terug  begin  prepost

[vervolg Nalezing]

Thans ga ik, ingevolge mijn gezegde bov. bl. 96, 97, over om, zoo veel noodig - en voor zoo veel ik vermoge - toe te lichten en aan te vullen, hetgene bilderdijk op bladz. 235-288 van dit Eerste Deel, tot inleiding en overgang zijner beschouwing en behandeling van de geschiedenis des Vaderlands in het algemeen, gezegd heeft over de politische geschiedenis van de bijzondere Gewesten onder de Grafelijke regeering. Doch ik moet erkennen, dat het door B. kortelijk en zoo veel hij voor zijn bepaald doel noodig achtte (z. bov. bl. 84, 89, 93) over de meeste der Provinciën gezegde, veelal oppervlakkig en onvolledig is en terechtwijzing vereischt. Als enkel uitgever van B's arbeid heb ik mij noch verplicht, noch ook aangematigd, al zijn geschrevene, hier of elders in dit werk, critisch na te gaan: - evenwel heb ik, om de beoefenaars der geschiedenis te gemoet te komen, mijne aandacht nader en bepaaldelijk op dit gedeelte gevestigd, en zoo veel ik in de gelegenheid was over elk Gewest de voorlichting ingeroepen van eenig kundig Vriend in dat gewest.

[p. 173]

Alzoo, wat betreft

Gelderland. (Bladz. 237-243).

van den Heer Archivarius i.a. nijhoff.

Dezen raadpleegde ik reeds in het jaar 1833; en volgens zijne vergunning van 1849, geef ik hier 1) wat hij mij toen antwoordde (voor zoo ver het niet later door hem, in het straks volgend No. 2, breeder uitgewerkt is). Hij schreef mij d. 25 Mei 1833:

‘Met de toezending van het Tweede Deel van bilderdijk. doet Gij mij de eer, eene opgave te vragen van datgene, waarin die Schrijver, in 't eerste deel ten opzigte der Geldersche historie, successie enz. faalt. Wacht dit echter niet van mij. Gaarne zal ik U, naar mijn vermogen, trachten op te geven, waarin hij van den alles navorschenden van spaen verschilt. Het blijve dan aan Uw oordeel overgelaten, te beslissen, aan wiens zijde de feilen zijn. Trouwens, wanneer ik, in de school van v. spaen anders geleerd hebbende, met de pen in de hand wilde corrigeren en zeggen: “Neen bilderdijk! dat is fout, glad fout!” - dan zou ik doen als een Schoolmeester, die, nooit anders dan van de Siegenbeeksche spelling gehoord hebbende, die van B. wilde berispen, niet bedenkende, dat deze voor zijne afwijkingen de in diepste geleerdheid gegronde redenen had. - Maar, ter zake.’

[Het toen volgende heeft de Heer N. de goedheid gehad nog nader uit een te zetten].

2)Kort overzigt der stellingen van den Heer w.a. van spaen in zijne Oordeelkundige Inleiding tot de Geschiedenis van Gelderland, ten aanzien van den oorsprong der Geldersche Graven en derzelver opvolging.

‘Men stelt gemeenlijk, dat zeven erfelijke voogden of praefecti, achtereenvolgelijk van het jaar 879 tot 1061 in

[p. 174]

Gelderland geregeerd hebben. De bewijzen hiervoor ontbreken ten eenemale en het strijdt bovendien tegen het toenmalig staatsgestel. Zeker zijn ook in deze streken door de Keizers praefecti aangesteld; maar zij waren krijgsbevelhebbers en alles behalve erfelijk. Er kunnen bestaan hebben kerkvoogden, advocati ecclesiae Gelre; Heeren van Pont kunnen die advocatie bezeten hebben; omstreeks 1079, in welk jaar men de oprigting van het graafschap plagt te stellen, kunnen zij den eigendom of het beneficium van de curtis Gelre verkregen en zich sedert nobilis of comes de Gelre genoemd hebben. Dit alles is overeenkomstig het toenmalig staatsgestel; maar geene zekere bescheiden zijn er van voorhanden.

Volgens het oude gevoelen zou Mengo of Megengoos de vijfde der voogden geweest zijn. Deze is de eerste, van wien iets met zekerheid bekend is. Hij komt voor als nobilis vir en als comes, stichtte het klooster Villich vóór 983 en liet alleen dochters na. Dus zou (volgens het gemeen gevoelen) de voogdy nog wel erfelijk zijn geweest in de vrouwelijke linie; hetgeen ten eenemale ongerijmd is. Misschien was hij voor de kerk van Keulen advocatus te Gelre. Zijn dood wordt gesteld op 1001 of 1004.

