terug  begin  verderprepost
[p. 127]

De vier Diplomata.

Het Chronicon Egmondanum, laatst en best uitgegeven door kluit, Hist. Crit. T. 1. P. 1. het oudste der Hollandsche Geschiedschriften, doch eerst van het begin der veertiende eeuw(1), heeft op het j. 863: Karolus Rex Francorum, qui dictus est Calvus, filius Lodewici Pii, contulit Theodorico primo Comiti Ekmundam cum pratis, silvis, et aliis omnibus, quae inter Suitherdeshage et Fortrapa et Kinnem, nunc posteri ejus possident; en geeft ook de acte zelve, met breede vermelding der jaarmerken van indictie en 's Vorsten regeertijd, en nog daarenboven het jaartal zelf van 863 voluitgeschreven.

In dezen brief placht men vrij algemeen de instelling van het Graafschap van Holland te vinden - dubbele geschiedkundige dwaling! - doch daarover later - en men bracht dan die instelling tot het jaar 863. Aldus de oudere Geschiedschrijvers, aangehaald bij arend, Alg. Gesch. d. Vaderl. IIe D. bl. 17 aant. (3). Doch eene meer critische beschouwing toonde, dat de brief van dien Gever en van dat jaar niet zijn kon: nu ging men zoeken, en vond eerst het j. 923, daarna vrij eenparig 922, waarin die gifte, door een ander Vorst kon gedaan zijn (natuurlijk, ook aan een anderen dirk; doch de eerste dirk, die in onze Geschiedenis de rei der Graven en Dirken opent, wordt dan van zelf een ens rationis). Aldus de Geschiedschrijvers, aangehaald door arend, ald. aant. (4).

Het wekt bevreemding, wanneer men men bij den Heer A. voor elk der tegenstrijdige gevoelens, jani dousae Annales aangehaald vindt. Maar de Annales metrici, Hagae Com. MDIC (d.i. 1599, niet, zoo als de Heer A. heeft, 1590) zijn van den jongeren Dousa; de redactie in prosa, L.B.

[p. 128]

MDCI (d.i. 1601; niet, zoo als de Heer A. leest, 1591), is meerendeels, en zoo ook dat gedeelte, van den Vader (z. bij de wind, bl. 266). Evenwel doet de Heer A. aan den jongeren dousa onrecht, door hem nog onder de voorstanders van het oud oncritisch gevoelen op te noemen. 't Is waar, op de aangehaalde p. 18 wordt de zaak zoo voorgesteld: maar in het Derde Boek komt de Schrijver er op terug, en betoogt in het breede, dat die giftbrief niet aan karel den Kale kan - maar aan karel den Eenvoudige moet - worden toegeschreven. Men zie slechts p. 51, in het Breviarium libri III: ‘Donationem Diderico I. largitam perperam Carolo Calvo attribui certissimis rationibus ostensum; Probabilior sententia de tempore instituti comitatus,’ en leze dan, zoo men geduld heeft, de breede ontwikkeling in clegische dichtmaat - flebile carmen!

Doch ook aan bilderdijk doet de Heer A. onrecht, en verwart zich in diens ‘lange redeneringen.’

De Heer de wind, een meer bevoegd rechter dan de Heer A., noemt bilderdijk's betoog op bl. 167-208 ‘eene hoogstbelangrijke Historisch-Diplomatische Verhandeling’: (Letteroef. bl. 354) en zou niet nagelaten hebben, die strijdigheden en inconsequentiën op te merken en te vermelden, die de Heer A. aan B. verwijt in het slot zijner aant. (4). Maar b.v. als de Heer A. zegt, dat B. het Graafschap reeds in 863 erfelijk veronderstelt, en daarbij aanhaalt bl. 190, dan is hij te vroeg uitgescheiden met lezen; want op de volgende bladzijde, 191, vervolgt B. zijne redekaveling aldus: ‘Maar de van ouds aangenomen filiatie, die op een valsche tijdschikking der giftbrieven rust, is noodzakelijk valsch.’

Doch ik erken (en het moge den Heer A. tot verschooning strekken) dat B. in al zijn geschrevene over de oude giftbrieven, wel schijnt eene proeve te hebben willen geven van redeneer- en disputeerkunst. Uitgaande van de

[p. 129]

vroeger gemeene voordracht, waarvan ten aanzien van dezen eersten brief zelfs wagenaar oordeelkundig afgeweken was, gaat B. eerst schijnbaar met dat gevoelen mede, en voert aan wat tot oplossing der aangetoonde tegenwerpingen zou kunnen bijgebracht worden ofschoon wel wetende en straks toonende te weten dat ze onoplosbaar zijn.

Aldus met dezen eersten Brief: nog lastiger maakt B. het met den tweeden - waartoe ik nu overga.

In die oude Egmonder Chronijk volgt onmiddelijk na de eerste gifte, die thans, wat Vorst en jaartal betreft, algemeen voor valsch erkend wordt, in de uitgave van kluit, p. 16 het volgende: ‘867,’ de Brief zelf heeft 868; (wat van loon, Al. Holl. Hist. IIe D. bl. 99, om der indictie wille, in 869 wil veranderen) ‘Lodovicus Rex Alemanniae filius Lotharii Pii largitus est praefato Comiti Theodorico Forestum Wasda cum aliis rebus, interveniente Hemma Regina.’

Men ziet, de Chronijk is zeer bepaald in de opgave der personen: Ludovicus R. Alem. filius Lotharii Pii.... praefato Comiti Theodor.... interveniente Hemma Regina. En zoo is dan wagenaar ten opzichte van dezen brief ‘de gemeene uitgaven in onze oudste Kronijken gevolgd;’ wel wetende, dat eenige Geleerden de gift tot het jaar 968 verschoven (IIe D. bl. 73 aant. 7). En nu redekavelt B. dertig bladzijden lang, 171-200, ook al met betrekking tot de ligging van het Foreest Wasda, als of deze brief zoo echt ware als de twee andere ‘van latere jaren’ (bl. 179) die hij met dezen in verband behandelt.

Maar na ons zoo lang voortgeleid te hebben, komt B. eensklaps tot inkeer, werpt zijn eigen redeneering weg, en zegt bl. 201: ‘Maar wij hebben tot dus verre het algemeene gevoelen gevolgd. Kluit heeft omtrent dezen Brief eene andere verklaring en die zeer aannemelijk is. Hij houdt namelijk den giftbrief niet van Lodewijk [K. van

[p. 130]

Alemannie] maar van Lotharis van Frankrijk en in 969 gegeven te zijn;’ - en straks: ‘Onze eerste Graaf diederik van 868 vervalt derhalve [zoowel als die van 863], en moet ingevoegd worden tusschen 923 [922] en 985. - en (bl. 202) ‘zoo is er ook geene bedenking meer over het Foreest Wasda of Waasda... het is dan naamlijk klaar-blijklijk het land van Waas (in Vlaanderen) en tot het Burggraafschap van Gent behoorende’ (bl. 204).

Te recht maakt de Heer smits, Bijdr. bl. 68 hierover aanmerking, en het heeft schijn, wat hij zegt: ‘Vermoedelijk was al hetgeen B. over dezen brief had nagedacht, al door hem opgeteekend, toen hij de opmerking van kluit ontdekte, anders had hij daarover zoo veel omslag van woorden kunnen besparen.’

Doch dit kan niet zijn; want ofschoon B. zich ten aanzien van het betere gevoelen alleen op kluit beroept, kon hem niet onbekend zijn, wat in de Bijvoegs. en Aanmerk. op die bl. 73 van wagenaar, ja wat reeds door wagenaar zelf, om het jaartal van 868 tot 968 te doen verschuiven, aangevoerd was. Ik verklare mij dat pro en contra disputeren van B., dat disputeren eerst ex posito (non concesso), daarna volgens de ware gesteldheid der zaak, dááruit, dat B., zijne lessen houdende voor Juristen, aanstaande advocaten, dezen hier eene proeve - en les, door voorbeeld - van kunstige dialectiek heeft willen geven(1).

Wagenaar, aang. bl. 73 aant. (7) zegt: ‘de redenen, welken eenige Geleerden bewogen hebben, om de Gift tot het jaar 968 te verschuiven, en Lotharius den II, voor den schenker te houden, kan men zien in de

[p. 131]

Miscell. Observat. Tom. VII. P. II. p. 261 [-272].’ Beter had hij gedaan, met de redenen door den Geleerde (die zich onder de letters A.G.P. verbergt), aldaar aangevoerd, te overwegen: te meer, alzoo dat zelfde gevoelen geenzins nieuw, maar reeds zeer oud was. Immers, ofschoon A.G.P. het niet aanhaalt, schijnt de eer van hier de valschheid ontdekt en de waarheid in de plaats gesteld te hebben, toe te komen aan bern. furmerius, die anders, wegens zijne verdediging van suffr. petri en de oude traditie der Friesche Geschiedenis, onder de oncritische Geschiedschrijvers gerangschikt wordt (de wind, Bibl. bl. 299-303); en hij was hierin reeds gevolgd door den geleerden m. alting; z. de gem. Bijv. en Aanm. op wag. IIe D. bl. 26-29.

De beide andere Brieven, dien van Keizer Arnulf of Arnout van het j. 889, en dien van Keizer Otto, van 985, (bild. bl. 179-184) laat ik daar: doch moet aanmerken, hoe B. na deze vier breed behandeld te hebben, ten laatste kortelijk melding maakt van den alleroudsten Brief tot onze geschiedenis behoorende.

Wel niet tot de geschiedenis van de latere Provincie Holland, maar van het naburige Friesland; terwijl ook ‘de Gerolfen en de Diederijken in deze gewesten wel tot eenen stam schijnen te behooren.’ bild. bl. 205.

Dit Charter, van het jaar 839, ofschoon voor lang en meermalen in Duitschland uitgegeven, schijnt onzen Geschiedschrijvers onbekend gebleven te zijn, tot dat het door kluit, aan het hoofd van zijn' Codex Diplomaticus (Hist. Crit. T. II) p. 1-6, naast uit falke, Codex tradit. Corbei. hier te lande uitgegeven werd. Te recht merkt kluit er bij aan: ‘Insignis haec Charta hactenus nostris in terris incognita multa nos docet, quae ad Statum Frisiae Politicum sive civile regimen illustrandum admodum faciunt: multa quoque, quae praejudicatis opinionibus, quas de

[p. 132]

nostrae Patriae Historia foverunt ii, qui furmerio obtrectare solent, valide obversantur,’ wat hij dan verder in acht bijzonderheden aantoont.

