terug  begin  verderprepost
[p. 126]

[Het kort, krachtig, en treurig resultaat door Bilderdijk-zelf uit deze geheele geschiedenis des Vaderlands getrokken - eene korte, doch geheele, Eigen-levensgeschiedenis van Bild. - mijne Narede, waarbij nog eenige merkwaardige stukken van B. zelven - en nog wel eenige Nalezing, misschien, op eenige punten der Geschiedenis; - geve ik bij het algemeene en breeder Register op het geheele werk eerlang in het XIII en laatste Deel, waarmede ik dit werk verlange te besluiten.

 

L. 26. Nov. 1837.

H.W.T.]

[p. 127]

Ophelderingen en bijvoegselen.

[p. 128]
[Het gene in de volgende bladen niet tusschen haakjes ingesloten is, behoort tot bilderdyk 's eigen handschrift:
Het aldus ingeslotene
( ), is aanvulling uit zijn mondeling bijgevoegde:
Het aldus onderscheidene
[ ], is toevoegsel van mij zelven.
H.W.T.]
[p. 129]

Ophelderingen en bijvoegselen.

Bladz. 1-3, (Prinses Anna.)

[In de Redevoeringen en Verhandelingen over onderwerpen tot de Vaderlandsche Geschiedenis en Letterkunde behoorende, van mijn hooggeachten Ambtgenoot m. siegenbeek, (Dordr. 1836. gr. 8o), komt bl. 167-194 een stukje voor, getiteld: Over Prinses anna, Gouvernante der Nederlanden. Eigenlijk eene lofverhandeling, veelal gemaakt uit de lijk-lofredenen op Haar, van de Hoogleeraren d. van de wynpersse en p. wesseling. Die van de Hoogll. fr. van oudendorp te Leiden, en jac. de rhoer, te Deventer gehouden, hadden nog nieuwen lof kunnen opleveren1. Doch het ware voor de nagedachtenis der Vrouwe Gouvernante wel van belang geweest, dat de Hoogl. S. in zijn opstel over haar, notitie had genomen van hetgeen over haar aan de schim

[p. 130]

van wijlen haar Doorluchtigen Gemaal geklaagd wordt in de Tweede Zamenspraak gehouden in het Rijk der Dooden (z. bov. XI D. bl. 257, aant.). - Dat Prinses anna eene schrandere en kloeke vrouw was, die in gewichtige zaken voor haren Gemaal de pen wist op te vatten en fiks te voeren, zal blijken uit een merkwaardig stuk, dat ik achter dit Deel, onder de Nalezingen van het XIde, denk te geven.

Of zij zoo schoon geweest zij - (om te stelen -) als bild. bl. 2 van haar zegt, is mij door anderen, uit overlevering, betwijfeld. Op de in druk uitgaande afbeeldselen van Vorstelijke Dames, kan men, bekendelijk, weinig staat maken: - doch het doet er thans niet meer toe -]

Bladz. 4. ‘dadelijk op het overlijden’ - en aant. 2. ‘nog denzelfden dag.’

[Aardig wordt hiermede gespot door m. temminck, in de gem. Tweede Zamenspraak, bl. 5. - alwaar hij wijlen den Thes. Gnrl. hop, aan de schim van Willem IV zeggen laat: ‘dat haar Ed. Gr. Mogenden, uw overlyden vernomen hebbenden, noch die zelve dag, zynde den 22 Octob. 1751. eene plegtige deputatie, uit het midden hunner afzonden, aan de Princesse Weduwe, zo om haar wegens uw overlyden te condoleren, als om haar den Eed, als Gouvernante en Voogdesse af te nemen; waarop daags daar aan, 23 Octob. aan Haar Ed. Gr. Mog. kennis van uw dood wierd gegeven:’ en daarop Prof. burman Sec. bijvoegen: ‘Waarlyk men moet bekennen, dat die Heeren 'er prompt by waren: waren zy ook bang, dat de Princesse Weduwe haar dienst aan een ander mogt toezeggen? natuurlyker wyze zou men anders zeggen, dat ze ten minste eerst

[p. 131]

de communicatie hadden moeten afwagten, die nu niet onaartig achter aan kwam na het compliment van condoleantie.’]

Bladz. 5-8, ‘Men verbond zich derhalve bij schriftelijke akten:’ enz.

[Het was reeds bij het vorig. Deel de plaats geweest, om te spreken over die Conventien en Societeiten van Stedelijke Regenten, in meest alle Steden aangegaan; om het beleid der Regeering, en vooral ook de begeving der Stedelijke ambten en officien, en van de Generaliteits- en Provinciale Commissien die aan die Stad moesten vervallen, te regelen door egale verdeeling van personelen invloed der oudste Regenten; die wederom, denkelijk ingevolge van hun oorspronklijke kleur of staatspartij, in Gezelschappen gescheiden waren. Deze Cabaal-vereenigingen schijnen reeds ontstaan in het tweede Stadhouderlijke tijdperk, toen na den dood van Willem III. een krachtiger reactie kwam van de in 1672 gefnuikte aristocratie; - doch ook de door hem ingestelde regeering door een dertigjarig bezit geworteld 2was. De openbare beroeringen in de drie Provincien, die hij door bijzondere Reglementen van regeering geconstitueerd had, hebben wij gezien in het XI D. bl. 7-10, 16, 204-211. In de andere gewesten schijnen de Regenten door vrijwillige transactien, de eensgezindheid - en het belang van hun en de hunnen - verzekerd te hebben. De wakkere Mr. g.w. vreede, heeft in het Tweede Stukje zijner Geschied- en Letterkundige Herinneringen (Gorinch. 1836) slechts met eene aanspeling in het voorbijgaan bl. 71, de stukken aangeduid betreffende Deventer, die ik hem ter hand gesteld had. - Maar dezelve zijn te karakteris-

[p. 132]

tiek, en sluiten te juist op de Vlissingsche, door mij reeds voorlang (Mnemos. XIII D. bl. 153 volgg. 1822), en de andere; door f. v. mieris en a. kluit (ald. aang.) nog vroeger in het licht gegeven, om niet (althans de voornaamste) uit de onder mij berustende originelen hier te laten volgen:

Conventie van den 10 Febr. 1724 tusschen de Heeren Burgemeesteren der neutrale Societeyt.

‘Alsoo de gesamentlijke Heeren van de Gecombineerde en Neutrale Societeit sig nopens het vergeven der Commissien soo door deser Stads Regenten, gedurende de tijt van dertien jaer en in 't vervolg moeten worden bekledet, onderlinge in der minne hebben verstaen, ende dat daer over een schriftelijk Convenant ten eersten sal opgerigt, en door wedersijds Heeren resp. getekent worden, soo habben de Heeren Burgermeesteren van de Neutrale Societeit aengaende die Commissien, welke door haer Edelheeden volgens gem. minnelijke accommodatie moeten worden vergeeven ook met malkanderen na rijpe deliberatie, ende tot onderhoudinge van alle gewenschte harmonie geconvenieert ende geaccordeert, gelijk de selve doen bij desen

1. Dat de onkosten van de verteringe van dese Societeit, soo jaerlijx door de Burgermeesteren en Gemeensluiden samentlijk worden gedaen, sullen moeten worden betaelt van die gene, welke volgens de wetten van de Societeit daer toe zijn verpligt; Edog indien gem. onkosten daer uit alle niet konden worden betaelt, soo sullen de resterende jaerlijx en alle jaer tot den jaere 1729 moeten worden gesuppleert ende betaelt uit de Commissie ter Generaliteit.

2. Dat de Heeren Rouse, Ten Brink, Jacobson en Bruins sullen hebben ende genieten de vier eerste Commissien, soo door dese Societeit volgens meergem. minnelijke accommodatie sullen moeten worden bekledet.

3. Wien ten gevolge dat de Heer Burgermr. Everhard Rouse sal hebben ende genieten de Commissie in de Generaliteit voor de tijt van twaelf jaeren tot 1 Meij des jaers 1700 seven en dertig,

[p. 133]

mitsgaders dat het aen syn WelEd. sal wesen gepermitteert, om de drie laeste jaeren van de selve, sonder daer uit iets het minste te genieten, aen eene der tegenwoordige Heeren Burgermeesteren over te doen, indien syn WelEd. Petri 1700 vier en dertig komt te beleven.

4. Dat de Heer Burgermr. Jacob Ten Brink sal hebben ende genieten de Commissie in de Admiraliteit van Amsteldam die met den jaere 1792 aen dese Stad moet koomen.

5. Dat de Hr. Burgr. Gerh. Joan Jacobson sal hebben ende genieten de twee eerste jaeren van de Generaliteits Rekenkamer, die met den jaere 1731; aen dese Stad moet koomen; Ende daer en boven de Ambtmannie deser Stad van Petri 1725 tot Petri 1731 excluis, zijnde ses jaeren.

6. Dat de Heer Burgemeester Gerhard Bruins sal hebben ende genieten de Admiraliteit van Frieslant, die met den jaere 1732 aen dese Stad moet koomen; Ende daer en boven uit de Deputatie jaerlijx ende alle jaer een So. van eenhondert en vijftig Car. gls: Edog gedurende de tijt van des selfs Commissie, sullen gem. 150 guld. koomen in den boesem van de Neutrale Societeit, ende d' Hr. Burgr. Sloet daer uit genieten vijftig guld. Blijvende de overige hondert mede tot voldoeninge van de onkosten boven gemelt.

7. Dat de Hr. Burgermr. Abrah. van Suchtelen in plaets van een Commissie mede uit de Deputatie sal hebben ende genieten jaerlijx ende alle jaer een So. van driehondert Car. gls, en bijsonderlijk die gene, welke door de Heeren Gecombineerden op den eersten gestelden Termijn sullen moeten worden uitgetelt.

8. Dat de Heer Burgermr. Wolt. Jan Sloet mede in plaets van een Commissie uit de Deputatie sal hebben ende genieten jaerlijx en alle jaer een So. van eenhondert en vijftig Car. gls.

9. Dat in val d' Hr. Burgr. Bruins quame te overlijden, de Heer Burgr. Sloet boven de gem. 150 guld. sal genieten nog vijftig guld. als dan te saemen tweehondert Car. gls; Ende dat in val d' Hr. Burgr. Sloet quaeme te overlijden, de Hr. Burgr. Bruins boven de gem. 150 gls. sal genieten nog vijftig gls, als dan te saemen ook tweehondert gls. sullende de overige resp. eenhondert guld. soo van d' Hr. Burgr. Bruins, als van de Hr. Burgr. Sloet in de voorsv. geval mede koomen tot betalinge van de onkosten boven gem.