Van Wiking of Widichen, die de zesde voogd zou geweest zijn, wordt nergens eenige melding gemaakt.

Wichard, wien men den zevenden voogd stelt, was mogelijk Graaf van Gelre; maar zijn bestaan berust louter op onzekere overleveringen en kronijken.

Men stelt wijders, dat Otto van Nassau met Wichards erfdochter Adelheid trouwde; dat deze hem de voogdy Gelre ten huwelijk bragt, en dat hij bij haar eenen zoon verwekte, Gerhard genoemd, die hem opvolgde. Voorts, dat hij naderhand trouwde met Sophia erfdochter van Wichman Graaf van Zutphen; dat Gerlach, de zoon uit dezen echt, in het graafschap Zutphen opvolgde, maar, kinderloos overleden zijnde, hetzelve aan zijn' halven broeder Gerhard naliet; eindelijk, dat Otto door den Keizer in 1079 tot Graaf aangesteld is.

[p. 175]

Het bestaan van Otto van Nassau als Graaf van Gelre is een hersenschim. Men heeft hem verward met Otto van Zutphen. Wat men van den Zutphenschen weet, is op den Gelderschen toegepast, en van dezen is buiten dat hoegenaamd niets te vinden. Stelt men ook, dat Otto van Gelre en Otto van Zutphen één persoon geweest zij, dan zou Gerhard, die stellig in en na 1094 als Graaf voorkomt, zijn zoon geweest zijn, of niet - en in beide gevallen stuit men op onoverkomelijke zwarigheden. Zeker is Otto niet uit het huis van Nassau gesproten. Dit huis was nog niet aanwezig en in het jaar 1159 komen de Graven van Nassau het eerst onder dien naam voor. In de archieven van Dillenburg en van Weilburg wordt niets gevonden, wat op de afstamming der Geldersche Graven uit dit huis betrekking heeft, en de oudste Schrijvers zwijgen er geheel van, ook zelfs van berchem, wiens gezag wel eens tot staving der Nassausche afstamming aangehaald is. - Volgens Pontanus hadden de oude voogden van Gelre of Heeren van Pont drie mispelbloemen in hun wapen, en nam Otto, in plaats daarvan, den Nassauschen leeuw aan. Van berchem stelt, dat het Otto III was, die zulks deed. Maar ziet: vóór het einde der twaalfde eeuw vindt men geene bepaalde teekens op de schilden der Vorsten, Graven en Heeren; veel min erfelijke wapens bij hunne ministeriales; in de twaalfde eeuw was dit gebruik nog persoonlijk en eerst in de dertiende eeuw werden de wapens erfelijk. Maar daarenboven is van Graaf Otto (volgens van spaen Otto I.), van dien Graaf Otto, welke van 1182 tot 1207 regeerde, een zegel voorhanden van 1203 (afgebeeld bij bondam bl. 285. tab. I. No. 1 en 2), waarop men duidelijk nog de mispelbloemen ziet; zoo ook van Graaf Gerard, zoon en opvolger van Otto, van het jaar 1224 (ald. tab. II. No. 1). De zoon van dezen, ook Otto genoemd [volgens van spaen Otto II.], die van 1229 tot 1271 regeerde, nam eene leeuw in zijn wapen. Maar dit bewijst geen stamgenootschap met de Graven van Nassau, want a) de gemeenschappelijke geslacht-

[p. 176]

wapens werden uitgevonden lang nadat de scheiding der beide takken zou plaats gehad hebben; b) zoo als Otto II. dien voerde, was het niet de Nassausche leeuw, want daaraan ontbraken de klossen of blokken, die dezen kenmerken. - Van waar dan die leeuw? Van het algemeen gebruik in dien tijd, en misschien behoorde Otto tot het Leeuwenverbond, toen aan den Rijn zeer magtig. - Eerst Reinald I vermeerderde het wapen met de klossen of blokken, en Reinald II behield die, tot dat hij, Hertog geworden, dezelve verwierp en eenen leeuw aannam met een kroon en dubbele staart. (Zie de afbeeld. in bondam en in nijhoff, Gedenkwaardigh. Deel I).