 

De vier Charters waaruit gemeenlijk de vestiging van het Graafschap van Holland afgeleid wordt; komen in de oudste Kronijken in de volgende orde voor:

a. 863. van Karel (de Kale) aan Diederik - Egmond enz.
b. 868. van Lodewijk aan Diederik - Wasda enz. (in Holland).
c. 889. van Arnulf aan Gerolf - bosch en land.
d. 985. van Otto aan Diederik - vruchtgebruik tot eigendom.

Volgens wagenaar moeten ze gesteld worden:

a. die van Lodewijk 868 aan Diederik (wag. II. 735. Wasda in Holland).
b. die van Arnold (Arnulf) 889 aan Gerolf (- 93, 94).
c. die van Karel (de Eenvoudige) 922 aan Diederik (- 107-113. z. ook bl. 71, 72).
d. die van Otto 985 aan Diederik (- 125-127).

zoo plaatst ze ook bilderdijk, Ie D. bl. 184.

Volgens B's latere disputatie en eigenlijk gevoelen zou het moeten zijn

a. 889. de gift aan Gerolf,
b. 923 (922). die aan Diederik,
c. 969. in plaats van a. 868; en door Lotharis in plaats van Lodewijk, aan Diederik (Wasda, Waes, in Vlaanderen).
d. 985. die van Otto aan Diederik.
z. smits, Bijdr. bl 69.

Doch hij merkt te recht aan, dat naar het betere gevoelen over dezen giftbrief (bl. 130), die hieruit vervalt, als niet tot het Hollandsche Graafschap behoorende.

Maar daartegen moet vóór aan de rei komen, de gift - of teruggave - van Keizer Lodewijk de Vrome aan Gerolf, 839. (bild. I. bl. 205; uit kluit; z. ook Bijvoegs. op wag. IIe D. bl. 22, 23, 40.

[p. 133]

En zoo wordt dan het viertal:

a. De Giftbrief van Lodewijk de Vrome aan Gerolf, 839,
b. Die van Arnulf aan Gerolf, 889.
c. Die van Karel de Vrome aan Diederik, 922.
d. Die van Otto aan Diederik, 985.

Terwijl men tusschen c en d eene gift van Keizer Lotharis, in 969 aan Diederik, van een foreest Wasda in Vlaanderen, kan vermelden.

Hoe vele personen van Gerolfen en Diederikken die vijf namen, tusschen 839 en 985, te zamen uitmaken, is onzeker. Dit zien wij nog nader. Laat ons eerst zien, of die brieven aan te merken zijn als grond-oorkonden van het Graafschap van Holland?

Deze vraag is te splitsen, in die naar (of van) het graafschap - en die van het Graafschap van holland.

Wat het eerste betreft; de Heer de wind, Letteroef. 1833 bl. 354, 355: ‘Onze oude Kronijkschrijvers brengen vrij eenstemmig de instelling van het Graafschap Holland tot Koning Karel den Kale en tot den jare 863. Bilderdijk toont aan (bl. 173) dat in dezen brief [teruggebracht tot 922] geen Graafschap, geen gebied, bewind of magistratuur, maar een goed, een stuk gronds gegeven wordt, en wel in vollen vrijen eigendom; zoodat het, zegt hij, eene dwaasheid is, dat men, tot onzen leeftijd toe, uit dezen brief eene instelling van het Graafschap Holland gemaakt heeft’... [Wij moeten erkennen] ‘dat B. een grooter licht over het vraagstuk verspreid heeft door de opmerking, dat de gift van Karel den Eenvoudige, niet is de instelling van een Graafschap, maar eene gifte van eigen goed [?], en dus door de verkeerde toepassing van dit echte stuk, tegen de bijna eenstemmige opgaven onzer Kronijkschrijvers, in een helder daglicht te stellen.’

‘Men kan zekerlijk uit dezen brief geene instelling van

[p. 134]

een Graafschap van Holland opmaken,’ zegt de Heer arend, bl. 20, 21, en teekent daarbij aan: bilderdijk ‘D. I. bl. 178, welke deze opmerking aan kluit Hist. d. Holl. Staatsreg. D. IV. bl. 44, 45, 49, verschuldigd is.’ - Als of B., de kundige en schrandere Rechtsgeleerde, noodig had gehad van kluit de zin en meening te leeren van eenen giftbrief, waarin zelfs wagenaar, met zijn eenvoudig burgerverstand zag, ‘dat geene instelling des Graafschaps van Holland te zien is’ (IIe D. bl. 71; en bl. 113, alwaar hij terecht in dien brief alleen ziet ‘de opdracht van het gebied over de Kerk van Egmond en derzelver toebehooren’) - en als of B. een plagiaat beging aan kluit; terwijl hij bl. 182-184, onder den naam van melis stoke te weêrspreken, tevens kluit weêrlegt, die bl. 49 beneficium in den brief van 985 met leen verwarde: - eene verwarring, die A. bl. 22 zelf begaat; en daarbij (aant. 1) NB. bilderdijk als zegsman aanhaalt!(1).

Gelijke verwarring van denkbeelden is het, wanneer de Heer A. bl. 21 schrijft: ‘uit de laatste woorden van den brief [van 922] kan men met groote waarschijnlijkheid besluiten, dat Dirk toen door Koning Karel in zijn vaderlijk Graafschap is bevestigd geworden. Onder Graaf Gerolf (889) schijnt dit Graafschap reeds erfelijk geworden te zijn. Dirk wordt alzoo ten onrechte, de eerste Erfgraaf van Hol-

[p. 135]

land, de stamvader der Hollandsche Graven genoemd; daar deze naam veeleer zijnen vader toekomt.’ - Waar de bevestiging noodig is, is geen erfrecht, en die bevestiging noodig heeft, is geen erfgraaf; en al werden door tien generatiën de zonen telkens opvolgers hunner vaderen in de waardigheden, zoo geeft dit geen erfrecht. De Heer A. verwart de erflijkheid (facto) met het erfrecht. Feitelijk is het waar, dat veelal de Zoons den Vader, of bij kinderloosheid, de Broeders in de waardigheden opvolgden; eerst door opdracht der Vorsten, maar het werd een gewoonte; eindelijk meende men recht van aanspraak er op te hebben: doch dit ontstond eerst toen het Leenwezen op dien voet georganiseerd was geworden. z. te water, Verk. Vad. Hist. I. 123 en bild. bl. 111. Indien kluit, T. I. p. 16 (adn. 44) door hereditario jure iets meer verstaan heeft, dan heeft hij gedwaald. Ik denk dit evenwel niet, daar hij zelf er bijvoegt: ‘Regioque nomine Comes fuit.’ Indien de filiatie bewezen ware, of voor zoo ver ze met grond te vermoeden is, mag nog vroeger dan de Gerolf van 889 (kluit T. I. p. 16, 18, 23) reeds die van 839, als de Stamvader van het eerste Grafelijk Huis (ofschoon dan toen nog niet van Holland) voorondersteld worden.

 

Vóór dat ik overga tot het tweede punt: het Graafschap in of van Holland, moet ik mij eene uitweiding veroorlooven over den inhoud en de beteekenis van de gift, in den pretensen Brief van 863, d.i. nu 922.

1. Waarover strekte de gift zich uit?

Antw. Het was de ‘Ecclesia Ekmundi, cum omnibus ad cam jure pertinentibus a loco qui dicitur Suithardeshage usque ad Fortrapa et Kinnem.’ - Wagenaar IIe D. bl. 109, ‘teekent hierbij aan: Deezen waren de grenzen van Dirks Graafschap: doch men moet niet meenen, dat al wat binnen dezelve gelegen was, der Egmondsche Kerk

[p. 136]

toebehoorde. Veel waarschijnlijker is 't, dat deeze Kerk, binnen de paalen van Dirks Graafschap, eenige goederen bezat, die hier en daar verspreid lagen, en nu aan Dirk opgedragen werden’ (enz.). Het was dus geene gift van een bepaald en begrensd territoir, maar van eenige grondstukken, veel of weinig, binnen zekere landpalen gelegen.

2. Waarin bestond juridisch deze gift; welk recht werd den begiftigde er uit geschapen?

Antw. Geen Graafschap of grafelijk recht, in den gewonen zin des woords, gelijk men zegt Graaf van Holland, en vroeger, van Teisterband, van Vlaardingen, enz. Dit erkent wagenaar zelf, bl. 113, en zoo zegt ook kluit, Cod. Dipl. p. 18: non igitur Comitatus Theoderico per hane chartam traditus est, neque ex more hoe erat. Hij betoogt wel, dat deze Dirk toen reeds Graaf was, en de gemelde grenspalen die van zijn Graafschap zullen geweest zijn: doch men lette wel, hij spreekt van den Dirk van 922; niet, van het ens rationis van 863 onder Karel den Kale. Maar wat was dan het doel en het effect van de gift? Dit zegt ons de eerlijke wagenaar, bl. 113 en geeft de reden van de gifte er bij op: ‘De reden, waarom Graave Dirk het gebied over de Kerk van Egmond met derzelver toebehooren opgedraagen zij, is ligtelijk te bevroeden, als men met onze Kronijkschrijvers stelt, dat hij te Egmond eene houten Kerk en Nonnen-klooster heeft doen stigten, welken hij, met verscheiden goederen begiftigd heeft; waardoor hem, volgens 't gebruik dier tijden, 't Regtsgebied over de kerke en kerkenlanden natuurlijkst toekwam.’ - Zoo ook kluit, in de aanteekening bij de Kronijk, p. 16. adn. 45. ad V. Ekmundam: ‘censeri igitur hic debet Theodericus, ratione hujus doni inter eos, qui vulgo dicuntur Abba-Comites, Belgice, Klooster-graven. Vid. van loon, Aloud. Hist. van Holl. II. p. 67.’ - En daar van loon's foliant thans te weinig gelezen wordt, en hij over dit on-

[p. 137]

derwerp, bijzonder ook om hetgene hij nopens Karel Martel bijbrengt, curieus is, moet ik de vrijheid nemen, zijn geheel betoog hier in te voegen.

