geval moest Engeland nog voldaan worden. En waar mêe? visscherij en handel lag daar. - 't Slot moest altijd zijn, zich in de armen van den Prins te werpen.

[p. 8]

Amsterdam daar tegen verwierp den Franschen eisch met verontwaardiging, en stemde cordaat tot afbreking der handeling, waar men (dus uitte het zich) nooit om had behooren te denken. Na veel raadplegens besloot men 't gevoelen van Z.H. in te nemen; en zeker, 't behoorde wel dus, maar men was dat zoo lang afgewend, en dacht er eerst om, toen het aan 't concludeeren zou gaan. Dat de Prins geen druppel bloeds in het lijf had, dat in zulk een eisch bewilligen kon, verstaat zich van zelven: en dienvolgende werd dan besloten bij Holland, om 't bij de Generaliteit daar heen te stieren, dat de Groot wederom been gezonden wierd, met last, om den eisch plat af te slaan, in geval van een nieuwen voorslag bericht te doen, en anders geheel af te breken. Maar het kwam daar niet toe.

De Gedeputeerden naar Engeland gezonden, hadden na lang ophoudens, echter in 't eind een opgaaf gekregen van 't geen Koning Karel vorderde. Deze kwamen hoofdzakelijk nêer op de erkentenis van zijn heerschappij over de Zee, en het strijken overal1. 500,000 P. St. voor de vrije visscherij. - Even zoo veel voor de kosten des Oorlogs. - Vlissingen, den Briel, en Sluis in Engelsche handen te stellen. - den Prins van Oranje tot Stadhouder en Kapitein Generaal en Admiraal met successie zijner mannelijke erven daar in; en over deze, de voogdij (bij minderjarigheid) door den Koning en de Staten gezamendlijk te begeven. Twee Engelsche Gemachtig-

[p. 9]

den kwamen hierop welhaast in de Hage; en trokken van daar naar Bodegrave in 's Prinsen Hoofdkwartier, en wijders naar den Koning van Frankrijk.

Hoezeer 's Prinsen Stadhouderschap Engeland ipso facto tot een bondgenoot maakte, die zich nu tegen Frankrijks slooping van 't Land verzetten moest, was 't Amsterdam echter alleen dat begreep de handeling met Frankrijk nu aan den Prins en de Engelsche Gemachtigden te moeten stellen, en de Groot t' huis houden. En, schoon verscheiden Leden op 't aanhouden met Frankrijk door de Groot bleven staan, Amsterdam haalde 't over. - Maar de arme de Groot! Wat zou hij zijn, zoo een ander een beter vrede sloot? Hoe zou hij in 't oog loopen! vooral daar het gemeen het oog zoo op hem had! - Hier voor moest weêr een klein komedietjen gespeeld worden. Men besloot bij Resolutie der Staten van Holland van den 8o July, dat men de Groot zou verzoeken wederom naar den Koning van Frankrijk te keeren en aldaar zijn Gezantschap te achtervolgen: en dat hij zich van dat verder Gezantschap verschoonen zou; waar meê men dan uit heuschheid, schoon met betuiging van leedwezen berusten zou. En zoo geschiedde 't. - Aan de Ruyter werd nu last gezonden om niets vijandelijks tegen de Engelschen te ondernemen, en in geval zij iets op de Hollandsche kusten (als men nog steeds vreesde) ondernemen mochten, dan soldaaten zeemanschap te gebruiken. Een veelbeteekenende term, want hij sluit alles in en uit!

Het zenden van die orde door middel van Gemachtigden met een Jacht, verwekte te Rotterdam bij het Gemeen, dat nog niets van de Regeering dan

[p. 10]

verraad en valsche aanslagen tegen den Prins en het vaderland vermoeden kon, een geweldig opzien, beweging, opschudding, en wat daar uit voortvloeit. De Groot raakte in levensgevaar; vele regeeringsleden werden vastgezet; en met zeer veel moeite kwam het weder tot rust. - Hoe veel ondertuschen de moed hier te lande gewassen was met het vertrouwen op het verkregen Staats- en Krijgshoofd, bleek onder anderen, bij het aantasten van Aardenburg door Fransche troepen, die door de burgerij, en zeer geringe bezetting, van vrouwen en jongens geholpen, tot twee maal toe zoo wakker afgeslagen werden, dat er 1500 (ten minste een groot getal) voor de plaats bleven.

Men was met dat alles niet zeer gerust op de Engelsche onderhandelaars, wier houding, daar hun last in 't geheel niet toepasselijk was op den staat van zaken die zij vonden, zeer bedenkelijk en twijfelbaar was, en noodwendig zijn moest, tot zij nader bevel van hun meester ontfingen. En het karakter van Karel II. was zeker ook niet om staat op te maken. Ja men was voor een volkomen deeling van heel het Land, tusschen de twee Koningen beducht. En met recht, als het bleek.

De Engelschen sloten een verbond met den Koning van Frankrijk, geen vrede of bestand met de Staten te maken, dan gezamentlijk, en ook gezamentlijk daar over te handelen. - Frankrijk vorderde nu zeker iets minder dan te voren, maar echter het was nog niet om in aanmerking te komen; en Engeland wilde nu geheel Walcheren, Sluis, Kadsant en het Eiland van Voorne geheel en in perpetuum onder zich houden als tot zekerheid. De Prins ver-

[p. 11]

klaarde bij 't meê deelen van een opstel, bij wijze van verdrag den Staten voorgelegd, ‘dat er niet een punt onder was, dat hij zou aannemen: dat men zich liever behoorde in stukken te laten houwen, dan zulke voorwaarden omhelzen.’ Bij dit Concept-Verdrag was ook, dat de Souverainiteit van al wat niet onder de Koningen of hun bondgenooten (wien zij verschillende brokken toestaken) verdeeld wierd, aan den Prins zou opgedragen worden; of ten minste de waardigheid van Stadhouder, Generaal, en Admiraal over dat plekjen.

De zaak stond nu zoo slim als ooit. De Engelsche Gemachtigden trokken geld van Holland en van Frankrijk-beide. Van Holland was 't zeker, en echter zij deden alles tegen ons en dwars tegen 's Prinsen wil en oogmerk. De verdenking was natuurlijk, dat zij die hun dit geld in de handen stopten, daar directien bijvoegden, die tot niets anders strekten, dan om 't weêr tot een afzonderlijke handeling met Frankrijk te doen komen, waar de Hollandsche factie, nog in het bewind, jokerig naar bleef, en 't geen hen alleen van den Prins (zoo zij 't inzagen) weer verlossen kon. De Prins had bovendien berichten, dat de Groot zich in zijne zending bij den Koning te buiten had gegaan: en men mag gissen, omtrent welk punt. De Prins meldde dit in algemeene bewoording ter Vergadering van Holland, en de Groot week naar Andwerpen.

De Prins over het voorgelegde ontwerp naar zijn gevoelen gevraagd, oordeelde, dat men Frankrijk eenvoudig moest antwoorden, dat zijn voorslagen onaannemelijk waren; en dat men met Engeland aan

[p. 12]

moest houden, verzekerende, dat dat ontwerp uit de afgevaardigden kwam (zijn vijanden zoo wel als die van den Staat) en niet van den Koning van Engeland. - Intusschen schreven de onze uit Engeland, dat er van den Koning niets te hopen was, en hij volstrekt gemeene zaak met Frankrijk maakte. 's Prinsen gevoelen werd gevolgd, en ook Zeeland verklaarde zich sterk tegen het overgegeven ontwerp.

Frankrijk maakte echter nu geen verderen voortgang in 't land, en de Koning keerde naar St. Germain. De Engelsche Gezanten gingen naar Brussel; waar men getracht had den Spaanschen bevelhebber over te halen, om zich van de steden der Generaliteit meester te maken, maar die dit afgewezen had en getrouw bleef. De Engelsche Gezanten dreigden met een landing en onderneming op Amsterdam langs Texel: en hier was men zeer bekommerd voor. - De onderhandelingen stonden stil, en men bereidde zich op 's Prinsen aanmoediging, om de vijanden uit al zijn macht tegenstand te bieden.

Het scheen geen bloot dreigen geweest te zijn van de afgevaardigden. De Engelsche vloot vertoonde zich en zeilde naar Texel, waar men geen ander oogmerk in haar onderstellen kon, dan die van landing. Ook werden daarbij kleine vaartuigen gereed gehouden tegen het uur van den vloed, om werklijk 't land te bezeilen: doch door een zonderlinge gunst der Voorzienigheid bleef de vloed achter, en de ebbe duurde wel 12 uren, en toen ontsond er een storm die den vijand met geweld van den wal dreef. - Of men meer landingen in den zin had, is onzeker, maar het kwam er nergens toe, en men scheen het uit

[p. 13]

aant.zijn hoofd te zetten, en kruiste nu op onze O.I. schepen.

Middelerwijl had het vereenigd Bisschoppelijk leger van Keulen en Munster, na het nemen van vele schansen en sterkten, ook van Koeverden, dat den 11e July bij verdrag overging, op den 19 daar aan het beleg voor Groningen geslagen; hetgeen door een zwak Guarnizoen (niet boven de 1200 man), maar getrouw en wakker door Burgers en studenten geholpen en bijgestaan, mannelijk, ja heldhaftig, verdedigd werd1. Tot den 26 Augustus duurde deze belegering, wanneer de Bisschoppelijke macht opbrak, na er 4500 man voor verloren te hebben, aan gesneuvelden, en veel meer aan verloop2. Waarna deze zelfde Groningers en de Friesen met hun de meeste ingenomen plaatsen in die kwartieren heroverden.

Doch wat ware dit hernemen van eenige plaatsjens geweest, zoo er geene andere middelen geweest waren waar van de Voorzienigheid zich bediend had om ons te redden?