[p. 134]

10. Dat in val de Hr. Burgr. Abrah. van Suchtelen quaeme te overlijden, des selfs gementioneerde driehondert gls. sullen vervallen in den boesem van de Neutrale Societeit en Burgr. Bruins daer uit genieten jaerlijx vijftig gls, en Burgr. Sloet jaerlijx ook vijftig gls: Blijvende de overige tweehondert guld. tot betalinge van de meergem. onkosten van verteringe. Des ten oirconde zijn hier van drie alleensluidende opgestelt en door de Heeren, Burgermeesteren van dese Societeit tot nakominge en suivere onderhoudinge van dien ondertekent. Gedaen binnen Deventer op den 10 Feb. 1724.

gerh. bruins.
everhard rouse.
wolter jan sloet.
abraham van suchtelen.
jacob ten brink.
gerhard ioan iacouson1.’

Dubbeld

Conventie van den 13 Febr. 1724 tusschen de Bmrn. van de Gecombineerde en Neutrale Societeiten.

Op huiden dato ondergeschreven is, tusschen de Wel Edele Agtbare Heeren Burgemeesteren van de respective Gecombineerde en Neutrale Societeiten binnen de Stad Deventer, opgerigt een onderling minnelik en eenpaarig accoord, over de Commissien so aan de Stad Deventer staan te komen, van primo Maii deses jaars 1724 tot primo Maii 1736 inclusive.

Ingevolge van het welke dese nabenoemde Commissien sullen komen aan de Heeren van de Gecombineerde Societeit

1.De Commissie van de Binnenlandse Deputatie voor den tijt van dertien jaaren, met die belasting en beswaar, dat jaarlix daar uit aan een Heer of Heeren van de Neutrale Societeit sal gegeven worden een summa van ses honderd Caroli Guldens; De eerste halfscheid te betalen so haast dien Heere, so daar toe sal worden gedespicieert, sessie sal genomen hebben; en de laatste halfscheid anstonds, als den Ontfanger de ordonnantien van het jaar sal hebben betaald.
[p. 135]
2.De Commissie van de Admiraliteit op de Maze
3.De twee laatste jaaren van de Generaliteits rekenkamer
4.De Commissie van de Admiraliteit in het Noorder-Quartier en West-Friesland.
5.De ses laatste jaaren van de Amtmannie, sullende ingaan met Petri 1731.

Daar en tegens sullen aan de Heeren van de Neutrale Societeit gelaaten worden de Commissien hier na volgende

1.De Commissie ter Generaliteit voor de tijd van twaalf jaaren, ingaande met Maii 1725.
2.De Commissie ter Admiraliteit tot Amsterdam.
3.De twee eerste jaaren van de Generaliteits Rekenkamer.
4.De Admiraliteit in Vriesland.
5.De eerste ses jaaren van de Amtmannie, sullende ingaan met Petri 1725.

Vervolgens sijn door de Heeren van wedersijds Societeiten met eenpaarigheid vastgesteld en beraamd dese volgende articulen.

1. Dat ingevalle een of meer van de Heeren, welke bereeds haare bekomene Commissien sijn bekledende, of ook andere, so tot eenige van de voorstaande Commissien, door de respective Heeren Burgemeesteren der Societeiten mogten sijn gedestineerd, in de tijd van de effective bekledinge, of voor den tijd dat dese Commissie of Commissien souden kunnen antreden, ofte ook voor exspiratie van dien, 't welke God verhoede, quame of quamen te overlijden; die zelve Commissie of Commissien, dan voor den gestipuleerden tijd in desen vermeld, sal of sullen verblijven in die Societeit, waar an de selve door dese Conventie is of sijn gekoomen; Ende vervolgens door die eerst-geteekende Heeren, welke in die Societeit nog in leven sijn, en in dit Contract begreepen, wederom worden begeven sonder insage van de Nieuws aangekomene Heeren.

2. Dat het vrij sal staan aan die Heeren, so, uit kragte van dese Conventie, eenige Commissie hebben bekomen, of staan te verwagten, met den anderen, na convenientie van saaken, sonder onderscheid, het zij een Regent uit de Gecombineerde of Neutrale Societeit, bij verruilinge te mogen handelen, van sodaanige Commissie, als op sijn tour soude moeten bekleden. Met dien verstaude nogtans, dat de Commissie van Binnenlandse Deputatie niet

[p. 136]

sal mogen worden verroilt, als tegens de Commissie ter Generaliteit. Et sic vice versa. Dog ten ansien van de Amtmannie word wel expresselik gestipuleerd, dat den Heer, die daar toe uit wedersijds Societeiten sal worden genomineerd, de vrijheid sal worden gelaaten, om deselve in cas daar bij sijn interest vinden mogt, . . . te mogen overdoen voor dien tijd als de selve aan hem is gegeven ende dat an een ander Regent, in dit Convenant begreepen.

3. Dat de Leden in ieder Societeit met malkanderen sullen begeven die Commissien, welke, ingevolge dese Conventie, aan Hun zijn toegedeeld, en also nomineren dien Heer of Heeren, welke tot waarneming van de selve gedespicieerd hebben Dat in dese begevinge, so veel mogelik, alle redelikheid geobserveerd sal worden, sonder dat hier in eenige overstemming of lotinge plaats sal hebben. Edog indien het onverhopenlik mogte gebeuren, dat de Leden van een van beide de Societeiten sig onderlinge in der minne, over de begeevinge der Commissien en Amtmanschap, niet konden verstaan ofte vergelijken; dat dan eerst ieder in den Haaren, door de minst geinteresseerden, bij persuasie en inductie, die saak sullen soeken te vereffenen en uit den weg te nemen. Dog so onvermoedelik sulx mogte ontstaan, so sullen de Leden van de andere Societeit, mede na anwendinge van alle mogelike middelen van inductie en persuasie, en na verhoor van Partijen, met regard op alle redelikheid, daar in kunnen en moeten decideren, en dat anstonds, ofte ten minsten twee dagen voor octava Petri; als wanneer, na de wet, alle Stads Commissien en Amten begeven worden. En sal die Uitspraake moeten worden nagekomen, bij poene van exclusie.

4. Dat wanneer dit Convenant sijn effect sal hebben gehad, en de tijd in het selve gemeld sal sijn vervloten, men, nopens de begevinge over de Generaliteit en Deputatie, wederom sal moeten loten, an welke van de twee Societeiten de Generaliteit, en an welke de Deputatie wederom sullen komen indien men sich dieswegen in der minne niet konde verstaan. Eindelik dat des tijdes, en vervolgens altoos in allen gevalle, de verdeelinge aan alle de andere Commissien, so, op haar tour, an de Stad Deventer moe ten komen, tusschen die dan des Rades sijnde Heeren van beide Societeiten, over en weder, in een egale voet en portie, mede

[p. 137]

sal moeten worden gereguleerd; Sonder dat men neme eenig het minste égard, of het getal der voorgedagte Heeren van de eene Societeit mogte wesen meerder of minder, als het getal der Heeren des Rades van de andere Societeit.

5. Dat alle de Heeren, welke, na, ondertekeninge deeses, des Rades mogten verkoren worden, dese Conventie mede sullen ondertekenen, en geene pretensien op de bovegemelde Commissien maaken: Maar, te gelijk met de Oude Heeren, na redelikheid, angaan in die Commissien, welke, na voleindiging van dit Contract, wederom sullen worden begeven. Ende, bij verweigering, op poene van vordere exclusie.

6. Dat dese Conventie door de respective Heeren sal werden gesecreteerd, op den eed aan de Stad gedaan.

7. Dat so haast de Heeren van de respective Societeiten, ieder in den Haaren met haare begevinge vaardig zijn; welke begevinge sal moeten geschieden binnen drie dagen na ondertekening deses Contracts: daar van sullen over geven een specifique Memorie, door Haar ondergetekend. Welke Memorie aan dit Convenant sal worden geannecteerd, en werkelik gehouden, als of de selve van woord tot woord in dese waare geinsereerd. Ende sal sulx vervolglick moeten worden nagekomen. In kennisse der waarheid, ende sonder erg of list, sijn hier van twee al eens luidende gemaakt, en geteekend binnen Deventer den dertienden Februarii deses jaars 1700 en vier en twintig.

Was met verscheide handen geteekend

Gerk. Bruins.
Abraham van Suchtelen.
Everhard Rouse.
Jacob Ten Brink.
Garhard Jonn Jacobson.
Wolter Jan Sloet.
Georg Jordens.
R. Jordens.
J.v. Suchtelen.
.....
Henr. Podt.
J. Fockink.
Gisb. Tim. Jordens H.T. 1724.

Ende hebben de gesamentlike Heeren des Rades van de Neutrale Societeit, dit Dubbeld mede eigenhandig ondergetekend, tot bevestiging der waarheid, dat Haar Wel Edele Agtbb. dit Dubbeld wel uitdruckelik sijn houdende van woord tot woord accordeerende en allenthalven van de selve efficacieuse kragt, als des selfs ori-

[p. 138]

gineel. Geschied sonder eenig erg ofte list binnen Deventer den veertienden Februarii 1700 en vier en twintig.

gerh. bruins.
everhard rouse.
wolter ian sloet.
abraham van suchtelen.
jacob ten brink.
gerhard joan jacobson.1.’

 

Copia.

Conventie van 23 Maert 1728 over de Commissien tusschen de HH. ten Brink, Jacobson en Sloet.

Alzoo door het overlyden van de Heer Burgemeester Everhard Rouse aan ons ondergeschrevenen in gevolge onze particuliere en generale conventien respective in datis den 10 en 13 Februarii 1724. is komen te vervallen de commissie ter Generaliteyt voor de tyt van negen iaren aanvanck nemende met primo Mey 1728 en eindigende met ultimo April 1737. ende dat aen ons ingevolge gemelte generale conventie van den 13 Febr. 1724 alnog toekomen ende te begeeven staan de Admiraliteyt van Amsteldam, de twee iaren van de Generaliteyts Rekenkamer ende de Admiraliteyt van Friesland, zoo hebben wy ondergeschrevene onder iuhaesie van alle onze voorgaende conventien voor zo verre dezelve by deezen niet zyn verandert, in der minne geconvenieert en vastgestelt, gelyk geschiet in ende vermits deezen in manieren navolgende

1. Dat de Heer Burgemr. Jacob ten Brink zal hebben ende genieten de Commissie in de Generaliteyt voor de tyt van zeven iaren, ingaende met Mey 1728 en eindigende met ultimo April 1735.

