[Het gene in de volgende bladen niet tusschen haakjens ingesloten is, behoort tot bilderdijk's eigen handschrift:
Het aldus ingeslotene ( ), is aanvulling uit zijn mondeling bijgevoegde:
Het aldus onderscheidene [ ], is toevoegsel van mij zelven.
H.W.T.]
[Men ziet, B. vermeldt stellig deze wonderbare redding des Lands en afweering eener voorgenomen landing der Engelsche vloot op de vlakke kust van Noord-Holland, door eene ‘ebbe van twaalf uren.’ Hij volgt hier wagenaar, die (XIV D. bl. 129) schrijft: ‘maar ten dage, beraamd, om, met den vloed, in klein vaartuig, naar land te zeilen, bleef de ebbe, tegen gewoonte (!), wel twaalf uuren duuren, waarop een storm volgde, die den vijand van de kust dreef.’ Hij voegt er bij: ‘de ongewoone lange ebbe wordt, van veelen, gehouden voor een wonderwerk: van de meesten, voor een zonderling gunstbewijs der Hemelsche Voorzienigheid.’ - Eene mij gedane vraag: wat wel de gelijktijdige Schrijvers aangaande deze zaak vermelden? heeft mij dit iets nader doen onderzoeken. Wagenaar citeert ‘brandt de Ruiter bl. 697, en burnet (History of his own time) Vol. I p. 334.’ Brandt naziende, bevindt men dat wagenaar hem voor oogen gehad - doch, door het invoeren der onderscheidingen, van velen en de meesten, en van wonderwerk en
zonderlinge Voorzienigheid, wat verflaauwd heeft1. De Bisschop burnet (in de uitgave die ik gebruik, Lond, 1766 Vol. I. p. 466, 467) laat zich op dat onderscheid niet in; maar verhaalt de zaak, uit den mond van ‘vele ooggetuigen2;’ en noemt verder in 't algemeen, als zijne berichtgevers over de Nederlandsche gebeurtenissen van dat merkwaardig jaar, de beide voorname Staatslieden Dijkveld en Halowijn3. Maar burnet, het gene hier opmerkelijk is, vermeldt wel een korteren vloed dan gewoonlijk is, en daarop invallende langere ebbe, doch spreekt niet van eene dubbele ebbe,
die wel twaalf uren duurde1. - De gelijktijdige en zeer omslachtige Nederlandsche Schrijver, lamb. v.d. bosch, in zijn Tooneel des Oorlogs, reeds in 1675 in het licht verschenen, heeft wel den storm, en het uitwerksel er van ten opzichte van de voorgenomen landing; doch niets van de dubbele of zelfs buitengewone ebbe2. Een ander gelijktijdig en wijdloopig Schrij-
ver, van het Ontroer de Nederland (Amst. 1674), vermeldt denzelfden storm in vele bijzonderheden, en het daardoor verhinderen der voorgenomen landing; maar heeft even min iets van de buitengewone ebbe1.
Doch Mr. p. valkenier, wiens Verward Europa ook
reeds in 1675 in het licht kwam, beschrijft de twaalfurige ebbe en daarop volgenden storm, en de daardoor afgeweerde landing; met eenige bijzonderheden, welke brandt, die hem voor oogen schijnt gehad te hebben, is voorbijgegaan1.
In eene menigte van kleine stukjes van den dag, uit dat jaar 1672, welke ik doorgeloopen heb, (evenwel zeker op verre na niet alle;) vind ik er twee, welke deze wonderbare redding uit het dreigend gevaar vermelden: 1. Vrijmoedige aenspraek aen alle oprechte Liefhebbers van Z. II. den H. Prince van Oranje (geschreven wel na het afschaffen van het Eeuwig Edict, maar voor de eigenlijke omwenteling in Holland) bl. 8: ‘Gedenckt dat God de Heer ons nu driemael klaerblijckelijk sijn genade bewesen heeft. Ten eersten: dat de Engelsche door stormwinden op onse kusten niet hebbe konne landen, het gene sij meende te doen, terwijl den Hartogh van Buckenham en Milord Arlington, hier in 't Landt waren, en dat alle de Werelt van Vrede riep.’ 2. Ruste voor de ongeruste in ons Vaderlandt (ook reeds aangeh. IX D. bl. 303) van 1673, bl. 3: - ‘is dat niet van den Hemel; dat de Heer de Engelsche vloot door extra ordinaire wind en storm van onze stranden en zeegaten heeft afgedreven?’ - Men ziet, ook deze beide vermelden, wel den aflandigen storm; maar geen van beide de dubbele, twaalf-urige ebbe, van welk verhaal valkenier's werk de bron schijnt1.
[In eene menigte verhalen, gedichten, en prenten, is de geschiedenis vermeld van dit beleg, en de manhafte verdediging, die met het gelukkigst gevolg bekroond, en tot aan het jaar 1795 jaarlijks even blijde als te Leiden de 3 October, gevierd wierd. Tot de zeldzaamste en merkwaardigste dezer stukjens behooren: Journaal ofte daagelijksche Aanteykeninge van 't gene omtrent de Belegering van de Stadt Groningen, soo buyten als binnen gepasseerd is. Gehouden door a. eldercampius, Groning. Predikant op Luckegast. t' Amst. 1672, 4o. - joh. mensingae1 Groninga triumphans, sive Oratio de Groninga obsessa ab Episcopis (etc.) cum carmine uno et altero ejusdem argumenti Gron. 1673 4o. - en joh. alstorphii, Pallas Groning-Omlandica triumphans, seu Conjectanea Philologica super nummo cuso in memoriam Obsidionis et Liberationis urbis Groningae Anno 1672. Gron. 1718, 4o2.]
[Bild. doet veel eer aan j. de witt, door een opstel, dat hem voorkwam beneden de kundigheden te zijn, die men in Joh. de Witt vooronderstellen mocht, aan dien anderen weinig bekenden gelijknamigen toe te schrijven. Doch ik moet hier omtrent opmerken: 1o. Dat de J. de Witt die aan het hoofd staat der Rechtsgeleerden, onderteekenaars van dit stuk (met P. de Groot en anderen), niet wel iemand anders zijn kan, dan de broeder des beschuldigden, de Raadpens. zelf. - 2o. Dat ofschoon deze, wegens rang en waardigheid, en wegens bloedsbetrekking, de eerste teekende, dit nog geen bewijs is, dat hij het stuk opgesteld had. - 3o. Dat J. de Witt, jong in Staatszaken gekomen en daarin geheel verdiept geraakt, geen diepe kennis van de toenmalige duistere en gebrekkige Hollandsche Jurisprudentie heeft kunnen verwerven: 4o. Dat het stuk, van 405 artt., zeer in den haast heeft moeten worden opgesteld. 5o. Dat het stuk niet voor Mr. bilderdijk, en wellicht niet zoo zeer voor het Haagsche Hof is opgesteld, als om door allerlei argumentatien gunstig te werken bij het Publiek. Immers het blijkt dat de Familie met deze consideratien1 hoog liep, en er veel belang in stelde om ze
te verspreiden. In één bundel van politieke pamfletten van die dagen, bezit ik drie stuks van zoo vele verschillende uitgaven van deze Memorie1. Over de zaak zelve is zij tamelijk flaauw; en ontkent verscheiden omstandigheden, die ten processe, en dus ook bij den Hove, bekend en door den Ruwaard-zelf geavoueerd waren.]
De onmogelijkheid blijkt 1o. uit de adjudicatie der territie en 't zetten der scheenschroeven. Ook 2o. uit het vonnis: want de tortuur doorgestaan hebbende, had hij geabsolveerd moeten worden en pro innocenti [als onschuldig] gehouden. 3o. Uit de form en omstandigheden. Maar men heeft aan zulke verdichtsels naderhand een kleur willen geven, door den Beul NB. naderhand een brief aan de Weduwe van C. de Witt te doen schrijven, waarbij hij haar (quasi) vergiffenis vraagt voor de pijn, die hij haar onschuldigen man aangedaan had. Risum teneatis! - Et talibus nugis
pascitur vulgus! Et quale vulgus! primores sese jactantium. Uit zulk een brief zou volgen, dat de beul hem buiten orde gepijnigd had. - De Ruwaard hield zich, als natuurlijk was, standvastig bij zijne ontkentenis.
Om dit werk recht te begrijpen, moet men onderscheiden tusschen het Ordinair en Extraordinair proces. 't Eerste is in criminali, als in civili causa, op een legitima litis contestatio gegrond, die er de basis van uitmaakt. Het tweede is tweederlei: 1o. het gewone Extraordinaire proces, waarin het verhoor pro litis contestatione is, en niet dan op confessie gevonnisd kan worden. 2o. Het proces in notoriis, waarin de Rechter een zaak bevindende zonder aanklager, zonder introïtus litis, ex potestate et officio straft en vonnist, en aan geenerlei forme gebonden is. En dit is het geen men bij Gecommitteerde Raden plach te noemen zonder form van proces, 't geen zij in 1784 door 't Hof naar de meening van deze hun uitdrukking in een publicatie, gevraagd zijnde, niet wisten te verklaren. - Men voege tot nader verstand der zake hier bij, dat alleen in het Extraordinair proces op confessie gewezen, de expressie van misdaad plaats heeft, om dat men daarin, stipt aan de confessie gebonden is, die de basis der condemnatie constitueert.