Frankrijk was altijd te machtig en vooral te onrustig en te krijgszuchtig een Nabuur voor het Duitsche Rijk zoo wel, als inzonderheid voor het huis van Oostenrijk geweest, om zijne verzwelging van de Nederlanden te gedogen, en de vrede van Westfalen, de grondslag van de tegenwoordige Staatsgesteltenis des Rijks, moest, of geheel te niet gaan, of in dit

[p. 14]

beslissend oogenblik gehandhaafd worden. Dit besef van onmiddelijk belang en van zelfbehoud deed verbonden van onderlinge bescherming tusschen verscheiden der Duitsche Vorsten aangegaan, aan 't hoofd waar van zich de Keizer (Leopold) stelde, en deze liet zich nu lichtelijk tot een verbond met de Staten bewegen, waarin hij zich bij den Keurvorst van Brandenburg tegen den Bisschop van Munster voegde. Ondanks de Fransche woelingen daar tegen, kwam dit tot stand, en het Brandenburgsche leger, waar in de Keizer 24000 man bijgezet had, was in aantocht. Dit was genoeg om de Fransche macht een goed deel der bezettingen naar 't Brabandsche te doen trekken; waar zij vruchtloos 's Hertogenbosch trachte te winnen, 't geen niet spoedig gelukkende, toen veroorzaakte, dat de Koning voordeed geen plaatsen te willen aantasten, die Spaansche bezettingen in hadden, zoo als in dien hoek met alle onze steden 't geval was, als hebbende alle bij de Nederlandsche Guarnizoenen Spaansche hulptroepen. - Turenne, die Frankrijks leger gebood, brak op van voor den Bosch, en trok 't Duitsche leger naar Wezel te gemoet, waar omtrent men verwachtte dat het den Rhijn over zou steken. Men kreeg dus hier lucht, alhoewel nog een machtigen vijand in 't hart boudende.

Terwijl het dus stond, was de toestand der de Witten gevaarlijker dan zij zelven inzagen. De algemeene haat des volks toonde zich bij alle standen, naar de meer of mindere beschaafdheid wel verschillend, maar echter even zichtbaar. Alles wat zij ooit verricht, gezegd, gepoogd, of gewild had-

[p. 15]

den, werd herkaauwd, en het onnoozelste-zelf daar in, boos vergiftigd, misduid, en als verraderlijk gemeend, opgenomen: en in een land, sedert de Arminianerij altijd vol van paskwilschrijveren, werd dit wapen, dat altijd voornamelijk tegen het Huis van Oranje gediend had, nu, met de verandering der gemoederen, tot een wezendlijke algemeene oorlog en vervolging tegen deze twee broeders, waar door de geringer burgerklasse, bij wie dit steeds de gewoonlijkste en geliefdste lectuur maakte, tot een soort van frenezy tegen hen opgezet wierd, die noch maat noch teugel hield. De Zuid-Hollandsche boeren spraken niet anders dan van die Franschgezinde honden dood te slaan, en zoo zij 't niet uitvoerden, 't ontbrak aan de gelegenheid en niet aan den wil. De Ruwaard had boven al dezen haat tegen zich gescherpt, niet slechts door zijn onverstandige en stugge trotschheid, maar ook door zijn gedrag omtrent 's Prinsen verkiezing toen hij met zijn V.C. het volk had willen verschalken [IX D. bl. 228]; en zelfs waren zijn ampts- en andere bedienden naauwlijks veilig. Jan de Witt werd bij dit alles meest getroffen door dat hem malversatie ten aanzien van 's Lands correspondentie-gelden te last werd gelegd, 't geen hij, als van een strikte Hollandsche eerlijkheid (die eigenlijk in niet te stelen, of, wil men 't, in een naauwgezetheid omtrent eens anders geld, bestaat) zich niet kon laten aanlenen1. Ook zou hij (dus was het zeggen) daar 't Leger door hebben

[p. 16]

doen lijden. Hij liet zich gelegen liggen, om den Gecommitteerde Raden daar over getuigenissen of verklaringen af te vergen, die ook gegeven werden: en wilde dit ook van den Prins. Maar deze verklaarde, dat hij in geene gesteldheid geplaatst was geweest om daar kennis van te hebben kunnen nemen verzond hem naar Gecommitteerde Raden, en de Registers of andere stukken, waar uit van de genomen voorzorgen blijken kon. - De Prins kon niet wel anders, maar het in 't licht geven door de Witt, deed als geen eigenlijke ontschuldiging van den Raadpensionaris behelzende, geen goed. Men beschuldigde hem desgelijks openbaarlijk van grove gewinzucht en eigenbaat, niet geheel zonder allen grond, alhoewel daar in niets misdadigs lag; en ook ten aanzien van dit punt, werd zijn verdediging voor ommanteling gehouden; en voedde den haat en de verdenking1.

Nu ontstond er een aanbrenging bij 't Hof van Holland tegen den Ruwaart van een toeleg gemaakt te hebben op des Prinsen leven, en hij werd door den Fiskaal uit zijn huis naar de Hage gevoerd. Hierover stelde de Regeering van Dordrecht zich schrap; bracht het in de Staten van Holland, en trok

[p. 17]

partij voor den beschuldigde en tegen den beschuldiger; op een wijze, zeer sterk in het oog loopende, en die 't algemeen als een werk van complicen voorkwam, en niet als 't gedrag eener stad, die voor haar recht en de Justitie sprak. - De competentie van 't Hof was echter buiten bedenklijkheid daar 't het crimen majestatis gold, en de praeventie-zelfs daar bij kwam.

De beschuldiger was zekere Tichelaar, een Barbier van Piershil, die reeds 't een en ander tot zijn laste had, en daardoor, zoo wel als door dat men hem onderstellen moest den Ruwaard een vijandig hart toe te dragen, een testis sublestae fidei [min geloofwaardig getuige]; maar als aanbrenger in 't crimen majestatis niet te repelleeren. Men stelde hem ook welhaast, zoo wel als den Ruwaard, bij den Hove gevangen.

De misdaad was; dat Cornelis de Witt op den 7e July, ten zijnen huize te bed liggende aan eenige ongesteldheid, Tichelaar onder vier oogen door belofte en eenig geld op hand, had trachten over te halen om den Prins van kant te helpen. - En natuurlijker wijze, was daar geen middel van overtuiging, dan confrontatie, en erkentenis van het feit aan de eene, of van de calumnie aan de andere zijde.

Dat Tichelaar op den gemelden tijd bij hem alleen in zijn kamer voor zijn bed geweest was, en met hem gesproken had, was hinc inde [van weerzijde] in confesso, en bleek; maar was niets, en de Ruwaard had kunnen volstaan, met te ontkennen dat over die zaak gesproken was, en te meer, daar Tichelaar erkende niet ontboden, maar uit eigen be-

[p. 18]

weging, en over een andere zaak gekomen te zijn, en hem aangesproken te hebben.

Tichelaar was zeker de man niet, wien men onderstellen kon, dat de Ruwaard zou opgezocht hebben; maar schurk genoeg, om tot het schelmstuk bruikbaar te zijn, en zoo hij zich aanbood, niet afgewezen te worden van die het gruwelstuk wenschte. En aan het kwaad hart, dat de Ruwaard den Prins toedroeg, was niet te twijfelen, zoo min als in het belang, dat die familie in 's Prinsen ondergang stellen moest. - Tichelaar-zelf, een karel zonder eenige beginsels, en volstrekt geruineerd, kon zoo licht zich aan de Witt of een ander verkoopen of verhuren, als hij een tijd lang den ijverigen Prinsenvriend uitgehangen had. En zij konden 't wel met elkander eens geworden zijn; zoo als Tichelaar voorgaf, bij den Ruwaard op zijn aanzoek geveinsd te hebben.

Maar de Ruwaard deed het in twijfelhangend vermoeden tegen zich overhellen, door zich-zelven in facto illicito [in een ongeoorloofde daad] te stellen, en een conscientia parricidii animo praesumpti [bewustheid van voorgenomen Vorstenmoord, die met Vadermoord gelijk gesteld wordt] te advoueeren; 't geen zijn ongeluk was. Hij verklaarde naamlijk, dat Tichelaar hem van een aanslag op 's Prinsen leven te ondernemen, gesproken had (het geen ratione personarum habita [de personen in aanmerking genomen], vrij wat schijns had, en te gelooflijker was naar mate men slechter idee van Tichelaars moreel had), en dat hij dit van de hand had gewezen. Hoe zeer hij de zaak bewimpelde als of Tichelaar daar niet dan bedektelijk over gesproken had, het geen hij noodig

[p. 19]

achtte om zich niet bloot te geven, hij kon niet ontkennen dat hij de zaak in de termen gevonden had van verpligt te zijn geweest, om haar te openbaren. En zelfs kwam hij daar toe, dat hij om zich des te ontschuldigen, voorgaf, aan iemand in Piershill geschreven te hebben ten einde de zaak aan 't Gerecht aldaar aan te geven. Doch hier was geen blijk van te verkrijgen; en 't was ook daar niet, maar aan 't Hof van Holland dat zulk een attentât had behooren bericht te worden. - Dit wankelen, 't zij uit gevoel van kwalijk gedaan te hebben, 't zij uit onbedrevenheid in rechte, voerde de probabiliteit van 't vermoeden tegen hem hooger, en de zaak werd van een zeer ernstige gedaante.

Tichelaar ondertusschen schreeuwde van zijne oprechtheid en veraciteit, en tot nader bevestiging van zijne gedane eeden, bood hij aan en verzocht tegen den Ruwaard gepynigd te mogen worden, als wanneer de waarheid ras uit den mond van den schuldigen geperst zou worden.

Deze aanbieding hielp de geheele familie 't hoofd op hol1. Nu diende men van de zijde des Ruwaards van een Memorie van suggestie, dienende om dat aanbod en verzoek van Tichelaar tegen te spreken: op gronde ‘dat hij, een Chirurgijn zijnde, zich zeer

[p. 20]

gemakkelijk door eenig medicaal middel ongevoelig voor de pijn kon maken; en dat het dus geen partij egaal was.’ Dit request en memorie wordt toegeschreven aan Jan de Witt, als opsteller; en ik kan het niet tegenspreken. Echter, hoop ik, dat het van zijn Neef, J. de Witt, autheur van het publiek Gebed, Horace en Curiace, en eenige andere stukjens van verschillenden aart, is.

De zaak stond in deze termen, als de Procureur Generaal, resumeerende alle de probabiliteiten, die zich tegen de Witt vereenigden, met een verzoek concludeerde tot scherper examen. Dit was een hard punt. Of er van 't Corpus delicti consteerde, heeft men kunnen twijfelen, wanneer men de verhooren niet gezien heeft: maar van een voorslag om den Prins om hals te helpen, consteerde zekerlijk uit de confessie hinc inde der twee personen die er elkander van beschuldigden: niet genoeg in der daad om ten bewijs van de zaak te strekken, maar genoeg tegen die ze erkend en tegen Tichelaar geretorqueerd had. Doch zeker was er de volle halve preuve niet, die de ordonnantie tot adjudicatie van de tortuur vereischte: maar usu [door gebruik] was de territio ingevoerd, en deze werd verdeeld in verbalis en realis1. De laatste bestond in het aanzetten van de scheen-schroeven, waar van het aanschroeven den eersten graad van tortuur uitmaakte; de tweede voegde daar de duimschroeven bij; en het uitrekken op de palei was de derde graad2. Voor 't gemeen was het

[p. 21]

geesselen de eerste graad. En de territio realis [de daadwerkelijke bedreiging] werd door het Hof toegestaan.