(In het jaar 837 hadden de Noormannen een schadelijken strooptocht op de kusten van ‘het thans genoemde Holland’ (zegt v. loon te recht), gedaan. De tegen hen door Keizer Lodewijk (den Vrome) afgezonden Bevelhebbers (Graven) waren slappelijk te werk gegaan; doch het had ook aan medewerking der Landzaten zelven ontbroken.

De Keizer hiervan bericht) ‘zondt (in 838) om de betoonde ongehoorzaamheyd der thans genaamde Hollanderen(1) te beteugelen, eenige door hunne dapperheyd vermaarde Graaven en Abten derwaart. Door welke laatsten geene Geestelyken, maar Kloostergraaven, die om hunne zonderlinge diensten met de eene of(2) andere Abtdy beschonken waaren, moeten verstaan worden: even gelyk men hiernaa in 't jaar negenhonderdtweeëntwintig zekeren Dirk; Zoon des Graaven van Holland [?], tot Kloostergraaf der Koninglyke(3) Abtdye van Egmond (welke aldus genaamd is, mids zy door de voorige(4) Koningen gesticht was) in erkentenis van zyns Vaders diensten, door Karel den Eenvoudigen zal zien aanstellen. Welk wegschenken der Abtdyen aan Werreldlyken

[p. 138]

alle(1) Schryvers eenpaarig getuygen, dat door Karel Martel, als de Koninglyke schatkist door de gestaadige oorlogen was uytgeput, is ingevoerd; en waarom eenige daardoor benaadeelde Geestlyken hem deswege, als eeuwig verdoemd zynde, met eene swarte kool in hunne geschriften hebben afgemaald.’

(Doch ten aanzien van Karel Martel moet ik verwijzen naar de Défense de Ch. M., van den geleerden raepsaet, Oeuvres, T. I; - op dit punt, p. 281-303.)

Derhalve, hoe stellig, breed en krachtig in dien Brief, het gerust bezit en genot der Egmondsche Kerk en hare goederen aan Dirk voor hem en zijne erfgenamen wordt toegestaan, ‘ut libere hace omnia teneat atque possideat, habeatque potestatem de his juxta libitum suum ordinandi seu faciendi’ - waarbij evenwel de woorden van geven en schenken (donare) niet gebruikt, maar, als ware 't opzettelijk vermeden worden - de concessie (als ze heet) was geene berooving der Kerke tusschen den Keizer en ‘zijn getrouwen Dirk;’ geene confiscatie of saecularisatie dier Kerk en hare goederen: het was het wereldlijk bestuur, de temporaliteit, die van den Keizer, die ze als regaal recht, als Opper-voogd van al de goederen der H. Roomsche Kerk bezat, aan den stichter en begiftiger der Kerk, volgens natuurlijke billijkheid (z. wagen. bl. 113), werd toegestaan. De Kerk van Egmond was en bleef een eigen wezen, eene persona moralis, ze bleef een eerwaardig heiligdom der Graven, die steeds eere en genoegen er in stelden, niet om ze berooven, maar te beschermen, te begiftigen, te verrijken: - en wanneer zij deze Kerk be-

[p. 139]

giftigden, dan namen zij dat niet uit hun domein om het aan hun domein toe te voegen - wat eene absurditeit zou zijn; - veelmin namen zij het uit hun domein om aan hun personele of stamgoederen toe te voegen, waarbij de Kerk geen baat zou gehad hebben: - maar zij vergrootten en verrijkten het patrimonium Ecclesiae, al behielden of verkregen zij nu alio titulo, het recht van het beheer dier goederen.

Hooren wij als volkomen geloofwaardig getuige en competent rechter, hier in zijne eigene zaak (en even daarom volkomen competent), Graaf floris (III) in een Charter van het j. 1174, bij kluit, Cod. Dipl. p. 203, 204.

‘Notum sit omnibus hominibus Christi fidelibus, quod florentivs, Comes Hollandiae decimus, filius theodorici noni Comitis intuitu divinae remunerationis diremit et composuit litem, quae erat inter Ecclesiam Haecmundensem et dodonem filium berwoldi, illo asserente, quod Advocatia et ius totius Abbatiae suum esset feodum, et conventu hoe negante, decrevit ergo Comes consilio Principum et Nobilium suorum, et coram magna frequentia hominum promulgavit, quod Comes Hollandiae solus sit legitimus Advocatus Ecclesiae Haecmundensis, et quia in minoribus Ecclesia Advocato carere non potest, ideo palam determinavit, ut quem Comes terrae et Abbas Ecclesiae communi consensu elegerint, ille sit Advocatus; et Advocatiam non ex beneficio, sed ex condicto tamdiu teneat, quamdiu utile videtur Abbati en Comiti.’

De Vorstelijke Advocaat, zich met het dagelijksch bedrijf en de loopende zaken niet kunnende inlaten, had daartoe een' Onder-advocaat, of gelijk wij zouden zeggen, een' Procureur. Deze Dodo had zijne aanstelling, die niet verder ging dan als personele lastgeving, willen trekken tot eene beleening met de advocatie-zelve, en wordt hierin door den Vorst en zijnen Raad, in tegenwoordigheid van al de Egmonder Kloosterbroeders, krachtig en plechtig

[p. 140]

tegengegaan en teruggewezen. Men vindt dit ook vermeld bij jo. a leidis, Hist. Holl. L. 18. c. 9. in sweert. Ann. Belg. Te recht stelt kluit het opschrift van dit Diploma aldus (p. 203): Florentius Comes Holl. declarat se solum esse legitimum Advocatum Ecclesiae Egmundensis; en teekent daarbij aan: Declarat se Advocatum Eccles. Egmond. ac quod parentes fuerunt Fundatores quemadmodum ludovicus Comes Lossensis se Advocatum Abbatiae Averbodiensis pronunciat, a. 1155. ap. mir. Opp. Dipl. T. I. p. 200. Mitto congerere de Ecclesiae Advocatis multa quae huc spectant,’ voegt kluit er bij, doch hij had kunnen verwijzen naar boehmer, Jus Eccles. Protest. L. III. c. 38, § 21, of nog nader en beter naar g. voet, Polit. Eccles. T. II. p. 677, 678, die (more suo) de zaak breed, geleerd, en grondig behandelt; en ook spreekt van de sub-advocati; en tot nog breeder onderricht verwijst naar de Canonisten.

Doch wij behoeven niet ver te gaan. Wij hebben bij ons zelven den rechtsgeleerden Geschiedschrijver ant. matthaeus in zijn beroemd werk de Jure Nobilitatis, Lib. II. cap. 29. p. 509, ‘subadvocati;’ en verder op p. 510, onder andere voorbeelden, ‘balduini Comitis Flandriae Charta apud miraeum: Nos vero circa curam Principatus nostri occupati, de singulis minutis rebus non valemus ad adjutorium vestrum venire..... Igitur Arnulpho de Aldenarda (etc.);’ en met bijkans dezelfde woorden jo. de leidis, Histor. L. XVIII. c. 9, ‘quod Comes Hollandiae solus sit legitimus advocatus Ecclesiae Egmundensis. Et quia in minoribus ecclesia advocato carere non potest (etc.)’ - de eigen woorden van Graaf Floris zelven, uit zijne zoo even medegedeelde oorkonde.

Maar wij hebben ook den Nederlandschen Roomsch-Catholijken Geestelijke, Geschiedschrijver der Batavia Sacra of Kerkelijke Historie en Oudheden der Zeven Vereenigde Provintiën, Ie D. bl. 200: ‘Maar hoe dan als de Vorsten zelf

[p. 141]

de Opper-advokaaten waren? Dat geschiedde al dikwils: en dan hadden zij weer Onder-Advokaaten’ (enz.) - Dit was nu het geval met de (Hollandsche) Graven en de Abdij van Egmond.

En dit wordt volkomen gestaafd door het gebeurde met dien Bertwoud in de twaalfde eeuw, dien men onzen Dirk in de tiende eeuw wil tegenwerpen. Jo. a leidis in zijne Geschiedenis, in sweert. Ann. Belg. vergeleken met jo. a leidis, Chron. Egm. lost de zaak volkomen op. Berwoldus of Bertwoud, die in het jaar 1143 voorkomt als Advocaat der Egmondsche Kerke (Bat. Sacr. I. p. 197). ‘is de eerste die dit advocaatschap als een vaste plaats van den Abt Walterus heeft gekreegen. (NB. ‘als een vaste plaats;’ niet erfelijk, maar ad vitam.) ‘De Abdij had veele Advocaaten of Beschermheeren gehad, maar die ter keure van den Abt aangenomen en wederom afgezet werden. Dan vermits deeze Berwoldus groote diensten aan den Abt had gedaan, en nog dagelijks stond te doen [enz.] zoo heeft de Abt hem voor een vasten Advocaat aangenome, en hem een hoef met ses huysen in erfpacht gegeven.’ Bat. Sacr. p. 199; nagenoeg met de eigen woorden van jo. a leidis Chron. c. 23. - Maar hoe ging het nu verder? ‘Daarop heeft Berwoldus een slot op gemelde hoef bij Egmond beginnen te bouwen, 't welk na zijnen dood voltrokken is door zijnen zoon Dirk, die ook met zijne nakomelingen Advocaat van de Abdij is gebleeven’ (enz. en dit is dan de oorsprong van het namaals hoogedel, ja in Gelderland Vorstelijk huis van Egmond geweest). Aldus verder de Batavia, Sacra, t.a. pl. wederom geheel uit datzelfde cap. 23 der Chronijk. Maar die erfopvolging ging zoo gemakkelijk niet. Berwoud had die advocatie ad vitam, maar daarom nog niet erfelijk verkregen: maar hetgeen de Schrijver der Bat. Sacra ‘erfpacht’ noemt, heet bij jo. a leidis, feodum: ‘ideo jam dictus abbas firmavit