Men stelle b.v. een Rentmeester wordt wegens diefstal en ongeoorloofde vervreemding van een dominiaal goed of product beschuldigd, en deze beschuldiging vervalt, maar bij zijn verhoor erkent hij tegens zijn eed geschenken te hebben aangenomen. Dit is in het proces niet gebracht; daar is geen introïtus litis van; echter daar is confessie van in judicio, en het is den
Rechter gebleken. Nu behoeft hij den Fiscaal niet te bevelen, om daarover een nieuw proces te maken, mandament te vragen, citatie of apprehensie te doen, verhoor in te stellen enz.: maar de rechter doet het ex potestate en ex officio af, en decerneert eenvoudig de straf bij sententie, als naar rechte.
Zie daar derhalve al die ellendige knibbelarijen afgesneden over die sententie als informeel ingebracht. Zij is zeer formeel, maar in haar soort; doch dat weten geen wagenaars, geen on-Rechtsgeleerden, ja zelfs geen Procureurs of slenter-advokaten, die nooit de Crimineele ordonnantie en stijl hebben leeren verstaan; en wien ik gedurende mijn practijk zoo veel nieuws heb moeten leeren, dat zeer oud was, maar in den gewonen slenter voorbij werd gezien; en waarin ik ook altijd het Hof van Holland getrouw aan de echte Jurisprudentie en practijk gevonden heb als men die reclameerde. In 1789 merkte voorda, toen afgezet als Professor, dit derde soort van Crimineel proces zeer wel op in de Ordonnantie, maar wist er geen applicatie van te maken, haspelde Jus Romanum en Ordonnantie jammerlijk door een, en beklaagde C. de Witt, en mishandelde 't Hof, uit domme partijzucht, die hem zijn eigen kennis en juridicq inzicht verlochenen deed.
Ik mag hier uit het proces-zelf, dat ik gelezen heb, nog bij voegen, dat de adjudicatie van de territie tegen de stem van den President Pauw geschied is (wien men veel al van hevigheid tegen den Ruwaard beschuldigt. En dat de Fiscaal (Ruisch) dien men schrijft en schreeuwt dat Tichelaar tot den opgevolgden moord aangehitst zou hebben, tegen dezen Tichelaar-zelven bij het Hof Request heeft gepraesenteert en artykelen overgelegd om hem Criminaliter op te hooren als zelfschuldige en meineedige; doch dat dit request zonder dis-
positie is te rug gegeven, om dat men bij 't Hof te bedenkelijker vond, in zoo duister een zaak meer te doen, dan het geen volstrekt gebleken was, meêbracht; waarmeê hem echter vrij bleef, nadere informatien tegen Tichelaar in te winnen.
Gruwelijk ondertusschen is al wat wagenaar zich niet schaamt wegens dit gantsche proces, uit hoofdelooze praatjens van zijn partij, en geschreven aanteekeningen, zoo 't heet, uit vertelsels van klapperlui, en dergelijke personaadjen opgemaakt, tegen het achtenswaardigste Gerechtshof van geheel Europa en de leden van dien, in zijn [enz.] uit te braken.
[1o. Extraordinaire is geen arbitraire of willekeurige straf. Doch ook wanneer er in onze voormalige rechtspleging, van arbitrium Judicis, arbitrage van den Hove enz. gesproken wierd, beteekende dit geenzins een capricieuse willekeur; maar de uitspraak van recht en billijkheid, na voorzichtig en naauwkeurig wikken der omstandigheden. - De letterlijke vertaling van extraordinair proces, of straf, door buitengewoon, geeft ook geen juist denkbeeld. Want het zoogenaamde extraordinair proces was bestendig, en tot aan de invoering der Fransche rechtspleging toe, het gewone in Holland; en het gebeurde zeer zeldzaam, dat een beschuldigde in ordinair proces ontfangen wierd. En alle straf heette extraordinair, in dien zin, dat de maat, en doorgaans ook de soort van straf, geheel aan de religio Judicis, d.i. het gemoedelijk oordeel van den rechter, naar gelang der omstandigheden van elke bijzondere zaak of persoon, wierd overgelaten. Eigenlijk hangt dit samen met de oude Romeinsche rechtspleging, en de verandering daarin ontstaan onder de Keizers:
welke zaak hier niet breeder ontwikkeld kan worden; maar behoort tot de lessen over het Rom. Recht, in den eersten en den laatsten Titel van het Vierde Boek der Instituten, en bij het XLVIII Boek der Pandecten:
2o. Het vonnis behelsde geen uitdrukking van bepaalde misdaad. Hoe dit kwam, legt bild. hier uit, bl. 22 v. en 216. Men heeft later daar veel in gezocht, en is er laag op gevallen, en heeft er als 't ware wraak over geroepen: ja wellicht moet art. 172 van onze Grondwet (nog meer bepaaldelijk art. 101 e. van die van 1814,) hiervan worden afgeleid. Het verdient dus te meer opmerking (gelijk het te recht door den geleerden Geschiedkundigen Mr. w.c. ackersdijck ‘zonderling en opmerkelijk’ genoemd wordt), dat bij het vonnis in het jaar 1589 door het Barnevelds-gezind Gerecht der Stad Utrecht tegen den Leycesterschen Burgemeester Prounink gewezen (z. bilderd. VII D. bl. 171, 172); ‘geen de minste misdaad of overtreding ter zijner laste wordt aangevoerd; maar alleen gezegd, dat het Gerecht daarop had gehad “het advys van seeckere gepractiseerde Rechtsgeleerden;” en ten slotte: “omme sonderlinghe redenen die van den Gerechte daertoe moverende1.”’
3o. Met dat uitvaren, uit blinde partijdigheid voor de de Witten, tegen het Hof en dat vonnis, heeft men het Hof groot onrecht gedaan. Het personeel van dat Hof was geheel of grootendeels gekozen ten tijde van het staatsbestier van J. de Witt; - het waren nog
meestal dezelfde leden, die in 1666, naar ordre van de Staten van Holland, Buat hadden ter dood gevonnisd; het waren geheel dezelfde, die in de vorige maand, op de misdadige poging van Jac. van Graaf, ook al op aandrang van de Staten, zoo verschrikkelijk snel ter dood gevonnisd hadden; terwijl dit proces van C. de Witt eene maand lang geduurd had: - en het blijkt uit al de stukken van dien tijd, dat het niet uitdrukken van de misdaad in het vonnis, geenzins gehouden werd voor een blijk van onrechtvaardigheid tegen C. de Witt; als of er geene misdaad was te vinden geweest, terwijl men hem toch wilde straffen of opofferen: maar in tegendeel voor een partijdig en zwak menagement ten zijnen voordeele; als of men van de voorgenomen moord des Prinsen geen gewag had willen maken, om dat men de wettige straf des doods tegen hem niet wilde uitspreken, of althans, om de woede des volks tegen de de Witten niet nog meer op te wekken.
4o. Men moet vooral in het oog houden, het geen bild. alhier bl. 23 te recht aanmerkt, dat te dezen tijde de zaak voor de de Witten nog geenzins hopeloos stond. Het eeuwig Edict was wel afgeschaft, en de Prins Stadhouder geworden: doch men schikte zich voor 't oog daarin en maakte bonne mine (bov. IX D. bl. 323): maar al de Heeren zaten nog op het kussen, en hun geest was door het geleden geweld voorzeker niet zachter gestemd, en zij gaven de zaak niet verloren, (z. hier bl. 2, 3) ofschoon J. de Witt voor 't oogenblik retireren moest; doch waarbij hij hoopte een goede en vereerende positie te behouden, en iemand van zijnen geest tot plaatsvervanger te krijgen. Het was eerst het veranderen der Regeringen, (waartoe men eerst later en moeilijk kwam z. bl. 32-36,) dat de eigenlijke omwenteling in het bestier maakte. Inmiddels
zocht men nog in allervuilaardigste pasquillen (als het Hollandsche Venezoen in Engeland gebakken, enz.) den Prins bij de Natie verdacht te maken, als geschiedde de oorlog om zijnent wil, om het debri van den tusschen Frankijk en Engeland verdeelden Staat onder zijne Souverainiteit te brengen, enz.
5o. De stukken van het proces van C. de Witt, zijn in Handschrift niet zeer zeldzaam, en konden wel uitgegeven worden. Doch er is veel omslachtigs en onbeduidend in, en het voornaamste er uit heeft men bij wagenaar, en bilderdijk, en vooral ook bij van wijn in de Bijvoegs. en Aanmerk. op het XIV D. van wagenaar, bl. 71-85, en in de Nalezingen, I D. bl. 225-229.
6o. In deze Nalezingen vermeldt de Heer van wijn, bl. 228, twee zeer aanmerkelijke dingen, die hij in zijne vroeger uitgegeven Bijvoegs. en Aanmerk. verzwegen had: a) dat ‘hem van zeer goeder hand verzekerd was, dat ten aanzien der regtsplegingen van den Ruwaard, een Secreet-Boek bij den Hove is gehouden geweest; doch men had vergeefsche moeite gedaan om het te ontdekken’ - b) dat ‘uit de authentieke stukken bleek, dat de Raden Nierop en Gool, welke tot Commissarissen in dit proces waren gesteld, het eerst en sterkst hadden aangedrongen om den Ruwaard tot scherper examen te brengen.’