Den 19 Augustus werden hem dan de scheenschroeven aangezet. Schoon dit geen graad van pijnigen was, was het toch ongemakkelijk genoeg, om hem tegen den beul te doen uitroepen: schelm gij doet mij zeer; want zij moesten toch klemmen, en zelden is een beul zoo zachthandig en oplettend, dat hij niet wat ruwer te werk gaat dan noodig is, en de schroeven niet ¼ of ½ kring meer omdraait dan behoefd had. Dit geschiedde een poos eer de Raadsheeren binnen kwamen, waardoor dan een beschuldigde ¼ of half quartier uurs bedenken kreeg of bij met wegneming der scheenschroeven bekennen wilde, of, bij weigering, afwachten, dat zij hem misschien stevig aangeschroefd wierden, het geen echter nooit plaats kon hebben dan wanneer de beschuldigde zich nu door zijn wijze van antwoorden en 't geen daar in opgesloten lag, meer bezwaarde. Zich dit herinnerende greep hij moed, verzette zich tegen 't pijnelijke dat deze nietpijniging toch in had, en riep: hic murus aheneus esto enz.1. Men doet er bij, dat men hem met 50 ℔ gewichts aan ieder teen over een katrol optrok, en dergelijke fraaiigheden meer, uit de historie der Spaansche Inquisitie of de

[p. 22]

tyranny van Sonoy in Noord-Holland ontleend, en die wel eens hier of daar in een onzer stedelijke rechtbanken gepleegd zijn, maar waar aan het Hof nooit deel gehad heeft: en hetgeen een zeer wezendlijke pijniging, en zelfs een geweldig en ongedoogbaar exces in de tortuur is, die bovendien niet dan ten overstaan van Raadsheeren Kommissarissen ter Enqueste en in 't bijzijn van den Fiscaal als Requirant geschieden kan; daar dit werk tusschen den beul en den Ruwaard alleen onder 4 oogen gedaan zou zijn.aant.

't Sprak van zelfs, dat na het vruchteloos afloopen der geadjudiceerde territie, de Fiscaal tegen hem geen Eisch kon doen: hij lei eenvoudig de Stukken die hij tegen den beschuldigde had, over, en verklaarde, zich ter discretie van den Hove te refereeren. Daar was dus geen questie van Eisch te adjudiceeren of te ontzeggen; maar het geheele proces verviel ten aanzien van 't punt der betichting. - Maar in dit proces had zich een ander delict opgedaan, zonder beschuldiging, en waarover hij niet in verhoor getogen was; te weten kennisdraging van een voorstel tot Princen moord, zonder het te openbaren, het geen niet alleen een misdaad was, maar te zwaarder in den persoon van een Magistraats-persoon en Hoofd van Justitie als de Ruwaard, die vooral verbonden was daarvan aan het Hof van Justitie kennis te geven, en met dit niet te doen, zijn plicht op een verregaande wijs jegens 's Lands hoogbeid en 't Hof overtreden had. En dit delict niet voor het Hof gebracht door den Fiscaal, maar in en door 't gehouden proces een notorium bij den Hove geworden, begreep men als zoodanig ex potestate et offi-

[p. 23]

cio Curiae1 te moeten straffen poenâ extraordinaria2; gelijk zulke sententien meer plaats gehad hebben. En dus, verklaarde hem 't Hof op den 20 Augustus vervallen van zijn ampten en waardigheden met bannissement uit Holland en Westvriesland: gelijk het ook op de Voorpoort, en niet op de Rolle van den Hove werd uitgesproken. [Z. de Bijvoegs .]

Jan de Wit had na de herstelling van 't Stadhouderschap zijn huis en kamer bewaard, en op den 1e Augustus Z.H. opgewacht, geluk gewenscht, en verklaard, dat hij zijn post (na een 19 jarige bediening) wenschte neder te leggen en zitting in den Hoogen Rade te nemen, gelijk hem in 1653 en 1658 bij 't afgaan uit zijn ampt toegezegd, of liever door hem bedongen was, en 't geen hij dus als een recht vorderen kon3. En zeker was dit een welberaden stap, had slechts het ongeluk van zijn broeder hem niet meêgesleept4.

De sententie van den Ruwaard was hem nu (20 Augustus) des morgens na achten op de voorpoort voorgelezen, en tevens werd Tichelaar uit zijn gevangenhouding ontslagen. - Reeds op den 17 ontstond een gerucht in de Haag, dat de Ruwaard wilde uitbreken, en dat daartoe een complot gemaakt was, en dit gaf aanleiding dat de Burgers nu de

[p. 24]

Gevangen-poort bewaakten. - Jan de Witt werd nu geboodschapt dat zijn broeder vrij was, en daar behoefde in der daad geen uitnoodiging bij om hem te gaan zien; 't geen hij trots op dit vonnis, met een gevolg van 2 zijner klerken en een knecht deed, terwijl zijn koets volgen moest om hem met zijn broeder in statie af te halen. Dit was een zeer geoorloofde daad (wie twijfelt er aan), maar zeer onvoorzichtig voor iemand die wist hoe zeer hij in den algemeenen haat was, en daarom zijn ampt neêrlei: - maar kan men in een oogenblik van blijdschap als dit voor hem zijn moest, aan iets anders denken?

Hij was naar binnen gegaan, wanneer kort daarop Tichelaar, die nu ook losgelaten was, wegging, en buiten komende, daar met ieder die hem zag en kende, op buiten- en binnenhof aan de praat raakte. Hij, wien men bij het gemeen, dat aan geen onschuld van de Witt geloofde, als den behouder van 's Prinsen leven aanzag, mat daar zijn verdienste in dat opzicht wijd en breed uit, en liet niet na, te verzekeren dat zijn beschuldiging waarachtig was, maar de schurk te veel vrienden had. En hij dreef daar vrij sterk door: ‘dat men dien booswicht 't hoofd voor de voeten had behooren te leggen, maar dat hij er wel af kwam, en dat men wel begrijpen kon, waarom?’ - Intusschen liep het gerucht van het vonnis en dat Jan de Witt zijn broeder in staatsie was komen afhalen, en trok veel volks voor de gevangenis; met dat gevolg dat er al meer beweging en opschudding kwam, en gemeen en gewapende burgers nu van landverraad en prinsenmoord schreeuw-

[p. 25]

den, die niet ongestraft blijven mocht, maar gewroken moest worden. - Een gerucht dat de Boeren uit het Westland en van elders in beweging waren (die vooral niet minder hevig tegen de de Witten gestemd waren), om de Haag over 't ontslag van den Ruwaard in rep en roer te zetten, kwam hierbij.

De Staten juist vergaderd zijnde tot het kiezen van een Raadpensionaris, vernamen dit, en stelden orde, door Gecommitteerde Raden, dat de 3 Compagnien Ruiters, die in de Haag in guarnisoen waren, tot verhoeding van oploop, in de wapenen kwamen, met oogmerk om de menigte uit malkaâr te drijven, en de Haagsche schutterij ook, ter verdediging van de Haag tegen de Boeren optrekken zou: terwijl men voorts naar Z.H. zond om zelf in de Hofplaats te komen, en eenige vaandels voet- en paarden volk meê te brengen. Men kan hieruit oordeelen van den schrik en verbaasdheid. Twee der Compagnien Ruiters werden op de plaats geschaard, nabij de Gevangen-poort, waar voor zich de Burgers, als wacht houdende, maar met het graauw meê razende, bevonden.

Jan de Witt had een klerk van de poort gezonden om een afschrift van 't vonnis te gaan vragen; maar deze kwam niet weêrom. Hij wilde, na een uur wachtens, zelf heen gaan: maar de burgers wilden 't hem niet toelaten. Een groot geschreeuw ging daar bij op uit de menigte, en ook het geroep van schiet, schiet! Hij trad te rug en zei eenige reizen; ik wenschte dat ik hier van daan was, en hoe kom ik nog van daar. Twee der Burgers volgden hem weldra naar boven; en namen aan, met den

[p. 26]

wacht hebbenden Kapitein te overleggen, hoe hem best weg te helpen: maar zij konden ook de deur niet uit; en achteruit was er niet.

De Burger-Compagnien kwamen volgens de gegeven last op de been, en een van die plaatste zich voor de gevangenis; doch dit verbeterde de zaak niet. En de andere Compagnien stelden zich op de plaats, Vijverberg, Hof-Cingel, en Buitenhof, allen dicht bij een. De Ruiters die zij ontmoeteden riepen met hun meê: Oranje boven, de Witten onder! die 't anders meent, dien sla de donder! En zoo riep ieder meê, zonder juist een bepaald denkbeeld aan dat onder, of aan dat donderslaan te verbinden.

Zeker is het, dat de de Witten geen vinniger vijanden hadden dan onder de Haagsche schutterij, en misschien mag men 't woord onder hier wel geheel weglaten. Dezen tot beschutting van hun in 't geweer te brengen, was de wolven tot behoud van een schaapskooi te roepen: doch men had dit niet ingezien; zoo lang de Ruiterij echter daar nevens hen en ook ten deele op het Buitenhof stond, werden zij in een zeker ontzag gehouden.

Niet vertrekken kunnende, schoon de Fiscaal met eenige Burger-officieren daar gekomen was, die ook den klerk en knecht deden vertrekken, maar Jan de Witt niet wisten door te helpen, en hem daarom verzochten om 's volks wil nog wat te toeven; moest men de beter gelegenheid afwachten, en men at daar, na 't welk de Ruwaard zich wat te bed leï en zijn broeder wat in den bijbel ging lezen. Het verveelde den burgeren hooglijk, daar zoo lang en tegen de Ruiterij aangeprangd te staan, die zij gaarne kwijt

[p. 27]

wilden zijn: deze had last te blijven. Nu riep men, dat de boeren daar aankwamen, en wilde de Ruiters daar op af hebben; maar zij hadden geen last hier toe. Het allarm van de nadering der boeren werd grooter, en nu werd die last gegeven, die de Kommandant schriftelijk vorderde eer hij gehoorzaamde; en nu (zei hij) zijn de Witten om hals.