Niets bewijst alzoo deze geschiedenis der wapens voor de afstamming uit het huis van Nassau, en het laat zich denken, dat dit sprookje uitgevonden is, eene eeuw na het uitsterven van het eerste huis van Gelre, toen dit gewest in handen van de Bourgondische Vorsten geraakt was en toen deze Adolf Graaf van Nassau tot hunnen algemeenen Stedehouder aldaar aangesteld hadden. Misschien geschiedde het om dezen te vleijen, en hij zelf kan geheime drijfveren gehad hebben, om het niet ongaarne te zien. De blokken, door Reinald I bij het wapen gevoegd, schoon daarna weêr achterwege gelaten, kwamen hierbij regt te stade.

Dit tot weêrlegging van het oude gevoelen aangaande het bestaan van de zeven erfelijke voogden en van Otto van Nassau, als eersten Graaf van Gelre. Een oorspronkelijk handschrift uit het midden der twaalfde eeuw, afkomstig uit de abdy van Kloosterrade, welks stichter stamgenoot was der Geldersche Graven, geeft aanleiding om in plaats daarvan te stellen, dat een Graaf Gerard, in Vlaanderen, door overmagt aangevallen, zich genoodzaakt zag te wijken, zich onder de gehoorzaamheid des Keizers begaf, en door dezen met de opengevallen leenen van den in 1001 of 1004 overleden praefectus Mengo of Megengoos, daaronder ook met Wassenberg, beleend werd. Zeker is het, dat de nakomelingen van dien Vlaamschen Graaf Gerhard Graven van

[p. 177]

Gelre waren en soms den naam van Graven van Gelre gevoerd hebben; zeker is het ook, dat zij, schoon een deel van Mengo's goederen verkregen hebbende, niet van hem afstamden. Verbeurd verklaarde eigengoederen, opengevallen leenen (bij voorb. van den beruchten Balderik in de Betuwe en in Teisterbant), ook graaflijk bewind door opdragt van den Keizer, waarvan de sporen niet onduidelijk zijn, zullen de eerste oorsprong zijn geweest der bezittingen van het Geldersche huis in de Nederkwartieren. Deze Gerhard nu komt tusschen 1094 en 1117, in verscheiden brieven, nu als Graaf van Gelre, dan als Graaf van Wassenberg, voor. In een' derzelve staat Henrik Graaf van Zutphen als zijn getuige: dus waren toen die beide graafschappen nog niet gescheiden, en reeds hiermede vervalt alles wat men aangaande Otto van Nassau en zijne twee vrouwen verhaald heeft.

Hij werd opgevolgd door zijnen zoon Gerhard II, die voorkomt van 1118 tot 1131. Deze huwde met Ermgard erfvrouw van Zutphen (niet met eene dochter van Graaf Floris II van Holland), dochter van een' Graaf Otto. - Hun zoon Henrik erfde Gelre van zijnen vader, de heerschap Zutphen van zijne moeder. De vrouw van dezen heette Agnes. Uit welk huis zij gesproten zij, weet men niet; maar men mag veronderstellen, dat zij de Veluwe ten huwelijk bekwam als leen van Braband. Henrik wordt het laatst genoemd in 1182. Zijn oudste zoon Gerhard, schoon vóór den vader gestorven, komt echter voor als Graaf; dus niet van Gelre, maar van de Veluwe, die hij van zijne moeder zal geërfd hebben, en waarover hij ook, in 1178 of 1189, met den Bisschop van Utrecht verschil had. (Verg. bild. II. bl. 62, 63.)

Otto I volgde onmiddellijk op zijnen vader Henrik in 1182. De oorlog met den Bisschop, ter zake van de Veluwe, duurde nog voort, en hij zelf had zich, als erfgenaam van zijnen broeder, in het bezit van dat landschap gesteld, waarin hij door de uitspraak des Keizers Ao. 1196 (niet 1191)

[p. 178]

bevestigd werd, behoudens de leenpligt aan Braband en achterleenmanschap aan Utrecht. Deze Otto huwde met Richardis, waarschijnlijk dochter van Robert Graaf van Nassau. Hij stierf in 1206 of 1207. (Hij wordt ten onregte, door bild. Deel II. bl. 69, Hertog genoemd.)

Zijn zoon en opvolger Gerhard III overleed in 1229. De vrouw van dezen was Margaretha, dochter van Henrik Hertog van Braband.

Zijn zoon Otto II volgde hem op. Deze was het, die eenigen tijd de voogdij bekleedde over Floris V Graaf van Holland. Hij vergrootte zijn gebied aanmerkelijk, onder anderen door den burg van Nijmegen met deszelfs aanhoorigheden van het Rijk in pand te nemen. Hij gaf in Gelderland de eerste stedelijke regten. Hij was het, die het eerst, in plaats van de mispelbloemen, den leeuw (ongekroond en zonder blokjes) in zijn wapen voerde. Hij overleed in 1271, opgevolgd door den eenigen zoon uit zijn tweede huwelijk,

Reinald I, na wiens tijd de opvolging genoeg bekend en aan geen twijfelingen onderhevig is.