7o. Ten aanzien van het vonnissen zonder uitdrukken van bepaalde misdaad, had van wijn reeds in zijne eerste Bijvoegselen (bl. 83) wagenaar verbeterd, die het had doen voorkomen (bl. 155) als of er slechts één voorbeeld van zoodanig vonnis ware te vinden geweest. ‘Men bragt (zegt van wijn) den Raade drie voorbeelden onder 't oog’ (van de jaren 1611, 1622, en 1651), ‘bij welke lijfstraflijke gevangenen, voor den Hove, na onderzoek hunner zaaken, verwezen waren
tot bannissement, zonder dat men de belijdenis of misdaad in de sententie had uitgedrukt1.’
8o. Was c. de witt schuldig aan 't gene waarvan W. Tichelaar hem betichtte? - Ik wil dit niet gelooven; en bild. schijnt het ook niet geloofd te hebben. Doch men moet het niet zoo verr' weg werpen, als men gemeenlijk doet: en ik kan zeer wel begrijpen, dat er in die tijden geloof aan kon gegeven worden. In de toenmalige omstandigheden van de Staatspartij waarin de Ruwaard opgebracht en waardoor hij groot en machtig geworden was, en wier triumf of val hem ter goeder trouw die van het vaderland en de vrijheid dunken kon; en in zijne personeele omstandigheden, van erfhaat tegen Oranje, en het geweld dat hij nog zoo onlangs toen hij weigerde het Eeuwig Edict te helpen afschaffen, had geleden; kon hij al licht komen tot een geweldig expedient, en tot de philosophie en politiek van Cajaphas (Evang. v. Joann. XI, 55).
9o. ‘Maar,’ zegt men, ‘Tichelaar was een gemeene en slechte kerel; en verdient volstrekt geen geloof!’ Het eerste is waar; maar de gevolgtrekking gaat niet door. - ‘Aan eerlijke lieden’ (placht bild. zeer juist op te merken) ‘doet men dergelijke voorstellen niet.’ Van hier ook dat in rechten-zelf, althans volgens de doorgaande leer dier tijden, in crimine Majestatis de infamie van aanbrengers of getuigen niet in aanmer-
king genomen wierd1. Tichelaar had zich als een stoute en brutale kerel doen kennen, en zoo een moest men hebben. En in de menigvuldige verhooren, en de confrontatien2, vacilleerde en variëerde Tichelaar minder dan de Ruwaard; welke omstandigheid zeker de Commissarissen en het Hof tot de pijniging (of wel reëele, d.i. gevoelige, territie) heeft doen besluiten. Terwijl aan den anderen kant, het politiek raisonnement, welk hier door beide partijen aan elkander te last gelegd wierd (Bell. Jurid. bl. 120 vergel. met van wijn Nalez. bl. 226, 227) meer eigenaardig schijnt aan den Burgemeester van Dordrecht dan aan den Barbier van Piershill.
10o. Willem III. schijnt van de waarheid van Tichelaars verhaal overtuigd geweest te zijn; want hij gaf hem een pensioen uit zijne kas (Wagen. XIV D. bl. 184); en dat hij dit zoude gegeven hebben met bewustheid als een schandloon voor eene valsche en verradelijke beschuldiging, valt niet in het edel en fier character van dien Vorst. - Dat evenwel de Prins, in 1681, over Tichelaar als ambtenaar geklaagd zijnde, hem met een smadelijke uitdrukking een honsdvot genoemd hebbe (wagen. ald.), doet niets daar tegen; (zie No. 9).]
[Dat het bloed van Buat en J.v.d. Graaf op de gebroeders de Witt gekomen zij, en dezer treurig en verschriklijk uiteinde grootendeels als een offer aan die schimmen aan te merken zij - (ofschoon de explosie gegeven zij door het zonderling banvonnis van het Hof van Holland tegen de C. de Witt; welk aangemerkt wierd als een kunstgreep om hem uit het oog te verwijderen) - blijkt ten duidelijkste uit eene menigte pamfletten en andere geschriften van dien tijd, zoo wel voor als na de catastrophe uitgegeven. Ik zal slechts eenige dier plaatsen, woordelijk, hier inlasschen. - L. van den Bos, in zijn Reizende Mercurius, (1675), het vonnis van C. de Witt vermeld hebbende, laat daar op volgen (bl. 104): ‘De gewesen Raed-Pensionaris had aenstonts kennisse, dat des Vrydag's middag de voorschreven Sententie tegens zijn broeder was vast gestelt, en liet daer op terstont na de middag audientie en aenspraek by sijn Hoogheydt versoecken, sonder ophouden, tot dry reysen toe. En deselve eyndelijck verkregen hebbende, versocht pardon op de voorschreven Sententie, tegens sijn Broeder gearresteert en vastgestelt, waer op hy tot antwoord sou gekregen hebben: Den Heere Ceurvorst van Brandenbargh, hare Hoogheydt de Princesse Douariere, en ick versochten voormaels pardon voor den Ritmeester Buat; en is onlanghs voor den jongen van der Graef, maer uytstel van weynige dagen versocht, en beyde afgeslagen: kan in uw versoeck niet werden gedaen, alsoo de saecke de Justitie is aenbevolen, die men daer mede sal laten geworden.’ Dit, gelijk al het andere in dat werkje, waarover v.n. bosch zoo hard aangeval-
len is, was woordelijk overgenomen uit het Waerlyck Verhael (van 1672) bladz. 13; alwaar onmiddelijk vooraf gaat een lange en hatelijke vergelijking van de zeer verschillende vonnissen door hetzelfde Geregtshof, in kort tijdsbestek gewezen tegen J.v.d. Graaff en C. de Witt, en sugillatie van het zoo veel zachter vonnis tegen den laatsten. - Hetzelfde Verhaal bl. 8, brengt de algemeene opschudding in Holland, die tot het afschaffen van het Eeuwig Edict voerde, in onmiddelijk verband met de executie van J.v.d. Graaf: ‘Deze Sententie den 29 Juny 1672 geexecuteert zijnde, raeckte de gansche Gemeente door geheel Hollandt en West-Vrieslandt soodanigh aan 't hollen, dat de Gedeputeerden van alle de stemmende Steden in de Vergaderinge den 2 July last ontfingen Staetsgewijse 't vervloekte Eeuwig Edict af te sweeren ende te vernietigen. En 't selve ghedaen zijnde, sijn Hoogheyt den Prince van Orangie tot Stadhouder, Capiteyn Generael ende Admirael te Lande ende te Water sonder uytstel te verklaren, gelijck 't selfde oock daeghs daer aen, te weten den 3 July in de Hage solemnelijck geschiedde. Daer toe God Almachtigh verder sijnen genadigen zegen verleene.’ - Hetzelfde Geschrift bl. 14, bij het verhaal van het ombrengen van de de Witten: ‘Eyndelijk bracht men haar ter Poorte uyt, denzelfden 20 Aug., ontrent tusschen vyven en ses uyren des naemiddaghs, soo als hy Mr. Jan de Witt te vooren den 20 Juny onder anderen door twee broeders was geattaqueert. En ghekomen zijnde juist op de selfde plaetse van de voorsz. eerste attaque, is Mr. Jan aldaer ter nedergevelt geworden. Ende sijn broeder eenige treden achter hem by de blaeuwe trappen, aen de slinckerhant als men juyst van de Plaets ofte 't Schavot de Poorte door gaet. Ende gelijck 't hoofd
van den jonghst Geexeeuteerden van der Graef door den Scherprechter is gemarteliseert, soo is ter plaetse voornoemt 't hooft van den Raetpensionaris aldaer met een kolfslag van een roer verplettert geworden. En let verder. De burgerye dit werck uytgevoert hebbende, trocken alle de Compagnien ordentelijck af, elck na sijn plaets van afscheyt. En daer was in al die confusie niemant anders gequest ofte beschadight als dese twee menschen alleen. Aengaende d'ordre in dese disordre gehouden, is by verscheyde notable luiden geobserveert: Dat den bekenden Mr. Jan, alhoewel de jonghste, echter de principaelste, soo by veelen gelooft werd, van onse jegenwoordige onheylen, d'eerste is geweest die men dood schoot, en die men op 't Schavot heeft gesleept, en daer nae sijn broeder. Dat men hem heeft geleydt ter plaetse daer men ordinaris met den Swaerde recht. Alwaer men sijn lichaem heeft doorsteken, met voeten ghetrapt, ende met messen doorwond, en men riep met een luyt geroep: nu is 't onnosel vergooten bloed gewroken van Buat en van der Graef, en van soo menigh mensche, die in dese en voorgaende droevige Oorlogen met Ons en Engelant gebleven sijn, daar hij de meeste oorsaecke, en twistmaker van is. Sijne beenen sijn oock eerst met lonten aen malkanderen gebonden. Hij is eerst aen de Wip opgehangen, en dat noch hoger selfs als sijn Broeder. Ende dat met het Hooft nae sijn gewesene Woon-plaets op de Kneuterdyck: gelijck de voorsz. van der Graef t' sijnder Executie buiten alle ghewoonte met sijn aengesicht derwaerts oock hadde geknielt. Dat toenmaels ad notam werde genomen.’ - Discoursen over den tegenwoordigen interest van het Landt; Amsterd. 1672’ (bl. 2): ‘schoon het de manke de Groot en zijn schelmse swager (Montbas) ontsnapt zijn,
hebben de twee Witte Broeders door een fatale beschickingh niet konnen ontloopen, maar zijn tot een eeuwig schandael, op het selve Schavot, daer den gewesen Raetpensionaris den onnooselen Buat, en noch soo onlanghs van der Graef, heeft doen executeren, in het gesicht van al de wereldt, op een ongehoorde afgrijselijcke wijse naer haer doodt, onmenschelijck mishandelt: Dit is d'uytslagh van een verdoemelijcke en onbepaelde Staetsucht.’ - Sociniaensche Consultatie tusschen Jan en Arent. 1672. (bl. 6): ‘Het sal my verwonderen wat hier van noch al werden sal, soo even word my bericht, dat die goede Stadthouder van de Leenen sijn Ampt heeft neder geleydt, en sijn Broeder den Ruwart op de gevangen Poort in Buats Kamer gebracht is, 't geen mij doet vreesen dat hy Buats gang wel mocht gaen’ - en bl. 7: ‘Ja wel, sit de Ruwart op Buats kamer, en eerst soo lang in de Castelenye? dat is Buats eygen gangh: Adieu dan Ruwart van Putten’ - Buats bloed roept om wraek, ‘het wilder noch seldsaem afloopen.’ - En voeg hier bij, met betrokking op Buat, nog drie andere geschriften van die dagen, boven reeds door mij aangehaald in het IX Deel, bl. 271 v. aant. 2. bl. 273, 274 aant. 3; en bl. 282, aant. 1. - Z. ook beneden, bl. 244, 245.]