Nu mengden zich twee vaandels onder een en riepen ‘de Heeren moeten van de poort gehaald en naar het Stadhuis gebracht, daar wij ze beter bewaren kunnen, tot Z.H. koomt, en orde stelt.’ Of dit meening was, ontsproten om dat men ze niet los wilde laten, en dit pronken voor de poort op den duur te lastig viel; dan wel een bloot voorwendsel ten einde hen dood te slaan, is onzeker. Hoe 't zij, men doornagelde nu de deur der Gevangenpoort met kogels, en bonsde er vervolgens met mokers en wat men vinden kon op, maar zij hield stand. Doeh op het geschreeuw dat men al wat er binnen was vermoorden zou, zoo er niet geopend wierd, ontsloot ze de Cipier. Toen stoof men in grooten getale de trap op, en haalde onder schelden en bedreigen zelfs met dadelijkheden gepaard, den Ruwaard uit het bed, en voorts met zijn broeder naar beneden. Sommigen spraken daar tusschen: maar 't baatte niets; en deze werden ook voor schelmen en omgekochte verraders uitgemaakt. De Ruwaard werd bij de keel vooruit gesleept; de Raadpensionaris achter hem bij de hand geleid. Het oogmerk scheen, hen op 't groene zoodtjen (toen 't schavot) te sleepen, en daar te doorschieten. De Ruwaard, onder den voet geraakt, werd met kolven van snaphanen, houwers en

[p. 28]

degens afgemaakt, eer men zoo verr' kwam. Zijn broeder was eenige stappen verr' buiten de poort voortgestoten, als hij, na reeds met een piek in 't aangezicht gekwest te zijn, met een pistool in den nek werd geschoten, zoo dat hij op de knien neêrzeeg en de handen en oogen ten hemel sloeg. Als verwoed, dat hij zich tot God dorst keeren (zoo afgrijslijk beschouwde men hem) sloeg men hem met de kolf van een snaphaan tegen den grond, en zoo, dood.

Nu loste men in 't rond alle de geladen schietgeweeren op de twee lijken; sleepte ze naar de strafplaats, hing ze bij de beenen aan de wipgalg met lonten van de burgers, op, scheurde de kleederen los en in flarden, sneed Jan de Witt de vingers van de rechterhand af, waar hij (riep men) 't Eeuwig Edict meê geteekend had; en verminkte beide lichamen schandelijk en afgrijslijk; alles onder 't opnoemen van alle daden, die men hun als Landverraad en gruwel ten last kon leggen. Tromp, daar voor bij komende, werd staande gehouden, en bleef een poos, maar trok den hoed over de oogen. Dit duurde van vijf uren na den middag tot de avondstond, onder toevloed van een ongelooflijke meenigte van allerlei rang en staat, waar van sommigen zich met hun koetsen derwaarts lieten voeren, anderen in den naast de poort staanden herberg dat schouwspel met zichtbaar genoegen aanstaarden: zoo algemeen en in zulk een maat was de haat tegen de erbarmlijke slachtoffers geworteld; en zelfs de Regeering van de Haag wettigde 't gruwelstuk door haar tegenwoordigheid aan de vensters. De vrouw en kinderen

[p. 29]

aant.des Raadpensionaris werden onder dit woeden heimelijk geborgen en 's anderen daags naar Amsterdam gebracht.

Tegen den avond trokken de Compagnien die dit werk gepleegd hadden, in orde af, schreeuwende vivat de Prins, vivat Tromp; en in 't voorbijgaan van 't huis van Mevr: de Graaf, riepen zij: Mevrouw, wij hebben de dood van uw Zoon gewroken. - Plondering geschiedde er niet: maar 's avonds keerden eenigen te rug naar de lijken, en sneden er de herten uit, die men in terebinthijnolie naderhand vertoonde, met aanmerking, dat, dat van den Raadpensionaris 't grootste was: de opgekloofde boezems werden wat later met een dwershout opengespalkt gevonden. Met middernacht werden zij weggenomen, en verder in stilte begraven: doch als men naderhand de wapenborden in de Kerk wilde ophangen, voorkwam het gemeen dit, door ze te vernielen.

Dus kwamen die beide broeders dan jammerlijk om; de twee Witten eensgezind, gelijk antonides ze noemt, gevloekt, gehaat, bemind. Ten spiegel van de Grooten, verheven en verstoten, In alles lotgemeen; maar zeer zeker niet bij elkander te vergelijken, dan in het getrouw betrachten van huns Vaders les, die ze ten verderve voerde. - Men moet Jan de Witt wel onderscheiden van de bekrompenheid van verstand des Ruwaards. - Hij bezat schranderheid, maar het ontbrak hem aan oordeel, en, voor alles, aan menschenkennis, zoo noodig aan een staatsman; en tevens aan een opvoeding, die hem verheffen kon boven het gevaar van de spot der vreemde

[p. 30]

aant.Ministers te worden, gelijk hij was. Zijne werkzaamheid was onbegrijpelijk. Bij zijn Raadpensionariaat nam hij de geheele buitenlandsche Correspondentie op zich, 't geen hem ook in staat stelde om de geheele Republiek naar zijn hoofd te beheerschen en in zulke gelegenheden en ongelegenheden te verwikkelen, als zijn' oogmerken dienden1.

Zijn registers van staat besloegen in 14 jaar van zijn regeering even zoo veel bladen papiers, merkt kluit aan (III D. bl. 338), als 67 jaren van zijn voorzaten. Hij was van een kleingeestigen aart, met geen ware staatkunde bestaanbaar, en te verderflijker bij ons om den algemeenen Nationaal geworden aart, waar dit doorgaande in heerscht. Echter was het die minutieuse geest, die hem een reputatie en vertrouwen gaf, dat zich zelfs buiten zijn aanhang uitstrekte. Zijn aanhang hechtte sterk aan hem, maar uit belang, uit een soort van verwondering over zijn stijfzinnigheid, die voor moed en ressource van geest doorging, en niet uit persoonlijke hartelijkheid. In Amsterdam leerde men hem niet kennen, of hij verloor er den invloed dien hij er had. Bemind is hij nooit geweest. Ook was zijn grootste en meest uitstekende talent zich te doen haten, en hij geloofde dit te kunnen trotseeren. Hij kon dit, zoo lang hij met de achtbaarheid van zijn

[p. 31]

hooge post omgeven was; om dat onze Natie zulk een diepe eerbied voor Régeeringsampten eigen is, als nergens ter wareld; maar het was de wanhopigste onvoorzigtigheid, zich van die sauvegarde te ontdoen. - Hoe verr' die haat ging, heeft de omstandigheid van zijn dood getoond, die niet aan een woest opgeruid gemeen te wijten is, maar waar aan alle de Burgerklassen die de stedelijke schutterijen uitmaken, en Officieren, zoo zeer als, ja meer dan rotsgezellen, handdadig zijn; en die lieden van alle standen, door den toevloed tot dit deerlijk schouwspel, hun houding daarbij, hun gejuich en hun openlijke redenen voor af, en daar na, zoo veel in hun was, rechtvaardigden; Predikanten zelfs niet uitgezonderd: en het was niet dan allengs en ongevoelig, dat men van deze gruwlijke vooringenomenheid te rug kwam. Deze dood ook en het uitwijken van Pr. de Groot hief bij geheel de Natie, alle bezorgdheid voor Frankrijk op, en nu meende men geen nood te hebben, nu de Landverraders aan kant waren. - Met het verflaauwen en eindelijk verdwijnen van die drift of hartstochtelijken haat en vooringenomenheid moest men noodwendig anders beginnen te denken, en het afgrijzen van dien moord heeft de gedachtenis van beide bevoordeeld bij 't later geslacht; waarbij de geschriften der naderhand weêr bovengedreven partij een des te grooter invloed hadden. - Voor ongelukkigen is elk menschelijk hart geneigd zich te laten innemen. Maar de geschiedenis moet boven hartstochtelijkheid zijn en alleen waarheid in 't oog houden. Iets anders is de zedelijkheid in der menschen hart te

[p. 32]

beoordeelen, iets anders, de daden. Dat de Witt ter goeder trouw handelde, laat zijn familie-betrekking, zijne opvoeding, zijne ingezogen vooroordeelen, en 't geheele systema zijner denkbeelden, ons toe, te gelooven, en zekerlijk was hij in alles meer werktuig dan hij wist; zoo als dit ook veelal het geval met elk Hoofd van een factie is.

Na de Witt werd de Griffr. Gaspar Fagel Raadpensionaris, wiens Instructie echter hem nader aan den Stadhouder verbond. - Doch de dood der de Witten had zoo overtuigend een voorbeeld gegeven, hoe men die der Regenten welke in hun aanhang waren en bleven, bij het volk beschouwde, dat het voor de zulken gevaarlijk en voor de Gemeente en Burgerijen tergend geacht kon worden, dat zij in hun posten langer volhardden. De Heer van Maasdam had dit ter vergadering reeds ingebracht, maar het was niet te verwachten, dat in een tijdstip als dit, waar nog alle uitzicht tot het realiseeren van het oude plan niet gesloten was, maar dit van de wending afhing die men aan de besluiten van Staat ten aanzien der handeling met Frankrijk mocht kunnen geven, zij nog brandden om 't hunne daartoe te doen, en niet voor Stadhouders- en Unie-gezinden plaats te maken. Het had dus geenerlei uitwerking; maar de nieuwe Raadpensionaris, die tevens wel het onmogelijke begreep, dat de Gemeenten jegens zulke lieden vertrouwen vatten, en niet bij elke nieuwigheid die nadeelig scheen, op nieuw in beweging raakten, zoo wel, als dat de oude geest niet nalaten kon voorttegaan met kwaad te doen, begreep, en de Gecommitteerde Raden met hem, dat er in de personen

[p. 33]

der Regenten verandering moest gemaakt worden. Na vrij wat tegenspraak van de genen, die 't gelden zou, machtigden en verzochten de Staten van Holland derhalve Z.H. (d. 27 August. 1672) om onderzoek te doen op de oorzaak van de achterdocht, die bij de Gemeenten tegen de Regenten plaats had, en, die langs de beste wegen en middelen weg te nemen; zoo 't niet anders kon, dan de meest verdachte personen te verplichten om zich van hun Regentsposten te ontslaan, salvo honore, en onverminderd der steden privilegien; voor zoo verre elke stad het goedvinden zou. - Doch geen der steden verklaarde zich.

Maar op den 21 Augustus was reeds, op de tijding van 't geen 's daags te voren in de Haag gebeurd was, een beweging te Rotterdam ontstaan, ten gevolge waarvan de Burgerij het beleggen der Vroedschap verzocht, en daar, het ontslag van 12 der Regenten. 't Geschiedde, en den 25 verkoor de Prins andere uit een driedubbel getal. - Op den 19 (en dus voor het geval der de Witten); was te Delft (waar het schijnt dat vrij wat Arminianen op het kussen zaten) reeds een verzoek geteekend door de Burgers, en door eenige uit hun, nevens twee leden der Vroedschap aan Z.H. gepraesenteerd, die het (als behoorde) de Regeering toezond om op te berichten. Deze sprak dit stuk tegen, maar zij begrepen echter, hun posten te moeten afstaan; en dus stelde de Prins ook daar nieuwe Regenten aan. - Te Leyden ging het even zoo; met dat onderscheid, dat de geheele Vroedschap, de verzoekers meende te ontzetten, bij een schriftelijk besluit, de verdachte personen, die 18 in getal waren, wilde handhaven;

[p. 34]

waarop de Burgers ontslag van de geheele Regeering verzochten, en verkregen.

