Thands gaan wij over tot een tijdperk, dat als het blinkendste geroemd wordt, dat onze Staat ooit gehad heeft, maar zeer te onrechte als een aanbeveling voor de Stadhouderloosheid aangevoerd wordt, dewijl al die luister, al die bloei, en geheel dat aanzien der Republiek, niet anders dan het gewrocht en gevolg was van de maatregelen door Willem III genomen, de bondgenoodschappen, door hem gevormd, en de gebeurtenissen door hem voorzien en voorbereid, terwijl men in zijne ontwerpen en maatregelen volhardde; doch ook ten gevolge van dien met het ontvallen en voorbijgaan van die gronden en steunsels welke zijn verstand of gebruikt of geschapen had, een geweldige slag en vermindering lijden moest, om dat hy door niemand vervangen werd; en van langzamerhand tot beschaming, verachting, en ondergang der Provinciën strekken moest, en dit meer, en in 't oog stralender, naar mate de Aristocratie machtiger, beter georganiseerd, en trotscher wierd.
Op den Engelschen throon werd Koning Willem gevolgd door zijne Schoonzuster, de Prinses Anna; maar hij had niet lang voor zijn dood, vruchtloos
moeite gedaan, om zijne Stadhouderschappen en de waardigheden daar bij op den Prins Stadhouder van Friesland en Groningen, zijnen Neef, dien hij ook tot zijn Erfgenaam had gesteld, te doen overgaan. En na zijnen dood was men daar niet beter toe gedisponeerd. Want hoe zeer men oprecht doordrongen was van Willems persoonlijke groote hoedanigheden, hoe zeer men een ongemeen ontzag voor hem had, en hem waarlijk (over het geheel genomen) verknocht was, zoo wel als men een onbepaald vertrouwen in hem stelde, en met een oprecht gevoel zijn dood betreurde, het Stadhouderschap op zich-zelfs heeft nooit aan heerschzuchtige Magistraten kunnen behagen, maar was hun uit den aart der zaak-zelve hatelijk.
Wat zijn uitersten wil betreft, deze werd een daadlijk voorwerp van geschillen, zoo hier als in Duitschland en Frankrijk. - Fredrik Hendrik naamlijk had bij testament geordineerd en beschikt, dat bij uitsterven der linie van zijnen zoon Willem II, die van zijne dochter, welke [gehuwd was] aan den Keurvorst Fredrik Willem (den Groote) van Brandenburg, haar vervangen zou, en uit deze was Fredrik, nu de Iste Koning van Pruissen, die hier uit zijne aanspraak oordeelde te mogen afleiden. Van den anderen kant had de Prins J.W. Frizo (afkomstig uit eene andere dochter van Fredrik Hendrik) nu 15 jaren oud, het testament van den onmiddelijken Erflater voor zich; en hier uit ontstonden processen voor den Hove van Holland, zoo wel als eigendunklijke in bezitnemingen van den Koning van Pruissen zelfs hier te lande, waar men zeer meê verlegen was, en
waar in H.H. Mog. bij Koning Willem tot Executeurs gesteld, een vrij sober figuur maakten. - Dus bemachtigde hij de Graafschappen Meurs en Lingen, en stelde zich in de possessie van 't Oude Hof in den Haag, eigende zich de Heerlijkheid van Naaldwijk enz., welke sedert aan Willem V, bij zijn minderjarigheid, door een tractaat met Fredrik den II, te rug zijn gekomen, en was te moeilijker in te binden, naar mate hij meer roem- en praalzuchtig was en vermeerdering van tytels en heerlijkheden hem bijzonder ter harte ging.
't Zal niet noodig zijn, hier in detail van dit alles te treden, maar 't verdient de opmerking, dat behalven deze twee petitores hereditatis [opeischers der erfenis] er nog een derde uit den hoek kwam schieten, die zich op een testament van Filip Willem van Oranje grondende, aanspraak op Oranje en op verscheidene heerlijke goederen hier te lande kwam maken, en een fransch Advocaat zond om de in- en opgezetenen den eed voor hem af te nemen. Dezelfde die ook wegens Nassau-Siegen, het geen na den dood van Hyacint van Nassau, bij gebrek van idonei possessores [geschikte bezitters] uit zijn tak aan de nu vereenigde linie van Nassau-Dillenburg en Nassau-Dietz viel, voor de Rijkskamer proces institueerde, het geen eerst door Willem den V gewonnen is.
Deze was een ondergestoken kind, of liever een bastert der Gemalinne van een afkomeling van evengemelden Hyacint; waar van de geschiedenis merkwaardig is. [Z. de Opheld.]
Naderhand als in 1703 quasi uit hoofde van een afstand van den Prins van Conti, Frankrijk weêr bezit
van Oranje nam, vluchtte het geheele Parlement van dat Prinsdom naar Fredrik, wien zij, als opvolger van Willem den III uit krachte van Fredriks Hendriks testament, aanmerkten. En hij deed ze allen, gedoscht in hun scharlaken Konings-tabbaarts met hermelijnen kragen (hoedanige door geheel Frankrijk de Parlementsleden en Presidents à mortier, droegen) in processie binnen Berlijn intrekken en ontfing ze dus; het geen de gelukkigste dag van zijn leven was. Hij gaf ze een vergaderplaats, deed ze wetten maken, hem aanbieden, en bij bevestigde ze met zijn Princelijk gezag, en procedeerde daar tegen de achtergebleven amptenaren en de nieuwe die Lodewijk de XIV aangesteld had, even als of het in 't Prinsdom zelf was; en met dat kinderspel vermaakte hij zich en verkneukelde zich even zoo goed als Lodewijk de XIV wanneer die op het Theatre de Paris in het Tooneelgewaad van Mars met een weluitgedoschte Venus een pas de deux danste. Zijne goede Gemalin zuchtte daarover, en haalde de schouders op over duizend diergelijke dwaasheden van nietige prachtvertooning, die millioenen kostten, maar 't hielp niet; en zijn opvolger (als Koning Fredrik Willem de I), die van niets dan pijp rooken en bier drinken hield, en daar bij van lieden van niet minder dan 5 voet en 10 duim, vond deze Heeren te klein van statuur om ze in zijn Pruissische garde in te steken, en liet dit Parlement uitsterven. - Naderhand in 1713 deed Fredrik Willem afstand van Oranje tegen eenige plaatsen in 't Overkwartier van Gelder, onder voorbehouding van den tytel, en 't recht om een stad of landschap tot een-
Prinsdom te verheffen onder den naam van Oranje. - Hij stond dit recht naderhand in 1732 af aan Prins Willem IV, en in 1754, als Fredrik II aan Prins Willem V, toen minderjarig, alle de goederen die hij uit vorige verdeeling in Holland en de Republiek bezat, voor ƒ 1700,000 verkocht, deed hij tevens afstand van alle recht, alleen 't gebruik van den tijtel zijn leven lang behoudende; en sedert dien tijd (namelijk na de dood, van Fredrik II,) erkenden de Franschen het Huis van Oranje en Nassau in dezen tijtel weêr, en niet eerder. [Z. de Bijvoegs.]
Zoo veel van de bijzondere opvolging in 's Konings nagelaten goederen en rechten. Wat die in zijne openbare hoedanigheden betreft; op den throon van Engeland, Schotland en Ierland volgde hem (als gezegd is) Prinses Anna, die gehuwd geweest was aan den reeds overledenen Prins van Denemarken. Het was een vrouw van een vrij twijfelbaar karakter, en niet gemaakt om een Koninklijken zetel met waardigheid te vervullen. Haar verstand was bekrompen, haar geneigdheden waren laag, en zoo ook was de tournure van geest die zij altijd aan den dag gelegd had; vol van commèrages en nietige intrigues, en licht meê te sleepen door wie maar wilde. Deze trempe van ziel had haar al vrij spoedig in de ongenade van Koningin Maria gebracht, en van Koning Willem zelf, die haar door haar nietsbeteekenendheid als eenigzins gevaarlijk aanmerkte, maar zich spoedig na de dood zijner Gemalin met haar verzoende, en haar ongemerkt in het oog wist te houden. Zij was echter steeds aan die onmin gedachtig, en van daar
dat zij, zoo dra zij 't slechts vermocht, al wat de gunst van Koning Willem gehad had van ambten en invloed ontzette en zelfs vervolgde. Geen Koning van Engeland heeft zoo veel openbare standbeelden ter zijner eer verkregen als zij, en niemand heeft ze ooit minder verdiend. Bij haar komst tot den throon, waren de Whigs in 't bewind; naderhand bracht zij de Torry's in de regeering, en van daar dat zij toen met de geregelde opvolging van het Huis van Hanover te onvreden was, en zelfs naar den Praetendent begon te neigen. In haar toenmalige gesteltenis, door den drank zeer verzwakt van hoofd, deed men haar alles doen, door middel van een vrij gemeen wijf, dat met haar beurtelings dronk, keef, verzoende, en haar tot alles wist te brengen.
Doch brachten weinige jaren haar tot dezen verachtelijken toestand, bij Willems dood was zij verre van zoo vervallen te zijn, en zelfs had zij toen nog energie; zoo niet van een Heldin of Koningin, ten minste van een vrouw, bij wie stijfhoofdigheid een der hoofdtrekken maakt. Zij geliet zich gezind te zijn, en zij was het in dat oogenblik ook inderdaad, om de maatregelen van haar voorganger te volgen en door te zetten. Hier van verzekerde zij onzen Staat, en zij bevestigde den Hertog van Marlborough en zijne aanstelling kort voor Willems dood gedaan, tot Generaal over de Britsche krijgsmacht; die ook eenige jaren haar gunsteling werd door middel van zijne Gemalinne, die bij de Koningin uitermate wel stond.
Dat Willems waardigheden hier te lande afgeschaft werden, en besluit viel om zonder Stadhouder te
vegeeren, vloeide uit den aart der zaak voort, en behoeft ons derhalve niet op te houden, daar wij toch al het gene daarover ter Hollandsche Staatsvergadering, in de stedelijke Vroedschappen en tusschen de Provincien voorviel, niet ophalen kunnen, hoe belangrijk ook, om de karakters en wijze van denken in de toen regeerende personen te leeren kennen.
Dit ging echter niet toe, zonder alle opschudding, waartoe in verscheiden steden het bestel op de Regeeringen, nu door de Stadhouderloosheid vervallen, gelegenheid gaf, doch waarin de Staten als Souverain tusschen beide kwamen. - Om den voortdurenden geest der stedelijke Regeeringen te leeren kennen, heeft men slechts noodig op te merken, dat die genen, die onder Willems bewind uit de Regeeringen gezet waren, voor zoo verre zij nog bestonden, dadelijk weder in hun Regentschappen hersteld werden, zelfs de veroordeelde gebannen en geschandvlekte personen, als Westerwijk van Goes, niet uitgezonderd. 't Geen deels door de Stedelijke regeeringen-zelve en met goedvinden van hun Ed. Gr. Mog., deels (quasi) door de Schutterijen geschiedde, die men daar toe wist op te maken, en nu aan het fabeltjen van vrijheid zonder een Vorst aan het hoofd, geloof gaven.
Maar hadden de opschuddingen in Holland niet veel te beduiden; in Gelderland inzonderheid borsten zij tot volkomen opstanden uit, die met de vreeslijkste gevolgen dreigden. - De Staten van Gelderland gaven daar aanleiding toe door de Magistraats-bestelling in de Steden aan die Magistraten zelven te geven.