2. Dat de Heer Burgemeester Gerhard Joan Jacobson zal hebben ende behouden de nog resterende drie iaren van de Amtmannie, ende daerenboven genieten de commissie in de Admiraliteyt van Amsteldam ingaende met Mey 1729 en eindigende op ultimo April 1732. ende dan nog twee iaren van de Generaliteyts Rekenkamer, ende eindelijk de twee laetste iaren van de Commissie ter Generaliteyt, ingaende met Mey 1735. en eindigende ultimo April 1737.

3. Dat de Heer Burgemeester Wolter Johan Sloet zal hebben

[p. 139]

ende behouden iaerlyks uyt de binnenlandze Deputatie tweehondert en vyftig Caroli guldens, ende daerenboven nog vyftig Caroli guldens, uitmakende te zamen drie hondert Caroli guldens iaerlyks, ende wel in 't byzonder die geene, welke door de Heeren Gecombineerden op den eersten gestelden termyn zullen moeten werden uytgetelt, ingaende met Mey 1728 en eyndigende ultimo April 1737. mitsgaders de Commissie in de Admiraliteit van Vriesland, ingaende met Mey 1732 en eindigende ultimo April 1735. zynde drie iaren: edog zal geen driehondert guldens iaerlyks uyt de binnenlandze deputatie genieten gedurende de tyt van desselvs commissie, maer zullen die gementioneerde drie honderd Caroli guldens gedurende gemelte drie iaren door Burgemeester Jocobson iaerlyks werden genoten, uitmakende te zamen negen hondert Caroli guldens, zullende welgemelte Burgemeester Sloet gedurende de drie iaren, dat zyne voorschrevene Commissie zal bekleden, niet gehouden zyn iets te contribueren tot de verteringe der neutrale Societeyt.

In kennisse der waerheyt zyn hier van drie al eens luydende instrumenten opgerigt, en door ons onderschrevene drie Heeren Burgemeesteren ten Brink, Jacobson en Sloet eygenhandig onderteekent. Actum Deventer den 23 Maert zeventienhondert agtentwintig.

Jacob ten Brink.
Gerhard Joan Jacobson.
Wolter Jan Sloot.’]

Bladz. 22. Gecommitteerde Raden.

't Belang van dit Kollegie: als uitvoerende de Souverainiteit bij absentie der Staten. - De Leden daarvan, nu niet door verkiezing of op aanbeveling, of met raadpleging van Z.H. gekozen, maar door de Steden, die ieder haar Gecommitteerden daar in zonden, om pro lubitu en zonder verandwoordelijkheid te handelen. - En die iedere gemeenelands bediening in elke stad of onder 't ressort van elks stad openvallende, vi suae propriae potestatis met den gene die hem aangenaam was vervulde, zonder raadpleging van de overige Leden, die

[p. 140]

invicem hun gemeenen naam leenden. - Die ook even zoo al wat de regeering van hunne Stad niet aangenaam was, kenden, en schoon het door Staats-plakaten was ingevoerd, in de uitvoering weigerden te handhaven, en daar door de gemeene raadslagen ter Staatsvergadering, verijdelden en te loor stelden. - En het was even zoo met de aanstelling der Ministers van dat Collegie; wien daar ook de handen gebonden wierden, en die tot Ministers der Leden, en niet van 't Collegie werden.

[De Geschiedenis van dit Collegie is beknopt voorgedragen door Jonkhr. c.a.j. beelaerts van blokland, diss. inaug. publ. def. Lugd. Bat. d. 30 Junii 1838.]

Bladz. 22, Carolina.

[Carolina, en dus ook haar Gemaal, waren, ingevolge de aan Willem IV. verzekerde erfopvolging zijner afstammelingen in de vrouwelijke zoo wel als in de mannelijke linie, personen van importantie, zoo lang de jonge Willem V ongehuwd was en geene kinderen had. - Indien er ook quaestie had kunnen ontstaan, of Prins Willem V wel tot het bewind geschikt was, dan hadden Carolina en haar Gemaal nader in aanmerking behooren te komen tot Regentschap of suppléance, dan de Hertog Lodewijk van Brunswijk, die door bild. alh. bl. 25, 26, van zoodanig ambitieus plan beticht wordt.

[Weinigen in Holland weten, dat Carolina (zonder dat hierbij melding van haar Gemaal gemaakt wordt) gedurende eenige maanden als Gouvernante van haar minderjarigen broeder heeft gefungeerd in de Provintie Friesland, en alzoo aldaar de magistraatsbestelling in de Steden gedaan. Gedurende den tijd, namelijk, die er verliep tusschen het afsterven van Prinses Maria Louisa, moeder van Willem IV; aan welke, na het

[p. 141]

overlijden van Prinses Anna, door de Staten van Friesland het zelfde recht wederom opgedragen was, dat zij geoefend had gedurende de minderjarigheid van wijlen haar zoon, en de minderjarigheid van Prins Willem V1.

Het huwlijk van Prinses Carolina met een Prins van den Luthersch-Protestantschen Godsdienst, gaf in der

[p. 142]

tijd tot veel opspraak en geschriften aanleiding; ook om de quaestie, of Luthersche kinderen in onzen Gereformeerden Staat eventueel het Stadhouderschap zouden kunnen voeren1. Ik kan al die brochures hier niet vermelden; te minder, om dat die quaestie er thans geene meer is. Want terwijl onze Grondwetten van 1814 en 1815 uit een zeer overdreven ultra-legitimistisch respect voor die aan Willem IV verzekerde erfopvolging in de vrouwelijke linie, het huis van Nassau-Weilburg eventueel tot den Nederlandschen troon geroepen hebben, heeft volgens de Grondwet van 1815 de Koning der Nederlanden, als zoodanig, geen' bepaalden Godsdienst. - Ik geloof echter, dat bij eene eventueele herziening onzer Grondwet, dat art. 7/23 derzelve, wel achterwege kon en mocht gelaten worden.]

Bladz. 26, ‘Acte van Consulentschap.’

[‘Kort voorstel van het geene omtrent den overgang van Zyne Hoogheid den Heere L. Hertog van Brunswyk, in den dienst van de Republicq der Vereenigde Nederlanden en deszelfs conservatie in den gemelden Dienst is voorgevallen, en vervolgens aanleiding heeft gegeeven tot het passeeren van zeekere acte, tusschen Zyne Hoogheid den Heere Prince van Orange en Nassau, en gemelde Zyne Hoogheid den Heere L. Hertog van Brunswyk, op den 3. Mey 1766. aangegaan.’ 24 bladz. en 24 bl. Bijlagen, in folio. (1784)].

[p. 143]

Bladz. 27, (Van Hamel's aanspraak.)

[Die aanspraak staat in de Nederlandsche Jaarboeken 1766, bl. 175-178. - Maar dat ergerlijke, hier vermeld, staat er niet in. -]

Bladz. 30. r. 5, ‘als een der Roofstaten van Barbarijen.’

[Eenigzins zachter, doch in de daad éénsbeteekenend, zegt nog in 1838, en van Pruissen in 1805 (dus 30 jaren later), de verstandige, geleerde, bezadigde en hooggeachte rossi: la Prusse était un parvenu politique, un royaume nouveau, consolidé et illustré par le génie et les victoires de Frédéric.’ (Rev. des deux Mondes. Livr. 15 Avril 1835. p. 110 van den Bruss. nadruk.)]

Bladz. 30. r. 15, ‘eene zeer geringe Prinses.’

[- van Mecklenburg-Strelitz. - Dit epitheton treft nu zonderling, bij het huwlijk van den tegenwoordidigen Hertog van Orleans. -]

Ald. r. 5 v. ond. ‘de Prinses van Pruissen.’

[In de gemelde Tweede Zamenspraak, bl. 62, wordt melding gemaakt van ‘eene andere partij, aan wier hooft zich de Heeren [Bentinck van] Rhoon, Fagel, en [de Engelsche Minister] York bevonden; en wier doel was den jongen Stadhouder met eene Engelsche Prinses te doen huwen.’ - Er is ook eene overlevering, dat de jonge Prins tot Gemalin begeerd had zijne volle Nicht, de Engelsche Prinses Carolina Mathilda, die naderhand in Denemarken zoo ongelukkig geworden is. - Of er in de Memoires de Caroline Mathilde iets van dit plan voorkomt, kan ik niet zeggen, daar ik dit boek thans niet ter hand heb.]

[p. 144]

Bladz. 33. r. 3, ‘de Schutterij van den Haag’ en aant. (1).

(De Haagsche Schutterij, die zeer gesteld was om parade te maken, hield bij gelegenheid van brand zeer goede orde. Nu bednidde Wolfenbuttel den Prins dat dit voor de Schutterij te moeielijk was, maar dat de militairen dit behoorden te doen. Eenigen tijd daarna brand ontstaan zijnde, joeg de Militie de burgerij weg. Hieruit was bijna een geducht oproer ontstaan; de klachten kwamen spoedig tot Willem V, die dadelijk van maatregelen veranderde.)

Bladz. 39. aant. - P. Paulus, Nut der Stadhouderlijke Regeering.