[Landverraders waren de de Witten (en P. de Groot) niet: maar hun afkeer en vrees voor Oranje had aan hunne maatregelen al het aanschijn er van gegeven, en het land op den rand des verderfs gebracht, en zelfs bij welgezinden, bedaarde, en brave lieden, als een n. witsen1, twijfeling verwekt. Ook na de verheffing van den Prins, eerst tot Capitein-Generaal, naderhand tot Stadhouder, wilde die zelfde partij den vrede à tout prix, en deed alles, om hem de handen te binden, en hem te gelijk hatelijk en suspect te maken. Dit verlamde bij ons den geest en de kracht, en vermeerderde die bij den vijand, die zeer wel wist, hoe het bij ons gesteld was. De Franschen erkenden dit zelf. Het krijgskundig werk, Histoire de la Campagne de M. le Prince de condé, en Flandre en 1674; par le Chev. de beaurain, Par. 1774 fol. wordt vooraf gegaan door eene geschiedkundige inleiding of Tableau historique de la Guerre d' Hollande jusqu' à cette époque. Aldaar vindt men p. 35: ‘Le parti Republicain fut abattu par la chute de ses deux chefs. Le Prince d' Orange profita de ces excès qu'il détestoit. Il domina dès-lors, par lui ou par les siens, dans toutes les dèlibérations de la République, et les mesures qui furent prises eurent désormais plus d'ensemble, de consistance et de vigueur.’ Vroeger had hij gezegd (p. 22): ‘Les malheurs qu'avoient essuyés la République, et les dangers plus grands encore qui la menaçoient, loin de réunir les partis qui la déchiroient, en augmentoient l' animosité. Chacun imputoit à l'autre les malheurs publics. Le
parti de Louvestein ou des frères de Witt, regardoit la résistance comme inutile; il inclinoit à se soumettre aux armes du Roi, et à se confier à sa clémence. Celui du Prince d' Orange (et il comprenoit une grande partie de l'état militaire), ne désespéroit pas du salut de l' Etat, et ne vouloit que des résolutions vigoureuses. Les provinces et les villes commençoient à se diviser, et plusieurs vouloient traiter séparément avec le Roi pour en obtenir de meilleures conditions. Dans presque toutes les places fortes les bourgeois demandoient à capituler, et les garnisons avoient à se défendre en même tems contre la mauvaise volonté de leurs compatriotes, et contre les attaques des ennemis. On conçoit aisément combien cet état de choses devoit faciliter les succès ultérieurs des François.’
Maar nog veel meer dan een bijzonder Fransch schrijver, zeggen de authentieke Fransche stukken die ik nu zal laten spreken. - Te weinig bekend en gebruikt, ofschoon in den Haag en eerst in 1759 uitgegeven, is de Verzameling, (wier breedsprakige tytel ik, om plaats te winnen, hier ondervoege)1; doch
welke zich niet te onrecht noemt: recueil Extrémement intéressant, pour la politique et pour la guerre, tant par les Anecdotes secrettes de plusieurs Personnages fameux de ce tems, que (enz.). Men vergunne mij dus, de plaatsen die ten betoog strekken van het geen ik in het begin dezer aanteekening zeide, hier geheel over te nemen1.
De Fransche Oorlogs-minister louvois schrijft den 24 Julij 1672 uit het Camp te Boxtel, aan den Hertog van Luxemburg, die de Fransche armée te Utrecht en aan deze zijde des Lands commandeerde, (in antwoord op een brief van dezen, welke hier niet gevonden wordt; doch waarin Luxemburg van de opening aan hem gedaan om een geheim Agent van J. de Witt te ontfangen, kennis moet gegeven en instructien dien aangaande gevraagd hebben;) dit volgende p. 104, 105:
‘On ne peut pas mieux répondre que vous avez fait, à celui qui vous a parlé, de la part de Monsieur de Wit; continuez, & sans lui rien donner par écrit, laissez-lui entendre, que le Roi oublieroit volontiers la méchante conduite passée de son Ami, & ne seroit point fûché de le voir remonter sur sa bête; que, manque de cela, il ne trouvera point, dans ancune des propositions de Paix, faites par le Roi, quoique ce soit, qui lui soit contraire, & que So Majesté s'est toûjours deffenduë d'entrer dans rien de semblable, quoiqu'Elle en aît été fort sollicitée, par les Ambassadeurs Anglois; que l'on entendra volontiers aux propositions,
qu'il fandra faire, pour que l'on lui donne le moyen de rétablir ses affaires, pourvï que, de son côté, il fasse faire, au Roi, une Paix avantageuse, dans laquelle il faut qu'il se mette dans l'esprit, qu'il ne peut point, quant à présent, détacher les intérêts des deux Rois, quoique, dans la suite, Sa Majesté fût bien aise que la Hollande ne gârdat aucune dépendance d'Angleterre; que si Monsieur de Wit veut, sur ce pied-là, parler, ou envoyer quelqu'un, avec qui l'on puisse parler clairement, il sera trèsbien recû, & il peut s'ussûrer, que personne n'aura connoissance de la Négociation, qu'il aura fait faire avec le Roi, pourvû que Sa Majesté n'apprenne pas que l'on se serve du Commerce, que Monsieur de Witt aura introduit, avec le Roi, pour persuader, au Roi d'Angletterre, que ce soit pour faire la Paix sans lui.’
Luxemburg bericht uit Utrecht, d. 27 July 1672, aan Louvois (p. 114, 115.)
‘Les Lettres, que je vous envoye, vous apprendront, je pense, que Monsieur de Wit a été arrêté & gardé à la Haye, dans son Logis, Monsieur Groot & son frère Prisonniers, & leurs Papiers saisis; sans celà, la Faction du Prince d'Orange périclitoit, & on se repentoit de l'avoir élû Stadhouder, depuis qu'on avoit sçû ce que le Roi d'Angleterre demandoit pour faire la Paix; Les Peuples de toutes les Villes disent tout haut, que ce n'étoit plus que du Roi qu'il la falloit attendre; Ils sont susceptibles ici des impressions qu'on leur donne, &, si Monsieur de Verjus étoit ici, il pourroit faire courre de petits avis, durant que les Esprits sont échauffés, qui feroient peut-être de bons effets; car les Amis de Monsieur de Wit les feroient valoir; j'en envoyerai ce soir un, à quelqu'un, à qui j'offrirai tout ce qui dēpendra de l'autorité, que le Roi m'a donnée ici, pour servir Monsieur de Wit; je crois que celà ne pourra faire que de bons effets, & cependant vous me ferez sçavoir la volonté de Sa Majesté, pour la conduite que j'aurai à tenir en celà; ce sont des Gens puissans, & qui ne se croyent pas encore abbatus; ils m'ont même quasi promis de me faire battre les Ennemis, pourvû qu'il y eût des conditions régleés, avec Monsieur de Wit, ou même, pourvû qu'ils vîssent les choses en bon train la-dessus, leur ayant fait comprendre que celà les releveroit & abbattroit le Prince d'Orange.’
En schrijft hem nader, d. 5 August. (p. 116.)
L'Ami de Monsieur de Wit, qui est ici, n'en a pas encore de réponse, parceque ce n'est point à lui, à qui il a adressé celui qui est allé à la Haye; c'est à un Cousin du dit Sieur de Wit, qui est en petit Voyage, d'où on l'attend tous les jours; je n'ai point voulu permettre qu'on écrivit, sur ce sujet, & vous pouvez vous assûrer que cette négociation ne sera point éventée; car, si elle se continuë, je vous envoyerai cet homme, d'ici, sous un pretexte apparent, qui le fero députer, par les Etats, pour aller à la Cour.