Dit bracht tevens Prins- en Tegenprins-gezinden in roer. De Prinsgezinden, door dat dezen, van zulk een verfoeilijke perpetueering van heerschzuchtige en door niemand in toom gehouden Kollegien, niet dan de verstgaande onderdrukking en willekeurigheid te gemoet zagen: de Tegenstadhoudersgezinden, omdat zij zich voorstelden, dat de genen, die door Willem III uit de Regeering geschopt waren (zoo noemde zij 't) nu even als in Holland, dadelijk weêr op 't kussen zouden geraken; hetwelk door een eigen regeerings-bestelling, waarin natuurlijker wijze ieder der nu Regeerenden zijn vrienden, verwanten, en aanhang zou brengen, en waarin niemand zijn vijanden brengen zou, volstrekt afgesneden wierd, en ook al de genen die lang te vergeefs op de Regeering gevlamd hadden, en de werkelijke Regenten getracht hadden den voet te lichten, noodwendig van alle verwachting vervallen deed. Daar kwamen ter wederzijde bijzondere sustenuen bij. De eene partij beweerde, dat aan Willem III geen macht tot aanstelling der Magistraten gegeven was geweest dan voor eens, terwijl hij het echter jaarlijks en dus zonder concessie, en derhalve milliter [onwettig en nietig] gedaan had. Anderen begrepen, en trachtten dit begrip met alle kracht te doen gelden en door te drijven, dat alle regeering door de dood van Willem III ontbonden en te niet was, dewijl zij slechts uit krachte van zijn aanstelling en mandaat bestond, en 't mandatum morte mandantis perimitur1; zoo dat geheel Gelderland wedergekeerd
was tot den primitiven staat van regeeringloosheid, en alle en een ieder nu gerechtigd, ja verplicht was, om met de overigen in massa te vergaderen, en zich een regeerings-form, en regeerings-personen te kiezen. In 't Kwartier van Nymegen begon dit weldra. De Gemeentslieden in de eene Stad, de Gilden in de andere, en elders de massa der Burgers of Gemeenten, kwamen samen, zetten Burgemeesters en Schepens en Raden, en hoe 't heeten mocht, af, kozen en stelden anderen aan.
Dat dit niet met de andere Kwartieren geconcerteerd was, bedierf dit Democratische spel. - De Wethouders in de andere Kwartieren beriepen den Provincialen Landdag te Arnhem, om nu door het Souverain gezag der geheele Provincie1 deze troublen te stuiten. Maar die van het Nymeegsche Kwartier, en de Stad-zelve, waar de Landdag moest gehouden worden, die men willekeurig en, tegen de wet, naar Arnhem beriep, protesteerden tegen al wat te Arnhem geschieden zou, en verklaarden het wetteloos en nul.
Niettemin zonden de Arnhemsche Staten Gemachtigden met een bende Ruiters naar het Kwartier van Nymegen, bezetten Nymegen zelf, en herstelden de oude regeeringen. Maar de Regenten door of van wegen de Gemeenten of Gilden aangesteld, hadden de Burgerijen zich bij geschrifte doen verbinden om hen te handhaven, 't geen het herstellen en bewa-
ren der rechten van de Burgers heeten moest. Zij deden bezendingen naar Middelburg (altijd woelig en ook nu vol bewegingen en waar men een soortgelijk spel gespeeld had), en de Gemeentsluiden van Nymegen riepen de Staten van Holland in, om de zaak als onzijdige Arbiters te beslechten. - De Staten Generaal daar tegen waren door de Arnhemsche Staten ingenomen, en keurden 't gebruik dat van 't krijgsvolk tot herstelling der oude Magistraten gemaakt was, volkomen goed. Dit, en dat de afgevaardigden der Provincien ter Generaliteit meestal Prinsgezinden waren, bracht Holland tot temporiseeren; onder voorbehouding echter van de kans weldra waar te nemen, om Gelderland naar de hand te zetten, en 't werkte onder de hand om de vrijheids-partij te sterken, die derhalve al verder ging. Men noemde deze Democraten, van den nieuwen plooi; en de oude nu met geweld herstelde Regenten en hun aanhang, die van den ouden plooi; en onder deze benamingen borst men tot nieuwe feitelijkheden uit. [Z. de Bijvoegs.]
Het jaar der Regeering was verloopen en de tijd der jaarlijksche Magistraats-verandering daar; als de Gemeente van Nymegen de oude Regenten andermaal wegjoeg, en haar eens geinstalleerde Regenten andermaal op 't kussen zettede, jure (quod aiebant) suo1. En op dat zij niet weer manu militari gedepossedeerd mochten worden, vormde de Burgerij hun een lijfwacht, bestaande uit twee Compn. Vrijwilligers, die restituta Libertas [de her-
stelde Vrijheid] in hun vaandels voerden, en de Stad braaf in 't rond trokken. En daar dit nu goed ging, werd ook weldra te Tiel een evengelijke verandering van regeering gemaakt.
Zoo verr' kon het niet komen, of de brand moest naar de andere Kwartieren overslaan. In Arnhem zocht de Magistraat haar Burgerij eerst met schoone woorden te paaien, nam toen de bezetting te hulp en deed patrouilleeren, maar de Burgers kwamen daar tegen van hunne zijde to wapen, en de Gemeenslieden zetten Regenten af en aan. Het zelfde geschiedde op dit voorbeeld in de andere Steden van 't Arnhemsch kwartier, en even zoo in die van 't Zutfensche.
De drie steden van Overijssel ondergingen het zelfde lot, maar met meer opschudding, en twee Deventer Burgemeesters, hun Aristocratie ziende gevallen, wilden ze (als andere Catoos) niet overleven. Zij stierven van hartszeer.
In Utrecht was het Stadhouderlooze magistraatsbestel van tusschen Willem II en Willem III bij Provinciale Staats-resolutie, terstond na des Konings dood weêr ingevoerd. Maar in Amersfoort waren velen niet te vreden met de loting, daarbij bepaald, en meenden beter op kuiperijen te kunnen rekenen. Hier disputeerde men onder de Regenten over; eenige haalden de Gemeenten daar in, en deze gewapend en ongewapend op de markt gekomen, bedankten de Regenten, stelden nieuwe bij 't lot, veranderden ook dezen; en, eenmaal de personen bepaald hebbende, bracht ze met slaande trom en vliegende vaandels naar het Stadhuis; enz. enz.
Te vergeefsch wilden de Staten hun gezag daar tegen doen gelden, en beloofden een amnestie, mits de oude Regenten hersteld wierden. Maar deze amnestie werd in de Stad niet afgekondigd; in tegendeel weet men dezen maatregel aan de oude Regenten, haalde die uit hun huizen, zette-ze in gevangenis, plonderden, joegen de Stad uit; en het kwam zoo verr' dat de Staten de Stad met geweld van krijgsvolk en geschut innamen. Nu herstelde een Kommissie uit het Hof van Utrecht de afgezette personen, nam de belhamels of die daar voor gingen, in hechtenis; twee personen werden onthoofd, een, na het zwaard over 't hoofd gehad te hebben, gebannen, en er werd eene amnestie verleend, waarvan echter veertien personen uitgesloten bleven.
In Zeeland verklaarde men dadelijk op 's Konings dood de waardigheid van eersten Edele vernietigd. Men deed zijn best, om het volk te doen begrijpen dat de Koning de vrijheden der Provincie geschonden had; maar het uitwerksel was, dat de Gemeenten (die niet begrepen waar dit schenden in bestond, en de zaken even zoo gaan zagen als te voren) hier uit opmaakten, dat dan nu de Regenten 't zelfde deden, en in beweging raakten. Toen alles in opschudding was, zochten zij waarover? En nu was 't natuurlijk, dat het praatjen opkwam, dat de Regenten zich ten koste van 't algemeen verrijkten, de lasten te zwaar waren enz. En flux viel men aan 't plonderen. Te Tholen ontstonden bloedige gevechten. Te Goes bedienden de vroeger afgezette Regenten van 1692 zich van de volks-beroerten om zich te doen herstellen. - In Middelburg zette de
Burgerij etlijke Regenten van 't kussen. In Zierikzee ging het op gelijke wijze. - Dit alles viel in 1703 voor.
De zaken konden echter dus niet blijven. De afgezette Regenten in Gelderland riepen wederom de Staten Generaal in, ten einde deze zich hunne zaak aantrokken. De anderen, daar tegen, beweerden hunne wettigheid, maar hun groote argument was, dat het den Staten Generaal niet aanging, en merè huishoudelijk was. Waarom zij ook geene Gemachtigden naar den Haag wilden zenden. Daar ging dan een bezending uit de Hage naar hen, maar daar deze aandrong op voorafgaande redintegratie der possessie van de afgezetten, baatte zij niet, en tot de quaestio juris kwam het niet: terwijl ondertusschen te Harderwijk schermutselingen tusschen de Regenten en de Burgerij voorvielen onder het roepen van oude plooi boven! of nieuwe plooi boven! De Regeering vocht met den degen in de vuist, de Burgers met schietgeweeren en pieken, maar men leest van geen gesneuvelden of gekwetsten. In Grol verzag zich de Regeering van Ruiters, en 't bleef daar stil.
Onder het haspelen over het aannemen van de tusschenkomst der Staten Generaal, vervoegden de Steden van 't Nijmeegsche Kwartier zich aan die van Holland, ten einde die ter Generaliteit te weeg brachten dat de afgezette Regenten aldaar afgewezen wierden, en er niets tegen de vrijheden en Privilegien van de Provincien en Steden ondernomen mocht worden. Maar Holland begreep (en het was zoo) dat er ondertusschen in Gelderland geen lasten geheven werden, en dat dit het Hoofdpunt was, waar alles
voor achter moest staan, dat men dus de Regeering aldaar op een zekeren voet brengen moest, en zulks (des noods) met de sterke hand. Zeeland en Groningen verklaarden zich daar zeer sterk tegen; en voerden aan dat men zulk eene macht aan de Staten Generaal niet kon toestaan of toeschrijven: niet verbergende, dat zij in 't zelfde geval (na genoeg) met Gelderland waren, en dit besluit dan ook wel op hen toegepast mocht worden. Maar bij de Generaliteit werd huns ondanks het advies van Holland in een besluit veranderd. Echter wilde men geen geweld van Krijgsmacht aangewend hebben, maar - middelen van overreding! - en dit maakte alles krachteloos. - Gelderland wilde 't dan nu in zich zelfs afdoen, en de beide partijen wierven Krijgsvolk tegen elkander.
Niet te min schijnt het gedrag en advis van Holland ter Generaliteit weinig meer dan huichelarij geweest te zijn. Immers (zoo Wagenaar aanmerkt) de Hollandsche Staatsleden (of de raddraaiers onder hen) ‘zagen niet ongaarne de Regeering in handen van die zich alles behalven Stadhouderlijk toonden1,’ en het geen de deur toe deed, de Arnhemsche Staten hadden nu reeds van zich gegeven ‘dat men een Hoofd behoorde aan te stellen, dat gezag had om de onwilligen te dwingen2’. Zij namen dus op zich, eer 't verder mocht loopen, de hand aan de bevrediging te leggen; verzekerd zijnde dat zij de zwakke partij die gewaagd had dat verschriklijk
woord uittespreken, wel zouden kunnen imposeeren door hun meerderheid, en zij zeiden: non plus ultra [tot hier toe, en niet verder!]
Twee Oud-burgemeesters en twee Pensionarissen, de eersten van Delft en Gouda, de laatsten van Amsterdam en Rotterdam, werden in Kommissie gezonden1 en dit brachten 't tot een verdrag. Verdrag dat eigenlijk niets decideerde, niets composeerde, maar alles liet zoo 't de facto was. Behalven alleen dat men de zaken te rug bracht tot de form voor 1672, en dus het geheele tijdperk van Willem III (als een wederrechtelijk tusschending) uitschrapte. Men vrage nu wat de geest in dien tijd was.
De oude Regenten, die dus alles kwijt waren, en tacite [stilzwijgend] in het ongelijk gesteld wierden, hielden zich stil, zoo wel als de Edelen, die voor hen waren, en lieten zich onderdrukken: maar de nieuwe vertrouwden hen niet. Te Arnhem namen zy een bende van 200 vrijwilligen aan om zich te beveiligen, en op een Landdag in Zutfen in Maart 1705 sloegen zij een algemeen verbond voor, om zich tegen de oude Regenten en hun aanhang te handhaven. 't Opstel van dit verbond zag verder dan dit punt, en strekte tot eene geheel nieuwe Aristocratische constitutie. Het behelsde meê, nooit een verkiezing van een Stadhouder en Kapitein Generaal toe te laten, ten minste niet in één persoon, en beëediging hier van door alle Regenten nu en in der tijd. Dit opstel werd door verscheiden Steden geteekend, door anderen overgenomen om er zich op te beraden,
doch de teekening kwam niet tot stand, want de Gemeentslieden vonden er een strekking tot erflijk maken der Regentschappen in en een conspiratie tegen de voorrechten der Gemeenten. Dan dit nam niet weg, dat, ongeteekend, de verbintenis bestond en ook met drift en volstandigheid onderhouden wierd, even als het 50 jaren daar na in onze Provincie geschiedde.