[p. 142]

eundem Berwoldum in ministerio advocatiae, donando ei de super feodum mansum unum, een Hoeff, cum sex domibus titulo locationis emphyteuticae eensus annuos perpetuo solventibus. Et sie iste Berwoldus propter suum fidele servitium meruit fieri primus advocatus (NB.) infeudatus ecclesiae Haecmundensis. Dit zijn de eigen Latijnsche woorden van jo. a leidis. Berwold ontfing a. de waardigheid ad vitam, b. de boereplaatsen (of huizen) in erfpacht, c. een hoeve, mansus, in Leen. - Hoe ging het nu verder? Nu verbeeldde zich Berwolds zoon dodo, dat met dit (erfelijk) leen der hoeve, en de erfpacht, die ook tot de erfgenamen overgaat, hem ook de functie en waardigheid der advocatie in erfleen was opgedragen, en hij dus nevens - en veel min boven zich - geenen anderen Advocaat der Egmondsche Kerk te erkennen had. Zie jo. a leidis, Histor. l.c. Doch van deze pretensie werd hij plechtig en krachtig gerepousseerd en op zijne plaats als Onder-advocaat teruggezet, gelijk jo. a leidis aldaar verhaalt, volgens het eigen Charter door kluit uitgegeven (bov. bl. 139). - Maar waartoe hierbij van het Chronicon verreisd naar de Historia van jo. a leidis? - Ach! had hij, die mij weêrleggen wil uit de Chronijk van j.v.l. Cap. XXIII, slechts voortgelezen tot Cap. XXVI! dat bad mij al deze moeite, en den Lezeren veel tijd kunnen besparen. - Het XXVI Hoofddeel der Kronijk (ik volg hier, om niet meer Latijn in te lasschen dan noodig, de vertaling uitgegeven te Alkm. 1792. in 4o.) heeft tot opschrift: Van Wijbold, den negenden Kloostervoogd, en den twist tusschen hem en Dodo, Berwouts zoon, Advocaat van Egmond.

Aldaar, bl. 46 ond. aan, tot bl. 48, leest men:

‘Onder de regeering van deezen Klooster-voogd Wybold, heeft in vervolg van tyd Dodo, zoon van den bovengemelden Advocaat Berwout, na het overlyden zyns vaders, zich als erffelijk Advocaat van Egmond, willen dragen; 't welk

[p. 143]

de Abt, nu alreets bevestigt zynde, beneffens alle zyne Klooster-broeders, in geenerleïc wyze wilden toe staan, waar door zy langen tyt in groote oneenigheit met elkanderen geleeft hebben: en is dezelve Dodo de eerste geweest, die het Klooster begon te ontrusten, en des zelfs goederen te beslaan. Doch, na verloop van veele jaren, hebben eindelyk beide de partyen haare zaak aan het uitwyzen van Floris, den dertienden Grave van Holland verbleven; die in den jare 1174 de volgende uitspraak tusschen het Egmonder Klooster ter eener, en Dodo, Berwouts zoon, ter ander zyde, over de ampts-oeffening van des Klooster Voorspraak, in deezer voegen gedaan heeft.

‘Kennelyk zy alle Geloovige Christenen, dat Florens, tiende Grave van Holland, zoone van Diederik, negenden Grave, in hoope dat God hem daar voor zal beloonen, 't verschil, 't geen er ontstaan was, tusschen 't Klooster van Egmond, en Dodo, Berwouts zoone (dewyl hy voorgaf dat het ampt van Kloosters Voorspraak, en 't recht der geheele Abdye, zijn erffelyk leen was, en de Klooster-broeders dit wederspraaken) geslist en bijgelegt heeft. Weshalven de Grave, op 't advys zyner Raaden en Edelen geordonneert, en voor een groote vergadering van menschen uitspraak gedaan heeft, dat de Grave van Holland alleen is, en blyft wettig Advocaat der Kerke van Egmond; en dewyl de Kerke in het mindere geen Voorspraak ontbeeren kan, daarom heeft Hy opentlyk vastgestelt, dat de geen, dien de Grave des Lands en de Abt des Kloosters, met gemeen goedvinden, daar toe mochten verkiezen, des Kloosters Advocaat zy; en die bedienìnge, niet uit eenig gunstbewys, maar volgens overeenstemming, zoo lang behouden zal, als de Abt en Grave dienstig zullen oordeelen. Aan en over deeze zaak waren als getuigen alle de Broeders van Egmond, Boudewyn, des Graven broeder, (enz.)

‘Aldus gedaan in den jare 1174, de zevende Indictie; den 3. van Wynmaand.’

Het is te meer jammer, dat men van Kap. XXIII niet tot

[p. 144]

XXVI toe gelezen heeft; omdat men toch verder gelezen heeft tot Kap. XXIV: want men zegt, ‘dat ik dááruit mijzelven had behooren te overtuigen, dat onze eerste Graven wel zeer zeker het Klooster van Egmond, met al wat daaraan vast is, in eigendom bezaten, daar Graaf dirk VI pas in het jaar 1138(1) een en ander in eigendom overdroeg aan den Paus, namens zich-zelven en zijne moeder de Gravin petronella.’

Doch het spreekt wel van zelf, dat al wat men uit Kap. XXIV en het jaar 1128 zou willen argumenteren, vervallen moet door het zeer duidelijk bewijs uit Kap. XXIV aangaande het jaar 1174 bijgebracht. Ik wil het evenwel niet laten bij dezen dooddoener, maar die opdracht van Kap. XXIV expliceren.

Wat was hetgeen de Paus uit deze schenking of opdracht profiteerde? Jaarlijks vier schellingen (over wier begrooting men zien kan de Kerkel. Oudh. Ie D. bl. 199, aant. 6.) - Wat verloor de Graaf, en wat was het effect voor de abdij van Egmond (en die van Rijnsburg)? Zij verloren niets, maar wonnen zeer veel. Want het eenig effect was, dat die abdyen, de lievelingen der Hollandsche Graven, onttrokken werden aan het kerkgebied van den Bisschop van Utrecht, waaronder ze tot dus verre behoord hadden; en welke altijd lastige nabuur als wereldlijk Vorst, buitendien geducht was door de Geestelijke Jurisdictie, waarvoor de Graaf althans die zijne beide oogappels wilde sluiten. Te recht is dan ook bij v. mieris, Charterb. Ie D. bl. 92, het opschrift van dit Charter om den inhoud te kenmerken, enkel dit: Privilegium exemtionis. Men zie de aanteekening van f. van mieris, bij dezen Brief, ald. bl. 93; maar vooral ook de Kerkelijke Oudheden, op de aang. bl. 199, en matth. ad Chron. Egm. p. 157, ald. aang.

[p. 145]

En wat nu betreft, dat ik mij ook uit de Charters onzer Graven had moeten ‘herinneren, hoe dirk ii en arnout kerken aan Egmond hebben geschonken’ - met dit zwaard doode ik hem die het tegen mij opheft. De algemeene quaestie over het schenken van kerken en het effect daarvan voor die kerken daargelaten - die kerken werden geschonken ‘aan Egmond,’ d.i. aan de Kerk van Egmond. Maar men schenkt niet aan zichzelven; de Voogd schenkt wel aan zijn' pupil. De Graaf vereenigde dus die kerkgoederen niet met het Grafelijk domein, noch met zijn personeel goed; het schenken ‘aan de Kerk van Egmond’ bewijst ten duidelijkste, dat die kerk met haar eigendom bestond als eene eigene en zelfstandige persona moralis, nevens en buiten den Graaf (behoudens zijn wereldlijk gebied) en door hem als zoodanig erkend en begunstigd en verrijkt wierd.

Te recht mocht dan ant. matthaeus, de Jure Nobil. p. 508, 510, de Graven van Holland opnoemen onder de Advocati Ecclesiarum, en de kundige g. bruining, in zijne Geschiedenis der Nederlanden (Amst. 1825) Ie D. bl. 50, zeggen: ‘Karel schonk in 922 aan Graaf Dirk eenige goederen... benevens de voogdij over eene kerk, te Egmond op het graf van St. Adalbert.’

Maar nu nog tot besluit en duidelijk bewijs, dat onze Hollandsche Graven zich als Advocaten der Egmondsche kerk beschouwden en gedroegen, en dit als een dierbaar voorrecht beschouwden. In eenen twist tusschen den Abt van Egmond tegen Willem van Egmond, kleinzoon en achterkleinzoon van den bovengemelden Dodo en Berwout (z. de Kron. v. Egmond) daagde de Abt dezen Willem voor Graaf willem i. van Holland als Rechter. ‘Dicto die utraque parte praesente sedit pro tribunali Wilhelmus Hollandiae Comes, quem ante omnia rogabat Abbas, quatenus aliquem suo loco judicem sisteret, et causas

[p. 146]

monasterii sui tanquam Advocatus contra Wilhelmum allegaret. Quaesivit e vestigio Comes in sententia, si hoc salvo jure partis utriusque facere posset. Dictavit sententia hoe esse licitum, et de jure deberet eo, quod esset Advocatus ecclesiae. Sedit itaque pro tribunali quidam Miles Theodoricus Boekel nomine. Proposuit Wilhelmus Comes pro Abbate et ecclesia Haecmundensi, quod Wilhelmus de Haecmunda temerario ausu etc.(1).

Singulare id exemplum. Et raro Princeps descendit eo aliis obsessus. Verum cum eo ipso, qui ferebat se Advocatum, cum Domino de Egmonda ibi quaestio ecclesiae. Vulgo alioquin expedita haec a Subadvocatis, aut si ejusmodi non essent; aut non tantae auctoritatis, ab iis, qui a Principe ad id dati nominatim(2).’

De Graaf staat op van zijn' Grafelijken Rechterstoel, om voor een Plaatsvervanger, als Advocaat het recht zijner pupil, de Egmondsche kerk, te bepleiten.

De zaak is in al hare bijzonderheden in het breede te lezen in de Annales Egmondani, Cap. XXX, XXXI, in de Latijnsche uitgave van matthaeus, p. 37-41; en in de Vertaling, bl. 53-60, maar veel te breed en te lang om hier uit te schrijven. Ik moet dus den Lezer die door al mijn over deze quaestie aangevoerde nog niet verzadigd is, dringend daar heen verwijzen.