[pieter paulus, zoon van josias paulus, Burgemeester te Axel in Staats-Vlaanderen, schreef, als achttienjarig jongeling, en nog Student zijnde aan de Hoogeschool te Utrecht, (zonder zich te noemen, of de drukplaats aan te wijzen,) het zeer beroemd geworden werkje: het Nut der Stadhouderlijke Regering; aangetoond bij gelegenheid der geboorte van Willem Frederik, Prince van Oranje en Nassau; Erf-Stadhouder, Capitain-Generaal, en Admiraal der Verenigde Nederlanden (1772)1. Te bekomen: Alkmaar bij de Wed. Maagh (enz.) 201 bladz. gr. 8o. - Twede Druk. Waarbij gevoegd is ene wederlegging van paulus dortsma die in zijne Voorreden van de twee delen, waarin de Rhytmus Monachicus onderzogt word, zig had onderwonden dit Werkje op ene snode wijze, te beoordelen. Te bekomen: Alkmaar (enz). L. XXII

[p. 145]

en (door eenigzins compresser druk) 189 bl. gr. 8o. - Namelijk, p. paulus had in het Voorbericht van zijn Nut, een' gezochten, hatelijken uitval gedaan, tegen den Advocaat der Vaderlandsche kerk, als ‘een werk het geen daar toe alleen schijnt geschikt te zyn, om het zaad der onënigheid nog, meer en meer, te verspreiden, lofwaardige Lieden te benadelen, en onregtmatige handelingen voor billyk op te geven; met een woord, een stuk, dat aan de publyke rust nadelig mag gerekend worden; een prulschrift,’ enz. Ook had hij in zijn werkje zelf (bl. 26, 27 aant.) met tamelijke minachting gesproken van den Pred. j. barueth1. Dit gaf aanleiding dat deze, die zelf de ‘Advocaat der Vaderlandsche Kerk’ was, den ongenoemden en onbekenden Schrijver scherp en hatelijk aanviel, in het geschrift: de Rhytmus Monachicus, of Monnikendeun der Broederschap van Vryheid en Tolerantie; naauwkeurig onderzogt; de daar in vervatte vuile laster, laffe spotterny, de drieste onwetenheid in taalen en saaken, onderscheiden aangeweesen; en, soo wel ten bewyse van de faamroovende ongebondenheid der drukpers in deese vrygeestige dagen, als ter handhaaving van aansienlijke en eerwaardige karacters ernstig wederlegt; in twee deelen: door Paulus Dortsma, Licentiaat in het kerklyke en waereldlyke recht: voor af gaat eene getrouwe waarschouwing aan alle welmeenende Vaderlanders tegen seeker nieuw boek, sonder aanwysing van drukker uitgegeeven, alomme verzonden en in de nieuwspapieren aangekon-

[p. 146]

digt, onder de misleidende titel: Het nut der Stadhouderlyke Regeering, aangetoont by geleegenheit der geboorte van Willem Frederik, Prinse van Oranje en Nassauw. 's Gravenhage, 1773; in de Voorreden, bl. IX-XXXIV: als ware zijn geschrift slechts huichelary, en hij-zelf een lid of aanhanger van het tegen Oranje en de Gereformeerde Kerk vijandig Sandhorster-kuddeken. P. Paulus beantwoordde dit met gelijke munt, in het gemelde Voorberigt van den Tweeden Druk, bl. IX-LXII1. - Hiertegen kwam nu wederom uit, het thans weinig bekende stukje: Het zoogenaamde Nut (- ik geef den langwijligen titel met kleiner letter in de noot2.)

[p. 147]

En nu toch aan dit onderwerp zijnde, wil ik nog eenige schrijvers of boektitels daar over opgeven: ‘Schat van uitgelezene Traktaten aangaande het Stadhouderlijke gezag, als de bekwaamste vorm van regering in deeze Vereenigde Nederlanden, door verscheide Liefhebbers verzamelt en op nieuws uitgegeeven.’ Amsteld. 1749. Vereenigde herdruk van drie stukjes uit de 17de eeuw; wier eerste: ‘Onpartydige Bedenkingen en Overweegingen op het stuk van het Stadhouderlijk Gezag, als de bekwaamste, veiligste en bestendigste vorm van Regeeringe in deeze Vereenigde Nederlanden. Dienende te gelijk tot beantwoording van zeekere Deductie van de Gemeensluiden van Deventer;’ gemeld wordt te zijn van den beroemden gysbertus cuperus1. - ‘Historie van het Stadhouderschap der Heeren Princen van Orange, hoognodig tot bewaring van de Vryheid in de Kerk- en Burgerstaat, door joan barueth, Predikant te Dordregt.’ Dordregt 1765, 307 bl. gr. 8o. (en bladwijzer). - ‘Verdeediging van de Stadhouderlyke Regeering en het Stadhouderlyke Orange-Huys, zynde een vervolg op d'inleiding ten titel voerende de Schaadelykheid der thans heerschende Tweedragt, in onze Republiek; en beste raad voor Overheeden, Leeraars en d' Ingezeete-

[p. 148]

nen van Nederland;’ Rotterdam 1782, 154 bl. gr. 8o. - ‘J. Wagenaar, historische Verhandeling van de natuur (enz.) van het Stadhouderschap in de vereenigde provintien’ (herdrukt); te Amst. 1787, gr. 8o. - ‘Katechismus van het Stadhouderschap’ (door Ds. barueth, of habbema); Rott. 1787, 2 Dln. gr. 8o. - ‘A Defence of the Stadtholdership; wherein the necessity of that office in the United Provinces is demonstrated; and the designs and conduct of the party that opposes it are examined; by john andrews, LL. D.’ London, W. Richardson, 1787, 126 p. gr. 8o. - ‘Aux Bataves sur le Stadhouderat, par le Comte de mirabeau.’ 1788 en 147 p. Notes 214 p. gr. 8o. - en hiertegen: ‘Reflexions’ (etc.) à Paris, 1788 (doch gedrukt in de Nederlanden), 36 p. gr. 8o1.- ‘Geschied- en Staatkundige Verhandeling over het recht verstand der Unie van Utrecht, met betrekking tot de Heeren Stadhouders van Holland en Zeeland, door Mr. j.j. th. duval, Advocaat voor den Ed. Hove van Justitie in Holland. Uit het Latyn vertaald, en met nadere aanmerkingen van den Schrijver verrykt;’ Utrecht 1790, XX, 184, en XLI bladz. gr. 8o. - ‘Korte en zakelyken inhoud van de voorrechten, praeëminentien, enz. die aan de waerdigheid van Stadhouder, Admirael- en Kapitein Generael, verknogt zyn, volgens de instructie aen zyne Doorluchtige Hoogheit, Willem de Iste Prins van Oranje, enz. hoogloffelyker memorie, gegeven, en daerna aen desselfs respective opvolgers bevestigt: benevens een Lyst der respective Stadhouderen, die zoo onder de Graeffelyke als Staetsregering, indertyd zyn aengesteld.’ Vierde

[p. 149]

Druk. (zonder plaats of naam van dr.) - Bekend is ook de Fransche Geschiedenis des Stadhouderschaps van den Abbé raynal; herdrukt met wederleggende aanmerkingen van Willem IV's Hof-Diplomaat, rousset; ook in het Neerd. vertaald; - en ‘Vergelijking van de magt van een Koning van Engeland en een Stadhouder in de Vereenigde Nederlanden’ (of zoo omtrent - doch ik kan thans deze beide geschriften, die ik nu niet bij de hand heb, niet naauwkeurig opgeven). In de zeer merkwaardige ‘Lettres historiques, politiques et critiques, sur les événements qui se sont passés depuis 1778 jusqu'à present; à Londres, de l'imprimerie d'un ministre disgracie1, is ook, T. XIV. p. 244-268, een lezenswaardige, het zij dan echte of gefingeerde, lettre écrite à la Haye (24 Juill. 1784) au Roi de Prusse sur les droits et prérogatives du Stadhouder.]

Bladz. 41, Aant. ‘die met de gelden bankroet gingen.’

(- dan voldeden natuurlijk de vreemde Mogendheden de intressen niet ten tweeden male. Alleen de brave Koning van Denemarken, toen zijn Commissaris bankbreukig geworden was, betaalde evenwel de interessen.)

Bladz. 44, r. 10 v. ond. ‘met uitzondering van Amsterdam.’

[- en van Haarlem; ofschoon die stad zeker weinig schepen naar Frankrijk afzond. Men zie over deze zaak,

[p. 150]

het Verv. op wagen. II D. bl. 16-33; - en over die uitzondering, ald. bl. 290, en de Onpartijdige Raadgevinge (enz.), en den Brief van een Noord-Hollander (enz.), beide breeder vermeld hierna, bij bl. 49 van den tekst.]

Bladz. 45, r. 11. ‘zekeren Pieter 't Hoen.’

[Deze, min of meer smadelijke, aanwijzing, verdiende (mijns oordeels) de man niet, die, door het wapen der drukpers alleen, een krachtig bestrijder was der gebreken en misbruiken der toenmalige regeering: die sedert, in het tijdperk na 1795, als Secretaris der Provinciale Regeering van Utrecht, zich als een gematigd en achtingwaardig man heeft doen kennen; en in gezegenden ouderdom, ook nog de weldaden der tegenwoordige Regeering genoten hebbende, ten grave gedaald is. Ik heb, na 1815, kennis en vriendschap gehad met zijn zoon, Reinier 't Hoen, een kundig, schrander en braaf man, die in 1787 geëmigreerd, in 1795 weer in 't land gekomen en in krijgsdienst gebleven, na het herstel des Vaderlands met lof gefungeerd heeft in militair en burgerlijk bewind op de Kust van Guinea, en in onze West-Indiën, en als Gezaghebber op St. Eustatius is overleden. Deze heeft mij gezegd, dat de staatkundige tooneelstukken (dramaas, in prosa) omstreeks 1780 onder den naam van j.a. schass, Med. Doct., in het licht verschenen (Jurjen Lankbein, of de Mof Commis, enz.) en om het bijvoegsel van Med. Doct. door velen aan den beroemden geestigen Doctor van woensel toegeschreven, van zijn' Vader, p. 't hoen, zijn: (hoe partijdig ook in voorstelling, behelzen deze stukken veel waarheid.) Mij-zelven heugen uit mijne jeugd, de Kinder-gedichtjes van p. 't hoen, wedijverende, als 't ware, met die van

[p. 151]

h. van alphen; en door deze, wel te recht overwonnen, maar al te zeer verdrongen; en die wel verdienden eens weêr te voorschijn gebracht te worden.

Voorts zij het verre van mij, den Post van den Nederrhyn, in zijnen bevooroordeelden en partijdigen geest, en veelal hatelijken toon, te willen vóórspreken of verschoonen, of deszelfs heilloozen invloed op de algemeene opinie toenmaals, te ontkennen. Doch ik geloof dat P. 't H. en velen zijner medestanders uit den beschaafden burgerstand, oprecht waren in hunne beginselen en eerlijk in hunne bedoelingen; maar opgewonden door - en werktuigen van - de Aristocratische Regenten; waarvan velen, toen de zaak hun te ver liep, zwenkten en zich weêr bij den Prins voegden, en na 1787 deze lieden, nu dubbel hunne slachtoffers, hielpen vervolgen: - en dat met hen, die nader waren bij het gros der natie en er dus meer invloed op konden oefenen dan de Grooten-zelven (vooral wanneer men die als trotsch en zelfzuchtig had leeren kennen), wel eene schikking te bewerken ware geweest, die ons Vaderland toen de weldaad eener goede en vaste Constitutie en Bestier had kunnen verschaffen, en welligt al de rampen der volgende jaren had kunnen voorkomen; - indien Prins willem V, benevens de goede hoedanigheden van zijnen tijdgenoot Koning Lodewijk XVI, niet ook deszelfs zwakke en verkeerde gehad had. Doch hierover nader, bij bladz. 65.]