De bewegingen hielden intusschen niet op, maar 't was telkens nieuwe worsteling of ten minste onderdrukte poging tot worsteling tusschen den ouden en nieuwen plooi. In Arnhem mislukte zulk eene poging den Ouden Regenten door de Burgerij bijgestaan, tegen de vrijwilligen, maar voor wie zij afdroop. En dit kostte den Burgemeester van brienen zijn Burgemeester- en Burgerschap. - Te Nijmegen was het ernstiger. Zes afgezette Regenten, die zich aan de Provinciale Staten beklaagd hadden, werden daar gebannen en 200 Rijksdaalders op ieder hoofd gezet. Zij spanden te zamen met eenige Ingezetenen van Tiel, en 50 of 60 personen met verschillend handgeweer (waar onder ook hamers of mokers) kwamen onbemerkt te Nijmegen en trokken naar 't Stadhuis, waar zij zes Regenten weg joegen en een' nieuwen presideerenden Burgemeester maakten. Maar dit maakte gerucht, de klok werd geklept, de Burgerij kwam in 't geweer, en schoot onder dezen ondernemenden hoop, die dadelijk uit een stoven; en de zaak was over. Maar 4 of 5 gevangenen die men maakte, hong men dadelijk op, en onthoofde een der oude Regenten, die er deel in had. - Ook te Doesburg en Wageningen had men een opstand,
en in beide plaatsen vielen gevechten, bestormingen van het Stadhuis enz. voor.1
Dat Zeeland de nieuwe Regenten stijfde, schijnt niet onduidelijk te blijken. - Tegen de verandering die te Middelburg ingevoerd was, trachtten de Kiezers hun possessie bij wege van rechte voor den Hoogen Raad te handhaven; maar de Staten van Zeeland kwamen met hunne Souverainiteit tusschen beide. Geen recht kunnende bekomen door 't sluiten van de deur van Justitie, vervoegden zij zich met een Memorie ter adstructie van hun recht, bij de Stads Regeering op 't Stadhuis. De sensatie die dit maakte, bracht veel volk op de been, en op een schreeuw die er opging van verandering der Regeering en herstel der oude Regenten, werd er tumultuariè [in een' oploop] tot een nieuwe verkiezing overgegaan. Eenige Regenten maakten zich weg en riepen de Burgerij in 't geweer; de Pensionaris en Raad bracht daartegen andere burgers in de wapenen: maar de laatsten weigerden te vechten, en de eersten hernamen het Stadhuis en de gewekene Regenten namen hun plaatsen weêr in. Eenige Veerenaars en Vlissingers hadden zich bij dat werk laten zien, en er wierden ook 200 Rijksds. op 't hoofd van ieder van die gesteld: zoo veel matigde men zich aan2. - Het Hof in de Haag bemoeide zich met dat werk, waar men verscheiden zeer aanzienlijke personen in wikkelde, alleen om dat zij Prinsgezinden geweest waren. Onder die was Iman
Cau, Gedeputeerde bij Zeeland van Zieriksee, met wien de andere leden niet meer zitten wilden, om dat de herstelde Regenten van Middelburg zich over een uitdrukking van hem over hun gedrag, beklaagden. Dit gaf schrikkelijke verwijderingen ter Staatsvergadering, en stremde een aantal van zaken, dewijl Zierikzee hem niet te rug wilde roepen; eindelijk echter moesten de andere het opgeven.
Wij hebben de anneenschakeling dezer inwendige beroerten niet willen afbreken; doch haar tot den einde toe te vervolgen is niet wel mooglijk, zonder al te zeer in de tijdorde vooruit te loopen. En wij keeren thands tot de uitwendige Staats- en Oorlogszaken te rug. -
Frankrijk bediende zich dadelijk van de dood van Koning Willem om den Staat tot een afzonderlijke vrede buiten de Bondgenooten aan te zoeken. Het begreep, en te recht, dat Koning Willem de ziel van het Bondgenoodschap geweest was, en rekende op de veranderlijkheid en omzettelijkheid aan alle Republieken eigen, en viel de Staten Generaal met de gewoone aanbiedingen aan, die altijd zoo verlokkend waren, om dat zij bijzondere belangen streelden: en de Secretaris der Fransche Ambassade Barré liet niet na, hen tevens met de emancipatie uit Willems gezag en 't herstel eener volkomen vrijheid geluk te wenschen: en van den anderen kant dreigementen bij de sollicitatien te voegen, waarvan men alle werking dorst hopen. Niet alleen dit, maar hij zocht ook Amsterdam en meer Steden afzonderlijk te winnen, terwijl in Engeland de achterdocht over deze drokke onderhandelingen verwekt werd, en
met voorgevens van een volkomen vredegezindheid gesterkt.
De indruk echter die de vervolgingen der Protestanten gemaakt hadden op geheel de Natie was te sterk, om zich (gelijk met een afzonderlijk Vredetractaat geschieden moest) geheel aan Frankrijks genade en ongenade over te geven. Reeds door Jan de Witt was geoordeeld, dat men tegen Frankrijk een voormuur noodig had, en om dien voormuur te hebben en te behouden, was zoo veel bloed en geld gespild, en nu begeerde Frankrijk volgens 't Spaansche Testament, meester van al wat de Monarchy van Spanje bevatte, en inzonderheid van de Nederlanden te zijn; dit was niet toe te staan. Bovendien, door de dood van Willem III zonder afkomelingen, en in wien de tak van Fredrik Hendrik en (zoo men 't bij 't algemeen beschouwde) zelfs het geheele huis van Willem I, was uitgestorven, had men nu bij de Hollandsche Regenten dat steunpunt van hun gezag in Frankrijk niet noodig. Het was nu niet te verwachten, dat de Burgerijen ooit op zouden staan, om met Vivat Oranje, Wilhelmus van Nassouwen, en ophaling van de weldaden van Willem den I en de krijgsbedrijven van Maurits en Fredrik Hendrik, weêr een afstammeling van die Helden aan 't roer te roepen. - Een zijtak toch, en die in Holland gantsch vreemd was, was op verr' na zoo gevaarlijk niet. En dus, alles wel overwogen, was het beter, zich van de voorzorgen en toebereidsels van Willem III (waar van de kosten toch gemaakt waren) te bedienen, en het Bondgenootschap aan te kleven, dan zich door te rug treding te isolee-
ren, en buiten verdediging te stellen, ja misschien (en waarschijnlijk zelfs) tegen de Bondgenooten de wapenen te moeten opnemen, waar bij men nog meer dan bij den oorlog met Frankrijk in gevaar zou raken. Men wees derhalve de Fransche aanzoeken (vrij beleefd echter, en in zeer gematigde bewoordingen) af, en volhardde in 't Bondgenootschap.
De oorlog was intusschen tusschen den Keizer en Frankrijk reeds in Italie uitgeborsten, en in de Lente van 1702 had Lodewijk Keizerswaard (aan den Rhijn) doen belegeren, zoo dat de vijandelijkheden nu ook aan den Rhijn en train gebracht waren. Daar was echter nog geen Oorlogsverklaring, en men besloot bij den Staat, die met den Keizer en de Koningin Anna te gelijker tijd (en op den zelfden dag) te doen. Zij geschiedde dan ook op den 15 May.
Over die van de Staten Generaal, die zeer wel gemotiveerd, doch (als altijd) wat lang was, was Lodewijk de XIV zeer verstoord. Hij stelde tegen deze drie Manifesten het zijne over, op den 3 Julij, en nu werd er door het Duitsche Rijk ook oorlog aan Frankrijk en aan Anjou verklaard, welk laatste zekerlijk niet behoord had, daar hij niet als een Mogendheid had behooren erkend te worden.
Terstond waren de Franschen (die reeds tegen de Keizerschen aan den Rhijn lagen) gereed en begonnen hun veldtocht tegen ons met een onderneming op Nijmegen, doch die (gelukkig!) mislukte, en ter wederzijde vrij wat bloeds deed stroomen; maar zoo zij gelukt had, de tooneelen van 1672 bij ons vernieuwd zou hebben. - De Keurvorst van Beieren verklaarde zich gedurende deze Campagne
voor Frankrijk; doch werd belet zijn troepen met de Fransche Armée te verrenigen. - De Keurvorst van Trier daartegen was te voren met Engeland en den Staat in verbond getreden: ook werden de Westfaalsche, Keurrhijnsche, Opperrhijnsche, Frankische, Zwabische, en Oostenrijksche Kreitsen in het groote verbond tegen Frankrijk ontfangen. Ook werden de Hertogen van Wolfenbuttel door de Hanoversche wapenen van hun verbond met Frankrijk afgetrokken. De Graaf van Marlborough kreeg het Opperbevel over het vereenigd Britsche en Staatsche Leger. - Wij zullen de gebeurtenissen van deze oorlog niet volgen; maar alleen ten aanzien van de vereenigde krijgsmacht aanmerken, dat Venlo genomen werd, Stevenswaard, Roermonde, Luik; terwijl in Duitschland de veldtocht ook vrij voorspoedig afliep.
De Graaf van Marlborough, met den Generaal Obdam en een der Staatsche Gemachtigden te Velde, Geldermalsem, in November met een Jacht uit Maastricht naar herwaart reizende onder een geleide van 50 Ruiters, werd door een partij Franschen overvallen, en zou gevangen gebleven zijn indien hij de tegenwoordigheid van geest niet gehad had den bevelhebber eenige woorden in 't oor te luisteren, die ook weldra in de Hage kwam, en een Kompagnie kreeg.
In Italie, en ook ter zee bij ons, was de oorlog zonder groote uitkomsten gevoerd; dan alleen dat de vereenigde Vloot eenige plaatsjens tegen over Cadix plonderde, en de Spaansche Zilvervloot in de haven van Vigos deels veroverde en deels vernielde. - Marlborough werd door Koningin Anna tot
Hertog verheven. En deze gunst was het teeken der ongenade die hem welhaast treffen zou. 't Is de Staatkunde der Vorsten, wanneer zij een gunsteling die het ook van de Natie is, bederven willen, hem vooraf door eenige blinkende eerbewijzen tot een voorwerp van nijd te maken. Zijn val wordt dan minder betreurd, minder onrechtvaardig gevonden, om dat men hem ongevoelig heeft leeren haten.