 

Doch ik houde het voor uitgemaakt, dat het object van den Giftbrief van 922 geen ander was, dan de overdracht van het recht van den Oppervorst op de Egmondsche Kerk en haar (toenmalig en later) toebehooren, aan den begiftigden Diederik; die daarop ook eene moreele aanspraak had. z. wagenaar aang. bov. bl. 136. Nu rijst de vraag op nieuw: is die brief aan te merken als ‘het voetstuk der historie

[p. 147]

van onzen Staat?’ - en ondanks al de moeite die de Heer alberdingk thym zich gegeven heeft in zijn werkje: de Giftbrief van Koning karel (enz.) Amst. 1849, en vooral in de Vaderl. Letteroef. 1849, No. XIII. bl. 588-596, moet ik nog zeggen: Neen, in geenen deele! - Ik geve de eigen betoogwoorden van den Heer A.T. met korte aanteekening; voor het breedere mij gedragende aan het reeds geschrevene van bl. 127 af. - Letteroef. bl. 591. ‘De Giftbrief, waarbij Koning karel aan zijn “getrouwen diederik” zekere goederen met de kerk tot Egmond in eigendom geeft(a) is vrij eenparig door de Hollandsche Geschiedschrijvers van vroeger en later tijd(b) als de bladzijde begroet en in eere gehouden(c), waar de Geschiedenis van onzen Staat mede aanvangt’(d). - ‘Het is immers nog in niemand opgekomen de stem der traditie en der geschreven Geschiedenis te weerspreken, die dirk i, voor of na de gifte, als Leenman eens Souvereins aanwijst’(e)! ‘In dien

[p. 148]

brief [van 863; maar dit is, 922] wordt, voor het eerst, het: erfrecht des Leenmans in het Gewest, dat men later Holland vond, door den Leenheer gekonstateerd(f); bij dien brief geschiedt eene gifte van goederen in eigendom(g) aan den man, welke in de rij onzer Graven langen tijd de Eerste genoemd werd(h) - de oudste gifte, waarvan men, met eenige zekerheid, beide jaartal en ligging, van het gegevene kan bepalen.’

‘Immers (zegt de Heer a. th. Letteroef. bl. 593) de op zich-zelven staande feiten der grondschenkingen von 868 en 869 kunnen niet eens behoorljk met onze Staatsgeschiedenis geassimileerd worden - van het “foreest Wasda” kent men tot heden de ligging niet, en men is onbekend met de verwantschap van “Gerolf” aan de erfelijke dynastie onzer

[p. 149]

Graven’(i). - ‘Bij dien brief wordt aan den Eersten der Vorsten, waarvan het bewijsbaar schijnt, dat hij eene erfelijke dynastie op Hollands Vorstenstoel gevestigd heeft(k), een eigendom geschonken in het hart van dat Gewest, dat eenmaal zijn naam aan land en landaard heeft weten te eigenen’(1). - (Letteroef. bl. 592) enz.

Wat nu bij den Heer A.T. volgt van da vorming der Hollandsche natie, uit ‘de vloeistof die zich zou vestigen en schieten in de duizenderlei veelkleurige kristallen, die men Hollanders genoemd heeft’ (bl. 592); en als tot betoog, dat uit dien brief van karel den Eenvoudige - (uit de gifte der Egmondsche Kerk-Voogdy, of uit de erkentenis dat de begiftigde reeds erfelijke goederen bezat?) - en niet uit de Unie van Utrecht van 1579 de Hollandsche

[p. 150]

Staat in het Staatsleven zou zijn voortgesproten (bl. 592, 594); hier beken ik den Schrijver niet te kunnen volgen: het is mij te poëtisch-fantastisch, en als ik het tracht te begrijpen, is het mij als greep ik in eene schoone Juno-wolk. Ik vervolg liever het prosnïsch verder door hem aangevoerde. - Slechts dit in het voorbijgaan: Ik begeere zoo min als de Heer alb. th. het jaar 1572, of de Unie van Utrecht van 1579, ‘tot de eerste bladzijde te maken van de geschiedenis van onzen ordelijk georganiseerden Staat’ - maar zeker althans niet dien brief van 922. Ordelijk georganiseerd is onze Staat, zelfs in het schitterendste tijdperk der voormalige Republiek, nimmer geweest. Na - en naar - de Grondwet van 1815 scheen daartoe uitzicht: doch werd weldra en meer en meer beneveld, door het in werking brengen dier Grondwet letterkluivend maar geestverstikkend - en zoo brak de zaak bij de handen af in 1830; en het is er ver af, dat uit de verpoetelingen der Grondwet van 1815, in de jaren 1840 en 1848, een ordelijk georganiseerde Staat zou ontstaan zijn.

(Bl. 593). ‘De traditie heeft karels gift steeds als het feit vastgehouden en geliefkoosd, waarbij het tooverteeken tot ontstaan werd gegeven van het Volk en onzen Staat(m). De naam, dien wij nog heden aan den begiftigde toekennen, de naam van Graaf dirk den Eersten, bewijst dat men met geen vroeger dirk onze Staatsgeschiedenis aanving’(n).

Nog eene plaats is er, waarbij ik moet stilstaan. Afgezien

[p. 151]

ook van het eigenlijk onderwerp des Giftbriefs, vindt de Heer A.T. bl. 594 iets zeer bijzonders dáárin, ‘dat in dezen brief allernadrukkelijkst het recht der “vorige goederen” van Dirk wordt gewaarborgd.’ - ‘In den giftbrief aan Graaf Gerolf, (an. 889) wordt met geen woord van erfgenamen gerept. En in dien aan Diederik, ten jare 868(?), wordt van geen erfelijke rechten gesproken buiten het bezit om der in eigendom gegeven goederen(o):’ - ‘Dat de erflijkheid van het leen uitdrukkelijk in het Charter wordt genoemd en gewaarborgd, heb ik niet beweerd (alb. th. bl. 595), maar ik meen te mogen volhouden, dat onder de “reliquae possessiones, quibus jure hereditario videtur uti,” zeer vermoedelijk het erflijk leenmanschap als hoofdzaak begrepen is, daar bij wijze van tegenstelling, van het later gegevene den “getrouwe” bovendien de vrije en vervreemd-

[p. 152]

bare eigendom (niet slechts de levenslange possessie) wordt verzekerd’(p); - en bij deze illogische petitio principii, dan

[p. 153]

ter adstructie de onjuridische aanteekening: ‘Het kan den Heer T. toch niet onbekend zijn, dat leengoederen en leenrechten wel deugdelijk tot de possessies gerekend werden. Zie b.v. het Beau traicté des fiefs en Flandres uitgegeven te Gent 1839, pag. 30: Drie voorname zaken heeft de Leenheer te volbrengen, de derde is: “Il fait mettre le vassal en la réelle et actuelle possession du fief”’(q).

 

Over de echtheid of onechtheid der giftbrieven van 863 (en 868) wil ik geen woord verliezen. ‘Over de geloofwaardigheid van oude bescheiden,’ is een kort, maar gewichtig woord gezegd door den thans Utrechtschen Archivarius vermeulen, in het Tijdschrift voor de Geschiedenis (enz.) van Utrecht, 8e Jaarg. 1842, bl. 420-425. z. ook zijn Verslag aan de Gedep. Staten van Utrecht, 1850. Men kan daaromtrent aan beide kanten te ver gaan. Huydecoper en Baron van spaen bestreden wel eens wat echt

[p. 154]

was; kluit en bondam verdedigden misschien wel wat valsch was(1). Een staaltje van Egmonder-monnikken-historie-fictie is onlangs uitgegeven door hofdyk, in de Aanteekeningen bij zijn' Jonker van Brederode, (Amst. 1849); en men moet zien bij raepsaet, Défense de charles martel, (Ocuvr. T. I. p. 292, 293) hoe in de Achtste en Negende eeuwen, zendbrieven als van den Heere christus en den Aarts-engel Gabriël, door de Geestelijkheid aan de Vorsten opgedrongen werden.

Ook kunnen stukken, die nergens, dan in Chronijken ingelascht, te vinden zijn, naauwlijks bescheiden of oorkonden genoemd worden. Trouwens van den pretensen giftbrief van Koning Lodewijk met het jaar 868 had van loon een oud afschrift (Ael. Gesch. II. bl. 99), en toch zijn naam en datum valsch; en zoo heeft men immers aan onzen Graaf (Koning) Willem II een afschrift voorgelegd van den pretensen vrijheidsbrief der Friesen, en hem dat laten vidimeren en bekrachtigen, z. meerman, Gesch. van Graaf Willem v. Holland, Ie D. bl. 289. En dat de datums in de pretense giftbrieven van 863 en 868 opzettelijk vervalscht zijn, stelt ook kluit, ad Chron. Egm. p. 18. - Doch als gezegd, ik begeer de stukken niet als geheel verdicht aan te merken; want, aan den eenen kant is het onbetwistbaar, dat de Graven van Holland de Advocatie der Egmondsche Kerk als een prérogatif gewaardeerd hebben, en de Vlaamsche bezittingen dier Graven zijn geschiedkundig; aan den anderen kant is het genoeg, dat thans algemeen erkend wordt, dat de beide jaartallen van 863 en 868 valsch, en dus ook de Vorsten die als Schenkers er in voorkomen, anderen geweest zijn, en ook de Dirk die als begiftigde voorkomt, en in onze historische traditie de Eerste heet, inéénsmelt met onzen Dirk II, en dat derhalve,

[p. 155]

al wat in onze oude Chronijken en Geschiedboeken van die giften, korter of langer, naaktelijk of geämplificeerd en opgesmukt voorkomt, al te samen verdwijnt en in het niet verzinkt(1). Het gezegde: l'histoire est la fable convenue (bov. bl. 107) geldt niet, wanneer een verhaal bewezen kan worden een verdichtsel te zijn. Daaruit evenwel, dat die valsche berichten - of traditiën, zoo gij wilt - zoo oud en algemeen zijn, blijkt 1. hoe oud die vervalsching is; namelijk, zoo oud als die Egmonder Chronijk zelve; want daar vindt men de stukken ingelascht op de jaartallen 863 en 868: maar de Chronijk zelve is eerst van het begin der dertiende eeuw, z. saxe, Onom. P. II. p. 283; kluit, Praefat. ad Chron. p. xxi, en g.j. vossius door hem aang.; 2. hoe duister die tijden en hoe dom de naschrijvers waren; alzoo de valschheid dier datums, en alzoo dier feiten eerst laat in de 16e eeuw opgemerkt is.