Bladz. 45, r. 13. ‘de infame Fransche Historie van Holland.’

[Beter dan met de smadelijke aanduiding van den persoon van P. 't Hoen, kan ik mij vereenigen met dit nog lelijker epitheton; - doch aan eene zaak, niet

[p. 152]

aan een persoon, gegeven. Het Fransche Tableau de l'Histoire des Provinces Unies, door een hier aangewaaid jong en vlug Fransch avanturier of homme de lettres, in dienst van den Utrechtschen Boekhandelaar Bartholomé Wild (zelf ook een Franschman of Zwitser) geschreven, en zich verluidende, in deszelfs tien deelen in Oct., slechts de helft van het bestek van wagenaars Vaderlandsche Historie, veel meer te leveren dan deze gedaan had; - deels met betrekking tot de andere Provincien der Republiek, buiten Holland; deels wat de natie zelve en haar innerlijken toestand betrof; - maakte in dien tijd binnen- en buitenlands zeer veel opgang, en werd zelfs in binnenlandsche boekbeoordeelingen boven Wagenaar gesteld1. Geheel in den Fransch-aristocratischen geest, en veel sterker en stelliger dan Wagenaar geschreven2, had dit werk, en heeft nog steeds buitenlands, veel invloed op de wijze van beschouwing onzer vroegere en latere staatsgeschillen; en zoo is laatstelijk weder een groot deel van hetgeen in de befaamde Verträute Briefe daarover geschreven is, uit ditzelve getrokken, en alzoo nog in 1818 weder buitenlands opgedischt. Bij ons heeft het geheel geen

[p. 153]

achting meer, zoo wel wegens de blijkbare partijdigheid, als om de menigte fouten, waarin de Vreemdeling, die in kort bepaalden tijd en omvang, onze uiten inwendige geschiedenis zoude beschrijven, wel moest vervallen. Zoo dat, toen de Boekhandelaar, om dubbele winst met het werk te doen, het maken eener Nederlandsche Vertaling aan een bekwame hand had opgedragen, deze weigerde het te aanvaarden, ten zij de vrijheid bekomende om, zoo ver hij noodig keurde, naar zijn inzicht, en zonder melding waar of hoe het telkens geschied zij, in het werk te veranderen: welke vrijheid b. wild, en cerisier zelf, gereedelijk verleenden. Z. de Voorrede bij het Io D. der Nederl. uitgave, bl. xviii, xix, xxiv-xxvi. Maar de partijdige en schadelijke geest des werks is dezelfde gebleven, de vloeiende Fransche stijl stroef en onaangenaam geworden, en wat den inhoud betreft, weet men nu niet of men cerisier-zelf of zijn anonymen verbeteraar leest. Zoo dat, na het eerste debiet, ook deze redactie des werks weldra achter de bank geraakt is, en ofschoon later tot veel verminderden prijs aangeboden, weinig gelezen wordt.]

Bladz. 45, r. 20 enz. ‘het Esquader - gaf zich over - de waren betalende.’

[Dit is de toen zoo veel geruchts makende zaak van het convooi onder den Schout bij Nacht l. Grave van bylandt, in de laatste dagen van het jaar 1779; met al derzelver gevolgen in het breede beschreven in het Vervolg op wagenaar, II D. bl. 168-176 en 259-344: aldaar, declamatoir en partijdig; onzijdig, en uit de echte stukken (doch niet geheel volledig), in g.f.v. martens Erzähl. merkw. Fälle d. neuern Europ. Völkerr. 2 Th.

[p. 154]

s. 15-35. - Doch bild. vergist zich en verwart verschillende tijden en zaken, wanneer hij hier (in den tekst) bijvoegt: ‘de waren betalende. Een voorval dat’ enz.]

Bladz. 46, r. 3. ‘J.D. van de Capelle tot den Pol.

[Een der merkwaardigste mannen van dezen tijd; door de Oranje-partij, een roervink, een lastig en onverdragelijk mensch, enz. genoemd; door Oranjes tegenstanders hoog geroemd en als vergood. Men zie (behalve de Jaarboeken van onderscheiden jaren, en het Verv. op wagen. I en II D.) over hem scheltema, Staatk. Nederl. I D. bl. 229-232 en het ald. aang. omstandig artikel in de Biographie door de chalmot: - ‘Veel zouden wij van zijn character kunnen zeggen, dan laten dit aan het volgende geslacht over,’ schrijft scheltema, bl. 231. Ik hoop niet, dat dit behoedzaam verzwijgen iets ongunstigs bedekke; en heb geene reden om dit te gelooven. Een zeer vertrouwde brief door hem, kort na dat hij de Academie verlaten had, aan mijn Vader geschreven (thans in handen van Capellens hooggeachten Kleinzoon), geeft duidelijke en zelfs naïve blijken zijner innige vroomheid, en reinheid van harte. In hoe ver de tegenstand, dien hij in zijne welmeenende, warme en aanhoudende pogingen voor vrijheid en menschenrechten, ondervond; de vervolging, die hij daarom te lijden had; en de wierook hem van de andere zijde toegezwaaid - later nadeelig op zijn hart kunnen gewerkt hebben, kan ik niet beslissen. Hij schijnt mij toe, zich den beroemden vrijheidminnenden Overijsselschen Edelman uit de XVIIde eeuw, den geleerden r.h. schele, tot voorbeeld gesteld te hebben; en in zijne warme zucht voor vrijheid en voor de zaak van Noord-America, had hij veel van La Fayette.

[p. 155]

Ik stem geheel in het beklag van scheltema (bl. 231) over het verbranden (door zijne nagelaten Dochter) in een aanval van ijdele vrees, van vele zijner geschriften en andere papieren: maar schelt. voegt er bij: ‘vele brieven van hem met de daarop ontvangen antwoorden zijn bewaard gebleven; eene uitgaaf der voornaamste zal in het vervolg veel licht verspreiden over de geschiedenis van zijnen tijd.’ - Hij schreef dit reeds in 1805. Zeer zoude ik wenschen deze voorzegging vervuld te zien: - doch ik heb er weinig hoop op.]

Bladz. 46, r. 8. ‘deed daar een tractaat vinden’ enz.

[Dit zijn de zoogenaamde papieren van laurens; welke naam toch wel in de geschiedenis dient genoemt te worden. De zaak zelve - eene herhaling van de afzonderlijke en achterbakse handeling der Amsterdamsche Regenten met d'avaux in 1683 - baarde groote opschudding; en gaf de naaste aanleiding, niet slechts tot het schrijven van het Politiek Vertoog (waarvan straks), maar ook tot de vredebreuk met Engeland. Zij is, met hare gevolgen, in het breede beschreven in het Verv. op wagen. II D. bl. 422-476, en in de Jaarboeken van 1780 (alwaar ook die papieren gedrukt zijn; wier korte inhoud is in het gemeld Verv. op wagen. bl. 427-437); ook bij martens, Merkwürd. Fälle d. neuern Europ. Völkerr. 2 Th. s. 104 ff.]

Bladz. 47, r. 13. ‘de beroemde Memorie van van Goens.’

[Hoe bekend ook dit geschrift aan bilderdijk, en algemeen te dien tijde, dien hij hier beschrijft, was, behoorde toch wel de naam van het Politiek Vertoog in de geschiedenis vermeld te worden; en mag aan-

[p. 156]

gaande hetzelve en den geleerden Schrijver wel iets meerder hier gezegd worden. - Het stuk was, gelijk B. hier schrijft, oorspronglijk ‘alleen voor Regenten bestemd.’ De form des eersten druks was dan ook die der Staats-stukken; in folio, zonder titel, doch op den rug aldus getiteld:

Politiek Vertoog over het waar Sistema van de Stad van Amsterdam, met relatie tot de algemeene belangens der Republiek, zoo als hetzelve uit 's Lands Historie kan worden opgemaakt.
benevens Consideratien over den tegenwoordigen Oorlog en het voorgevallene in de jaren 1777-1780.
mitsgaders Deductie over de geheime Onderhandelingen tusschen den Hr. Pensionaris van Berckel en de Engelsche Colonien in America, en het Tractaat met dezelve gesloten te Aken den 4. Sept. 1778.
Uit de papieren van een Regent van eene voorname Stad in eene der Land-Provintien.
1781.’