De Staten Generaal waren nu recht oorlogzuchtig; en zoo was men men meestal in Holland ook; voor zoo verr' naamlijk de invloed van den Raadpensionaris Heinsius strekte, die, door Koning Willem in de Staatkundige baan opgeleid, de ontwerpen en grondbeginzels van dezen Vorst vurig voorstond, en een groot man geweest zou zijn, had hij meer oordeel en menschenkennis bezeten. Men drong dezerzijds bij Koningin Anna op vermeerdering van haar krijgsmacht op 't vaste Land yverig aan, maar in Engeland was men te onvreden, dat de Staten den handel op Frankrijk niet verboden. Het was de Hollandsche korrespondentie, 't Hollandsch krediet, waar door het in deze oorlog zijn legers in Italie voorzag, en men vond dit ten uiterste onbestaanbaar met een open en rond gedrag. Intusschen merkte men daartegen aan, dat aan dit algemeen en onbepaald tusschen beide komen van 't Hollandsch krediet, en aan deze onbelemmerdheid van den wissel, de bloei van den Hollandschen koophandel volstrekt hing; dewijl, zoo men buiten 's lands eens dat Hollandsch krediet leerde ontbeeren, de interventie en deelhebbing der Nederlanders in alle financiëele en commerciéele operatien op moest houden en nooit
weêr hersteld zou kunnen worden. En inderdaad was dit een waarheid. Niets gebeurde er in eenigen hoek des warelds, of onze Kooplieden hadden er deel in, en het was uit dien hoofde, dat zij zich bijna over iedere overwinning of buitmaking beklaagden. Dus was het intrest ontzachlijk, dat zij b.v. in de Spaansche Zilvervloot hadden, en het nemen en vernielen daar van (waar voor men in de Kerken God dankte) was een algemeene slag, en verlies van een aantal tonnen gouds voor Amsterdam en voor Zeeland. - Men kwam derhalve niet tot het verbod van handel met den vijand, dan zeer tegens dank; maar in Engeland, waar groote nijverheid, ontzachlijke zeevaart, en overvloed van geld den Koophandel schraagt, maar de eigenlijke en innige geest des handels nooit doorgedrongen is, was men onvatbaar voor deze waarheid, en drong men zoo lang, tot dit verbod bij ons als bij hen afgekondigd werd1. - Bij ons bestemde men ruim 3 millioenen tot den oorlog voor 't loopende jaar, behalven nog 6 millioenen voor zeetoerustingen: maar hoe gereed Holland hiertoe was, de consenten der andere Provincien, die te voren veelal door den invloed en auctoriteit des Stadhouders bewerkt werden, bleven achter, en het was nu Heinsius, die daar toe met alle middelen van overreding
arbeiden moest, en wiens Pensionarisampt nu niet bloot een ampt van provinciaal bewind bleef, maar tevens een post van onderhandeling en invloed met de Unie, waardoor de regeering des algemeenen Staats in handen van 't driemanschap geraakte, de Raadpensionaris van Holland, de Griffier Hunner Hoog Mog., en de Thesaurier der Unie, die, elkander ondersteunende, eigenlijk alles vermochten. -
't Zal niet noodig zijn in bijzonderheden van den Veldtocht van 1703 te treden. Hij liep den Franschen tegen, en gaf den Bondgenooten tegen hen een overwicht, 't geen genoeg toonde hoezeer de blinkende (!) Regeering van Lodewijk den XIV zijn Land en volk geknakt had. Zijn toevlucht was list en omkooping; waardoor hij in Hongaryen groote opschuddingen te weeg wist te brengen, die den Prins Ragotski aan 't hoofd hadden; en waarin men de Turken (doch zonder gevolg) getracht had te wikkelen. Ter zee overweldigden zij een en andermaal een Hollandsch en Engelsch konvooi en verstrooiden ook onze Haringvloot, met groot verlies dezerzijds. Inwendig leed Frankrijk van een hevigen opstand, dien de vervolging der Protestanten in de Cevennes veroorzaakt had, en het was thands de tijd der zoogenaamde Camisards; die men uit Holland met geld ondersteunde. - Hoe trouwloos het Fransche Hof met deze lieden gehandeld heeft, is bekend, en eene kleine poging van den kant der Bondgenooten in 't volgende jaar ondernomen om hun met eenige troepen bij te staan, kwam te laat, en mislukte. -
Groote twisten waren er tusschen onze Provincien over het aanstellen van een Kapitein Generaal (waar-
toe Holland volstrekt niet besluiten wilde) en andere Krijgsoversten. Inzonderheid werd Prins Jan Willem Frizo, nu nog jong, en Stadhouder van Friesland en Groningen, door deze twee Gewesten sterk aanbevolen, maar door Holland met niet minder drift afgewezen; en er hadden bezendingen plaats om dat werk te redderen. Eindelijk werd hij aangesteld tot Generaal der Infanterie, maar om niet in werking te treden dan als hij 20 jaren oud zou zijn, maar Zeeland weigerde volstrekt te bewilligen; en de hoofdreden was, dat men geen Stadhouder in een Krijgsbevel dulden wilde. - Zoo zeer was de Loevensteinsche factie weêr meester.
Met 1704 begon het veranderen van maatregelen bij het Engelsche Hof zich te toonen. Marlborough, bevelhebber van 't Vereenigd leger der Bondgenooten, had last van de Koningin om de troepen naar de Moezel te voeren, en men moest het zich laten welgevallen. Duitschland werd nu het hoofdtooneel van den oorlog, en de vermaarde slag van Hochstet had plaats. Van minder belang, maar even braaf en verstandig was het geen de Maarschalk van Onwerkerk met een kleine macht in de Nederlanden verrichtte, waar hij Brugge voor 6 tonnen gouds brandschatte en Namen bombardeerde.
De Aartshertog Karel, te Weenen als Koning van Spanje uitgeroepen, was uit Holland met een Engelsche en Hollandsche vereenigde Vloot onder Rooke en Kallenberg naar Spanje gevoerd, en in de hoofdstad van Portugal (dat zich bij de Bondgenooten gevoegd had) aangekomen. Deze Vloot had een toeleg op Barcelona, maar die mislukte, doch
zij nam Gibraltar, en sloeg de Fransche Vloot nabij Mallaga. Gibraltar was op naam van Koning Karel van Spanje genomen, maar Koningin Anna geliet zich als of zij met ons deze vesting gemeen wilde houden; en Heinsius werd daarmeê bedrogen, gelijk men altijd met de Engelschen wordt, sedert dat de geest der Stuarts daar weêr opgekomen is. - Nu werd de oorlog in Portugal gevoerd, om dat het daar, aan voorzorg en energie ontbroken had, om hem op Spaanschen grond te brengen. 't Was sukkelen, misverstand, en beklag; terwijl men aan's vijands zij' yver en werkzaamheid toonde; en Portugal had zich in der daad over zijn toetreden tot het Bondgenootschap weinig toe te juichen.
Koning Karel de XII van Zweden had intusschen den Koning van Polen onttroond, en er zijn maaksel (den onbeteekenenden Stanislaus) in de plaats gezet.aant.
De Veldtocht van het jaar 1705 was zoo voordeelig niet; door een verdeeldheid, die men vermoeden mag door Frankrijk verwekt te zijn, en van de zijde van den Prins van Baden als bevelhebber der Duitsche troepen, jegens Marlborough begon, en die aan de Fransche legermacht ruime handen gaf, die dus vrij wat voordeelen op de Keizerlijken behaalden, tot Marlborough dit stuitte. De Fransche liniën werden hierop in Braband gebroken; doch daar men op het punt was hen ten eenenmaal uit het veld te slaan, werd dit ook bij ons door de Hollandsche Gedeputeerden te Velde gekeerd, waarover het ongenoegen des Volks hier te Lande zeer groot was, en in Amsterdam zelfs tot openbare klachten uitborst. Marlborough werd ook spoedig daarop naar het
leger in Duitschland gezonden, en Koningin Anna was het met de Hollandsche Staatsfactie eens, dat de Franschen aan onze grenzen gespaard moesten worden, ten einde in Holland de Loevensteinschen en in Engeland de Stuartsgezinden te kunnen stijven en ondersteunen.
Terwijl de zaken dus stonden overleed Keizer Leopold, opgevolgd door zijn zoon Jozef I, die den oorlog wèl meende, en de aanhangers van Frankrijk (de Keurvorsten van Beieren en van Keulen) in den Rijksban deed.
In Italie, waar de Hertog van Savoien de Keizerlijke partij gekozen had, oorloogden de Franschen gelukkig, alhoewel door Prins Eugenius merklijk in den band gehouden, zońder 't welk zij daar weldra geheel meester geweest zouden zijn. - In Portugal namen de zaken een beter keer, door het beleg dat de Franschen en Spaanschen voor Gibraltar sloegen, en hen van alle andere ondernemingen afhoudende, hun vijand derhalve de handen ruim liet. Echter bleef de oneenigheid tusschen de bevelhebbers, die ook welhaast den Generaal Fagel naar Holland te rug deed keeren. Niet te min maakte Koning Karel nu veroveringen in Spanje. Hij nam Barcelona, heel Valence bijna, en dit veranderde den staat van zaken ten eenenmaal, invoege dat de stem der Natie zich thans ten zijnen behoeve verhief, na zoo lang gesmoord te zijn. Ook bewezen verscheiden Steden en Provinciën daarna hun verknochtheid door eene dappere tegenstand tegen de Franschen, die hun naderhand duur te staan kwam.
Doch Engeland had de pijpen niet vruchtloos gesteld om met ons te breken. Na willekeurig over den gemeenen bevelhebber en gemeene troepen be-
schikt en de saamberaamde plans verbroken te hebben, begon men zich over ons te beklagen. Willem Buis, Pensionaris van Amsterdam, ging hierover in bezending naar Engeland, en 't gelukte hem, de Koningin in beter spoor te rug te brengen, en met haar voor den aanstaanden veldtocht (1706) een nadrukkelijk plan te regelen. De afgevaardigden te Velde kregen bij ons ook een andere Instructie. De roemruchtige veldslag van Ramellies was het gevolg van deze Campagne en had het veroveren of toevallen van genoegzaam al de Steden der Nederlanden ten uitslag, waarin Karel III als Koning van Spanje en Vorst der Nederlanden werd uitgeroepen; terwijl ook in Spanje alles voor hem boog en hij op het punt scheen van daar geheel meester te worden. Gebrek aan geld echter liet hem niet toe de gelegenheid vast te houden en de kans zich ten nutte te maken; en deze keerde weldra wanneer zijn Mededinger nieuwe onderstanden ontfangen had en zich van de Hoofdstad meester maakte, die hij zich had kunnen verzekeren.
De zaken liepen derhalve Frankrijk (want in Italie was het even zoo, waar Prins Eugenius hun te keer ging) van allen kant tegen. Wij melden dit hier in het groote en algemeene, maar het was even zoo in duizend bijzonderheden, die, hoe zeer op zich zelfs van zeer weinig gewicht, echter zeer dikwijls meer mismoedigen dan gewichtiger zaken: en het was deze samenloop die Frankrijk verdriet in den oorlog deed krijgen en naar vrede verlangen.
Men ontfing in Holland de openingen daartoe in 't geheim, deelde 't plan den Engelschen meê,
maar dezen geviel het niet; en de zaak bleef steken.aant.
Nu zocht Frankrijk de bemiddeling van Karel XII, doch deze weigerde zich op dit eenzijdige aanzoek. - Zeer voordeelige voorwaarden bood Frankrijk nu weder onmiddelijk aan; bij welke Filip zich met Napels, Sicilie, en Milaan te vreden zou houden; doch ook dit smaakte Engeland niet. En geen wonder! Want hier bij werd aan Holland de vrije beschikking over de Spaansche Nederlanden gegeven, 't zij om ze aan zich te trekken, 't zij aan Spanje af anders weêr af te staan. - Men was er bij ons echter niet ongenegen toe, en bleef onder de hand daarover aan den gang: schoon de Keizer even zoo weinig als Engeland van een vrede hooren wilde, waar men iets van de Spaansche Monarchy bij zou moeten opgeven.
Middelerwijl duurde het woelen tegen het huis van Nassau steeds bij ons voort. - Prins J.W. Frizo, nu Stadhouder van 2 Provincien en Generaal der Infanterie, wilde men niet in den Raad van State dulden, schoon hem als Stadhouder (zelfs volgens de Instructie des Raads van 1651) daar zitting en stem in toekwam. In het jaar 1705 had Holland en Utrecht zich hier reeds tegen verklaard, dewijl daar door, Holland zijne meerderheid van stemmen verliezen zou, en Friesland en Groningen meer stemmen dan Zeeland, dan Gelderland, dan Utrecht, en dan Overijssel zouden bekomen1. De Resolutien be-
stonden derhalve dat zij dit niet gedogen zouden, bij Holland van dato den 18 Augustus of daaromtrent, en bij Utrecht van eenige dagen vroeger. En groote twisten waren er tusschen de Provincien over gevoerd, en nog hangende als de Prins en den 4de Augustus 1707, zijn 20ste jaar vervulde; en hij moest het zich laten welgevallen.