Te Gouda besloot de geheele Regeering hare ampten ter beschikking van Z.H. te stellen, en deze ontsloeg zes Leden van die, en vervulde hun plaatsen met andere.

In Dordrecht was het Landvolk al reeds aan het plonderen van den Burgemeester Hallink geweest, die op den 28 en 29 Juny de Burgerij tot tweemaal toe had getracht te bedriegen, en zeker geen recht had om te klagen, dat men hem als een ........... ...... allen afkeer bewees. En daar echter deze knaap zeer gezien was en veel vermocht onder zijne mederegenten, zoo kon de haat dan ook tegen deze niet gesmoord worden. ‘De Prins Stadhouder,’ riep het gemeen, ‘en zulke Regenten! dat kan niet.’ Flux snijden ze op 't Stadhuis de kussens op, en nemen de wapens der Burgemeesters van uit de Kerk. De Schutterij kwam bij een, en verklaarde alle de Heeren vervallen van hunne ampten, en bracht een bezending aan Z.H. te weeg. De Prins bedankte echter slechts 17 leden.

In Haarlem was de grootste opschudding, en van dien aart, dat Z.H. het daar gehouden gedrag zeer misprees, en de aldaar feitelijk afgezette Regenten herstelde op één na; waar na er eene algemeene amnestie over het aldaar voorgevallene werd afgekondigd.

Te Enkhuizen en Purmerend geschiedde ook geene verandering. Elders ging het zonder eenige noembare opschudding.

In Amsterdam, 't welk zich sedert de verheffing van Z.H. in der daad voorbeeldig gedragen had, en getoond had, zoo 's Lands behoud gerekend

[p. 35]

werd dit te vorderen, gereed te zijn om den Prins zelfs de Souverainiteit aan te bieden, scheen het of men dit laatste werkelijk bij een deel van de Gemeente ook zocht, en de onrust die er ontstond, alhoewel nog tot geen dadelijkheid gestegen, bewoog in 't begin van September de regeering, hare ampten in 's Prinsen handen te stellen, en de akte daarvan werd door den Secretaris aan Z.H. gebracht. De Ruyter, was als groote gunsteling der de Witten in Amsterdam bij het gemeen niet zeer gezien, dat hem als hun werktuig en den onderkruiper en vijand van Tromp beschouwde; en dit verwekte aan zijn huis en tegen zijn persoon eenige beleedigingen. En dat er onder de regeering toch nog zulke gevonden werden, die te voren volstrekt eene lijn met Jan de Witt trokken, stak een groot aantal dagelijks in den krop. De Burgers, in de Kolveniers Doelen (een oud gebouw van de Burgerij, jaren lang verlaten en door de stad aan zich getrokken, maar dat zij nu gereclameerd hadden) bijeengekomen, besloten daar tot een verzoekschrift betreffende de drie punten: 1o. ontslag der verdachte Regenten; 2o. herstel der Burgerij in haar voorrechten, en 3o. 't geen men sedert noemde een vrijen Krijgsraad. De verdachte Regenten bestonden in 16. Hier uit onstond een Pasquil-oorlog, die allervuilaardigst was, en den verbitterden en spoorloozen haat van de Arminiaansche partij op het schandelijkst blijken deed. De zaak bleef steken, door dat de Prins reeds 20, zoo Burgemeesters, Schepens, Vroedschappen, als Oud-Schepens ontslagen had, en eenige dagen daar na andere in de plaats stelde.

[p. 36]

Men had al deze onlusten voorgekomen, indien de resolutie van 27 Augustus wat vroeger genomen, en niet afhanklijk van den wil der Regenten-zelven gemaakt was geweest. - Ware de zaak algemeen en dadelijk aan den Prins gesteld geworden, men had zich niet verplicht gezien, om tot herstel van de rust lieden te ontslaan, die Z.H. zelf om hun bekwaamheden liever behouden had1.

In Zeeland vorderde men ook afzetting van eenige der stedelijke Regenten. Inzonderheid speelden de boeren van 't platte land daar den baas, die te Middelburg, ter gelegenheid van het gerucht van een inval of landing der Franschen, gewapend instortten, de Burgemeesters, Pensionaris, en Secretaris van 't Stadhuis haalden en wegvoerden2; waarna zij om Gemachtigden uit de Burgerij zonden, die hen onderzoeken moesten, en hen toen ook wêer te rug brachten: maar de Boeren hielden geen rust tot de Prins in de stad kwam en eenige regeerings-leden veranderde. - Met dat al, was er tijd noodig eer alles in Zee-en Holland tot stilte en goede orde kwam, en de telkens vermeerderde redenen van verbittering uitsleten.

Ter Zee viel dit jaar niets voor, schoon de Ruyter, na in het begin van Augustus t' huis gekomen te zijn, weer in zee gezonden was. De Staten van Holland (als altijd) wilden dat hij den Engelschen slag leveren en opzoeken moest; maar de Prins, dat hij hen liever ontwijken moest. Doch de Hollandsche en

[p. 37]

Zeeuwsche Kapers hadden met de Fransche en Engelsche Koopvaarders goed fortuin gehad.

Te Land vorderden de Franschen meer in plonderen en verbranden, ook van de plaatsen, wien zij sauvegarde verleend of verkocht hadden, dan in wezendlijke voortzetting der verovering. Deze trouwloosheid maakte dat in sommige dorpen de boeren de Fransche soldaten, die er uit hoofde der Sauvegarde lagen, als vijand doodsloegen of gevangen naar den Prins brachten; 't geen anderen weêr duur moest opbreken, als tegen 't Jus Gentium. Zij werden ook, waar zij een aanval deden, al vrij dikwijls afgeslagen, gelijk bij particele partijen het geval meêbrengt, en dan altijd aan den verdedigenden Kommandant geweten wordt, wanneer hij 't minst schuld heeft. - De Prins wilde in 't laatst van September Naarden verrassen, maar het volk, ten dien einde te water uit Amsterdam verwacht, kwam niet. En even zoo ging het met zijn plan op Woerden; dat verraden werd, en eenige manschap kostte; waarvan men 't getal niet bekend maakte. Ook een aanslag op Zwartsluis mislukte een- en andermaal. - Het gebrek aan volk niet alleen, maar ook gebrek aan terrain door de overstroomingen, veroorloofde geen andere maatregelen, en met kleine kolommetjens kon niets wezendlijks geschieden tegen een vijand, die, in geweldige overmacht, meester van 't Land, en op zijn hoede was. Het was in Brabant, dat hij met meer vrucht bestreden kon worden; doch daar men geen Leger had om het zijne tegen te stellen, was er niets anders te doen dan hem af te trekken. En dit onder-

[p. 38]

aant.nam de Prins, met alle geheim. Men verstaat van zelf, dat er derhalve de Staten geen voorkennis van droegen1.

Dat de Koning thands zijne overwinningen niet zonder weêrhouding doorzettede, mag ten deele aan de beweging van 't Duitsche leger toegeschreven worden, als 't geen hij genoodzaakt was met een groote macht te keer te gaan, om zijne victorien en 't reeds verkregene te handhaven. - Maar reeds vroeger weêrhield dit hem niet, en had het aan hem gestaan, twee of drie voorposten der onzen onder den voet te werpen, en alles in eens meester te zijn. En wat was hier de oorzaak van? - Zijn voortgang hield eensklaps op, toen de Groot onderhandelde. Was dit edelmoedigheid? Neen, want de Groot bracht de bedreiging meê dat men schielijk besluiten moest; en dat gaf ook een sterken drang. - Maar hij was 't daadlijk met dezen grooten vertrouweling van de Witt, wien de Witt, toen hij de verkoeling zijner medestanders zag, en velen van hun geen volkomen vertrouwen meer geven dorst, expres uit Zweden had laten komen, Pensionaris gemaakt, geheimen achterraad [met hem] hield, en [hem] in alles (waar hij zijn zin wilde hebben) gebruikte: hij was 't (zeg ik) eens met de Groot, die weder Burgersdijk van Leyden regeerde; en de vrede was tusschen de Groot en de Franschen beraamd en vastgesteld, en alleen moesten er de overige Staatsleden toe gebracht wor-

[p. 39]

den: het geen geenerlei zwarigheid in had kunnen hebben, zoo de gebeurtenis van 's Prinsen verheffing (die men niet wachtte) het werk niet den bodem had ingeslagen, dat men toen echter nog met hand en tand vasthield. Hier op zat hij stil; en dit, tot zoo lang hij zag bedrogen te zijn met de Groots verzekering waar hij staat op gemaakt had; en toen ook weêr de vijandelijkheden met zoo veel kracht als hij nog kon, hervatte. En het was dit geheim, dat door de onderhandelingen met de Engelschen uitlekte en tot den Prins kwam, en waarom de Groot naar Andwerpen week. - 't Was dit ook, dat verwardelijk in de Steden kwam, en de nieuwe opschuddingen verwekte (die wij gezien hebben) tegen de Regenten. - En 't was ook dit, het geen de Engelschen verplichtte om den Koning van Frankrijk niet te betwisten, 't geen hem toegestaan was, maar in plaats van dat af te wijzen, deel in de buit te bedingen. Het geen toen den Prins zoo verwonderde.

Met zoo veel spoed als geheimhouding verzamelde hij in zijn Baronnie van Breda een kleine Legermacht, liet de posten in Holland, zoo veel doenlijk, wel bezet, stelde zich aan 't hoofd van die macht, en trok naar Maastricht, toen over de Maas en van daar naar de Roer, waar hij den Franschen Generaal van daan dreef, veroverde Valkenburg, deed een onverwachte wending, en sloeg zich onverwacht voor Charleroi (16 Dec. 1672). De Stad zou spoedig in zijn handen gevallen zijn, maar de vorst kwam onverwacht en zeer streng invallen, en verijdelde dit. Hij trok af, nam en plonderde Binch en deed het leger de winterkwartieren betrekken, waar het aan-

[p. 40]

kwam, niet zonder zeer veel van de vorst geleden te hebben, voornamelijk de Ruiterij.