 

Over de tweede hoofdvraag: ‘in hoe ver de vier Diplomata, bijzonder ook dat van 863 (922), aan te merken zijn als grond-oorkonden van het Graafschap van holland?’ (bl. 133), zal ik korter kunnen zijn. Want 1. hierover is eigenlijk geen verschil met den Heer A.T. die erkent dat ‘er waarschijnlijk toen geen andere land- of volks-naam voor Diederik's goederen en onderzaten in zwang was, dan die van Vrieslant en Friezen’ (Letteroef. bl. 593), 2. om (dat de Heer de wind, in een onlangs eerst uitgegeven ge-

[p. 156]

schrift(1) de zaak goed en kortbondig voorstelt: ‘Er waren hier Graven, er waren hier Diederijken, lang voor de naam van Holland bekend was. De eerste oprigting van een Graafschap Holland te willen bepalen is dus eene ongerijmdheid.’ - En in eene aanteekening daarbij:

‘De naam van Holland komt in geen echt stuk vroeger voor, dan in het Charter van Keizer hendrik iv, van 1064, waar het genoemd wordt Comitatus omnis in Hollant (v. mieris, I, 67). Dit is volgens wagenaar, II, 173, en kluit, Hist. Crit. P. I. p. 2, Excursu de occupatione Zuid-Holl., p. 47-63, het oudste spoor. Dan volgt de brief van onzen Graaf dirk v, van 1083. Vergel. kluit, Cod. Dipl. p. 138. Op den grafsteen van Bisschop bernulf, in de St. Pieters kerk te Utrecht, komt echter ook het woord Holland voor. Hij overleed in 1054.’

Het zal dus niet noodig zijn, uit kluit (l.c.) en andere Schrijvers, b.v. van oudenhoven (Out-Hollandt, nu Zuyt-Hollandt, Dordr. 1644. qo.) te gaan betoogen, dat de naam Holland aan een geheel ander eind dan Egmond, en in een klein gedeelte van het later Graafschap en de Provincie Holland onstaan is: namelijk het eiland van Dordrecht, later in den meest beperkten zin steeds Zuid-Holland genoemd: - Het is immers uit de geschiedenis bekend, dat die streken eerst door Graaf Dirk III in 1018 met kracht van wapenen aan den Bisschop van Utrecht en de overige bezitters ontweldigd zijn(2). Hoezeer dan kluit zich ontschuldigt met zijn ‘Holland, bij voorraad (of in de voor-

[p. 157]

baat) zoo genoemd: Hollandia per prolepsin dicta (ad Chron. p. 33) en zoo ook de geleerde Aanteekenaar bij de Kerkel. Oudheden (Ie D. Voorber. bl. xi) het poge te verdedigen; mij dunkt toch, dat het af te keuren is en onnaauwkeurige en verwarde denkbeelden geeft, wanneer men van Holland en Graven van Holland schrijft in de Geschiedenis van een paar eeuwen vóór dat die bestonden.

Het is waar, dat bilderdijk (Ie D. bl. 150, 176, 188, 208) en smits (Bijdr. bl. 69-73) ofschoon in eenig opzicht verschillende, vaststellen, dat reeds in de negende eeuw de naam van Holland bekend en er Graven van Holland zullen geweest zijn; doch hunne redekavelingen hiertoe, hunne argumenta per inductionem, voldoen mij luttel. Maar men beroept zich op historische getuigenissen. Bilderdijk, Ie D. bl. 150, haalt de Kronijk der Bisschoppen van Minden aan(1), die verhaalt ‘dat omstreeks het j. 848 het Graafschap van Holland begonnen is.’ Hij zelf evenwel geeft aan die woorden een tamelijk flaauwe beteekenis; en een nog flaauwer zin tracht v. bolhuis er aan te geven(2). De Heeren smits en schotel (Beschr. d. Stad Dordr. I. 9) schijnen er veel mede op te hebben, en voegen er een tweede getuige bij uit de, Kronijk van st. bavo te Gend, ‘alwaar de naam van Holland op het jaar 851 voorkomt.’ - Laat ons zien hoe veel deze getuigenissen afdoen.

‘De echtheid der oude Kronijk van Minden is buiten eenige bedenking,’ zeggen de HH. smits en schotel. Toegestaan. - ‘De Schrijver blijkt bij lang niet gelijktijdig te zijn,’ zegt v. bolhuis - ook waar! - Doch wat zegt dan eigenlijk de Chronijk? Ze schrijft op het j. 867: ‘Comitatus Flandriae coepit exordium: item anno sequenti

[p. 158]

comitatus Hollandiae coepit.’ Dit kan niet wel beteekenen, wat bilderdijk wil: ‘in dezen tijd hebben wij bij ons te Minden in 't klooster, waar wij dit schrijven, het eerst van een Graafschap van Holland gehoord.’ Maar de vraag is: wanneer is het in de kloosterkronijk opgeteekend? Denkelijk even min in het eigen jaar 868, als de brieven, die nu blijken niet vroeger dan van 922 en 963 te kunnen zijn, in de Egmonder kronijk ingelascht zijn in de jaren 863 en 868, ofschoon ze met de feiten, die ze moeten bevestigen, op die jaren vermeld staan. De Minderkronijk loopt van 780 tot 1474. Ze is wel vol monniken-fabelen en legenden, doch die konden ook nog in 1474 geschreven worden. Ik geloof wel, dat de kronijk vroeger aangevangen en gestadig vervolgd is; maar voor gelijktijdig getuigenis, hoedanig hier alleen kracht zou hebben, kan ik ze niet laten gelden. - En evenmin, ja nog veel minder, de kronijk van st. bavo. Vooraf moet ik aanmerken, dat op het door de HH. smits en schotel vermelde jaar 851 in de authentieke uitgave der kronijk door de smet, in het Recueil des chroniques de Flandre. T. I. (Brux. 1837) p. 485 niet Holland geschreven staat, maar Normanni et Dani Frisiam et Batavos populantur. - Doch op het jaar 863 (p. 489), vind ik eene breede historie, die 't mij verwondert door de HH. S. en S. niet bijgebracht te zijn. Daar staat te lezen: ‘Anno DCCCLXIII Hollandia primo coepit habere Comitem; est enim pars Frisiae, Karolus Calvus habens partem in ea, dedit illam nobili viro Theodorico [N.B.] de Gasconia. Deinde Ludovicus, rex Alamanniae, dedit ei aliam partem, et sic factus est Hollandiae et Zelandiae comes, quam tenuit quinquaginta et uno annis.’ Uit dit bijgevoegde blijkt reeds van zelf, dat de zaken beschreven waren althans 51 jaren na dato. Maar ach! uit de extensie zelf van het verhaalde blijkt nog heel wat anders. Namelijk dat de geheele vermelding der schenkin-

[p. 159]

gen (van de jaren 922 en 963 van Karel den Eenvoudigen en van Koning Lotharis) als zullende zijn van Karel den Kale in 863, en van Koning Lodewijk, geput is uit de in dezen logenachtige Egmonder kronijk of eenig rivulus daarvan. Nieuw is er alleen de oorsprong van dien fabuleusen Dirk; uit Gasconje: - doch wat dáárvan zij, het hier voorkomend verhaal der heiderlei giften en Graafschappen is eene ware gasconade.

Voorts wordt de ouderdom en waarde der Baafsche kronijk merkelijk teruggezet door haren zorgvuldigen Uitgever de smet, Introd. p. xxxiii: ‘On sait que la chronique de St. Bavon, vantée comme un monument historique du XIIe siècle par De Nelis et De Bast, appartient réellement au XVe et n'a pas à beaucoup près l'importance que lui attribuèrent ces savants, qui sans doute ne l'avaient pas examinée dans toutes ses parties.’

Als zeer oude vermelding: van Holland blijft evenwel over die in den Catalogus bonorum ecclesiae Ultrajectinae van omstreeks het j. 866 (bij mieris, Charterb. Ie D.) ook vroeger en later elders, doch nog nimmer geheel naauwkeurig, uitgegeven. Maar, zoo als aldaar onder een paar honderd namen van dorpen of districten, mede de vermelding van ‘in Holland 4 mansi’ voorkomt(1), is daarbij wel aan geen Graafschap van Holland te denken.

 

Tot besluit al dezer redeneeringen, en tot blijk hoe weinig wij eigenlijk van de geschiedenis van Holland in de Negende en Tiende eeuw weten, geve ik hier het resultaat der onderzoekingen van den laatsten en zorgvuldigen beschrijver der Algemeene Geschiedenis des Vaderlands; alleen door cursiven letterdruk aanwijzende de uitdrukkingen

[p. 160]

van ongenoegzame zekerheid, gissing enz. arend IIe D. bl. 16-23(1).