In eene ‘Memorie aangaande de gesteldheid te Utrecht,’ van den beruchten stouppa aan den Minister Louvois gezonden d. 8 Aug. 1672, komt het volgende voor (p. 118):
‘Les Ministres ont ici un grand crédit parmi le Peuple; Ils sont tous affectionnés au Parti du Prince d'Orange, parceque, comme les Magistrats les tiennent fort bas, ils espérent quelque avantage par l'élévation de ce Prince.
Le bas Peuple & la canaille sont ici en très-grand nombre, & ils sont aussi fort affectionnés à ce même Prince.
Les Magistrats, les honnêtes Gens, & les bons Bourgeois, sont de la Faction de de Wit, fort opposés au Parti du Prince; ils ont un très-grand déplaisir de le voir établi, dans le Poste où il est, parce qu'ils craignent qu'il se servira de la puissance du Roi d'Angletterre, pour les soûmettre entiérement à sa Domination, et que, par ce moyen, ils seroient aussi Esclaves des Anglois, qu'ils considerent comme leurs Ennemis, qui veulent les détruire absolument, pour se rendre maîtres de tout le Commerce.
Ils sont aussi fâchés que le Traité de Paix, que Grotius négocioit, n'a point eû de lieu, & ils sont tous d'accord, que le véritable intérêt de la Hollande seroit, d'avoir la Paix avec la France, & de pouvoir avoir l'amitié & protection du Roi, continuër leur Commerce, qui suffit, comme ils en sont persuadés, pour les rendre riches & heureux.’
Louvois schrijft aan Luxemburg d. 6. Aug. (p. 120).
‘J'attends avec impatience de vos nouvelles, sur la négociation, que je vous ai mandé que le Roi trouvoit bon que vous entretinssiez avec les Amis du sieur de Wit.’
En verder, d. 12 Aug. (p. 122).
‘Il sera difficile que la négociation, que le Roi vous a permis de faire, avec Monsieur de Wit, réussisse, s'il est arrêté; jattends, par le premier Ordinaire, de vos nouvelles, sur ce que vous aurez fait, ensuite de ce que je vous en ai écrit, auparavant le départ du Roi de Boxtel.’ (bov. bl. 230.)
En weder vier dagen later, d. 16 Aug. (p. 134).
‘Nous apprenons, tous les jours, des nouvelles de la décadence du Sieur de Wit, ce qui fait appréhender que la negociation, que l'on pourra faire, avec lui, ne soit une chose fort inutile; j'attendrai néanmois, avec impatience, des nouvelles de la reponse qu'il aura faite, & en cas qu'il soit encore en état, que l'on puisse faire quelque chose, avec lui, rien n'est plus à propos que le prétexte, que vous avez trouvé, pour faire venir ici son Ami.’
Vooral belangrijk is ook, het geen voorkomt in den brief van Luxemburg aan Louvois van den 22 August. op het vernemen der tijding van de catastrophe der de Witten; (p. 138, 139, 140).
‘Je croyois, Monsieur, attendre, à Mardi, à vous faire sçavoir, par la Poste, qu'il paroissoit deux Factions dans Amsterdam & dans le reste de la Hollande, dont celle, qui se trouvoit composée des plus honnêtes Gens, demandoit la Paix à toute outrance, & l'autre ne souhaitoit que l'élévation du Prince d'Orange; voilà ce que j'en sçavois, par des Gens de croyance, à quoi le Sieur Bernard m'ajoûtoit, que ceux, qui désiroient la Paix, proposoient de donner, au Roi, Mastricht, Fauquemont, Bois-le-Duc & Dalem, et que le reste des Conquêtes seroit rendu au Prince d'Orange, pour le tenir en Fief de Sa Majesté, qui en auroit la Souveraineté; mais la nouvelle de la mort de Monsieur de Wit, que je mande à Sa Majesté, dans la Lettre, que je me donne l'honneur de lui écrire, m'a obligé à dépêcher ce Courier; elle met les bonnêtes Gens, de cette Ville, dans une telle consternation, pour
l'amitié, qu'ils avoient pour lui, qu'ils en sont au desespoir, & je vous assure, qu'à cette heure, ils ne voudroient pas dépendre du Prince d'Orange.’
(P. 139) ‘J'oubliois de vous dire, que, depuis la mort de Monsieur de Wit, j'ai fait insinuër adroitement, avec un air de négligence, que le Prince d'Orange, ayant l'autorité, la Hollande seroit gouvernée par le Roi d'Agleterre, qui en ôteroit le Commerce, comme Amsterdam avoit fait à Anvers.’
‘Quant à celle du 13, l'ayant recuë avant celles du 8 & du 16, je vous mandai, par le dernier Ordinaire, ce que j'avois à vous faire sçavoir, sur ce qu'elle contenoit. L'Ami de Monsieur de Wit m'avoit dit, il y a deux jours, qu'il espéroit, malgré la déendence de l'autre, qu'il ne laisseroit pus de faire agir des Gens, qui pousseroient les choses bien loin pour la Paix, & la vérité est, que Monsieur de Wit retenoit toûjours son Envoyé, jusqu'à ce qu'il pût mander quelque chose de positif, & je crois que c'étoit pour les inondations, que la Faction, dont je vous ai parlé, dans cette Lettre, demandoit la paix.
(P. 140) ‘On vient de me dire, que la mort de Monsieur de Wit fait bien du fracas, parmi les Esprits, & je crois que, si quelques Gens se voyoient appuyés, par des Troupes, qui fissent quelques démarches, peut-être verroit-on du changement.’
En wederom d. 23 Aug. (p. 143).
‘La mort de Monsieur de Wit cause tant de frayeur, à tous ceux qui ne sont pas de la Cabale de Monsieur le Prince d'Orange, qu'ils ne sçavent où ils en sont’1.
over de Gebroeders de Witt, of wel Johan alleen; geschreven, van het Historisch verhaal, van 16771, af,
tot op hun Leven en Dood, door e. van der hoeven1; en van daar weer tot op de Heeren Mr. p. simons en
Prof. m. siegenbeek1, kan ik onmogelijk geven. - Doch men vergunne mij, van het gene mij daaromtrent, en over hen-zelve (bijzonder den Raadpens.) hier en daar voorgekomen is, hier nog het een en ander bij te brengen.
1.) Achter j. oudaans Haagsche Broedermoord, of dolle blydschap, Treurspel, Frederikstad (zoo 't heet); zonder
jaar; komen (althans in den later druk, dien ik gebruike) Aanmerkingen op de beschuldigingen der Heeren de Witten, door denzelven dichter; bepaaldelijk tegen den Reysenden Mercurius van lamb. v.d. bos, 182 bladz. kl. 8o. Doch buiten dien is er een boekjen, getiteld (alleen bij wijze van zoogenaamden Franschen titel; en dus, zonder aanwijzing van drukplaats, drukker, of jaartal): Gedenkwaerdige stukken, wegens den moordt der Heeren C. en J. de Witt; dienende tot opheldering van 't Treurspel, genaamt de Haagsche Broedermoordt, of dolle blijdschap; 50 bladz. kl. 8o. Zij bestaan in den bekenden brief des Scherprechters (waarover bild. hier, bl. 215, v.); in een verhaal (zoo gezegd wordt) van den Zilversmit Verhoeff; en andere van ooggetuigen; - ‘en eenige bijzonderheden, door de Heeren du Vivien, Hop, de Graaf, en anderen, den verzamelaar van deze papieren enz. ‘nopende het geen op dien bloedigen Zaturdag en eenige verdere dagen is voorgevallen, medegedeelt. Deze laetste hebben wy, om haer beter te doen verstaen, aen een geschakelt, zonder dat wy ons geoorlooft dachten, iet anders daer af of toe te doen. Die de geschiedenis van dezen vervloekten dag, van wien 's Lants gevolgde rampen mogelyk hunnen oirspronk namen, eens volkomen dacht te verhalen, kon deze stukken niet ontberen, welke wy heden, uit vreze dat zy verslingeren mochten, ter gedachtenisse van de Heeren de Witt, en tot behulp der Historie, in 't licht geven, uit eene verzameling van de Heere Gerard Brandt, die deze tot behulp van zyn geheugen vergadert en opgetekent had, wiens naem wy met alle reden vertrouwen, dat geen geringe achting voor dezen bundel staet te verwekken.’ En in de daad, het gene ald. bl. 44-46, als uit de notulen van de H.H. Vivien en Hop, voor-
komt, is geheel in den trant als die korte en afgebrokene aanteekeningen, uit de vergaderingen der Staten van Holland, die het grootste deel uitmaken der ‘Geschrevene aanteekeningen van Gerard Brandt, de Nederlandsche zaken betreffende, van 1619-1675, en vooral met betrekking tot den jare 1672. Folio-Portefeuille. (Allerbelangrijkste collectie, gekomen uit de Bibliotheek van Jan Wagenaar:)’ welke verzameling bij de auctie der Handschriften, nagelaten door den Heer j. koning (Catal. I.D. bl. 4. nr. 22) voor ƒ 40 gekocht was door Mr. j. scheltema; en uit zijne boekerij in de mijne is gekomen. En in die notul-bladen, die anders hier, en tot in 1675 toe, schier geen dag overslaan, ontbreken juist de dagen van 20, 21, 22 Augustus 1672 en wordt van den 23sten slechts eene andere kleine nota gevonden: dus ik wel geloof, dat het aldaar gedrukte uit die verzameling genomen is.