De Hertog van Luxemburg, die het Fransche leger in Utrecht gebood, nam deze zelfde vorst waar, om zich een weg over het overstroomde land te maken in Holland, tusschen welke overstroomingen niet meer dan 5 toegangen waren, die men bezet en zoo veel het terrain toeliet versterkt had. Op het bijten was bij de vorst zoo veel mogelijk orde gesteld, doch al ware het landvolk hier toe en de werktuigen ten dien einde gereeder geweest, dan 't geval was, dit baat zeer weinig bij een vinnig vriezen, onder 't welk het gebroken ijs dubbele sterkte krijgt. De post te Bodegrave was dus van ter zijde om te trekben; en het krijgsvolk vernomen hebbende, dat men in geval van nood naar Leyden zou mogen wijken, werd daardoor (als 't gaat) tevens over zijne werkelijke positie, en voor het afsnijden van den weg derwaart, ongerust: zoo dat zelfs de schans aan het Woerdensche verlaat, verlaten was, zonder dat zich een vijand vertoond had, en niet dan met moeite weder bezet wierd.

Na den 17 inzonderheid werd de winter zoo streng, dat men met paarden en wagens alom over het ijs trok: en nu werd de Ruiterij, die te voren in de gesteltenis der zaken geheel onnut, en door den Prins meê genomen was, waar zij beter dienst kon doen, hier van eene onmisbare behoefte. De Fransche trokken al hun macht samen, en het ontbrak hun niet aan wegwijzers (die juist geen Roomschgezinden behoefden te zijn, als men dezen nagaf) om hun naar de Haag en Leyden tot gids te dienen. De verstand-

[p. 41]

houding was zeer levendig tusschen het (om het dus te noemen) belegerd Holland, en Utrecht, waarvan men te Bodegrave welhaast berichten kreeg; en deze korrespondentie werd voornamelijk gehouden door middel van een Utrechtsman, Jan Kees genoemd, die de brieven onder veelkleurige lappen op zijn kleederen genaaid droeg, 't geen hem het voorkomen van een bedelaar gaf1. - Gelukkig had Luxemburg geen geschut: maar manschap in overvloed, om een post te forceeren, die nu geen steunsel had; en waar het een daad van wanhoop geweest zou zijn, 3000 man en 50 Ruiters tegen zijn 9000 man en 2000 Ruiters, die in staat waren hen te omringen, over te stellen en vechtende te laten doodslaan. De Graaf van Koningsmark, die deze post gebood, week den 27 December naar de Goudsche sluis, en als de Franschen aan Zwammerdam kwamen, verliep daar het krijgsvolk, van al de opgezetenen gevolgd, wier huizen door den vijand in kolen gelegd werden, zoo als de schepen met levensmiddelen voor de Hollandsche armee. - De Hollandsche Ruiters, die ten getale van 150 naar Leyden getrokken waren, werden daar niet in genomen, schoon de Graaf van Koningsmark die stad bericht had gezonden, dat hij, in zeker geval, orde had naar derwaart te wijken, en derhalven verzocht, dat er de noodige orders gesteld wierden, hem te ontfangen tot 3000 man en eenig Paardenvolk toe. - Doch nu schafte de Voorzienig-

[p. 42]

aant.heid raad, en de dooi, die zich eensklaps in plasschende regen kenbaar maakte, veranderde alles. Luxemburg verloor hier door het gebruik zijner Ruiterij, en zonder geschut kon hij zich niet wagen aan een talrijke artillerie die hij zich voorstelde dat hem op een welgelegen passage opwachtte. Hij trok dus te rug op 't verlaten Bodegrave, dat ook geheel in de asch werd gelegd. Afgrijsselijk zijn de berichten, ons nagelaten, van de gruwelijke wreedheden door het Fransche leger gepleegd in die twee ongelukkige dorpen. - Wagenaar heeft op het voorbeeld van anderen, die zelf (meester geworden zijnde) zekerlijk niet beter huis gehouden zouden hebben dan de Franschen, of gaarne met hun meê gedaan hadden, deze berichten in twijfel believen te trekken. En geen wonder. Pieter de Groot noemde dit slechts een kleine stroop, en getuigde, dat er in Duitschland, toen de Franschen daar oorloogden, dagelijks zulke dingen gebeurden. Wij gelooven 't; die weten dat de Franschen altijd wreedheden begaan in den oorlog, en inzonderheid bij het te rug trekken, waarbij altijd de hoofden vooruit zijn, en de discipline met hun. En dit moet men aan den Hertog van Luxemburg niet wijten, noch hem daarom den bloedhond Luxemburg noemen; die zeker geen vermaak schepte in zulke mishandelingen van weerlooze mannen, vrouwen; en kinderen; maar aan den aart der Fransche natie, van welke voltaire voor jaren zei, dat men niet gelooven kan, combien et à quel point les François sont cruels et barbares; en het geen nog, na alle proeven daarvan gegeven, niet geloofd wordt. - Bij andere Natien is baldadigheid in den

[p. 43]

aart, en verzelt er de vrolijkheid veelal. Bij de Franschen is geen baldadigheid uit dartelheid; maar de dartele vrolijkheid is hun een behoefte: en waar zij ernstig worden is het een afschuwelijk duivelenkarakter dat dan voor den dag koomt; en geen maat in onmenschelijkheid kent1.

Echter mag men hier niet ontveinzen dat de Bailluw van Nieuwkoop eenige vaandelen Boeren bij een gebracht had, die zich vrij wel tegen de Franschen weerden. Dit gaf een grond van woeden tegen alle andere dorpelingen, en kan misschien ook Luxemburg wel vervoerd hebben tot bevel om niets te sparen2.

Door den dooi zag een goede partij van Luxemburgs troepen, omtrent 5000 man, zich in den val gebracht, want zij kon niet te rug naar Woerden, zonder den weg te houden over Nieuwerbrugge, waar een sterke post was, van wederszijde geretrancheerd, het geen die van. Bodegraven niet was: maar deze post was verlaten en 't volk onder Pain et Vin naar Gouda geweken; zo dat men sain et sauf weêr te Woerden kwam, en zich verder in de vorige steden weêr legerde of kwartierde. - De Prins, die den 30e, en dus onmiddelijk, weêr in 't leger te Alfen kwam, deed dezen Overste met de dood straffen. - Hij had het voorbeeld, maar niet het bevel van den

[p. 44]

Graaf van Koningsmark gevolgd, met den wijk te nemen; uit die soort van voorzichtigheid, die geen Kolonel gebruiken mag, als hij onder een Generaal staat, en met den krijgsmans-plicht strijdig is: ook had hij daar door den Gr. van Koningsmark blootgesteld. Zijne defensie was zeer aannemelijk voor de toenmalige mede-officieren die begrepen dat ze ook zoo gedaan zouden hebben; maar de Prins evoceerde de zaak aan zich-zelven, en assumeerde daarbij eenige Raadsheeren uit het Hof van Holland, den Raad van Brabant, en den Hoogen Raad, en Pain et Vin werd daarbij ter dood veroordeeld en onthalst. - Zijn geval was echter hard, en deze evocatie na gegeven vonnis des Krijgsraads, en na de revisie daarvan, waarbij 't eerste vonnis verzwaard was geworden, iets zeer ongewoons, en van eene buitengemeene gestrengheid; doch die nut deed. [Z. de Byvoegs.]

Deze vorst had echter ook de onzen gediend, om onder Rabenhaupt, over de moerassen heen, Koeverden te verrassen en weêr uit de handen des vijands te wringen, waar door de Munsterschen ook verplicht werden, meer posten te verlaten, dan er bij ons volk was om ze te bezetten. - Ook deed ze dit goed in Holland, dat er wakkerer gewerkt werd, en nog tusschen de 6000 en 7000 man voetvolk, en 2000 paardenvolk geworven; ook 16,000 boeren en burgers, uit wel 30,000 die zich aanboden, aangenomen en tot werkdiensten georganiseert werden. - De vereeniging van de Keizerlijke troepen, met die van den Keurvorst, werkte dit jaar niet anders tegen de Franschen uit, dan de vrees die zij hen in-

[p. 45]

boezemde, en hield den Keurvorst van Brandenburg af van te hulp te schieten, door aan het begrip van den Keizerlijken Generaal (Montecuculi) toe te geven, wiens plan echter niet uitvoerlijk werd bevonden, maar de tijd verloren deed gaan1.

De Keizerlijke Generaal kondigde, na dat de Duitsche Armée weêr in 't Westfalensche stond, avocatorien tegen 't leger des Bisschops van Munster af; maar zij deden weinig af, daar zij wel 's Keizers naam droegen, maar de Rijks-sanctie niet. Meer hielpen de strooptochten der Brandenburgsche in 't Munstersche: maar zij veroorzaakten een inval van den Bisschop in 't Marksche, 't geen den Keurvorst zeer ontrustte, en, te onvreden over de Staten, die geen genoegzame landmacht op de been gebracht hadden, en achterlijk in 't opbrengen der onderstandgelden waren, welhaast een wapenstilstand met Frankrijk sloot, waaruit een verdrag volgde dat den 6o Junij 1673 geteekend werd, en ingevolge van 't welke het schijnt dat de Franschen hem naderhand Meurs wilden bezorgen.

Frankrijk had het Duitsche Rijk doen verzekeren, dat het het rijks-territoir met alle zorgvuldigheid zou ontzien; en tevens Spanje tot een verbond aangezocht; maar men liet zich hierdoor niet misleiden. Echter weêrhield het uiterlijk welgezind gedrag des

[p. 46]

Konings jegens Spanje, dit Hof van een oorlogsverklaring tegen Frankrijk te doen (het geen de Staat wilde) schoon de Spaansche troepen in onze vestingen zich voorbeeldig en met de beste trouw kweten. - Zweden bood zich tot eene bemiddeling en stilstand van wapenen aan, die Engeland en Frankrijk reeds aangenomen hadden, maar bij de Staten Generaal ten aanzien van de wapenschorsing verworpen wierd. Keulen werd tot een handelplaats verkoren.

Op 't einde van Junij 1673 begonnen daar de onderhandelingen dan ook. De eischen van Frankrijk begonnen reeds gematigder, en werden 't al meer en meer; naar mate de Staten meer verdragen met andere vorsten sloten: doch Pieter de Groot die zich naar Keulen begeven had, en dit (quasi) zonder eenige betrekking, bewoog hemel en aarde om de Hollandsche Gemachtigden toch aan Frankrijk afstanden te doen bewilligen, en spaarde in Holland ook geene moeite. - Doch dit bleef nog geruimen tijd duren, en middelerwijle ging de oorlog weder aan.

 

Maastricht in den beginne des oorlogs wel voorzien, was door de Franschen achter den rug gelaten, maar door gedurige uitvallen en stroperijen het Fransche leger zeer lastig, en belemmerend, en Koning Lodewijk sloeg er nu het beleg voor; terwijl het thans zeer zwak bemand was; en na eene moedige verdediging ging de stad aan hem over bij verdrag: doch hier mede hield ook alle Fransche onderneming in de Nederlanden op.