Holland en zeeland. De oorsprong en instelling van dit beroemde graafschap, kunnen niet met zekerheid bepaald worden. De oude kronijk van Minden meldt, wel is waar, dat het in acht honderd acht en veertig een begin heeft genomen, en bilderdijk wil hieruit afleiden, dat het onder den naam van Holland reeds vroeger heeft bestaan; doch liever vereenigen wij ons met het gevoelen eens anderen Geleerde, welke den zin van de woorden des ouden Kronijkschrijvers, die blijkbaar veel later leefde, dus verklaart: “omstreeks acht honderd acht en veertig zijn de Graven, welker nakomelingen thans Graven van Holland heeten, opgekomen of in magt begonnen toe te nemen.” Vrij eenparig brengen de oude berigten de stichting van dit graafschap, in het jaar acht honderd drie en zestig onder Karel den Kale; de latere geschiedonderzoekers daarentegen, mede vrij eenparig, tot het jaar negen honderd twee en twintig of drie en twintig. Zeker is het, dat de naam van Holland, als graafschap, het eerst in duizend vier en vijftig voorkomt, (enz.) Hoe dit zij, het gewest, later Holland genoemd, heeft naar alle waarschijnlijkheid, in en vóór dezen tijd, verscheiden Graven gehad. Sinds acht honderd zes en twintig, bezat de Noorman Roruk, en later zijn neef Godfried, aldaar onderscheidene graafschappen, hetzij onder den titel van Hertog, of onder dien van Graaf, als leenman des Rijks. In acht honderd zeven en vijftig wordt van twee Graven, Gerolf en Thietbold, gewag gemaakt, wier graafschappen vermoedelijk in Holland gelegen waren; althans in dat gewest sneuvelden zij tegen de Noormannen. Welligt is deze Gerolf de zoon geweest van den Frieschen Graaf van dien naam, welke in Westergo goederen bezat, doch zich in acht honderd zeven en dertig aan weêrspannigheid schuldig maakte, waardoor zijne bezittingen verbeurd verklaard, doch hem later terug

[p. 161]

gegeven worden. Zijn grootvader zou die Graaf Dirk geweest zijn, welke in het vertrouwen van Karel den Groote deelde, wien hij in namaagschap bestond. Eene halve eeuw later ontmoet men weder eenen Gerolf, die vermoedelijk een zoon van dien gesneuvelden Graaf, en diezelfde Gerolf geweest is, welke door Godfried aan Keizer Karel den Dikke gezonden was. Hij schijnt diep in den gunst des Keizers gestaan te hebben. Althans in het jaar acht honderd negen en tachtig, op den vierden van Oogstmaand, werd hij door Keizer Arnulf, begiftigd (enz. z. boven). Zijn zoon Dirk volgde hem op in het graafschap, terwijl men beweert, dat hij nog een anderen zoon, Waltger genaamd, gehad heeft, wien denkelijk het bewind over het graafschap Teisterband is te beurt gevallen (enz.) Men heeft gegist, dat deze Dirk dezelfde geweest is met zekeren Graaf Odokar, die deel genomen had in den opstand der Lotharingsche Grooten tegen Zwentibolch. Met meer zekerheid mag aangenomen worden, dat hij onder de eersten behoord heeft, welke in negen honderd twaalf, Karel den Eenvoudige toevielen, en dat hij bij het verdrag te Bonn, tegenwoordig was. Het is voorzeker geene gewaagde onderstelling, dat deze Vorst, ter belooning der hem bewezene diensten, ten behoeve van den Graaf, en om dezen te meer aan zich te verpligten, eenen open giftbrief heeft uitgevaardigd, welke als het eerste oorspronkelijk bewijs van de instelling van het graafschap in het oude Hollandsche stamhuis aangemerkt wordt. - Men vermoedt, dat deze giftbrief op den vijftienden van Zomermaand des jaars negen honderd twee en twintig te Pladella of Bladelle gegeven werd. Hij behelst, (enz.) Men kan zekerlijk uit dezen brief geene instelling van een graafschap van Holland opmaken. Uit de laatste woorden van dien brief evenwel, kan men met groote waarschijnlijkheid besluiten, dat Dirk toen door Koning Karel in zijn vaderlijk graafschap, is bevestigd geworden [!]. Onder Graaf Gerolf, wien de oudste giftbrief in het jaar acht honderd negen en tachtig gegeven werd, schijnt dit graafschap reeds erfelijk geworden te zijn. Dirk

[p. 162]

wordt alzoo ten onregte, de eerste Erfgraaf van Holland, de stamvader der Hollandsche Graven genoemd, daar deze naam veeleer zijnen vader toekomt. Om echter alle verwarring in de getallen te voorkomen, zullen wij met hem de reeks der Hollandsche Graven openen. Het is niet vreemd, dat hij door onze oude Jaarhoekschrijvers, als de eerste is beschouwd geworden, dewijl zij of Egmonder monniken waren of Egmondsche kloosterschriften raadpleegden, in welke zij hem als stichter van een Nonnenklooster, en herstichter van de houten kerk te Egmond, den H. Adelbert gewijd, doch door de Noormannen verwoest, het vroegste vermeld vonden. Hoe ver zich zijn erfgraafschap heeft uitgestrekt, is moeijelijk te bepalen. Naar eenigen, zou het van den Rijn bij Katwijk, tot aan Alkmaar en Egmond, doch zijn landgoed of beneficium zich verder Noord- en Zuidwaarts uitgestrekt hebben, en door latere giften, erfelijk en als eigendom in zijn geslacht zijn overgegaan. Naar anderen, bepaalde het zich tusschen Zuid-Beveland en Alkmaar. Van zijne lotgevallen is weinig bekend. Hij zou met de Denen en Friezen hevigen krijg gevoerd hebben, doch dit is even onzeker als de tijd zijner regering. Men beweert wel is waar, dat hij kort na de schenking van het land tusschen Suithardeshage en Fortrapa, is overleden, doch de oudste en beste Kronijkschrijvers geven hiertoe geene aanleiding. Daar wij lezen, dat hij in eenen vergevorderden ouderdom, het klooster en de kerk te Egmond stichtte, welke hij met verscheidene goederen begiftigde, is het hoogst waarschijnlijk, dat hij langer geregeerd heeft dan men gemeenlijk veronderstelt. Wij willen echter niet met Bilderdijk beweren, dat hij dezelfde is, welke door Koning Lothair, in het jaar negen honderd negen en zestig, met het Foreest Wasda beschonken werd. Mogelijk is hij die Graaf Dirk geweest, welke, gelijk eenigen beweren, in negen honderd negen en dertig, nabij Andernach, sneuvelde. Hoe dit zij, hij werd met zijne gemalin Geva te Egmond begraven, en naar het gemeen gevoelen, door zijn zoon Dirk II opgevolgd.’

[p. 163]

Te recht, waarlijk, mocht de vlijtige n.g. van kampen zeggen: ‘Men kan dit tijdvak het duistere der Geschiedenis van Holland noemen, hetwelk toen ook nog niet dezen naam droeg, maar tot Friesland behoorde’(1); en kluit (ad Chron. Egm. p. 36): ‘Hoc satis probatum Theodoricum II obiisse anno 988. Anteriora vero omnia hactenus erant incerta et fabulis plena.’