151 bladz. in folio. Deze druk is thans zeer zeldzaam: doch, gelijk B. verder zegt, ‘het werd weldra algemeen gemaakt;’ - door een nadruk in gr. 8vo, op wier titel, niet de naam, maar het kennelijk afbeeldsel van den Schrijver, gevonden werd. En nu ging er algemeen door het land, bij al de tolken der Fransch- en Amsterdamschgezinde partij, een algemeene kreet van verguizing, schimp en laster tegen den Schrijver, den landverrader, landbederver enz. enz. op, als alleen tegen ‘den dikken Hertog;’ en doorgaans werden die twee namen in de smaadschriften en schendbladen te gelijk genoemd. En daar v.G., in overmaat van factieusen ijver, zich ook in andere opzichten bloot gegeven had, wierd er door ruim drie honderd burgers, (voornamelijk echter op grond van zijn schrijven

[p. 157]

diens Politieken Vertoogs), een request tegen hem aan de Utrechtsche Vroedschap, waarvan hij Lid was, ingeleverd; en vond zelfs bijval bij de meerderheid zijner Ambtgenooten. De Prins waagde het niet, hem te souteneren; en hij was dus wel genoodzaakt zijn ontslag te nemen1. Te Utrecht (waar men de voorstanders en schrijvers der Oranjepartij, die er slechts toevallig doorreisden of kort kwamen vertoeven, p. hofstede, el. luzac, manzon (den Schrijver van den Courier du Bas-Rhin), door opgestookt gemeen liet mishandelen2,) was van goens zijn leven niet meer zeker. Hij begaf zich dus naar den Haag; alwaar bild., door gelijke staatkundige gevoelens, maar ook door vluggen geest en veelzijdige geleerdheid, met hem in naauwe en aangename betrekking moest geraken. Een gevolg daarvan is vroeger, in de Bijvoegselen en Nalezingen op dit werk, ons te stade gekomen, X D. bl. 311-314: doch hooren wij hierover bild. zelven in zijne begonnen Levensbeschrijving, in de Mengelingen en Fragmenten (Amst. 1834) bladz. 12; (welke plaats ik in haar geheel moet aanhalen, deels om er aan te hechten hetgene ik verder over v.G. te zeggen had, deels om het slot er van aan te vullen en te verbeteren). Hij zegt: ‘mijne bezigheid’ (als Advocaat) ‘werd veelal verpoosd, door het onderhoud van den vermaarden Van Goens, wiens praecoce geleerdheid hem eerst bekend maakte en die

[p. 158]

naderhand Professor te Utrecht, zijn beroep neêrlei en daar tot zijn ongeluk in de regeering kwam. Tot zijn ongeluk, want daar hy in den maalstroom van het zoogenaamde Patriotismus toen opgekomen en alles meêsleepende, wederstand bood, werd hy afgezet. Ik vond hem een man vol van geest en overvloeiende geestige aartigheden, die zich zeer aan my verknocht en my om zekere algemeener kennissen met een soort van bewondering aanzag, die ik my niet aantrok. Doch niet gegoed zijnde en hooghartig, ging hy welhaast met een tytel dien hy van den Prins verkreeg naar Duitschland, waar hy weldra in gebrek (zoo 't gerucht wilde) omkwam.’

Hij was ‘een man van praecoce geleerdheid;’ ‘naderhand Professor te Utrecht.’ Men zie, over zijn letterkundig en staatkundig lot, saxe, Onom. Litt. P. VIII. p. 258-260 en p. 433, 434. Geboren in het (hem omineuse) jaar 1748 (d. 12 Mei), verdedigde hij op zijn vijftiende jaar, in 1763, als Auctor, praeside p. wesselingio, eene geleerde Verhandeling, de Cepotaphiis (begraafplaatsen in tuinen). Men mocht toen gissen, dat zijn Leermeester hem daarbij geholpen had; en, toen hij op zijn achttiende jaar, in 1766, als buitengewoon Hoogleeraar aan de Utrechtsche Hoogeschool werd aangesteld, dat familiebetrekking en gunst daartoe medegewerkt hadden: - hij toonde, door zijne academische lessen, en door zijn' omgang en zijne geschriften, dat hij geen gunst of hulp van anderen behoefde, maar zichzelven wist te handhaven. Mijn Vader placht mij als eene bijzonderheid te verhalen, dat terwijl nevens van goens, nog de geleerde Theologant en vrome Predikant c. segaar, Hoogleeraar in de Grieksche Letterkunde te Utrecht was, van goens, toen nog geheel in de denkwijze der Philosophen der XVIIIde Eeuw ver-

[p. 159]

doold, collegie hield over het Nieuwe Testament; segaar daarentegen, over een Griekschen Dichter. Zoo heeft dan ook mijn Vader bij saxe, Onom. P.L. p. 230, aangeteekend, dat het ‘Specimen observat. philolog. in N.T. ex Artemidoro,’ in de Nova Bibl. Brem. T.V. door S., als van een onbekend Schrijver vermeld, van v. goens is. Als Philosoof, noemde hij zich le Philosophe sans fard; en onder dezen titel zijn er van hem drie à vier vernuftige en geleerde, en voor een jongeling van 18 jaar, gelijk hij ook toen nog was; en voor wien de Vaderlandsche en andere nieuwe literatuur slechts een bijvak van studie was; in de daad verwonderlijke stukken, in de Nieuwe Bijdragen tot de Vaderlandsche Taal- en Letterkunde, II D. bl. 229-268 en 269-308, bl. 453-506, en 547-666. - Zijne, door saxe vermelde werken, en zoo ook zijne met veel kosten en kunde en smaak verzamelde, doch in 1776 openlijk verkochte, Bibliotheek, ga ik voorbij: doch moet opmerken, dat terwijl de ketterjacht der toenmalige hyper-orthodoxen hem in hevig twistgeschrijf bracht met de Schrijvers der toenmaals hoogrechtzinnige Vaderlandsche Letteroefeningen, de vrienden van den bekenden Prof. p. hofstede; hij weldra met deze mannen, als medestanders voor het Oranje-geloof, in geheel andere betrekking kwam.

Dat hij van zijn Vroedschaps-post eigenlijk niet afgezet wierd (hetgeen alleen de Stadhouder had kunnen doen), doch genoodzaakt dien post neêr te leggen, heb ik reeds aangemerkt. Hij ging toen naar den Haag; mede in afwachting der nieuwe ambts-betrekking, die hem door den Prins beloofd was. Doch in een Staatspost kon deze een zoo gedecrieerd man niet aanstellen; in Zijne eigen menigvuldige domeinen deed Hij het ook niet. Zoo bleef het dan bij ‘een titel’ (zegt bild. -

[p. 160]

doch hiervan blijkt mij niet): - maar hem werd, als eene soort van schadevergoeding voor zijn lijden en zijne opofferingen, een jaargeld uit 's Vorsten Domeinen toegelegd; doch hetwelk na de omwenteling van 1795 niet meer uitbetaald werd. Dit bracht hem zeker wel in eenige verlegenheid: echter behoedde de Hemel - en de liefdadigheid van zijn Zwager, hieron. van alphen, en diens kinderen, - hem van ‘in gebrek om te komen.’ - In Mai 1786 had hij het Land verlaten; voornamelijk om zijne kwijnende gezondheid te herstellen (hij hield zich overtuigd, dat hij vergeven was). - Niet zeer belangrijk is de ‘Reize naar Zwitserland, door eene Dame, in gezelschap van den Heer van goens’; welk boekje dikmaals voorkomt. -

Doch reeds vóór zijn vertrek naar buitenslands was hem die, wel middelijk en door Gods woord, echter wonderbaar door Gods geest bewerkte, krachtdadige bekeering zijns gemoeds te beurt gevallen, welke ik, nog zeer jong, der achtbaren vromen Vader van v. goens, met tranen van dankbare vreugde aan mijnen Vader hoorde verhalen, en hetwelk een' onuitwischbaren indruk op mij maakte; doch voor welk bekeerings-verhaal hier de plaats niet is. - Sedert trachtte v. goens zoo geheel het oude af te leggen en te vergeten, en een nieuw mensch te worden, dat hij zijn' moederlijken geslachtsnaam Cuninghame aannam, en aan zijne latere vrienden onder geen' anderen bekend was. Onder dezen naam wordt hij, als een man van uitgebreide en diepe kennis, schranderheid en vernuft, maar ook hooge en innige Godsvrucht, uitbundig geprezen door lavater, Handbibliothek, V St. Febr. 1791, en komt hij ook voor in stilling's Leerjaren. - Hij leefde een tijd lang bij den beroemden Coädjutor von dalberg (naderhand Vorst-primaat): later aan het kleine Hof en

[p. 161]

in het vroom gezin des Vorsten von stolberg, te Wernigerode, van welke hij zich echter weder scheidde en op een dorp in hun gebied ging woonen, alwaar hij overleed in 1810.

Na zijn dood is in 1811 te Leipzig nog een werk van hem uitgegeven: - doch een zeer gewichtig - en te merkwaardiger, om dat er een diep doorzicht in heerscht in de huwlijks-betrekkingen, terwijl hij nooit gehuwd was geweest: - ‘über moralischen Ehebruch, Weiber-Unbestand, Weiber-Launen, Weiber-Eifersucht: und: die Frau wie es wenige giebt. Acht Gespräche ‘(met het uit pope geparodieerd motto) the proper study of Man is Woman1. Doch hij heeft in dien tijd zeer veel geschreven: welk alles berust bij zijn Zusters-Zoon Jonkh. d.f. van alphen, alhier. Eene volledige levensbeschrijving van r.m. van goens, ware even gewenscht en noodig voor de Nederlandsche Letter- en Staatsgeschiedenis, als om een zoo merkwaardig, eerst opgevijzeld, toen snood verguisd, daarna schandelijk vergeten persoon, in het ware licht te stellen.]

Bladz. 49, r. 9, 10. ‘de Prins had den goeden inval’ enz.

[De inval was echter misschien niet geheel eigen: maar verwekt door de ‘Proeve van een ontwerp, ter oprigting eener Vaderlandsche Maatschappij, ter aanmoediging en belooning der Nederlandsche Heldendeugd.’

[p. 162]

Te Dordrecht, hij A. Blusse en Zoon 1781 (dus vóór den slag van Doggersbank), gr. 8o. 16 bladz. - en bl. 17-30: ‘Naamlijst van die Heeren, aan wien men dit Ontwerp heeft gezonden:’ - die 't meest curieuse van dit boekjen uitmaakt; als toonende, van wie al men toen de hoop voedde, van Vaderlandsche (d.i. anti-Oranje) gevoelens te koesteren. De meeste hebben zich dan ook later als zoogenaamde Patriotten getoond; anderen echter, 't zij van den beginne af, 't zij reeds vroeg tot beter inzicht gekomen, hebben zich doen kennen als Prinsgezinden.