In Holland bezetten zij de Muiderberger hoogte,

[p. 47]

en trachtten daar een sluis of spui te graven, tot aftapping van het water der overstroomingen; maar het geschut onzer uitleggeren op de Zuiderzee en het Naardermeer dwong hun dit op te geven. Niet beter gelukte hun poging om het water der rivieren boven de Hollandsche wapengrens op te houden, ten einde dus de overstroomingen te doen zakken; maar men liet hier des te meer zeewater inloopen, en het stilstaan dier wateren zonder uitlozing deed bij hen ondraaglijke stank en ziekten ontstaan, die hen ook van dit opzet af deden zien. Dezerzijds versterkte men die linie met nieuwe werken, naar den eisch.

Nu belegerde de Prins Naarden, en deed ter verbijstering den vijand tevens Bommel beschieten door middel van de uitleggers, die men op de Waal had, en Grave door 1500 ruiters berennen. Hij bedroog daar den Hertog van Luxemburg ook derwijze mede, dat hij naar dien hoek etlijke 1000 man afzond, en den Prins tijd gaf zich, in een week tijds, van Naarden meester te maken. De kwaadaardigheid was hier even weinig meê te vreden als met des prinsen tocht van het vorige jaar: want hij had (riep men) 't land er aan gewaagd. - Ne sutor ultra crepidam! [Schoenmaker, houd u bij uw leest!] Men wilde niets verricht hebben tegen den vijand. Een schoon oorlog voeren!

Met Denenmarken had men in May van dit jaar een tractaat van onderlinge bescherming gesloten; met den Hertog van Lotharingen, een tractaat van bijstand met troepen; en met den Keizer sloot men weldra een nieuwe verbintenis aan de gemeene zaak,

[p. 48]

en het op de been houden van 30,000 man. En ook kort daarna een volkomen vereeniging met Spanje tegen Frankrijk, waarvan Spanjes oorlogsverklaring het gevolg was, die op den 16e October openlijk plaats had. - Montecuculi echter (te goed Fransch in 't hart), deed met het Keizerlijk leger niets tegen de Franschen, en Turenne aan 't hoofd van de Fransche krijgsmacht ontzag hem ook. - Maar de Spaansche troepen vereenigden zich onder den Prins van Oranje met de Staatschen, en dus trok de Prins bij Venlo de Maas over, en zoo door 't Guliksche, in Keulen, waar hij zich na Rhijnbach genomen te hebben bij het Keizerlijke [leger] voegde, en nu werd Bonn belegerd en bij verdrag ingenomen. - Dit verplichtte den Koning van Frankrijk (om zich voor een inval in 't hart van zijn land te bewaren), zijne benden uit de veroverde provinciën te trekken en dit Land te ontruimen: niet echter zonder brandschattingen, plonderingen, afpersingen: 't kleine steedjen Woerden moest ƒ16,000 opbrengen, Utrecht werd 5 tonnen gouds afgevorderd met bedreiging van anders geheel in de asch gelegd te zullen worden. Met vastzetten van eenige burgers die men dreigde meê te nemen, werd (in de onmogelijkheid van zoo veel gelds te vinden, waar het niet was, noch na alle geleden afpersingen zijn kon) voor ƒ450,000 geaccordeerd, waarvan 100,000 Rijksd. in gereeden gelde dadelijk geteld moesten worden, eer de Burgers los kwamen. - In Woerden waren de Hollandsche troepen dadelijk bij de ontruiming der Franschen ingetrokken; maar in Utrecht stak men dadelijk het Oranje Vaandel op den domstoren, versierde zich met Oranje

[p. 49]

linten, en zond naar den Prins, om hem het Stadhouderschap aan te bieden: maar 's avonds trok er Staatsche bezetting in en weldra Gemachtigden, die de stad als een veroverde plaats behandelden waarvan de Regeering aan hun stond. Geheel de Provincie van Utrecht, Gelderland, Zutfen en Overijssel werd desgelijks van bezetting ontledigd; en Luxemburg trok met zijn leger naar Frankrijk. Het vereenigd leger, waarbij de Prins van Oranje zich op nieuw begaf, ten einde de Franschen in hun marsch te onderscheppen, trof hen aan nabij Maastricht, maar het kwam tot geen slag. Luxemburg ontweek dien, en verdeelde zijn leger in de Nederlandsche steden onder Frankrijks gezag.

De Bisschoppelijke verlieten ook reeds te voren eenige plaatsen en werden uit andere verjaagd, en nu scheen het oorlogsvuur in den Munsterschen mytherheld uitgedoofd; hij kwam in een verdrag dat met de Lente van 1674 gesloten wierd.

Wat de zee-oorlog in 't jaar 1673 betreft. Na dat een Engelschman John Fraser genoemd, op erkentenis van zich verhuurd te hebben aan eenige Engelsche Grooten om onze schepen in den brand te steken, te Amsterdam geblakerd en gerabraakt was, liep de vloot uit, sterk 80 kielen, waarover de Ruiter op nieuw het bevel had. Men had eenige zinkschepen met zich om op den Theems in den grond te boren. Dit mislukte door een mist. Men versterkte de vloot met nog eenige kielen, en weldra in 't gezicht der vereenigde Engelsche en Fransche gekomen, die op 150 zeilen begroot werd, raakten de twee vloten op 7 Junij in gevecht. De macht was

[p. 50]

zeer ongelijk, maar Tromp die door den Prins met de Ruiter verzoend was, gebood een der Esquaders. Omtrent de 15 vijandelijke schepen werden in den grond geschoten of verbrand, toen de nacht het gevecht scheidde. Geen onzer oorlogschepen werd gemist, en wij hadden weinig dooden, maar daar onder een Vice-Admiraal Schram, en Schout bij Nacht Vlug, en Tromp had drie maal van schip moeten veranderen. Weêrszijds echter schreef men zich de overwinning toe. - De vloot kreeg een nieuwe versterking en zocht den vereenigden vijand, trof hem aan, en den 14n Junij viel een tweede slag voor. De nacht deed op nieuw den strijd ophouden, en 's morgens zag men geen vijand meer. - In 't begin van Julij ging onze vloot nu naar de Engelsche kust en vertoonde zich voor Harwich, maar daar was geen vijand in zee, en ziekte deed hem naar huis keeren. - De Vereenigde Vloot kwam wat later naar onze kust en werd door de Ruyter in 't oog gehouden, als die een landing op 't oog scheen te hebben: die men wil dat tegen de Maas gemunt was, waar een aantal schepen zich met Hollandsche vlaggen vertoonden, en om Lootsen scinden, doch als dezen uitgeloopen zijnde, om 't maaksel der schepen achterdocht kregen, en te rug zeilden, zich weêr verwijderden. Men wachtte nu op een aanval op Texel, waar door Z.H. goede inrichting gemaakt werd om dien te ontfangen; maar het bleef zonder gevolg. Voor Scheveningen kwam de Prins aan zijn [de R.'s] boord, en daar men de O.I. schepen t' huis wachtte, en den vijand dus gaarne uit zee, ten minste verwijderd had, werd er tot slag leveren besloten.

[p. 51]

Den 21 Augustus begon die, voor Kijkduin, en was allerhevigst. Tegen den avond zonken er 2 of 3 Engelsche oorlogschepen: wij verloren daartegen weêr 2 Vice-admiralen Sweerts en de Liefde; 't getal der gesneuvelde Kapiteinen was aan weêrszijden overmatig groot. - Aan wederzijden schreef men zich ook nu de overwinning toe; en het weder liet sedert niet toe verder zee te houden.

In O. en W. Indien hadden Frankrijk en Engeland op de onzen eenige plaatsen veroverd.

Met dit al werd Koning Karel de kostbare oorlog moede, en daarbij door Spanje bedreigd; en hij toonde zich nu bereidwillig om afzonderlijk van Frankrijk over vrede te handelen, zoo slechts de Staten een eersten stap deden, die hier licht toe te brengen waren. Daar viel echter veel te debatteeren, eer men 't eens kon worden; maar onder bemiddeling van den Spaanschen Gezant, werd in drie bijeenkomsten de vrede geregeld en te West-munster geteekend op den 19e Februarij 1674. - Het wimpel- en topzeil-strijken voor des Konings vlag, werd daar bedongen, onbepaald, van Staten-land in Noorwegen tot Kaap Finis-terrae: en de Staten beloofden Karel ƒ2,000,000 te betalen: - waarvan ¼ dadelijk betaald wierd, en de overige praetensie (15 ton) door den Prins overgenomen wierd, in voldoening der schuld van Karel den I en hem.

Maar was deze Vrede gesloten, de onderhandeling over die met Frankrijk werd onverhoeds afgebroken. Frankrijk had met zijn gewoone listen de bondgenooten weten te verdeelen, en lei het toe op bij-

[p. 52]

zondere vredetractaten, geen algemeen. De Zweden bleven steeds in hun bemiddeling groote voorstanders van Frankrijks belang; en dit misnoegde. Een bijzonder geval kwam hierbij. De Keizer deed den Keulschen gemachtigden, Prins van Furstenberg, op grond van gekwetste Hoogheid tegen 't Rijk, oplichten en naar Bonn voeren, en te Keulen verscheiden vaatjens met Fransch geld aanhouden, dat voor Brandewijn aangegeven werd. 't Een en ander nam Lodewijk XIV hoog, en zijn gemachtigden vertrokken. - Niet te min werd de vrede met den Bisschop van Munster getroffen, die van alles afstand deed: de Keurvorst van Keulen hield zich harder: het kwam echter ook met dezen tot een vrede, en hij haalde daar Rhijnberg nog meê.

Nu was het tijd meer te doen. In Junij sloot onze Staat (te Zelle) nevens Spanje, en den Keizer, een tractaat met de Hertogen van Brunswijk, en kort daarop met den Bisschop van Osnabruck, en wijders ook weêr op nieuw met den Keurvorst van Brandenburg, en eindelijk met Denenmarken. Bij al 't welk een macht van 48,000 man, zoo Voetvolk als Ruiters en Dragonders, tegen onderstandgelden voor een gedeelte, voor den Staat bedongen werd.

De Koning van Frankrijk ontruimde nu ook nog eenige steden die hij in Gelderland nog ingehouden had, als Zutfen, Arnhem, Tiel, Nijmegen, Kuilenburg, en Buren, en behield van alles wat hij op ons veroverd had niets dan Maastricht en Grave. Ook verliet hij Wezel, Rees, Emmerik, Schenkenschans, Rijnberk, en Nuis. Dat hij zware brandschattingen daar bij vorderde verstaat zich; en ook

[p. 53]

aant.had de Keulsche Keurvorst dit voorbeeld met Deventer gevolgd1.