(1)Kluit, Praefat. p. 1. en de wind, Bibl. d. Nederl. Geschiedschr.
(1)De Heer arend heeft dit niet begrepen; en vermaakt zich das weêr, bl. 26 aant. 3, 4, met verandering van gevoelen, en tegenstrijdigheden, van B.
(1)Een dergelijke, maar door de algemeenheid nog meer beleedigende uitval van A. tegen B. is bl. 27 aant. (3): ‘Bilderdijk heeft dit [van kluit] gelijk zoo vaak, stilzwijgend overgenomen.’ - De Heer A. eene volledige Geschiedenis schrijvende voor het algemeen, mag en moet citeren: bilderdijk's doel was, aanvulling en verbetering van de gewone voordracht, die hij, met hare algemeen bekende Schrijvers, als bekend vooronderstelde; en de beide hoofdwerken van ‘dien onvergetelijken kluit,’ omtrent welke beide A. hem van plagiaat beschuldigt, had hij ten overvloede aangewezen en aangeprezen in zijne Inleiding, Ie D. bl. 8.
(1)(Annal. Bertin.) Unde et ad comprimendam Frisionum inobedientiam strenni Abbates ac Comites directi sunt.
(2)Cron. Camerac̀€ens. Lib. I. cap. 70. Tunc temporis Isaac Comes, Abatiunculam beat. Humberti, cui, ut paulo superius diximus, Episcopum Stephanum rex Carolus praefecerat, possidebat.
(3)J. a Leidis Annal. Egmond. in prologo pag. 1. Ex injuncta Reverendi in Christo egregii Patris et Domini mei Domini Nicolai de Adrichem hujus nominis secundi regalis abbatis monasterii S. Adalberti in Haecmunda.
(4)Du Cange glossar. med. et infim. Latinitat. tom. III. fol. 004. Monasteria Regalia vocant, quae a rege nude dependent, quae ad jus regiam proprie pertinent.
(1)Ibidem tom. I. fol. 12. Id vero primum fecisse Carolum Martellum consentiunt scriptores omnes, eoque nomine aeternaliter perditum sen damnatrim finxerunt quidem, ut est apud Barenium ad ann. 880. No. 31.
(1)Moet zijn 1139: z. de Kronijk, bl. 40: mijn weêrlegger schijnt juist bij bl. 39 het boek toegedaan te hebben.
(1)jo. a leidis, hij matthaeus; z. de volg. aant.
(2)Matthaeus, de Nobilit. p. 510, 511.
(a)Lees: de Kerkvoogdij van Egmond overdraagt.
(b)Sedert alkemade en van loon steunde men voornamelijk op Kakolyn, z. wagen. IIe D. bl. 107: de vroegeren, tot op dousa, steunden op de middeleeuwsche Kronijken, en die op de valsche Charters, luidende van 863 en 868 (z. straks (e)). Die van het middentijdperk fluctueerden; zij verlieten wel het Charter van 863, dat zij bovendien misverstonden; maar critiseerden te lang daarover - en bleven allen gelooven aan den brief van 868; zoodat hun ongeloof aan dien van 863 hen weinig verder bracht. Zoo b.v. wagenaar; z. bov. bl. 130, 131.
(c)Zoo poëtisch juist wel niet: men zegge liever eenvoudig met arend IIe D. bl. 17: ‘Vrij eenparig brengen de oude Schrijvers de stichting van dit Graafschap (eigenlijk: den oorsprong of het eerste begin van het later Graafschap van Holland) in (l. tot) het jaar 863 onder karel den Kale, de latere daarentegen, mede vrij eenparig, tot het jaar 922 of 923;’ - en zoo prosaïsch ook de wind (bov. bl. 133).
(d)l. ‘de geschiedenis van het (later) Graafschap van Holland,’ zie straks bl. 155, volg.
(e)Traditie en beschreven geschiedenis maken geen dubbele autoriteit uit. Ook is de vraag niet, of de begiftigde ‘getrouwe’ Dirk reeds vóór de Egmonder-begiftiging Leenmun was, of zelfs den titel en de functie van Graaf had (z. bl. 136): maar 1) deze brief spreekt er geen woord van: en vooral 2) de Dirk der beide pretense brieven van 863 en 868 verdwijnt: uit onze geschiedenis der negende eeuw, en komt eerst weer te voorschijn in de tiende; na den reeds in de negende eeuw (889) door Keizer Arnulf begiftigden Graaf Gerolf, z. bl. 132, 133. Kluit ad Chron. Egm. p. 22, 36. Boven en tegen deze waarheden, geldt bij mij geene traditie; over de Kronijken spreke ik straks nader: maar het is niet genoeg, waarheden als praemissen te hebben; men moet er ook de conclusiën uit durven afleiden.
(f)Constateren is een dubbelzinnig woord: doch, trouwens, ook ons woord bevestigen, kan beteekenen: uitmaken, bewijzen; of ook: bestendigen, bekrachtigen: - doch hoe het zij, die Brief behelst geen woord van eenig erfleen: wel van erfelijke bezittingen, goederen van den nu op nieuw, niet met leen, begiftigden persoon.
(g)l. ‘wordt de erfvoogdij der Kerk van Egmond gegeven’ enz.
(h)‘genoemd werd,’ ja, maar te onrecht; namelijk toen men hem stelde in 863: maar die nu blijkt dezelfde te zijn met hem, die in de rij der Graven Dirk II heet.
(i)Dynastie is het eigenlijke woord niet voor een Huis van leenroerige Graven; doch dit in het voorbijgaan. Maar, ofschoon - wat de Heer alb. th. niet opgemerkt heeft - de gift van 868 van het foreest Wasda ook, en daarmede de andere zelfs van dien Dirk van 863, uit onze geschiedenis der negende eeuw vervalt, en tot 969 gebracht wordt; - blijft, bongré malgré lui, de eerste bewijsbare begiftigde persoon, (wanneer men dien Westergoschen Gerolf van 839 niet mêe wil tellen) de Graaf gerolf van 889; en wat men disputere over de juiste ligging van de dáár opgenoemde plaatsen (z. bij arend, IIe D. bl. 19), zoo wijst toch dat Charter de grenzen van Gerolfs Graafschap (‘tusschen den Rhijn en Suithardeshage’) duidelijk aan. Ja de vermelding van Zuidhardeshage in beide de Charters schijnt aan te wijzen, dat de latere gift van de Erfvoogdij dier kerk aan eenen Graaf Dirk, opvolger - en waarom niet zoon? - van dien Graaf Gerolf, hierdoor gemotiveerd geweest zij.
(k)‘dynastie’ z. zoo even (i) - maar ‘de Eerste dier Vorsten,’ wel te verstaan, is Dirk II.
(1)‘al was er waarschijnlijk nog geen andere lands-naam voor dirks leen- en eigengoed in zwang, noch ook gevolglijk voor zijne onderzaten, dan van “Vrieslant” en Friezen (m. stoke)’ - zegt de Heer A.T. zelf, (bl. 593).
(m)De traditie mag sagen scheppen, de historische kritiek kent geene geliefkoosde begrippen: liefkoozen maakt ligt partijdig. Maar de naam van tooverteeken past wel bij den Elfen-koning, Dirk I.
(n)Voorzeker; de eerste is de eerste: maar hoe kan men willen blijven spelen met Dirk de Eerste, wanneer men erkennen moet dat de Dirk (I) in het Charter van 863, d.i. 922 geen ander is, dan die in onze Gravenrij Dirk II genoemd wordt.
(o)Wat dit ‘buiten het bezit om’ beteekent, weet ik niet. De brief is de enkele gift van het foreest Wasda en is niet van 868, gelijk de Heer A.T. toont wel te weten, maar van 969 en behoort niet tot (het later) Holland. z. bov. bl. 129-133; maar de giftbrief maakt uitdrukkelijk melding van den begiftigde en zijne erfgenamen. kluit, Cod. Dipl. p. 32. - Dat in den giftbrief aan Graaf Gerolf van 889, van geene erfgenamen gerept wordt, is eene ijdele chicane, en beneemt niets aan het effect en de kracht, ook tot erfrecht, der gifte. Men oordeele; er staat (kluit p. 7): ‘ut ei res quasdam juris nostri in proprium concederemus’ - de Koning Arnulf gaf eenige van zijne goederen aan Graaf, Gerolf ten eigendom. Alwaar rechtens erfrecht bestaat, sluit eigendom van zelf erfrecht in zich. Verder p. 12: ‘ut fidelis noster (G.) de his omnibus (de boven opgetelde goederen) liberam securamque habeat potestatem tenendi, vendendi, commutandi, vel quidquid exinde voluerit faciendi absque illius impedimento;’ is dit eene gifte in personeel vruchtgebruik, of van den eigendom-zelf der goederen? Te recht heeft dan ook kluit het opschrift boven dezen brief aldus gesteld (p. 6): ‘Rex Arnulfus comiti Gerulfo - multa concedit alodia in ipsius comitatu:’ maar alodium is vrij eigen goed, uit den aard vatbaar voor erfrecht.
(p)Van Leen of erflijkheid daar van komt in den brief geen woord voor, maar er wordt gesproken van ‘aangeërfde bezittingen.’ Onder den algemeenen naam van ‘bezittingen,’ kunnen voorzeker ook erflijke leengoederen begrepen worden, alwaar dezulke bewijsbaar tot iemands patrimonium behooren; in zijnen boedel voorhanden zijn. - Maar om nu a contrario te argumenteren: er wordt gesproken van erflijke bezittingen, derhalve is ‘hieronder zeer vermoedelijk het erflijk leenmanschap als hoofdzaak(!) begrepen’ - dit gaat volstrekt niet op, en is geheel illogisch. En wat er bijgevoegd wordt tot adstructie: ‘daar - wordt verzekerd,’ doet niets ter zake: want indien van de ‘overige erfbezittingen’ die de nu begiftigde reeds had, een erflijk leenmanschap de hoofdzaak was, dan is er immers volstrekt geene tegenstelling daarvan, met den thans gegevenen vrijen en onvervreemdbaren eigendom (eigenlijk slechts, vrije dispositie over de kerkgoederen, doch in het belang van de Kerk); het een was dan immers even zoo wel erflijk en versterflijk, als het andere. Ja dit blijkt uit den brief zelf bij kluit, Cod. Dipl. p. 15, 16: in dezen toch is tusschen de gift en het vroeger reeds bezetene geene tegenstelling maar een uitdrukkelijke gelijkstelling: ‘ut cum reliquis possessionibus, quibus jure hereditario videtur uti, ita et his rebus nostri muneris largitate rebus impensis valent secure omni tempore vitae suac frui: ‘Levenslange possessie’ zegt de Heer alb. th. - Ja maar, er volgt: ipse et omnis ejus posteritas, ‘sicut’ - ‘ita et,’ waar is hier de tegenstelling tusschen het vroeger bezetene en het nu geschonkene? Eigenlijk verdient de phrase ‘sicut - videtur uti’ geen bijzondere opmerking; 't is eene phrase in 't voorbijgaan gebezigd, en die, zoo ze iets beteekenen zal, eenig motief aanwijst der nieuwe gifte, in de goederen, die Dirks voorzaat Gerolf in 889 van Koning Arnulf verkregen had, in wiens Graafschap hij ook waarschijnlijk wel opgevolgd was, en 't welk, gelijk wij zagen, paalde aan de streken van Egmond, z. bov. 149, en vooral kluit, Cod. Dipl. p. 15. adnot. die ald. p. 16 uit de vermelding van ‘de andere naar erfrecht bezeten goederen’ juist het tegendeel afleidt van hetgeen den Heer A.T. zoo ‘zeer vermoedelijk’ voorkomt (z. hier bl. 151): ‘Recte in marg. Ms. Meerm. ad hereditarii juris voces douza observat, haec referri oportere ad bona sive possessiones, quae ex paternarum opum successione Gerolfi Comitis ei obtingebant. Diserte enim Charta, data, dicit, ut ipse et omnis ejus posteritas iis jure hereditario secure fruatur - teneatque ea libere atque possideat, sicut reliquas possessiones. Quae voces liberi sunt dominii, non Feudi. His enim temporibus cum perpetualitas, tum alienabilitas (sit venia vocibus) in feuda non quadrabant.’
(q)O on-Jurist, die speelt met woorden die gij niet verstaat, en dus zelf niet weet wat gij schrijft! Het Proteus-woord possessio, kan, onder andere, beteekenen bezitting (iets dat bezeten wordt; roerend of onroerend of eenig recht) of ook bezit (het feit van bezitten): Alzoo kan voorzeker ook erfleengoed, alwaar dat is, (‘ayez un lièvre’ -) eene bezitting genoemd worden, (z. aant. p). Maar op die plaats van het Beau traicté etc. beteekent possession het feitelijk bezit; en die plaats drukt slechts uit, de algemeen bekende rechtswaarheid, dat wie verkoopt, verhuurt, schenkt enz. verplicht is de zaak te leveren, d.i. den ander' in het bezit der zaak te stellen.
(1)Bondam,’ z. vermeulen, t.a. pl.
(1)Kluit zegt het duidelijk ten aanzien van den pretensen brief van 868, en het geldt evenzeer ten aanzien van dien van 863: ‘ut quicquid de hoc Ludovico [nec minns de Carolo Calvo] ubique apud Nostratos, puta m. stoke, jo. a leid., dekam, hedam, et etiam apud Nostrum, occurrit, praeter rhombum sit ac veritati repugnet, (ad Chron. Egm. p. 16). Men voege bij dezen, den alleroudsten j.v. maerlant, z. bilderd. I. bl. 168, 169.
(1)Verhandeling over den aard van het loon van het Graafschap Holland, in het Eerste Deel der Nieuwe reeks van Verhandelingen der Tweede Klasse van het Kon. Ned. Instituut. Amst. 1850, in gr. 8o. - zie ald. bl. 29.
(2)Z. bild. 1e D. bl. 207; IIe D. bl. 9-11. Kluit, Excurs. III. ad Chron. Egm. (Hist. Crit.) T. I. § 2. p. 33-53. Bolhuis, Noormannen, bl. 240-244, en anderen.
(1)Pistor. Scriptt. Rer. German. T. III; en meiroom, Scriptt. R.G. T. I.
(2)Noormannen, bl. 245; ook arend, IIe D. bl. 17 (z. straks, bl. 160).
(1)Mansus; eene hoeve: doch men zie kluit, ad Chron. Egm. p. 21. adn. 4. die de zaak uitpluist.
(1)Met weglaten van het niet te dezer zake dienende en van de Aanteekeningen op eene enkele na.
(1)Verk. Geschied. d. Nederl. Ie D. bl. 54.
prepostterug  begin  verder