2.) Buiten dat Treurspel van J. Oudaen, bezit ik nog twee over dien zoogenaamden Broedermoord: een, getiteld N.V.M. Tragoedie van den bloedigen Haeg ofte Broeder-moort (enz.) t' Hantwerpen gedruckt bij Claas Voorvechter in 't witte Hooft1: vijandig tegen de de Witten en akelige poëzy; doch hunne en der hunnen denkwijze, en aan den anderen kant het mistrouwen en den haat der Gemeente tegen hen, vrij natuurlijk
uitdrukkende; - en een ander, van den zeventigjarigen rijmelaar fredrik duim. Amst. 17441.
3.) Er is een stukje: Het swart Tooneel-Gordijn, opgeschoven voor de Heeren Gebroederen Corn. en Joan de Witt. 1676 (zonder plaats of naam) kl. 8o. 72 bladz. behelzende, eerst een Korte Beschrijving van 't Leven en ombrengen der E.E. Heeren gebroederen C. en J. de Witt (12 bladz.) daarna: Spiegel van Ondankbaarheid en wreetheit, vertoont in de mishandeling van de Heeren Gebroederen de Witten, 72 bladz. alleruitbundigst beklag en lof. Maar in dit verhaal vind ik de bijzonderheid, die ik wel meermalen uit den mond van bilderdijk gehoord had, doch welke niet in zijn geschrift, en ook bij wagenaar en bij de meeste beschrijvers van den moord niet voorkomt; dat J. de Witt, uit de Gevangenis geleid, in plaats van fiks, ferm, en fier, tusschen de reijen door te gaan, achter de Schutters om had trachten heen te sluipen2: bl. 10 (si num.) ‘buy-
ten gekomen zijnde, meende Heer Johan achter, en niet tusschen de gewapende Burgers heen te gaan, maar wierd van eenige aangegrepen.’ - Hetzelfde heeft ook fred. duim, bl. 68, aldus berijmd:
Maar ook j. oudaen in zijn Treurspel geeft dit te kennen (bl. 93).
4.) Dat J. de Witt zijn natuurlijken dood niet sterven zou, was hem reeds vroeg voorzegd. Zie het Leven (enz.) hier boven aangeh. op bl. 237 (en v.d. hoeven, nabij het einde zijns werks). Ook de Heer j. scheltema vermeldt dit ergens in zijn Staatkundig Nederland, en vroeger j. le clerc, Gesch. d. Vereen. Nederl. IV Dl. bl. 230. - Dit kan dan mede aanleiding gegeven hebben, dat (gelijk althans in verscheiden geschriften dier dagen gezegd wordt) J. de Witt, ten tijde van zijn bewindvoeren, meermalen, wanneer men hem tegenwerpingen of zwarigheden maakte, zou gezegd hebben: ‘ik draag op mijne schouders, waarmêe ik altijd afbetalen kan’ (meenende, zijn' kop)2.
5.) In hetzelfde Waerlijk Verhael staat; bl. 15, het volgende: ‘Hier nevens gaet nog een Prente van 't bovenverhaelde alhier voorgevallen, ende alsoo ghy daer in de lucht afgebeeldt sult sien twee Oyevaers, dient tot verklaringe van dien: Dat honderden van menschen eenigen tyd voor de voornoemde voorval hebben ghesien, ettelijcke dagen aen den anderen, twee Oyevaers vliegende van de Voor-poorte, en 't Hof op de Wippe van 't Schavot, ende van daer op 't huys van den Raad-Pensionaris de Wit, en soo wederom van daer op de Voor-poorte, en Wippe in 't ronde, sonder dat men eygenlijck wist wat 't selve te beduyden hadde, Als alleen den Hoogh-duytsen Doctoor helvetius ghenaemt, los uyt seyde, dat de twee Broeders aldaar nog souden verschynen moeten; Waer op doenmael weynigh acht genomen werde.’1. Dat voorspook wordt ook vermeld in N.V.M. Tragoedie van den bloedigen Haeg (zeker een gelijktijdig stuk) tegen 't eind des vierden Deels (d.i. Bedrijfs). Als mede, in een geschreven verhaal, blijkbaar uit die zelfde da-
gen, dat ik bezit: ‘Twe Oyevaers, noyt te voren op de Wip geseten hebbende, hebben eenige dagen voor 't ongeval, dag op dagh te samen haer daer neergeset en twe Raven op 't huis van Jan de Wit.’
6.) (Dat geschreven Verhaal behelst ook deze bijzonderheid nopens de electie van den Griffier G. Fagel tot Raadpensionaris, welke, als men weet, ten eigen dage van die moord geschied was: ‘dat op een nominatie gebracht waren, Beverningk, van Beuningen, Fagel; en de laatste werd verkoren; alzoo Jan de Witt dien uit politieke consideratie zeer aan den Staat had gerecommandeerd.’)
7.) De schrijver van dit MS. verhaal zegt, ‘dat hij maandags na den moord Tichelaar gesproken had: een man lang van persoon, spraaksaam, beleeft en van geen quade educatie. - Hem iets willende vragen, seyde (hy): ick ben liever (d.i. liber) en vrij gekent, ick heb vriend noch maegt onder de Rechters, mijn gemoet is gerust, en leest de sententie; 't is mij verboden voor als nu meer te spreeken.’ Ook in dit gelijktijdig MS. verhaal staat de opmerking: ‘Aenmerckens, dat de twee broeders mosten lijden, ter plaats daer voor desen Buat en de Graef geleden hadden (en dat al dit werk sonder commotie van oploop, toesluyten van huysen en d'een of d'ander gequetst, toegingh).’ -
Doch ook zelfs in het verhaal van dat bedrijf, dat gezegd wordt uit den mond van den medepligtigen Zilversmid Verhoeff te zijn opgeschreven, en uitgegeven is in de Gedenkwaardige Stukken boven aang. en ook gebruikt door v.d. hoeven, getuigt deze Verhoeff, dat toen het scheen als of men den Raadpens. reeds op de Gevangenpoort-zelve wilde om hals brengen, dit door hem Verhoeff belet werd; zeggende: ‘mannen! de schelmen moeten publyck sterven, soo als sy den goeden
Buat, die 't soo wel met den Prins en 't Lant meynden, hebben gedaen, soo oock den onnoselen van der Graeff, die beyde op 't schavot sijn gestorven, en soo sullen sy oock doen.’ - Kortom, weinig zaken in onze Lands-geschiedenis schijnen mij zoo naauw en zoo blijkbaar als oorzaak en gewrocht samen te hangen, als het ter dood brengen van Buat en J. de Graeff, en van de de Witten: - en dat dit laatste niet door het Haagsche graauw, maar door de Schutterij, d.i. de gewapende Burgerij, gepleegd is, getuigt de in dezen geloofwaardige Schrijver van 't Grondig Berigt van 's Lands ongeval, v. 98, bladz. 90: ‘Het waren de Burgers, en niet rapaalje, die na eenige uuren in de wapenen gestaen te hebben, als met bedaerde zinnen den moord uitvoerden.’
8.) Afgrijsselijk en walgelijk is onder de pamfletten van die dagen en te dier gelegenheid, het getitelde: ‘de Hel in roeren, ofte de verslagenheidt ende schrick van de onderaardsche Geesten, op de aankomsten van de twee geanatomiseerde Hollandsche Princen, alias Jan en Kees de Witt.’ 1672. Doch zonderling is de traditionele gemeenheid en wreedheid in de zinnelijke voorstelling der helsche pijnigingen der zielen na den dood: want dezelfde verfijnde wreedheid van verbeelding komt voor in Tundali visioen, in het Speculum historiale van vincentius bellovacensis, uit de 13de eeuw1. En dat vele onzer Schrijveren, nog in de
laatste helft der 17de eeuw, in beschaafden smaak het niet verder gebracht hadden dan die middeleeuwsche schrijvers, bewijzen overbeke, focquenbroch, sal. v. rusting, s. de vries, enz.
9.) Nagedachten over het eeuwgetijde van het jaar 1672 benevens een net verhaal van de dood der Heeren Jan en Corn. de Wit op den 20 Augustus deszelven jaars, uit echte stukken bij één verzameld en op eene onpartijdige wijze in Dichtmaat gebracht, door j. mars. gr. 8o. 22 bladz. Niets bijzonders; maar elendige rijmelarij.