De twist over de opvolging in de nalatenschap van Koning Willem, tusschen het Huis van Nassau-Dietz en dat van Brandenburg hebben wij geroerd. De onedelmoedigheid van het laatste in dit geschil toonde zich in velerlei opzichte, en inzonderheid cajoleerde het de Loevensteinsche partij in Holland om den jeugdigen Prins te berooven en te onderdrukken: doch deze zocht er nog beter partij van te trekken, door beide 's Prinsen Grootmoeder en Voogdesse en den Koning van Pruissen hun aanspraak op die Erfenis af te koopen. Ook was de laatste hier zeer toe genegen; maar aan de andere zijde viel meer zwarigheid. Men gevoelt lichtelijk wat het voor de Ed. Gr. Mog. en Ed. Mog., eenige wettige Souvereinen in moest hebben, zelf Heer van Geertruidenberg en de Klundert, van Buren, Leerdam, Kuilenburg, Ysselstein, van Veere en Vlissingen, Breda, Willemstad, Steenbergen, Grave, 't Land van Kuik, te zijn, en daar de tytels van onder zich te verdeelen, even als men die van de dorpen deed, die tot zulk een einde voor stads geld aangekocht wier-
den. Echter het gelukte niet, om dat de Prinses zich onbevoegd kende tot zulk eene overgift. Inzonderheid was Zeeland heet op het Markgraafschap, en hoe men 't zich door een arbitraire daad van geweld naderhand eigende, is bekend.
Dat bij die gelegenheid weder Eeuwige Edicten als van Jan de Witt (alschoon dan niet onder dien naam) tegen 't Stadhouderschap opkwamen, kan niemand verwonderen. Overijssel, Utrecht, en Holland en Zeeland besloten daartoe, en men trachtte dit tot den vorm van een onderling verbond van harmonie te brengen; maar het schijnt dat de onlusten van Gelderland dit te rug hielden. De raadplegingen ter uitsluiting van Prins Frizo hadden deze verdeeldheden weêr nieuw voedsel gegeven, en eene volkomen binnenlandsche oorlog in die Provincie verwekt, waarbij die van Arnhem, Wageningen stormenderhand innamen. Bezetting van krijgsvolk, verandering van regeering, en nieuwe besnoeiing van de rechten die de Gilden oefenden, waren er het eindelijk gevolg van, en dit duurde tot (in 1717) eene algemeene Amnestie afgekondigd werd, waarmeê men de rust als hersteld kon rekenen: - voor zoo verr' zij ooit in een Republiek hersteld wordt.
In dit jaar 1707 was de veldtocht tegen de Franschen van geene beduidenis in de Nederlanden, doch in Duitschland was hij den Bondgenooten meer nadeelig dan gunstig. In Spanje keerde het geluk Karel den nek toe. Een geweldige slag bij Almanza ten nadeele der Bondgenooten, waarin 23 bataillons Engelschen en Staatschen, ten eenenmaal vernield wierden, zette de zaken ontzettelijk te rug, en de
voordeelen in Italie behaald konden hier niet tegen opwegen. Echter was een halfgelukte onderneming tegen Toulon van de beste gevolgen om de Franschen in een staat te houden, waarin zij verhinderd wierden hunne krachten ter voortzetting hunner oogmerken te werk te stellen. Echter trokken zij hunne vredevoorslagen weêr in.
De Koning van Pruissen moest als tegenpartij van het Huis van Nassau, groot gemaakt worden. Dit was Loevestein en St. James eens, als die heide thands evenzeer vijandig aan Koning Willems nagedachtenis waren, en derhalve men holp hem aan 't Prinsdom van Neufchatel. De rechten hier op hingen af van het recht op Oranje, en dit had hij zich uit krachte van het testament van Fredrik Henrik toegeeigend, sub applausu [onder toejuiching] van de Hollandsche Regenten.
Maar was den Franschen de moed door de veldtocht van 1707 gewassen, die van 1708 was merkwaardig door den slag van Oudenaarde, die niet alleen roemrijk maar ook van de voordeeligste gevolgen was voor de Bondgenooten. - In Italie kwam het zoo verr' dat de Paus (Clemens XI) gedwongen was Karel als Koning van Spanje te erkennen en met Napels te beleenen; terwijl het echter in Spanje zelf hem niet meêliep.
Men had Prins Frizo uit den Raad van State gehouden, maar nu moest men hem ook in de rechten van zijn Stadhouderschap binnen de Provincie van Groningen besnoeien. Want het Stadhouderschap (verre of nabij) was 't eeuwige schrikbeeld der despotique Aristocratie, en waar zij derhalve eeuwig
met de horens op stiet. Het gold des Stadhouders voorzitting bij de Achtmannen 'ter onderzoeking van de volmachten ter Staatsregeering. Het was buiten tegenspraak, dat dit tot het Stadhouderschap behoorde, maar Holland stak zich in het geschil en dreef door dat de Staten 't recht hadden, om bij 't aanstellen van een nieuwen Stadhouder, hem op een nieuwen voet aantestellen. - En op dien fraaien grond, moest de goede Prins het zich al wederom laten welgevallen1 - Men moet echter niet vergeten, dat de Afgevaardigden uit de Ommelanden deze ondersteuning en zegepraal bij Holland kochten door een belofte, dat zij voortaan geen Stadhouder meer in de Provincie dulden zouden.
De Franschen keerden nu weder tot hunne vredesvoorslagen van voor twee jaren te rug, en op dien voet begon men tot onzent onderhandelingen, maar in het geheim: doch zoo echter, dat men er Marlborough kennis van gaf. Intusschen werd men bij ons Gouvernement al meer en meer tegen Marlborough ingenomen, naar mate de zucht tot vrede met Frankrijk vermeerderde. Het ging in die onderhandelingen als naar gewoonte; de Franschen draaiden met dubbelzinnige uitzichten, sleepten de Hollanders zoo verr', dat zij niet te rug konden, en verrieden toen het geheim, om het Bondgenootschap te verdeelen.
Deze uitlekking van het geheim echter veroor-
zaakte een algemeene Vrede-onderhandeling in de Hage; waarop Heinsius de punten ontwierp, zoo als hij ze gaarne gezien had, maar met den staat der zaken in Spanje niet overeenkwam: ook wilde de Fransche Gemachtigde ze niet aannemen, alhoewel hij er mondeling niet tegen geweest was. De Keizerlijken, Engelschen, en de onzen verbonden zich echter daar niet van af te gaan.
Frankrijk weigerde, en Heinsius (met den toon van een Oppergezaghebber) verklaarde dat het zoo blijven zou, en geen verandering daarin toegelaten worden. Torcy vertrok onder protest van alles als niet geschied aangemerkt te willen hebben, en hield verder de zaak eenigzins sleepende om ook den tijd voor den veldtocht van 't jaar 1709 voorbij te doen gaan; het geen echter niet gelukte; want na het nemen van Doornik viel de beroemde slag van Malplaquet voor. Doch in Spanje was middelerwijlen de zaak van Karel niet verbeterd.
Het afbreken der Vredehandeling moest noodwendig een nieuw verbond tusschen ons en Engeland doen sluiten, en men mag gelooven dat dit ter wederzijde op 't oogenblik des contraheerens redelijk wel gemeend was. Dit verbond raakte aan de eene zijde de erkenning van Koningin Anna en handhaving van de bestemde opvolging; aan de andere zij' de Barriere voor onzen Staat.
Frankrijk echter vernieuwde nog telkens aanzoeken tot vrede. En in der daad mag men de voorwaarden of punten die hij aanbood voor zeer aannemelijk keuren. Dit belette echter niet, dat men ze verwierp, uit hoofde dat Lodewijk den afstand
van zijn kleinzoon niet beloofde, maar alleen hem alle hulp te onttrekken1. - Frankrijk kwam nog nader, en bood nieuwe onderhandeling aan over het geen nog in geschil bleef, onder der Staten gebied te houden, en Geertruidenberg werd daartoe bestemd. - Het is merkwaardig dat Frankrijk er op stond, de onderhandelingen niet buiten maar binnen dezen Staat te voeren, en toen Geertruidenberg bepaald was, die plaats voor de Haag, Delft, of Leyden verwisseld wilde hebben: als begrijpende, daar meer te kunnen uitwerken, dan buiten af. - Alles was dus verre gegrond op het overgeven van Spanje en de Indiën aan Koning Karel; en de zwarigheid was, Filip van Anjou iets toe te voegen dat hem vertroosten kon; en zeker te zijn dat Anjou Spanje zou overgeven. Deze twee punten kostten Karel den throon.
Ondertusschen was 't zoo verr' gekomen, dat Frankrijk zelfs voor Anjou met Sicilie en Sardinie te vreden was, en ingevalle van Anjous weêrstrevigheid een som gelds verzekeren wilde, voor de kosten des oorlogs die noodig zou mogen zijn om hem te dwingen. - Men vond alles onvoldoende, en wilde een algemeenen vrede, geen nieuwen oorlog tegen Anjou; en zoo brak ook de onderhandeling te Geertruidenberg weêr af2. Z. de Bijvoegs.]
Maar men had met stijfhoofdige pedanten te doen, en met geen lieden van wezendlijke inzichten of verheven gevoelens; en men achtte 't iets groots, zoo stijfhoofdig te zijn. Trouwens, het gaf ook geen kleinen roem aan den Staat der Vereenigde Nederlanden, die er het groote voordeel van trok dat de Keizer de Staten Generaal nu Hoog Mogende Heeren noemde. Iets zekerlijk 't bloed wel waard, dat nu nogmaals vergoten stond te worden! - Ten minste de ƒ 10,000: - die men daarvoor aan de Keizerlijke Kancellarij ten geschenk' gaf.
ô Curas hominum, ô quantum est in rebus inane!1
De afbreking der Vredeonderhandelingen had een voordeeligen veldtocht in de Nederlanden, en een wisselenden in Spanje ten gevolg, door welke Karel in een veldslag bij Saragossa, en Filip wat later, in een anderen bij Villa Viciosa overwinnaar gebleven, te Madrid ingehaald en erkend werden; doch de laatste gaf den uitslag aan de balans; en tevens veranderden alle betrekkingen. Want de dood van Keizer Jozef, die in 't voorjaar van 1711 voorviel,
maakte Karel den Erfgenaam der Oostenrijksche Staten, en weldra door de Rijksverkiezing Keizer in zijns broeders plaats. Hier mede de Spaansche Monarchy te vereenigen, was een overwicht aan dat Huis geven, waar geheel Europa voor beven moest, en zoo vurig men derhalve voor Karel gestreden had, zoo ongenegen moest men nu worden, om in dat zelfde spoor voort te gaan. Ja natuurlijker wijze moesten velen dit nog gevaarlijker achten, dan Spanje aan een tak van Bourbon te geven, mits die tak slechts van de kroon van Frankrijk bleef afgescheiden. Aan de andere zijde veranderde inmiddels de denkwijze in Engeland, waar de Tories geheel meester werden; zij die het Huis van Stuart aanhingen en dus Franschgezind in het hart waren.
De oorsprong van deze omwenteling in Engeland wordt verschillend verhaald. Zij was voorbereid bij het algemeen door het gevoel van de lasten die een langdurige oorlog op het vaste Land na zich sleepte, waarbij Engeland geen onmiddelijk belang gevoelde, en waarvan het algemeen een eind wenschte. Zij was voorbereid bij de Koningin door de professie van volstrekte onderworpenheid aan het Koninklijk gezag bij de Tories, die dit listig op den predikstoel brachten, en waar tegen de Whigs zich op 't allerhevigst verzetten, en door de weêrstrevige hoofdigheid zelve dezer pruiken, die zich eigenlijk Souverain van Engeland waanden boven Anna. Zij was vernederd boven dien door den ongelijkbaren roem van Marlborough, die elk in het oog stak, en de daaruit voortgesproten hoogmoed van zijn Gemalin, die zich alles aanmatigde, en van haar vriendin en
vertrouwling zich in de termen gebracht had van de Koningin op een allerondraaglijkste wijs te overheerschen. Zekere Juffer Marsham, door de Hertogin uit den drek opgeheven, en bij de Koningin ingeleid, om in haar afzijn haar plaats te vervullen, had dus weinig moeite om haar geheel te verdringen; en daar deze nieuwe begunstigde (intriguante, maar zonder verstand, als veelal samen gaat) de speelpop van den nieuwen Staatssecretaris Harley (naderhand Lord Oxford) was, die ook pas opgekomen en aan de Torries verkocht of verknocht was, kostte 't weinig om den reeds opgevatten haat tegen de Whigs in voorkeur en vertrouwen op de Torries te veranderen, waartoe de vermaarde schurk Bolingbroke het zijne toebracht. Hoe naderhand deze Marsham Koningin Anna bezoop en mishandelde, behoort hier niet t'huis.