Welk een verandering! in zoo kort! - En hoe bewerkt! - soli Deo gloria! [Gode alleen zij de eere!] Maar, dit blijkt, dat het de Pr. van Oranje was, zonder wien de schandelijke onderwerping aangenomen zou zijn.

 

Maar eer dit verlaten dier plaatsen nog volkomen geschied was, werd het bij Holland tot een punt van raadpleging gemaakt, deze Provincien niet weêr als Bondgenooten aan te nemen, maar als overwonnen landen. - Die van Utrecht hadden dadelijk bij hun verlossing op den 22e November voor hun Gedeputeerden wederom zitting in de Generaliteit gevraagd; maar daarop werd ter Staatsvergadering van Holland besloten (onder eed van geheimhouding) het zoo te beleiden bij de Staten Generaal, dat bij provisie gemachtigden gezonden werden, om in Utrecht de Regenten te schorsen, en zich meester van het bewind te maken: toen merkte men aan, dat Holland tusschen Utrecht en Gelderland besloten lag, en dat dit eenige nadere schikking vorderde; waar op de brief en 't verzoek van Utrecht ter zijde ge-

[p. 54]

aant.legd was. Na dezen eersten stap kwam men verder en dobberde, 1o om het Sticht geheel als overheerd aan te merken en buiten de Unie te sluiten. 2o Om een gedeelte van 't Sticht aan Holland te trekken: de gematigdsten waren meest voor dit laatste.

Zeeland weêrhield dit echter met kracht; en dreigde, dat, zoo men zich zoo iets onderwond, zij dadelijk 't Land van Briel en Voorne terug zou nemen. - Friesland was tegen 't een en ander, even als Zeeland; maar wilde nu hooger rang in de Unie hebben dan bevorens, en even zoo Groningen. De Prins werd geraadpleegd, en, ondanks de convenientie van Holland om eenige plaatsen zich te eigenen, oordeelde hij, dat het Sticht geredintegreert moest worden in zijn rechten. Dordrecht had hier echter veel tegen, en begreep dat men ten minste Utrecht zoo lang buiten de Unie moest sluiten, tot het weêr in staat zou zijn, zijn contingent op te brengen. Op den 2o Februarij 1674 nam Holland ten laatste een Resolutie, waar bij de Provincie van Utrecht, en zoo ook aan die van Gelderland en Overijssel zoo dra zij van den vijand verlaten zouden zijn, op hun ouden rang in de Unie aangenomen zouden worden: met voorbehoud echter en beding van de Souverainiteit over den grond of plaats waar Holland eenige Sterkte gelegd had, met vrijen toe- en wedergang, naar en van die plaatsen; en verbod van zulk een grond binnen de 100 roeden van 't uiterste punt der sterkten te mogen bouwen of planten of iets herstellen of veranderen: en onderwerping dat alle geschillen over polders die met Holland of over Holland uitwateren, van de rechtbank van Dijkgraaf

[p. 55]

en Heemraden voor 't Hof van Holland zouden komen.

Ook de Generaliteit werd het met Holland eens, dat eer men het Sticht toeliet, de regeering daar veranderd moest worden, waartoe Z.H. wegens haar gemachtigd werd; en dat de quoten der Provincien op nieuw en anders geregeld zouden moeten worden: ook moest Gelderland voortaan slechts 1 Lid in den Raad van State hebben, en Groningen daar tegen 2. - Men besnoeide derhalve wat men kon.

Inmiddels had men bij Holland op voorslag van Haarlem, en tevens bij Zeeland, op den 2o Februarij ook het Stadhouderschap Erfelijk gemaakt in de mannelijke nakomelingen van den Prins, hetgeen vervolgens verklaard werd door ‘kinderen, kindskinderen, descendenten, en verdere nakomelingen;’ waar bij Delft en Rotterdam voegden dat de meening was, een eeuwig edict te maken van een altoos durende inclusie van 't Stadhouderschap. Maar niet genoeg dat Zeeland dit bij hun Resolutie over Briel en Voorne geëxtendeert hadden; en Holland het als Holland gedaan had voor de geheele Provincie, waar de Briel en Voorne onder geteld wierden, en de Briel een stemmend lid van was: het moest ten aanzien van Briel en Voorne nog eens afzonderlijk geschieden (want driemaal was niet te veel), en bij die afzonderlijke acte verklaarde die stad en dat land tot Holland te behooren. De Staten Generaal deden 't zelfde op voordracht van Holland ten aanzien van 't Kapitein Generaal- en Admiraalschap der Unie. - Maar wat helpt Erflijkheid als er geen Erven zijn! - Dit bedacht men ook bij Holland, en ter Staatsver-

[p. 56]

aant.gaderingen werd een Resolutie genomen, om den Prins tot trouwen te verzoeken, opdat de genomen Resolutien niet vruchteloos zouden zijn. Men schold hem voorts een schuld van twee miljoenen kwijt, aan zijn Vader geleend: de O.I. Comp. lei hem en zijn mannelijke Erfgenamen 1/33 in hare uitdeelingen toe. - Zoo Prinsgezind was men thands1.

De Prins veranderde niet alleen de personen der regeering in 't Sticht, maar stelde ook een nieuw reglement van Regering in, het geen daar Staatsgewijze goedgekeurd, aangenomen, en ingevoerd werd. Ook in Gelderland en Overijssel geschiedde de verandering van regeerings-personen.

Het afbreken der onderhandelingen te Keulen moest het hernieuwen des oorlogs ten gevolge hebben. - De Prins had een Armee van 18,000 man, en 8,000 ruiters onder zich: vereenigde zich in Braband met de Spaansche troepen, waar zich de Keizerlijken ook bijvoegden; en de slag van Senef viel voor.

De Franschen onder den Prins van Condé hielden zich in hun legerplaats, en het was belang hen van daar te lokken. Men trok hen voorbij, en zij vielen in de achterhoede der Spaanschen, waar in hen de Prins ondersteunde. De enge wegen en doorgebroken grond was de onzen nadeelig, die in verwarring en op de vlucht raakten, en door den Prins in persoon niet dan met de uiterste moeite gekeerd en teruggevoerd werden tegen den vijand. Veel volks en daar onder veel mannen van geboorte, en vele vaandels en standaarden werden hier verloren. Doch

[p. 57]

aant.Z.H. bragt het tot eene regelmatige slagorde, en 't gevecht duurde tot's nachts, met ongemeene woede en hardnekkigheid. 's Vijands rechter vleugel werd afgeslagen, en met verdubbelde woede, viel hij nu op onze rechter vleugel aan, waar de Prins in 't grootste gevaar was, en met eigen hand een Franschman die op hem aanviel neêrsabelde. Ook deze aanval echter werd doorgestaan, en Condé deinsde af, en betrok zijn legerplaats weêr. - Aan wederzijde schreef men zich de overwinning toe, doch de onzen hadden het veld gehouden; en de Prins deed al 't mogelijke om het tot een tweeden Veldslag te brengen, waar Condé zich voor hoedde. - De superioriteit van krijgskunst en moed blonk in den Prins hier op 't luisterrijkst uit, doch het plan van Condé was verstandigst en behield Frankrijk van een inval die 't noodlottig geweest ware. - De Prins wist echter op nieuw Condé voor een oogenblik te noodzaken tot dekking van eenige bedreigde steden, en hij brandde om een tweeden slag te leveren, waar (mogelijk) de Vrede meê gewonnen zou zijn: maar de Keizerlijke Generaal Souches, die bij Senef reeds zich zeer lafhartig of trouwloos gedragen had, onttrok zich, en van dat uur af was noodwendig alle harmonie tusschen de 3 vereenigde legers verbroken. De Prins nam Grave en Huy; en de Franschen hadden zich op dat tooneel des oorlogs werkloos gehouden, doch, met den Koning aan 't hoofd, in Franche-Comté zich alles tiendubbeld vergoed, zoo wel als in Roussillon. Ook hadden zij in Duitschland eenige voordeelen behaald, en de Zweden tegen Brandenburg, en die van Messina tot een opstand

[p. 58]

tegen Spanje opgehitst, dat hier door zijn macht uit Katalonie trekken moest. - Ter zee werd de Ruiter tegen de W.I. bezittingen van Frankrijk gezonden, doch richtte niets uit; en Tromp deed een landing op de kust van Bretagne, maar die (schoon minder bloed kostende) even nutteloos was.

Daar behoefden geen geweldige schaden door onweeren, die de oogsten vernietigden en vele gebouwen deden instorten, binnenslands, om hier naar vrede te doen haken. Met genoegen nam men derhalve de aanbieding van Karel II aan om die te bemiddelen. Holland was geneigd veel toe te geven, maar de overige Provincien begrepen met Z.H. dat er om een redelijke vrede te bedingen, krachtdadige voortzetting des oorlogs noodig was. De Zweeden die nog steeds de rol van middelaars wilden spelen, waren te zichtbaar Fransch-gezind om nog eenig vertrouwen te vinden; ook lichtten zij weldra 't masker af, en vielen in Pommeren. Den Prins zocht men tot den vrede te brengen door den voorslag van een huwelijk met de Prinses Maria (die naderhand zijn gemalin werd), doch hij antwoordde: dat het nog te vroeg was om daar om te denken. - En middelerwijl hield hij, de valschheid van Karels gedrag en zijne venaliteit in allen opzichte kennende1, verstandhoudingen in Engeland; waar men niet dan wantrouwen op den Koning en zijn gunstelingen voedde, en den Prins van Oranje daartegen, als den steun der onafhankelijkheid van alle Euro-

[p. 59]

pische Staten, tegen Frankrijk begon aan te merken: gelijk hij zich ook betoond heeft.

Frankrijk kende Karels nietigheid, en den geest der Engelschen te wel, om niet te vreezen, dat bij langer oorlog, een vredebreuk met dat Rijk volgen moest, en hij wenschte dit door een nog tijdige vrede voor te komen: maar, eene bijzondere vrede, welke de Prins als een strik aanmerkte; daar hij niet dan eene algemeene wilde, en waarbij de door Frankrijk genomen plaatsen aan Spanje te rug wierden gegeven. - Dit achtte men in Holland niet te verwachtten, en de vredegezindheid dezer Provincie en haar invloed, op de drie herstelde Provincien altijd geoefend, begon te doen vreezen, dat de oorlog verslappen mocht, waardoor en de vrede, en het uitwerksel des oorlogs gemist zou worden. - Hier uit ontstond het denkbeeld van noodzakelijkheid eener hoogere macht