10.) Mr. J. scheltema zegt in zijn Staatk. Nederl. II D. bl. 510, Aant.: ‘onlangs hadden wij gelegenheid om eenen meesterlijk geschrevenen brief van o.z. van haren te lezen, over het karakter van Johan de Witt. Ons bestek gedoogt geene geheele inlassching en daar wij in alles met hem niet instemden, geene wederlegging. Deze beklaagde zich bijzonder, dat bij den brand van het huis te St. Anna een brief van Willem van Haren [den ouderen] verloren was, waar in zeer vele kleine bijzonderheden aangaande de Witts leefen handelwijze gevonden werden. Van Haren (O.Z.) herinnerde zich nog eenige.’ - Deze worden dan daar vermeld, en verdienen daar nagezien te worden; doch uit dat werk, dat in aller handen is, mag ik ze hier niet uitschrijven. Maar hoe gaarn hadden wij den brief van o.z. van haren zelf, en zijne beoordeeling van het character van Joh. de Witt; vooral ook, waar de Heer scheltema er niet mede instemde! Ik
heb welëer dezen geleerden Vriend gebeden, dien brief nog uit te geven in zijn Mengelwerk; waar die volkomen op zijn plaats geweest was (en waarbij de Heer S. dan zoo veel refutatie of tegenspraak voegen kon, als hij zelf wilde). Doch - S. had geen afschrift van den brief genomen; en scheen den brief niet te kunnen terug krijgen, of niet te willen vragen; en meldde mij niet, van waar hij hem gehad had. - In het belang onzer Geschiedkunde roep ik den bezitter op, en verzoek hem, dien geheelen brief aan mij ter uitgave te willen afstaan, of op andere hem verkieslijker wijze algemeen te willen mededeelen.
11.) Om inmiddels eenigermate, en zoo ver ik vermag, het Publiek voor dat gemis schadeloos te stellen, geve ik hier, uit een oorspronkelijk Handschrift, onder mij, en als wettig eigendom berustende; aanteekeningen van een voornaam Hollandsch Staatsman van de 18de eeuw, gelijktijdig aan o.z. van haren, niet min aanzienlijk en Staatkundig, en in de Hollandsche zaken nog kundiger, dan hij1; de beide artikelen over Cornelis en over den Raadpens. de Witt, letterlijk zoo als ik ze er vind: - ‘Raadp. de Witt. Op de administratie van de Wit zijn verscheiden Critiques te maken: - onder anderen komt tot sijnen lasten:
1o. Het verlies van Brasil a. 1654: een soo notabelen tak van de Commercie, dat met het missen van dezelve, millioenen syn verlooren.
2o. Het versuymen van besetting te leggen in Munster. Het was in dien tijd met Munster gelegen, als nu met Embden. Die van Munster waren geneegen
besetting in te neemen van den Staat, en lieten hetselve aanbieden aan de Republicq. Het interest was ongetwijfeld, dit aanteneemen. Maar de Raadp. de Wit wees dit van de hand. De reeden daarvan gegeeven, was deese. De Swager van de Raadp. de Wit, was den heer van de Graaf Heer van Zuidpolsbroek. Deese had gereyst met den Bisschop van Munster in Frankrijk, en groote vriendschap met hem gemaakt. Om nu den Bisschop niet te desobligeeren, moest het interest van de Republicq gesacrifieert worden.
3o. De Acte van Seclusie van Cromwel bedongen, teegen het nageeven van de Acte van navigatie, bij het Tractaat van 1654. Siet de Propositien van Friesland van die tijd.
4o. De Conduite met relatie tot Carel II.
5o. Het Tractaat met Vrankrijk a. 1662.
6o. Het groot vertrouwen van de Wit op Vrankrijk, selfs na de Triple Alliantie.’
12.) ‘Cornelis de Witt. Dat den Ruwaart op den pijnbank is gebragt, komt voor als een ongehoorde wreedheid: maar het sal minder surpreneeren, als men considereert, 1o. dat zijn Crimen in die tijd gehouden wierd als een Crimen laesae majestatis. 2o. Dat hij vacilleerde in zijn verhoor met te ontkennen dat hij Tichelaar nooit gekent had; en 3o. dat een getuige in facie op een eed hem beschuldigde: en als men daar teegen confronteert, wat de Crimineele-ordonnantie vordert om te komen tot de torture: want dezelve, niet alleen de torture gebied, om de confessie te hebben, als een Regter in zijn gemoed overtuigd is: maar ook in supplementum probationis; seggende een halve preuve met eenige indicien.
Ik heb Mijnh. de Griffier hooren verhalen, dat hem voorstaat, op den dag dat de Witten gemassacreerd
zijn, eerst 5 à 6 schoten op de Poort gehoord te hebben; doen iemant gesien te hebben, “die een vinger had: en seide, dat is een van de vingers daar 't Edict mee gesworen is: als meede, dat op dezelve dag des avonds om 7 uuren alles in zoo grooten rust in den Haag was, als of er niets was gebeurt, en zulks terwijl de de Witten nog aan de wip hingen.’
13.) De Mémoires van den Franschen Diplomaat (of Intriguant) de gourville1 behelzen menige belangrijke plaats voor de Nederlandsche geschiedenis, tusschen 1665 en 1684. De schrijver had veel in Holland, vooral ook met Montbas en Prins Willem III omgegaan. Hij was ook bij J. de Witt geweest; doch niet te vreden over dit bezoek: en beroemt zich nu, dat hij de Witt zijn' val, en ons den Franschen oorlog van 1672, berokkend heeft. Het eerste, door bij het Congres te Breda de Engelschen, wien die vrede afgeperst wierd, een echt Machiavellistischen raad te geven, hoe zij hun wrok en wraak aan J. de W. zouden kunnen koelen; hem door vleijerijen eerst losser makende van Frankrijk; om aldus de gunst van Lod. XIV, die hem droeg, in misnoegen en wrevel te doen veranderen. (T. II. p. 7, 8, 13-17, 63, 64, 150.) - Het laatste, doordien hij opgemerkt, en aan het Fransche Hof (alwaar men het eerst ongelooflijk vond) ontdekt en bewezen had, het misbruik bij het leger van den Staat bestaande, van op de monsterrollen, een groot aantal manschappen en paarden te laten brengen, die niet aanwezig waren: wier soldyen door het land betaald, maar door de Of-
ficieren geprofiteerd werden; die slechts zorgden bij de officieele monsteringen de regimenten voor dien dag volledig te hebben. (T. II. p. 60-63.) - Meer uit dezen Schrijver zal ik moeten bijbrengen tot de geschiedenis van Willem III.
14.) J. de Witt had uit zijne eigen beurs een jaargeld van ƒ 200 geschonken aan den kundigen, schranderen, diepdenkenden, maar armen Philosooph b. de spinosa; die op zijn handwerk leefde, gelijk in de 18de eeuw j.j. rousseau. Hij schijnt zelfs daarvan een acte gepasseerd te hebben, en de Graaf de boulainvilliers, in zijn Leven van spinosa (p. 67)1, verhaalt daaromtrent eene bijzonderheid, die den Wijsgeer, en ook de familie van de Witt, eer doet: ‘La conduite qu'il (Spinosa) tint après la mort fatale de M. de Witt est une nouvelle preuve de son desintéressement. Cet Illustre Ministre lui avoit assuré une pension de deux cens florins; il montra le seing de son Mècene aux héritiers de M. de Witt, qui faisoient difficulté de la lui continuer. Spinosa le leur remit entre les mains avec autant de tranquilité, que s'il avoit eu d'ailleurs des fonds considerables. Cette maniere desinteressée les fit rentrer en eux-mêmes, & lui accorderent avec joye ce qu'ils venoient de lui refuser.’ - Meer bekend is het, dat Spinosa, gedurende het verblijf der Franschen te Utrecht in 1672, derwaard genoodigd,
door Stouppa en den Hert. van Luxemburg-zelf zeer beleefd onthaald, en er vrij lang opgehouden is; en, na het ombrengen der de Witten in den Haag teruggekeerd, in groot gevaar over die expeditie naar den vijand geweest is1. - Ik heb al gedacht, of hij ook die geheime onderhandelaar voor de Witt bij den Hertog van Luxemburg, waarvan boven bl. 230-234, kon geweest zijn? Doch dit kan niet wezen. 1o. Omdat Spinosa naar Utrecht verzocht was, toen de Prins van Condé aldaar nog commandeerde, (ofschoon 't onzeker is, of hij dien er nog aangetroffen heeft); de opening nopens dien Agent eerst aan den H.v. Luxemburg gedaan is: 2o. en vooral, om dat, indien de onderhandeling eenigzins gevorderd was, J. de Witt aan dien persoon eene openlijke zending door de Staten aan Koning Lodewijk had zullen doen opdragen (p. 232); waar toe Spinosa toch wel niet in aanmerking kon komen.]
is de Histoire militaire du Duc de Luxemburg, contenant le détail des Marches, Campemens, Batailles, Sièges et Mouvemens des Armées du Roi, et de celles des Alliés en Flandre: - par le Chev. de beaurain1; welke mij uit de Koninglijke Bibliotheek in 's Hage gunstig ter inzage verleend is2. Ik meende aldaar veel te vinden over het jaar 1672, doch vond er bijna niets. Want T. 1, gaat over de Campagne de 1690; T. 2, over 1691; T. 3, over 1692; T. 4, over 1693, T. 5, over 1694. Maar het laatste gedeelte (T. 6) behelst: Mémoires pour servir à l' Histoire du Marechal Duc de Luxembourg, depuis sa Naissance en 1628, jusqu' à sa Mort en 1695. Hierin is iets over 1672 en 1673; doch in 6 pag. (22-28) en bijkans alleen over de affaire van Woerden (z. bov. bl. 235). Maar in dat Deel is opmerkelijk p. 36-38, de verdediging van den Hertog, door hem zelf geschreven, toen hij in 1679 in de Bastille zat, (alwaar hij maanden lang gezeten heeft,) onder beschuldiging van overspel, vergifmengerij, en tooverij! Van 1678 tot 1690 is hij buiten emplooi geweest; doch toen weer aangesteld zijnde, heeft hij in zijne laatste levensjaren zijn' Koning nog goede diensten gedaan. ‘Sa mort fut le terme des victoires de Louis XIV,’ zegt het Nouv. Dict. Histor. in V.3.
aanzien van de Boeren is het quaestieus hoe ver zij de Dorpen verdedigen mogen; zoo ver als tot den ingang van het dorp, of verder? maar geen boeren mogen tegen militairen optrekken. De Balliuw van Nieuwkoop meende zich wel te kwijten; want hij was noch militair, noch publicist: maar het was dus niet vreemd dat Luxemburg de dorpen verbrandde; maar de wreedheden, die zelfs bij de Spanjaarden geen plaats hadden, waren onvergeeflijk).