Het duurde nu niet lang, of Marlborough werd genoegzaam eensklaps van de Afgod der domme Engelsche Natie, de paal waar elke schurfde hond zich aan wreef. Hij moest te rug geroepen. Een Franschgezind Generaal in zijn plaats gezonden; en de vrede met Frankrijk moest gesloten, en Holland, het hatelijk Holland, dat Engeland van het juk der Stuarts bevrijd, en 't een Koning gegeven had, moest trouwloos verlaten en opgeofferd. Met één woord, Engeland moest zich Engeland toonen, dat is, de vloek van God en de menschelijkheid, met wien het vloek is, vereenigd te zijn, en den Zeedraak der Apocalypsis, gelijk Frankrijk de Landdraak is, beide even Godslasterlijk en doemwaardig in alle betrekkingen en aanzichten.
Het spreekt van zelfs, dat Engeland nu de vredeonderhandelingen met Frankrijk aanbond, en dat
men 't dra eens was. Anna, nog niet erkend zijnde van Frankrijk, kon dit niet openlijk en onmiddelijk, en moest derhalve wel een tusschenmacht noemen, om meê te handelen; en dit was natuurlijker wijze Holland. Men betrachtte dus de décence om den Staat niet te honen, maar Frankrijk weigerde nu met Holland te handelen, en wilde 't niet dan met de gezamenlijke Mogendheden; en deze gevoeligheid tegen ons, kon niemand bij Frankrijk vreemd vinden, die wist hoe zeer Heinsius deze Mogendheid uit de hoogte behandeld had. Nu echter moest Holland wel volgen, en het was: nolentem trahunt fata, qui duci noluit [die niet heeft willen meêgaan, wordt gesleept].
Maar ondanks dat uiterlijke, was Engeland het in 't heimelijk reeds eens met den vijand: En het was op deze wijze dat zij Gibraltar en Port-Mahon bedongen. - De veldtocht echter werd nog dit jaar 1711 in de Nederlanden door Marlborough bestuurd, maar had den vorigen nadruk niet meer; en in Spanje, waar de neêrlaag van Villa Viciosa de macht der Bondgenooten geheel vernederd had, was aan geene overwinningen te denken; ook onttrokken Portugal en Savoye zich, als met de verandering in het Duitsche Rijk natuurlijk en te verwachten was. - In October was men het tusschen Engeland en Frankrijk eens, zoo wel wegens de algemeene vrede, als het geen Engeland, de Koningin, en de opvolging op den Grootbrittannischen throon betrof. Onze Staat moest het zich laten welgevallen; doch het punt der Barriere werd niet te min bij de onzen ter harte genomen, en daarin weigerde Frankrijk thands te treden, ten zij de Ne-
derlanden aan den Keurvorst van Beieren kwamen, zijn volstandigen vriend en Bondgenoot. Hetgeen derhalve zoo goed was als geen Barriere in 't geheel.
Van de overige punten spreken wij hier niet, doch geen der Bondgenooten was er te vreden over dan alleen Engeland. Echter men moest tot een vrede komen, en Utrecht werd handelplaats; want de Koningin dreigde, anders afzonderlijk met Frankrijk te sluiten. Deze Utrechtsche vredehandeling begon nu in Januarij 1712: terwijl Marlborough te rug geroepen en de Hertog van Ormond aan 't hoofd der Engelsche troepen gesteld werd. De Engelschen gedroegen zich nu ook te Utrecht als middelaars en niet als strijdende tegenpartij van Frankrijk of Bondgenoot van vijanden. 't Spreekt van zelfs dat zij, die de aanbiedingen der Franschen te Geertruidenberg verwierpen, nu geen genoegen konden nemen met het geen zij, nu, in hun zoo veel verbeterden toestand aanboden. De veranderingen die er voorgevallen waren, hadden ook het belang en de inzichten der nog oorlogende Bondgenooten te zeer verdeeld, om nog gemeene zaak te blijven maken, en elk deed afzonderlijke eischen, waardoor 't Frankrijk licht wierd, zoo veel of weinig toe te geven als 't wilde, vooral daar 't met Engeland eens was: en inzonderheid was het uitwerksel hiervan de zaak sleepende te houden.
Dit vlijdde Frankrijk ten hoogste; daar intusschen Filip zich op den Spaanschen throon zonder wederstand vestigde, Savoien en Portugal in Spanje en Italie, en Engeland in deze streken, uit de oorlog gescheiden waren; terwijl sints lang de Keizerlijke legers onbe-
duidend geweest waren, en Holland op zich-zelve stond. Maar daar moest nog een stap gedaan worden om Holland te dwingen. Het Parlement van Engeland maakte ons een vinnige twist over de dus verr' te samen gevoerden krijg, als had men dezerzijds daarin niet volgens de verbonden gedragen. Het maakte addressen aan de Koningin, ten einde, met verbreking van 't plechtig tractaat van 1709 ons geene barriere in te willigen, als welke ons tegen Engeland sterkte, en dit addres werd door Anna zeer gunstig en met belofte van het wel in aanmerking te nemen, ontfangen. - Tevens vond men in Engeland goed de 55000 man die men in de Nederlanden had te onderhouden, mits de Staten daar 82,500 bijvoegden. Zij onderhielden in der daad rijkelijk 127,000 man; maar zekerlijk was 55000 man Engelschen een aanmerklijk getal, dat nog onaangenamer en belemmerender zijn moest nu zij Frankrijk voorstonden, dan het nuttig was toen zij 't vijand waren. - Het vertoog der Staten tegen dit Engelsch vertoog werd bij de Koningin met algemeene termen beantwoord, die tot niets verplichtten, maar wél klonken.
Zoo was het ook bij het openen van den veldtocht in dit jaar 1712 met den Hertog van Ormond, die begon met den Raadpensionaris te verklaren, dat hij de oorlog wakker zou voortzetten; maar die 14 dagen daar na de last kreeg van zich in geen gevecht of belegering tegen Frankrijk in te laten. Zoo dat alles wat in de Nederlanden geschiedde, op de macht, welke onder Prins Eugenius was, en eene roemrijke Expeditie van Grovestyns in 't hart van Frankrijk tot onder de muren van Parijs, neder kwam. Men had
den Franschen Generaal met voordeel kunnen aantasten, maar Ormond weigerde, en dus ontdekte zich dit geheim. De kwade trouw der Engelschen toonde zich in hunne verdediging deswegens nog sterker dan in de zaak zelve. Frankrijk gaf daartegen Duinkerken ter bezetting aan de troepen van Ormond over. Nu haalde men ook de Duitsche troepen wier Vorsten Engelsche betaling genoten, tot afscheiding van het leger der Staatschen over, door bedreiging van inhouding der betaling en achterstallen; en aan de Bondgenooten werd van wegens Koningin Anna een tijd voorgeschreven, binnen welken zij met Frankrijk vrede zouden hebben te maken op zulke voorwaarden, als door haar en den Koning van Frankrijk redelijk gevonden zouden worden.
Eugenius had Quesnoi ingenomen, en om hem te stuiten nam Ormond Gent en Brugge in bezit, die de Engelschen vooral niet gedogen wilden, dat onder de Hollandsche barriere begrepen zouden zijn. Op gelijke wijze trachtte hij zich meester van Bouchain, Douai, Doornik, Rijssel, Oudenaarde te maken, maar werd door de Hollandsche bevelhebbers in die plaatsen afgewezen; waar over hij nog de onbeschaamdheid had zich te durven beklagen.
Het spreekt van zelfs, dat de Franschen nu niet nalieten van hun overmacht gebruik te maken. Bij Denain leden de Bondgenooten een gevoeligen neêrlaag, en Douai, Quesnoi en Bouchain werd door de Franschen genomen, Tholen zelfs (in Zeeland) gebrandschat.
De Utrechtsche Onderhandelingen kregen door deze omkeering een nieuwen nadruk. Anna verklaarde, dat de barriere voor ons volgens haar verdrag
met ons in 1709 gemaakt, geregeld moest worden, alhoewel 't op eene uitzondering van twee of drie plaatsen niet aankwam. Deze uitzondering was 't voorwerp van een nieuwe twist, en de Franschen liepen weêr achter uit.
Een baldadigheid door Fransche bedienden aan die van den Graaf van Rechteren gepleegd, en waarop deze geen recht konden bekomen, veroorzaakte dat de Graaf den zijnen vergunning gaf de voldoening zelf te nemen. En als de Franschen zich hier over beklaagden, had men de laagheid den Grave van Rechteren uit Utrecht, waar hij in de Vredehandeling was, te verwijderen. - Want men moest nu wel vrede sluiten, en dus der Franschen brutaliteiten zoo wel als die der Engelschen onderworpen zijn. - Nu vorderden de Franschen vergoeding van de kosten die zij in den jongsten veldtocht gedaan hadden, op grond dat zij een wapenschorsing voorgeslagen hadden, die niet aangenomen was geworden. - Nu bleef Doornik 't punt van geschil; 't geen Engeland echter genadig besloot aan de Kikvorschen (dus heette het toen) te laten; maar zij moesten het bataillon dat zij nog in Gibraltar hadden, 't huis roepen, gelijk geschiedde. Ondertusschen roofden en plonderden en brandschatteden de Franschen, Suriname, Paramaribo, en Curaçao; en men moest het dulden. Zelfs dorst men geen Esquader in de Middellandsche zee laten, om den Engelschen geen ongenoegen te geven. In 't Noorden onderging men mede een verachting als hieraan beantwoordde. Hoe bij dit alles den Franschen de moed zwol, verstaat zich, en dit was er het best van.
Want daar dit in Engeland-zelf in het oog begon te loopen, veranderde men daar eenigzins en begon men weêr eenig belang in onze zelfstandigheid te vinden. Van daar dat er een nieuw barriere-tractaat door Engeland met ons aangegaan werd met guarantie der throons-opvolging van onze zij, en het aanzien der Tories in 't zand raakte, het geen wel voornaamlijk aan de dolle onvoorzichtigheden van Bolingbroke te wijten was. 't Werd den 30 January 1713 geteekend, en onze vrede met Frankrijk volgde daar op en werd den 11 April geteekend. Niets van het geen men zich bij ons voorgesteld had, werd er bij gewonnen. Zelfs het Overkwartier van Gelderland niet, dat de Koning van Pruissen zich aanmatigde.
Dit Vrede-verdrag behelsde hoofdzakelijk de overgift der Spaansche Nederlanden door Frankrijk aan de Staten, ten behoeve van 't huis van Oostenrijk, waarmeê zij wegens de barrière zouden moeten overeenkomen, mits den Koning van Pruissen 't Overquartier van Gelderland latende, en voor de maitres van Filip (de Prinses van Ursino) een gedeelte van 't Luxemburgsche of Limburgsche dat ten haren behoeve tot een Souverainiteit zou verheven worden: - doch het geen echter weldra verviel, wanneer door de dood der Koningin van Spanje, en het hertrouwen van Filip, haar invloed gebroken wierd, en zij welhaast in ongenade geraakte. Deze Nederlanden zouden nooit aan de kroon, of eenigen Prins van den bloede van Frankrijk mogen komen. Ettelijke plaatsen echter werden den Koning toegeëigend. de Keurvorst van Beieren, wien Filip de Nederlanden
reeds afgestaan had, zou ze weder afstaan, en hij voor 't overige in Duitschland (de Palts uitgenomen) hersteld worden: zoo ook die van Keulen. Filip bleef Koning van Spanje en de Indiën: Sardinië moest aan den Keurvorst van Beieren. - Een verdrag van Koophandel tusschen Frankrijk en ons kwam hier bij, niet onvoordeelig, en blijk dragende, dat Frankrijk onzen handel voor zich-zelven noodig achtte, doch aan den term van 25 jaren bepaald. - De vrede, die inderdaad geen vrede was, zoo er geen vrede tusschen den Keizer en Frankrijk op volgde, en dus inderdaad in de lucht hing, werd met weinig genoegen bij ons ontfangen, en na een roemrijk gevoerden oorlog ten hoogste schandelijk gerekend. Ook in Engeland was men te onvrede. Alleen de Koning van Pruissen was zeer te vrede en had er reden toe.