Dit weinig bekende stukje zou dus wel verdienen in ‘Analecta voor de Geschiedenis des Vaderlands’ herdrukt te worden: - en zoo mede een paar anderen, die onder den grooten hoop van ijdele of schandelijke pamfletten van die jaren bedolven zijn, en 't naast behooren tot hetgeen bild. bl. 44 vermeldt van den tweespalt dien Frankrijk in ons Gemeenebest trachtte te stoken, en ons te wikkelen in deszelfs toenmaligen oorlog met Engeland: waartoe dan ook dienen moest het leggen van ongelijke tolgelden op de schepen der verschillende Nederlandsche Steden. Het eene is getiteld: ‘Onpartijdige Raadgevinge tot Eensgezindheid en Moderatie, van Batavus, aan alle ware Liefhebberen des Vaderlands.’ Te Utrecht, bij B. Wild, 1779, 32. gr. 8o. voornamelijk merkwaardig om deszelfs Schrijver, zijnde (volgens eene eigenhandige aanteekening van wijlen den Hr. Mr. p. van musschenbroek) de kundige en brave Mr. h.h. van den heuvell, Griffier 's Hofs van Utrecht (over wien men zie scheltema Staatk. Nederl. I D. bl. 4591): - het andere heeft den breedsprakigen titel:

[p. 163]

Brief van een Noord-Hollander, woonende in Amsterdam, aan eenige Heeren en goede Vrinden van hem in het Noorder-Kwartier, over het gerucht dat de Invoer van Noord-Hollandsche Kaas in de Staaten van Vrankryk zou verboden weezen. Waar in eerstelijk Amsterdam als het Hoofd der Koophandel word aangemerkt, en in bedenking gegeeven, hoe veel belangen de andere Leeden in het Hoofd hebben. Ten tweeden, dat zy, die hun in ons Vaderland verbeelden, Vrankryk minder heerschlust bezit als Engeland verdwaald zyn. Ten derden, dat zo het gerugt omtrent de Kaas waarheid is, het Fransch Ministerie de aart der Noord-Hollanders niet en kend; met aantooning die Landaard, zo al niet de Volkeren der andere Provintiën overtreffen, ten minsten in een goed oordeel niet behoeven te wyken, en zo al, dat Vrankryk hun wel kend, het niet vreemd is, dat Ryk een scheuring zoekt te verwekken, tusschen deze Provintiën, met exempels van sinisterlyke Staatkunde in vroeger dagen door Vrankryk gebruikt, opgeheldert. Beneffens de waarschynlykheid ziende dat hy niet verwind, echter het verbod der Invoer van Kaas geen doorgang zal hebben. Ten vierden, of Vrankryk thans in staat is zulke eisschen te formeeren als men zegt hy doet? met aantooning, dat het hem nutter was zulks te laten, en Noord-Holland dat Ryk meer kon benadeelen, dan dat Hof Noord-Holland.’ Te Amsterdam, by Dirk Schuurman, 1779: - en van dit boekje is de inhoud nog zonderlinger dan de titel, en aanmerkelijk voor de zeden-geschiedenis van dien tijd.

[p. 164]

De slag op Doggersbank gaf ook de verwijderde aanleiding tot de thans nog bestaande Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam; waarbij nochtans ook eene in Engeland met goed gevolg bestaande inrichting in aanmerking kwam. Z. het Vervolg op wagenaars Amsterdam, XVIII St. bl. 169-171, XIX St. bl. 10-12, en XX St. bl. 178 en volg.1]

Bladz. 50 r. 19 volg. (de Memorie van Prins Willem V.)

[Deze Memorie, waar bij eerlang nog een Aanhangsel, met nieuwe Bijlagen van documenten, volgde, werd ter uitdeeling aan de Staatsleden gedrukt in folio, doch ter openlijke uitgave, in gr. 8o. Zij werd ook in het fransch vertaald; en een uittreksel, of Geest ervan, in Octavo-formaat, compres gedrukt, zeer goedkoop verkocht, ja als Prof. b. voorda (in zijn straks te noemen geschrift) verwijt, gratis uitgedeeld. Hij ver-

[p. 165]

wijt voorts aldaar, herhaaldelijk, aan die Memorie, 1o dat ze te voorbarig was, en eene verdediging alwaar nog geene beschuldiging bestond. (Dit laat ik niet gelden; want, a). de beschuldigingen waren dagelijks en onophoudelijk, in allerlei naamlooze bladen: hier tegen kon de Prins zich niet gevoeglijker verdedigen, dan door zijn gehouden gedrag en directie open te leggen aan de Staten Generaal; b). de Staten van Holland en die van Zeeland hadden aan den Prins het overleggen van stukken gevraagd; dit nu geschiedt aan een verantwoordlijk staatsdienaar, als hoedanig de Stadhouder bij de Staten thans meer en meer behandeld werd, doorgaans met oogmerk om er stof van beschuldiging uit te putten.) 2o Dat de Prins, meer of iets anders gevende dan hem gevraagd was, ontdook te voldoen aan hetgeen hem gevraagd was.1.

[p. 166]

In het begin van het jaar 1785 vond de Prins, ‘op eene onverdiende wijze mistrouwd, veracht, bespot, beschuldigd, en afgeschilderd als een eerlooze Verrader van zijne eigene belangen en van die van 't Vaderland’ (Jaarb. bl. 81), zich op nieuw genoopt aan de Vergadering van H.H. Mog. eene missive te zenden, ‘houdende opening van zijn gedrag in de beschikkingen ter verdediging van het vaderland.’ Dit stuk, te vinden in de N. Nederl. Jaarboeken, Januarij 1785, bl. 69-92; is toen ook, volgens den Tegenschrijver, ‘van 's Prinsen zijde afzonderlijk door den druk gemeen gemaakt, en de exemplaren aan de Stadhouderlijke Secretarie, en elders, daar men ze maar quyt kon worden, voor niet doen uitdeelen;’ en schijnt bij de tegenpartij zoo veel indruk gemaakt te hebben, dat de beroemde Leidsche Hoogleeraar in de Rechten, Mr. bavius voorda1 hevig anti-Stadhoudersgezind,

[p. 167]

nog in het derde jaar daarna (welk een tijdvak, in een zoo woeligen tijd!) het der moeite waardig achtte, in een opzettelijk werk dit Staatstuk omstandig te weêrleggen en hairklein uit te pluizen. Immers op bl. 2 van de Inleiding van dit geschrift wordt reeds melding gemaakt van een manifest, dat Prins Willem V, den 26 Mei 1787 tegen de toenmalige Staten van Holland had uitgevaardigd (het krachtig Declaratoir van Z.D.H. te vinden in de N. Nederl. Jaarb. 1787, bl. 906-907); het werk breekt af met het vijftiende gedrukte blad, (bladz. 240); dus ik gisse dat de druk gestuit zal zijn, toen de afdruk doelloos en de uitgave onmogelijk wierd, door de Pruissische invasie, en daardoor bewerkt herstel van zaken, in September van dat jaar. De geleerde bloedverwant des Schrijvers, mijn onvergetelijke vriend Mr. beucker andreae, uit wiens boekerij ik mij deze bibliographische curiositeit heb aangeschaft, had eigenhandig voorïn aangeteekend: ‘fragment van een werkje van Prof. bav. voorda - niet verder gedrukt - en om redenen, nooit uitgegeven.’ - Een werkje, schreef mijn Vriend: maar het zou een dik boekdeel geworden zijn, indien het aldus had moeten voortgaan. Want na eene Inleiding of Voorbericht, van 151 bladz. (alwaar het vroeger gedrag van den Prins partijdig nagegaan en hatelijk beoordeeld wordt, in drie Hoofdstukken; I. Van de vermeerdering van Land- en Zeemacht, en de Raadplegingen daarover gedurende de jaren 1771 tot 1778. II. Van de bepaalde of onbepaalde Convooijen. III. Aangaande de Gewapende Neutraliteit), begint hij eerst op bladz. 153 aan de Missive zelve: doch zoo, dat die overstelpt wordt door een vloed van hatelijke en vittende aanmerkingen; zoodanig, dat, terwijl de missive zelve in de Jaarboeken 33 à 34 bladzijden beslaat, de bijkans 100 bladzijden van het vervolg van dit boek er

[p. 168]

nog niet verder mede komen, dan de zesde bladzijde van den druk in de Jaarboeken.1.

Om nog meer klem te geven aan de gemelde nadere Missive van d. 17 Januarij 1785, vaardigde de Prins Erf-Stadhouder eene Publicatie uit, in dato d. 31 derzelfde maand, ‘met verzoeke van alomme afgekondigd en aangeplakt te worden, strekkende om het wantrouwen trowen weg te nemen.’ Dit stuk is te lezen in de Jaarboeken van Januarij 1785, bl. 93-97, en in het Vervolg op wagenaar, X D. bl. 51-56; doch ik kan niet nalaten deze merkwaardige betuiging van den braven Vorst hier op te nemen: ‘dat Wij (zegt Z.D.H.) het ten uitersten nuttig en noodig geoordeeld hebben, alle de Ingezetenen dezer Republiek by dezen te informeeren van Onze waare gevoelens en bedoelingen, daar heenen gaande, dat Wy niet alleen geene groo-

[p. 169]

tere mate van gezag verlangen, dan aan Ons wettiglyk competeerd, en door de Heeren Onze Praedecesseuren is gepossideerd geweest; maar zelfs dat Wy, den uitersten afkeer hebbende van het doen van inbreuk op de Souverainiteit en Vryheid van een Land, wiens vrymaking en onafhanglykheid de grootste eertitel is van Onze Voorouderen, die geenen, die op de eene of andere wyze, heimlyk of in 't openbaar, zouden mogen trachten, eenige onwettige vermeerdering van dat gegezag aan Ons te doen defereeren en opdraagen, niet zouden kunnen aanzien als Onze waare Vrienden, noch als de waare Vrienden van den vryen Staat der vereenigde Nederlanden.’ - Doch even min als met de Missive en Memorie van 1782, bereikte thans de Vorst met deze nadere Missive en deze Publicatie zijn doel. Op vele plaatsen weigerde men de Publicatie aan te plakken; en op de Missive gaven de Staten van Friesland, d. 26 Februarij 1785, een antwoord, dat als een model van brutaliteit in de Jaarboeken verdient te pronken1.]

Bladz. 50-52. (de Hertog).

[Niet ligt is iemand meer verguisd en smadelijker beschimpt dan deze ‘dikke Hertog:’ - of 't moest de geleerde en schrandere r.m. van goens wezen, wiens Politiek Vertoog de Amsterdamsch- en Franschgezinde factie een angel in 't vleesch was. Trouwens ook Prins Willem V, en al wie openlijk en warm zijne partij trok, waren het voorwerp van allerlei hoon en laster in

[p. 170]

Dag- en Weekbladen en in den volkstoon (veelal zelfs een lagen en platten toon) geschreven vlugschriften: zoo dat, wie ze thans, kalm en onzijdig leest, er van walgt en zich moet schamen over de losbandigheid dier losgelaten en opgeruide factieuse drukpers. - Doch de Hertog l. van brunswyk is treffelijk verdedigd door den beroemden Duitschen staatkundigen Schrijver a.l. schlözer1, Hoogleeraar te Göttingen: ludwig ernst, Herz. z. Braunschw. u. Luneburg (enz.), Ein Actenmässiger Boricht von den Verfahren gegen Dessen Person (u.s.w.). Gött. (2 uitg.) 1787. 2 D. gr. 8o. - (met het afbeeldsel van Phocion op den titel; doch waarover twijfel is, of het wel echt is -). In het Nederl. vertaald, te Amsterdam, bij H. Arends. - Dit fiks geschreven werk, en het afzonderlijk Tijdschrift, Holländische Staats-Anzeigen (in den vorm van de toenmaals zoo beroemde Staats-Anzeigen van schlözer) herausgeg. v. jacobi u. lüder (zes Deelen) hebben toen noodwendig grooten invloed op de publieke opinie in Duitschland geoefend. Een kort en oppervlakkig, maar declamatorisch, uittreksel uit die Verdediging, is de Lebensgeschichte des Herzogs ludwig ernst von Braunschweig-Lüneburg. Berlin, 1787, 2 stukjes in kl. 8o.2.