Over de Evocatie. Quid sit? ubi locum habeat?
Scilicet in denegatione Justitiae
- depravata Justitiae administratione.
Quatenus apud nos recepta? - 't geval van Woubrugge.
Quod an applicandum ad militares?
Tandem, de qualiteit des Princen hier in.
(V. Verba Cassii apud tacitum, omne magnum exemplum habet aliquid ex iniquo, sed quod publica utilitate compensatur.)
[Het is te begrijpen, dat het missen van een zoo schoone kans, om den Hertog van Luxemburg benevens een gedeelte van zijn corps in handen te krijgen; waarvan de gevolgen onberekenbaar konden geweest zijn - den Prins van Oranje woedend van spijt maakte: doch dit kon hem geen recht geven om het vonnis tweemaal te casseren. Maar 1. de aftocht van Painet Vin had te meer den schijn van verradelijke verstandhouding, althans begunstiging zijner Fransche broeders, om dat toen Luxemburg zich op marsch begaf, de dooi reeds was begonnen, en P. et V. dus had kunnen berekenen van hoeveel gewicht zijn welversterkte post, tegen een corps dat zonder geschut aankwam, zou kunnen zijn om den terugtocht af te snijden. 2. Het
schijnt in de daad, dat er thans een straf-exempel en een schrikbeeld noodig was, om door den indruk op onze Officieren (meestal nog creaturen van de Wittiaansche factie) gemaakt, terug te werken op de Franschen. De Schrijver van de Campagne de M. le Prince de Condé en 1674, de Chev. de beaurain, erkent (in zijne boven bl. 228, v. reeds aangeh. Introduction,) ‘dat de Hertog van Luxemburg, dien stouten tocht over 't ijs, die hem tot Leiden en den Haag had kunnen brengen, niet had zullen ondernemen, indien hij niet gerekend had op de lafhartigheid der Hollanders; en dat zijne retraite, die nu nog ter naauwernood gelukte, uiterst bezwaarlijk (dat zal wel zijn, onmogelijk) zou geweest zijn, buiten de lafheid van den Commandant van de Nieuwerbrug (Brood-wijn, gelijk hij den naam getrouwelijk vertaalt; - misschien, om te verbergen dat het een Franschman geweest zij)1.’
[Zijn geval is breeder beschreven bij wagenaar. Van zijn werk de l' Ambassadeur is de beste uitgave, met verscheidene vermeerderingen, in twee deelen in 4o. te Amsterdam 1746. Dat werk is duidelijk en volledig, en telkens met voorbeelden uit de geschiedenis opgehelderd: doch alzoo wicq. zich ook tot de Ambassadeurs rekende, en hun recht in zijn persoon geschonden achtte, wel wat partijdig voor de Gezanten. Van zijne, geheel (en men mag zeggen authentiek-) Wittiaansche Histoire des Provinces unies des Pays-Bas was de druk reeds aangevangen in 1670, doch bleef steken na zijne gevangenneming in 1675: en het eerste Deel kwam eerst in het licht in den Haag 1719; het tweede ald. 1743, fol. en zij brengt ons slechts, van omstreeks 1648 (den vrede te Munster,) tot het begin van 1658. Doch het vervolg bestaat in handschrift, tot 1672, ja in zeer enkele exemplaren tot het begin van 16761.
De geleerde jacques basnage, Fransch Predikant in 's Hage, heeft zich, in zijne Annales des Provinces Unies, die beginnen met de vredehandelingen van Munster, en eindigen 1678 (2 Vol. fol. 1719 en 1726), veel van wicq. en ook van dat onuitgegeven gedeelte bediend. De Heer van wyn haalt dat mede aan in de Bijvoegs. op het XIV en XV Deel van wagenaar; doch erkent 's mans verregaande partijdigheid. - Ook basnage, in de voorrede zijner Annales, erkent die hatelijkheid uit wraakzucht en verbittering ten gevolge zijner veroordeeling tot een eeuwigdurende gevangenis, onder welke hij het laatste gedeelte zijner geschiedenis schreef. Als twee andere redenen, waarom dat vervolg toen reeds niet meer in het licht gegeven kon worden, voert basnage aan, den veranderden en ongekuischten stijl, en de onvolledigheid van het toen geschreven werk, wegens zoo veel dat naderhand eerst beter en vollediger bekend geworden was.
Hier tegen over staat evenwel, 1) dat de Geschiedkunde recht heeft op alle bestaande documenten (Voorr. bij het I.D. dezer Geschied. bl. xvi.) 2) dat een geschiedverhaal gelijktijdig beschreven door een bekwaam man, mede onder de bronnen der geschiedkunde geteld kan worden: welke nieuwe bijdrage men dan natuurlijk 3) nemen moet, in stijl en partijdigheid, zoo als ze zich bevindt. - Zoo dat, indien het Publiek de uitgave bekostigen wil van het nog ongedrukte gedeelte van wicquefort, ik bereid ben, als tegenwicht (voor dat in dezen belangrijk gedeelte) aan bilderdijk, en ten bewijze mijner personeele onpartijdigheid, die te bezorgen met dezelfde trouw en ijver, als ik aan dit werk van bild. betoone. Twee vijfde van het geheel ziet nog slechts het licht: evenwel, alzoo hier de zeer omslachtige Documenten wegvallen, die ver het
grootste deel der beide folianten der uitgegevene Historie vullen, zou één deel in folio, of 6 à 8 in gr. 8o, dit vervolg, over de achtien gewichtige jaren van 1651 tot 1676, kunnen bevatten.]
[De stukken van dit proces zijn uitgegeven door Mr. j. scheltema in het II D. 3 St. van zijn Mengelwerk: de Eisch en Conclusie van den Fiscaal Mr. joh. ruysch tegen P. de Groot, bl. 21-52; het Dupliek van Mr. s. van middelgeest, bl. 53-222; en de absolutoire Sententie, bl. 223, 224. - Vooraf een Latijnsche brief van p. de groot aan Prof. Ph. van Limborch, geschreven uit Antwerpen, d. 17 Maart 1673, met de vertaling. - Dat pleidooi van S. van Middelgeest, wordt door den Heer scheltema (en door anderen op zijn voetspoor en gezag) gegeven voor een belangrijk blijk en overblijfsel van de welsprekendheid voor de balie, bij ons voorgeslacht. De uitmuntende Rechtsgeleerde en Advocaat Mr. j.d. meyer, heeft in eene openbare zitting van de Tweede Klasse van het Kon. Nederl. Instituut (in 1826) gezegd, ‘dat dit pleidooi meer den slechten smaak des tijds dan de echte welsprekendheid doet kennen’1: En voorzeker, het stuk is vol van bargoensche Stadhuisof praktizijns-woorden, en de toon zoo heftig en vinnig, als thans een fatzoenlijk Advocaat zich schamen zou tegen een Collega, en zich wel wachten zou tegen
den Procureur- of Advocaat-Generaal bij het Hooge Gerechtshof, te pleiten.]
(Door het weigeren of verleenen van den titel, dien de Fransche Koningen gewoon waren aan de regeerende Hertogen van Lotharingen te geven, betwistte of erkende Lodewijk het recht van opvolging van dezen Prins, die nog niet had geregeerd, maar wiens onmiddelijke voorzaat hij uit deszelfs Staten had verdreven.)
Iets, over de verdenking van den Prins, dat hem de vrede wel reeds bekend zou zijn geweest.
De grond daar van: dat hij tegen de vrede was.
Dit is een assumtie in facto, die buiten geschil is.
Maar 't Enthymema onderstelt een thesis fundamentalis:
En deze kan om tot die Conclusie te komen geen andere zijn dan,
| Universaliter: | al wie tegen een vrede is, schendt ze moedwillig en
opzettelijk, tegen eer, eed, en plicht. En die deze thesis stelt, advoueert, dat hij het zou doen; en toont zich derhalve een booswicht, zonder eer of geweten. - En in zoo verr' concludeert de Loevesteinsche partij juist. |
| of | |
| Particulariter: | de Prins (individueel) is de man, om, met verzaking van eer, eed, en plicht, een gesloten verbond, dat niet naar zijn genoegen is, feitelijk te schenden en te verbreken. |
En deze Major strijdt zoodanig tegen 's Prinsen karakter, die bij uitstek kiesch was op 't punt van eer en goede trouw, dat zij, die ze voort durft brengen, tegen 't voorhoofd springt.
[Gourville, in zijne Memoires1, legt den Prins een hoogst ongepaste en lichtzinnige taal ten opzichte dezer zaak in den mond, wanneer hij aldus schrijft: ‘Je lui dis ensuite