Deze, die alles gedaan had wat mooglijk was om zich van de nalatenschap van Koning Willem meester te maken, en den jongen Prins Frizo daar van te ontzetten, toonde in den beginne vrij wat ontzag voor de Staten als Executeurs van des Konings uitersten wil; doch werd allengs stouter. De poging om de Heerlijke goederen in deze landen door Koning Willem nagelaten bij afkoop van de beide mededingers machtig te worden, en dus aan der Staten Souverainiteit te trekken, was mislukt, als wij gemeld hebben: maar zij waren 't met Pruissen eens, in 't verdrukken met den jongen Vorst. Terwijl deze in het Leger voor onze belangen streed ontbood men hem ten gevalle des Konings van Pruissen, in de Haag, om daar (zoo het heeten moest) tot een
vergelijk met dien mededinger te komen; en de zaak was zoo wel reeds beklonken, dat men besloten had, den Prins dat geen waarin hij 't hoogste belang stelde (als b.v. de lustplaats Dieren) te doen afstaan, al ware 't sola vexandi causa [alleen om te vexeeren]. De Koning van zijne zijde nam de houding aan, als of hij dié gelegenheid waar wilde nemen, om (ter vergoeding van 't geen hij den Prins ontroofde,) met de vrienden die 't Huis van Nassau nog had, mede te werken, ten einde hem ook van de overige Provincien Stadhouder te doen maken, waartoe de Gemeenten en Burgerijen niet twijfelachtig overhelden. - In deze gesteltenis van zaken mag men oordeelen, wat de wensch en het belang der zoogenaamde Staatspartij was of zijn kon, die alles gedaan hebbende om den Prins buiten krijgsbewind te houden, hem echter daarin geplaatst had moeten zien, en hem nu met roem overladen, en den afgod en hoop des Volks geworden zag? Men oordeele, zeg ik, wat bij hen in de harten moest omgaan, en zie dan wat gebeurde.
De Prins voldoet aan de aanschrijving der Staten, hij verlaat het leger en gaat met een zeer klein gevolg op reis, en koomt aan den Moerdijk, waar hij zich over laat zetten. Zijn koets en paarden staan in de schouw, en hij zelf met drie Heeren stapt in de veerschuit. Beide vaartuigen steken af, maar onder de overtocht valt er een stortregen met storm, en hij stapt van de veerschuit in den schouw over en zet zich in de koets om voor den regen gedekt te zijn. Beide vaartuigen komen aan, maar de schouw, beneden den steiger aankomende, wordt
gewend en slaat om, en de Prins verdrinkt met de Kolonel van zijn Guarde, Hilken. Eerst den negenden dag werd zijn lijk gevonden. Hij was naauwlijks 24 jaar oud, en zekerlijk scheen hij voor grooter bestemd. - Dit viel voor op den 14den July 1713 en den 1sten September beviel zijne Weduwe van onzen Willem den IV, die 't afgebroken lot van zijn vader vervulde [Z. de Opheld.]
Dit overlijden brak de beraamde plans met den Koning van Pruissen. En werd een provisioneele verdeeling gemaakt, tegen wil en dank van de zwangere Douariere en die bevoegd waren om 't belang van den posthumus [ongeboornen] waar te nemen. Doch sedert werd de Koning neteliger: matigde zich in 1712 de Heerlijkheid Meurs aan, overweldigde en dreef er de Staatsche bezetting uit, en behieldze. Op gelijke wijze maakte hij zich meester van de Stad Gelder, Venlo, St. Michiel, en dat gedeelte van Gelderland, waarover hij zich met den Keizer verstond. Over Oranje, 't welk de Staten niet afkonden, voor den Erfgenaam van Willem den III te rug te vorderen, verdroeg hij (Koning van Pruissen) zich met Frankrijk, 't geen met de Staten daar zelfs niet over in gesprek wilde treden, maar daar voor aan Pruissen 't Geldersch Overkwartier toestond. - Men ziet uit dit alles, hoe wakker en verstandig het gedrag van den nietigen Heinsius was, wien men zoo geroemd heeft, maar die (ongelukkig voor ons en het Huis van Nassau,) zijn leermeester, die hem tot het Staatkundige opleide, te vroeg verloor! [Z. de Opheld.] De jammerlijke tijd volgde nu van de Aristocratische dwang-oefening, wier juk onze Vaders nooit dan met
afschrik herdachten, en waarvan de Verlosser hun nog eerst geboren moest worden en een derde van een eeuw aan allerlei smaad en verongelijking ten doel staan eer het gebroken wierd.
De vrede tusschen den Keizer en Frankrijk werd niet getroffen; doch die van Engeland met Spanje, zoo wel als die van Savoie met Spanje, waarbij Sicilie aan Hertog Victor Amadeus afgestaan, en hij ingeval van kinderloos overlijden van Filip, tot opvolger in Spanje erkend werd, kwam tot stand. - Het was echter nog in 't volgende jaar 1714, alhoewel niet dan na hervatten oorlog in Duitschland, en door de pogingen zoo van dezen Staat als van Engeland, dat het te Rastad tot een vrede met den Keizer kwam; waar door eerst gezegd kan worden, dat die van Utrecht haar uitwerking kreeg; en die van den vrede met het Rijk-zelve te Baden gevolgd werd. Met Spanje had het treffen eener vrede voor den Staat vele moeilijkheden, zoo ten aanzien van den West-Indischen vaart en handel, als van de Souverainiteit voor de Prinses di Ursino bedongen. Ook deze echter werd in Junij 1714 te Utrecht gesloten, en dus bevredigde zich ons warelddeel eindelijk weêr voor een poos, als ook Portugal het met Spanje eens werd, 't geen het laatst van alle geschiedde, en tot Februarij 1714 voortsleurde, eer 't tot zijn beslag kwam.
Edoch schoon er nu vrede was, het vertrouwen en genoegen der vrede was niet hersteld, en welhaast deed de dood van Koningin Anna den stand der zaken een nieuw aanzien aannemen.
Zij, in de laatste jaren haars levens door Marsham, die met haar den beker onmatig lichtte, beheerscht, en met haar meestal verstandeloos geworden, overleed op den 30 July 1714, aan een beroerte. Eenigen tijd voor haar dood, had de twist tusschen Lord Oxford en Bolingbroke de Whigs weder zoo veel invloed doen winnen, dat zij bij den gevaarlijken staat der Koningin maatregelen namen tot verzekering der Hanoversche opvolging. De Keurvorst George van Hanover, (die een zoon van den eersten Keurvorst van Brunswijk en de kleindochter van Jacobus den I was) haastte zich naar Engeland, en de Staten Generaal verklaarden zich gereed om de guarantie gestand te doen. Hij was ook dadelijk op Annaas dood, Koning uitgeroepen, en Frankrijk verklaarde ook de vriendschap tusschen de twee kroonen te willen onderhouden zonder iets voor den Pretendent te ondernemen. Zijn eerste werk was op het dempen en slechten der haven en vestingwerken van Duinkerken te dringen, waaromtrent Annaas Ministerie zeer slap geweest was.
Ondertusschen was de afstand der barrière aan de Staten een bron van allerlei twisten: niet alleen tot dat men na zeer veel moeilijkheden op den 15den November 1715 een Tractaat met den Keizer sloot, waarbij zij een gedeelte van het Overkwartier van Gelderland en een klein gedeelte van Vlaanderen in volkomen oppermacht bekwamen, waardoor Zeeland beter gedekt wierd; en het recht van troepen in de Nederlanden te houden geregeld wierd: - maar ook nog lang daar na zoo met Keulen als Pruissen, welks aanmatigingen al steeds sterker wierden. On-
dertusschen dit is het lot der wareld, waar van geene polityke existentie bevrijd is, gedurige moeilijkheden met naburen of verder gelegene Staten, wier belangen de onzen en elkander gedurig overdwarsen; en wij kunnen dit minutieuse hier niet ophalen, maar moeten ons tot de groote gebeurtenissen bepalen, die van blijvenden invloed en belang in de Geschiedenis zijn.
Van dien aart mogen wij den opstand in Schotland rekenen, die zich dadelijk tegen George I, en ten behoeve van den Pretendent verhief. - Het is geenzins twijfelachtig, of Koningin Anna had op het laatst van haar leven een hart voor dezen het zij dan Vorst, het zij fortuinzoeker, wien men ten minste onderstellen mag zich ter goeder trouw voor gerechtigde tot de kroon van Groot Brittanje gehouden te hebben. De Tories schenen hem daar voor te houden; en hoe zeer het tegen allen schijn van waarheid aandruischt dat hij de zoon der Gemalin van Jacobus II geweest zou zijn; men mag vermoeden, dat toen het door haar of ter wareld gebrachte, of ondergestoken kind overleed, de keus op een ander gevallen is, dat den Koning niet vreemd was. 's Konings gelijkenis ten minste, of (wil men) 't karacteristicq der Stuarts was in hem niet te miskennen, en het is buiten twijfel of er waren speelkinderen des Konings, die tot dit bedrog boven vreemden verkiesbaar waren. Hij had zich, sedert zijn verlaten van Frankrijk, in Bar opgehouden, en men had hem met Annaas genegenheid gevleid; die echter in 't onzekere schijnt gebleven te zijn. Hij gaf een manifest uit, en in de maand September brak
de opstand in Schotland uit, die wellicht door de eerste maatregelen van den Koning tegen de verdachte Tories aangezet wierd1. Twee Fransche schepen met wapens, ammunitie, Fransche Officieren, en tijding van de aanstaande overkomst des Pretendents, versterkten den Graaf van Mar, die den standaart had opgeheven, en in eens vond hij zich aan het hoofd van 10,000 man wel gewapend en van alles voorzien. De Hertog van Argyle leverde hem slag, en schoon te zwak om hem te slaan, was die weêrstand genoeg om afval, verlegenheid, en verloop in zijn partij te bewerken. In het Westen van Engeland begon de opstand gelijktijdig bijna, doch desgelijks spoedig gestuit; en dus stond het reeds wanneer hij Pretendent zich in Schotland waagde, na aan de naburige Mogendheden een brief gezonden te hebben dat hij bezit ging nemen van zijn rijken. Hij kwam daar in 't begin van January 1716, met slechts zes heeren in zijn gevolg en vermomd, ontdekte zich, werd uitgeroepen, verspreidde een manifest, deed een openlijke intrede te Dundee, kwam te Scone waar hij zich dacht te doen kroonen, deed in de kerken voor zijn herstel en persoon danken en bidden, en speelde den Koning zonder een schaduw van macht. Weinig tijds verliep hier meê, en hij hield een redevoering in zijn Rijksraad, wien hij onderrichtte, dat hij geld, noch wapenen, noch eenige middelen had om zich staande te houden, en daarom het leedwezen had van zijn Rijk en Volk weêr te moeten verlaten; en straks gaf hij zich
op een klein fransch scheepjen dat in de haven van Montrose gereed lag, en sommigen volgden; waarmeê de komedie uitgespeeld was, doch die bloedige gevolgen naliet. De Staten Generaal hadden niet slechts alles wat in onze havens ten behoeve des Pretendents toegerust of opgekocht werd, aangehouden, maar ook 6000 man den Koning ter hulp gezonden, en tevens orde gesteld tot aanhouding van al wat tot de rebellie behoorende hier te lande mocht aanlanden; ook was deze hulpbende in eenige schermutselingen van dienst.