[p. 171]

Van den zoo even gemelden jacobi, verscheen ook, in 1789, in druk, eene Vollständige Geschichte der siebenjährigen Verwirringen und darauf erfolgten Revolution in den vereinigten Niederländen.]

Bladz. 52, 53, (de Haagsche St. Nicolaas-avond).

[In het langwijlig en partijdig Vervolg van wagenaar's Vaderl. Historie, V D. bl. 294-324, wordt dit bedrijf geheel anders, en als zeer gevaarlijk voorgesteld: doch als men al dat geschrijf onpartijdig leest, zal men moeten erkennen, dat de voordracht van bild. alhier veel meer het kenmerk der eenvoudige waarheid draagt.]

Bladz. 53, 55. (Jozef II.)

[Niet ligt is eenig Vorst, bij zijn leven en na zijn dood, verschillender beoordeeld dan deze, wien men den bijnaam van veel gerucht makenden geven mocht. Dat hij woelig, en al te bedrijvig was, kan wel niet ontkend worden; dat hij volmaakt wijs en goed was, een Titus, Marcus Aurelius enz., zal thans nie-

[p. 172]

mand meer zeggen: doch zoo éénzijdig als bild. hem hier zien laat, is niet de volledige wijze van voorstelling, die men zich van hem vormen moet. Doorgaans schijnt hij meer naar de subjective begrippen - en belangen, - dan naar zijne eigen persoonlijkheid, beoordeeld te zijn. Maar ook zijn eigen karakter was misschien niet eenparig, noch consequent. En bij verlichte verhevene en menschlievende begrippen en voornemens, schijnt hij de fouten gehad te hebben, van intolerant te zijn in zijne tolerantie, verbitterd door tegenstand, en van zich niet te kunnen denken in de plaats van hen, die terwijl zij lang het aangenaam genot hadden gehad van de oude inrichtingen, die hij wilde afschaffen, zoo ook ter goeder trouw begrepen, dat die dingen, en die alleen, waar en goed en heilig, en 's Keizers nieuwigheids-zucht ongegrond en verderfelijk was.]

Bladz. 55 r. 14 enz. van ond. - ‘de Schelde - de befaamde Linguet.’

[Al zeer oppervlakkig wordt deze zoo beruchte letter- en staatkundige Avanturier behandeld bij saxe, Onom. P. VIII. p. 308 et 445. - Het meerdere nopens hem is te lezen in het Nouveau Dictionnaire Historique par chaudon et delandine, T. XI, in V. en daaruit in het Conversations-Lexicon, of de zoogenaamde Real-Encyclopedie, in V. - Geboren te Rheims d. 14 July 1736, en bestendig zoo wel in Fransche als Belgische, en Godgeleerde zoo wel als Staatkundige, twisten verward, eindigde hij zijn leven onder de guillotine te Parijs, d. 27 Junij 1794, weinige dagen voor den val van het Schrikbewind1.

[p. 173]

De zaak der Vereenigde Nederlanden wierd in die Schelde-twist verdedigd, door den weldra zoo zeer - nog geheel anders dan linguet - berucht en gewichtig geworden Graaf de mirabeau: Doutes sur la liberté de l'Escaut, sur les Causes et sur les Consequences probables de cette Réclamation: avec une Carte (&c.). Te Londen (zoo 't heet) en zonder jaartal; doch de préface is geteekend 28 Decembre 1785. Ik bezit twee verschillende drukken, met denzelfden titel en voorgewenden naam van Londenschen Uitgever, in gr. 8o. Eene Nederlandsche vertaling: Bedenkingen over de Vrijheid der Schelde (enz.), kwam uit te Leyden, 1785; 214 bl. gr. 8o. (bij de beide Fransche uitgaven, en bij deze Nederlandsche, is dezelfde kaart gevoegd). Hier op volgde nog, in 1786 (toen de vrede reeds gesloten was), een Beknopt onderzoek van het recht der Nederlandsche Republiek, tot het gesloten houden van de Schelde; door een voornaam Rechtsgeleerden: uit het Fransch vertaald. Leyden en Rotterd. 85 bladz. gr. 8o. Ten voordeele van 's Keizers pretensie verschenen ook Betrachtungen über die Folgen der Eröffnung der Schelde. Berl. 1785, 4o. (Catal. cau, Haag, Maart 1839, p. 57, n. 556). - Het geheele onderwerp is, Geschied- en Staatkundig, voortreffelijk behandeld in de inaugurele Verhandeling van f. van hogendorp (derden waardigen zoon van g.k. van hogendorp) de Flumine Scaldi clauso; publ. def. Lugd. Bat. 28 Junij 1828, 281 p. 8o maj.1.]

[p. 174]

Bladz. 58 r. 9: ‘dit alles was oproer.’ enz.

‘(Eene vrouw werd in regten geroepen in den Haag, omdat zij riep, Oranjen-wortels te koop! Een lakenverwer had voor zijn deur, oranje, witte, en blaauwe stukken laken opgehangen; hierover, aangesproken wordende, beweerde hij het oranje het hoogst te hebben moeten hangen, omdat wanneer dit laken onder het bereik der voorbijgangers geplaatst werd, hetzelve door kussen bemorscht werd. Hij werd zwaar beboet. Een koopman in Commenijswaren werd gegeeseld omdat hij bij ongeluk iets in oranjepapier gewikkeld had. Een kleerenmaker die Hoezee heette werd verboden op het Binnenhof in den Haag te komen, omdat men daar eens hem bij zijn naam had geroepen, en dit voor een kreet van vrolijkheid werd genomen. Mevrouw van der Velde had een oranjeboom, maar mogt die niet meer in haar zijkamer plaatsen).’

[Hierop doelde Z. Doorl. Hoogh. in de boven bl. 168 gemelde Publicatie, zich beklagende ‘het hartzeer gehad te hebben, dat de couleur van Zijnen naam verklaard was geworden voor eene leuze van oproer en ongehoorzaamheid.’ (Jaarb. 1785, bl. 95.)]

Bladz. 59-63 (de Rotterdamsche zaken).

[Geweldig veel waters is er in deze troebele zaken vuil gemaakt. De Hollandsche Commissie, bl. 61, 62

[p. 175]

vermeld, leverde d. 1 November 1786 een rapport in, hetwelk in 1787 in druk uitgegeven, meer dan 300 bladz. gr. 8o. beslaat. Doch daarbij komt dan nog eene Verzameling van Stukken, betrekkelijk tot het zenden eener Commissie van Hun Ed. Groot Mog. de Heeren Staten van Holland en Westvriesland, naar Rotterdam. Tot het onderzoek naar de oorzaken van de aldaar plaatshebbende onëenigheden en het wantrouwen, en tot het beramen van gepaste middelen ter herstelling van de openbare rust: in den jare 1784; in vier Deelen, gr. 8o. - Waarbij dan, voor de liefhebbers, nog komt, een Waarachtig Verhaal van de muiterij der Stad Rotterdam, in den jare 1672, tegens de Regeering aldaar ontstaan en voorgevallen; xx en 248 bl. 8o. 17851.]

Bladz. 62. (de Vervolgingen te Rotterdam).

‘(Om te toonen hoe het met deze Commissie toeging, zal het volgende genoeg zijn. Een man van het vrijkorps zeide op een brug door iemand die een gekleurden rok droeg, brutaal te zijn aangezien. Men vroeg hem, hoe die persoon er uitzag, en hij dit zeer onnaauwkeurig te kennen gevende, was de Hoofdofficier Paulus Gevers terstond gereed iemand aan te duiden, die terstond gedagvaard werd. - Eene hoog zwangere

[p. 176]

vrouw werd beschuldigd gezegd te hebben, dat zij Elzevier wel met een been aan de galg wilde zien hangen. Bilderdijk belette de dagvaarding tot na haar herstel uit het kraambed; doch zij werd daarna geapprehendeerd, schoon men slechts één getuige vond, die meende dit gehoord te hebben, en een ander, die niets dan de woorden been en galg gehoord had. Deze vrouw werd echter ook vrijgesproken. Eenige lieden in een jacht zeilende was Willem V voorbij gevaren, en men had met een stukje geschut van het jacht gesaluëerd. Bij deze gelegenheid, beweerde de Hoofdofficier, was zeker Oranje boven! geroepen. Men hoorde de schippers uit, die verzekerden dat dit niet geroepen was. Doch dit was niet genoeg, en de Hoofdofficier verzocht aan het Hof, aan twee of drie der beschuldigden impuniteit te mogen geven, mits zij alles openbaarden. Doch deze wilden en konden zoo iets niet openbaren; zij werden alzoo hiertoe gedagvaard. Een van hun vervoegde zich bij een oud advocaat, en de overigen bij bilderdijk, die beweerde dat aan niemand impuniteit kon opgedrongen worden. Toen zij op dit point volkomen in het gelijk gesteld werden, appelleerde de Hoofdofficier en de oude advocaat werd overgehaald om annullatie te vragen van de eerste uitspraak. Het Hof oordeelde mede dat geen impuniteit kon opgedrongen worden, en verwierp het rekest tot annullatie met verontwaardiging).’

[Over de moeite die de Hoofdofficier zich gaf, om de genen die op het jacht waren geweest, tot verklaring of getuigenis te brengen, waaruit dan straks tegen hen-zelve of anderen uit dat gezelschap actie had kunnen geïnstitueerd worden; en hunne weigering daarvan, waarin zij door den Hoogen Raad gesouteneerd wierden, is een lange plaats in de MS. voortzetting

[p. 177]