Koning Lodewijk de XIV was na een regeering van 73 jaren, en ruim 77 jaar oud, op den 1sten September 1715 overleden. Of hij de hand gehad hebbe in de onderneming des Pretendents is onzeker, schoon de Fransche hulp allerzekerst is. - Zijn opvolger was zijn achterkleinzoon of descendent in den 3den graad, en dit daar hij nog geen zes jaar oud was, onder de Voogdij en 't Regentschap van den Hertog van Orleans, schoon de Koning ten dien einde bij zijn uitersten wil een Raad had benoemd. De Regent had vreedzame beginsels, en men mocht nu op eene duurzame vrede met Frankrijk rekenen, daar het het belang van den Hertog van Orleans was, de naburige Mogendheden te vriend te houden, in 't uitzicht of de jonge Koning mocht komen te vallen, als wanneer de opvolging tusschen hem en den Koning van Spanje (op wiens afstand men weinig staat maakte) hangen zou.
Intusschen was alles thands in den weer om zich door verbintenissen te sterken. Frankrijk had daar aanzoek toe gedaan bij de Staten en bij Engeland.
Engeland sloot er een tot bevestiging der vorige verbonden met ons; en een ander met den Keizer, waarin de Staten weigerden deel te nemen, uit ontzag voor Frankrijk en Spanje.
Doch daar was wederom een oorlog geeindigd, en het kon dus niet missen of daar moest weêr geschil tusschen de Provincien ontstaan over 't afdanken van 't krijgsvolk, en 't opbrengen der lasten. Te vergeefsch schreef men brieven. Van bezendingen wilde men niet hooren. En men zag in dat de algemeene Regeering der Unie verbetering noodig had. Hier toe werd wel eene Algemeene Vergadering als van 1651 voorgeslagen, maar deze behaagde ook ieder niet. Van een Stadhouder werd gerept, maar hoe kon dit!1 En echter elk Kollegie handelde als vrijmachtig, en men had reeds in 1713 gezegd, dat om elk tot zijn plicht te houden, het Stadhouderschap 't eenige middel was. Men wil ook dat dit door Koning George aangeraden was; maar zoodanige raad werd (als men begrijpen kan) zeer zorgvuldig gesmoord.
Het kwam dan tot eene Algemeene Vergadering: die met October 1716 bij een kwam, maar met minder praal en omslags dan die van 1651. Groningen lag met de Ommelanden overhoop en verscheen er niet. Men raadpleegde over velerlei zaken. Onder anderen over 't overbrengen der Posterijen aan 't land; maar hier had men geen trek toe, en dit bleef voor Willem den IV bewaard. - Ook over de huwelijken met Roomschen, waarbij de
Roomsche vader het recht niet zou hebben zijn kinderen in zijn Godsdienst op te brengen; doch dit declineerde Holland. - Het voornaamste punt betrof 't krijgsvolk en eene meerder afdanking van nog 6 of 7,000 man; maar hetgeen men ontijdig vond, na dat men 't eerst eens was geweest. De Raad van State werd gevraagd en was tegen alle meerder vermindering. De Vergadering zat lang, maar had ten slotte niets uitgevoerd, dan een belasting van 1/100 penning op de Generaliteits Obligatien te leggen, en, tegen de tractaten met Bern gemaakt, zoo wel als tegen de toestemming en 't protest van eenige der Provincien, ⅓ der Bernsche Vendels aftedanken, en de overigen in manschap te verminderen; 't geen haar eindelijk in September 1717, en dus, na een jaar zittens, met groot onderling misnoegen scheiden deed.
De Regent van Frankrijk wist Engeland en de Staten tot een drievoudig verbond van verdediging over te halen; waarover de Keizer zeer te onvreden was. Deze naamlijk had de vrede van Rastad en Baden niet dan met tegenzin geteekend en vlamde nog altijd op een deel der Spaansche bezittingen. Dit drievoudig verbond nu sloot de handhaving der Vrede van Utrecht in, die de grond van die van Rastad en Baden was, en waarbij aan Filip de Spaansche Monarchy, onder de uitzonderingen reeds gemeld, toegekend wierd. Hij verklaarde de Barrière daar mee vervallen, als zijnde alleen tegen Frankrijk ingericht, met wien Holland nu eene lijn trok. Men zou echter mogen vragen, of men 't onzent tot ze-
kerheid van de barrière Frankrijk niet even zoo zeer tegen den Keizer, als den Keizer tegen Frankrijk noodig had: de uitkomst heeft in onzen tijd dit geleerd, en het is door de verbintenis tusschen Frankrijk en Oostenrijk, dat wij haar verloren hebben, en de prooi der Franschen geworden zijn. - Doch men begreep dit zoo niet in dien tijd, en de deelneming der Staten in dit drievoudig verbond, werd in 't algemeen als een roekeloosheid beschouwd, en men was er noch bij ons, noch in Frankrijk, noch in Engeland over te vreden. Bij 't drievoudig verbond was men echter wel in zijn schik, den tijtel van Hoog Mogenden nu ook van de Fransche Ambassadeurs te bekomen. Daar haperde nu nog het Seigneurs aan, maar het was echter veel gewonnen, begreep men. Voor Engeland echter was er 't groote voordeel bij, van verwijdering des Pretendents uit Frankrijk en naar over de Alpen, en onderstand tegen alle ondernemingen van zijn kant. En deze onderstand kwam weldra te pas of was op het punt van te pas te komen, door een nieuw ontwerp ten behoeve des Pretendents, doch dat in de geboorte mislukte. Twee Ministers van Karel XII, Gyllemborg en Gortz, de een te Londen, de ander bij ons, waren er de hoofden van, en werden gevat. Zij werden in Zweden opgeeischt, en overgegeven, doch de aanslag was te niet.
Karel de XII is genoeg bekend: dat hij het volgende jaar omkwam behoort onder de gebeurtenissen die onze Koophandel bij de heuchlijken stelde; want de zeeroof der Zweden, die de onzen zeer lastig viel, hield bij zijn leven niet op.
Maar het duurde niet lang of (het geen niemand
vermoed had) Spanje geraakte in oorlog met Frankrijk zoo wel als met den Keizer. De Keizer had wel bij den gesloten vrede de ontruiming van Catalonie beloofd, maar Filip niet totidem verbis [met uitdruklijke woorden] als Koning van Spanje erkend, en dit werd voor dezen een voorwendsel om na den dood van Lodewijk den XIV, den afstand op de kroon van Frankrijk casu quo te weigeren; en zich te beschouwen als in staat van oorlog met den Keizer, die Sardinie behouden had. Zoo dra nu den Keizer door den krijg met de Turken (onlangs uitgeborsten) de handen gebonden waren, maakte Filip zich onverhoeds van Sardinie meester. - Men verdedigde dit met het niet pracsteeren der oplevering van Katalonie; doch terwijl men hier mede de naburige Hoven ophield, werd ontdekt dat het ook op Sicilie gemunt was; en dit eiland was ook dra door de Spanjaarts bezet. - Een zee-oorlog ontstond hier uit met de Engelschen die verplicht waren den Keizer bij te springen.
Het gevolg was onmiddelijk, dat er tusschen den Keizer en de Porte een vrede tot stand kwam, en een Quadruple Alliantie (zoo zij genaamd werd) van den Keizer, Engeland, Frankrijk, en onzen Staat tegen Spanje gesmeed wierd, het geen tot verkrijging van 't volkomen uitwenksel der beramingen van de Utrechtsche en Badensche vreden strekte: waarin men hier echter zeer huiverig was toe te treden. Doch de Koning van Sicilie voldeed aan de schikking om zijn Rijk voor Sardinie over te geven, en dit veranderde de omstandigheden ten eenenmaal.
Intusschen was (in 1719) de Kardinaal Alberoni, Staatsminister van Filip, die deze oorlog beraamd
en berokkend had, er op uit, om Engeland door den Pretendent, en Frankrijk door het oplichten van den Regent en den jongen Koning inwendig in vlam en buiten postuur tot verhindering der Spaansche oogmerken te brengen. Het eerste was iets verraderlijks, doch in de Europische Staatkunde niet vreemd; het tweede een openbaar schelmstuk naar het Jus Gentium. Het een en ander werd in tijds ontdekt, en een oorlogsverklaring van Frankrijk volgde onmiddelijk, met dadelijke aantasting der Spaansche grenzen.
De aanslag tegen Engeland werd voortgezet, doch mislukte geheel. De Staat had den Koning 2000 man bijgezet, en in de haven van Amsterdam eenige troepen en toerustingen, daar door Spanje gereed gemaakt, in beslag gehouden en belet te vertrekken. En terwijl men bezig was de Spaansche macht uit Sicilie te verdrijven, trad Spanje zelf tot het viervoudig verbond: waartoe hem de voortgang der Fransche wapenen in Biskaaie en een Expeditie der Engelschen op Vigos en Porte-Vedro verplichtte. Alberoni verviel in ongenade zijns meesters, en werd niet alleen buiten 't bestuur gesteld, maar het Spaansche Rijk hem ontzegd. - Het duurde nog tot in 1721, eer de vrede tusschen Engeland en Spanje getroffen wierd; waarop een geheim verbond van die beide met Frankrijk volgde; en ten einde den Keizer met Spanje te bevredigen, werd er een bijeenkomst te Kamerijk aangelegd. Vier jaren duurde die onderhandeling, en in 1725 bewerkte zij drie zeer innig verbindende verdragen tusschen deze twee Mogendheden, waarvan nader!
In het jaar 1722 was er op nieuw eene samenzweering ten voordeele van den Pretendent in Engeland, doch die, spoedig ontdekt, geen gevolg had.
Het was nu (1720) het jaar van de oprichting des nieuwen Finantie-systemaas in Frankrijk door den Schotschman John Law, waar van de gevolgen zoo doodlijk voor dat Rijk geweest zijn, en ook de naburige landen getroffen hebben. Het bestond in de oprichting van een bank, waarvan de inschrijving een kapitaal van 1000 miljoen Livres bedroeg, en een Maatschappij van Koophandel op de landen der Missisippi, die 100 miljoenen beliep. Het is mij niet mogelijk deze zaak nader te verklaren, maar het is zeker dat de actien tot geweldige prijzen rezen, eensklaps schatrijke lieden maakten en vervolgens duizenden ten verderf brachten. De zedelijke invloed die zij hier te lande gehad heeft, en waar door de solide koophandel plaats gemaakt heeft en veranderd is in een zucht van speculatie en hazardspel (gelijk men het noemt) is bij dat alles 't beklaaglijkst en onherstelbaarst. [Z. de Bijvoegs. en Opheld.]
Intusschen was de geest van vervolging tegen de Protestanten, van Frankrijk naar het Duitsche Rijk en Hongaryen overgeslagen, en schoon men hen daar wel niet pijnigde en beroofde, men ontnam hun de vrije en openbare leer en oefening van hun Godsdienst. Inzonderheid mede had dit plaats in de Palts, waar de Keurvorst niet in den Catechismus van de Mis gerept wilde hebben. De Staten achtten zich verplicht hiertegen zich door repressalien te verzetten, door het sluiten der Roomsche kerken
en uitzetten der Jezuiten bij ons: het geen van uitwerking was.
Heinsius die 31 jaar Raadpensionaris geweest was, stierf dit jaar (1720), en met hem de dracht van mantel en bef onder de Staatslieden. Zijn opvolger was Hoornbeek.
In het jaar 1718 werd de Prins van Oranje (toen in zijn achtste jaar), Stadhouder van Groningen en Ommelanden verkoren, op den voet als zijn vader; en in 1722 werd hij Stadhouder van Drenthe. Hij was dus met deze waardigheid nu bij 3 Provincien van de 8 (Drenthe voor een Provincie gerekend, gelijk het waarlijk was) bekleed,