 

3) Vervolg van den brief van den Heer i.a.n. 25 Mei 1833. (z. bl. 173).

‘De veelomvattendheid der wetenschap van B. in aanmerking genomen, durf ik haast niet vooronderstellen, dat hij het werk van v. spaen niet gekend heeft. Ik zou het anders daaruit vermoeden, dat hij blootelijk den ouden dreun van pontanus opgeeft, zonder zelfs v. sp. te noemen of tegen te spreken. Nog een ander punt is er, dat mij ligtelijk in dit vermoeden zou bevestigen. B. zegt namelijk, dat Drusus een dijk legde langs den Rijn (bl. 29). Van spaen legt dit (Inl. III. bl. 24 sqq.) geheel anders - mag ik zeggen: beter? - uit. Drusus had het bekende kanaal gegraven. Maar nu moest hij de rivier dwingen, om minder water door de Waal af te voeren en meer water op den Beneden Rijn en dat kanaal te brengen. Hij leide daartoe

[p. 179]

een dam of kribwerk in de Waal, bij de scheiding der riviertakken, even zoo als men in de voorgaande eeuw in den mond van het Pannerdsche kanaal gedaan heeft. Civilis wierp naderhand dien moles omver. Zeer natuurlijk. Te Zantes geslagen nam hij eerst naar Opp. Bat. (Nijmegen) de vlugt; maar door Cerialis op de hielen gevolgd, stak hij die plaats in brand en vlugtte op het eiland. Toen vernielde hij dat werk van Drusus en bewerkte daardoor dat de rivier naar de Gallische zijde meer water trok, en dat Cerialis den overtogt moest opgeven: in Rijn en IJssel verminderde het water en daar het midden in den zomer was, kreeg de stroom dáár de gedaante van vast land. Alles letterlijk volgens tacitus. Neemt men het oude gevoelen, van een dijk, dan is alles onverstaanbaar(1).’

‘Veel heb ik uit dat eerste Deel geleerd; en niet minder genoegen deed liet mij, op meer dan eene plaats te bemerken, dat B. dezelfde resultaten had bekomen, b.v. ten aanzien van de leenen, de eigenhoorigheden en diergelijken, waartoe ik zelf door de Charters, die onder mijn bereik zijn, gebragt was, of die mij ten minste daaruit donker voor den geest zweefden.’

 

[Op latere en definitive aanvrage en aanzoek van mij, schreef de Heer N.d. 6 November 1849, mij nog het volgende:]

‘Zoo als ik in Mei 1833 geschreven heb, zou ik het nòg doen; en zoo gij begrijpt dat het zijn nut kan hebben, dan

[p. 180]

mag ik lijden, dat van bijgaanden brief gebruikt gemaakt wordt. Alleen verzoek ik, dat daarbij de inleiding of aanhef niet over het hoofd gezien worde, waaruit blijkt, dat ik niet als bediller of teregtwijzer van B. wilde optreden, maar mij alleen tot referent stelde der woorden van van spaen.

‘Maar om de zaak nu niet ten halve afgedaan te laten, meen ik u ook te moeten aanwijzen, waar ik in de beschouwing der latere geschiedenis van Gelderland, op grond van oorspronkelijke bescheiden en onwraakbare getuigen, van B. moet verschillen. Ook hierbij intusschen protesteer ik vooraf tegen de beschuldiging van bedilzucht of pedanterie, want het is mij te wèl bekend, 1) dat B. bepaaldelijk de geschiedenis van Holland op het oog had en zich aan die van Gelderland alleen even als ter loops liet gelegen zijn, en 2) dat pontanus en slichtenhorst zijn gidsen waren en hij blindelings volgen moest, waar die hem verkozen te leiden.

‘Ter zake. - Volgens deel IV. bl. 203(1), kocht Karel van Bourgondië het Hertogdom Gelre en Graafschap Zutphen van Hertog Arnold; deel V. bl. 192 wordt nogmaals van dien koop gesproken en wel consentiente Imperatore cum agnatis: het was echter een pand-overschrijving, maar waarvan ik meen in mijn Gedenkw. deel IV. bl. cxxiii, het onbillijke, onregtvaardige en krachtelooze aangetoond te hebben, - De aanleiding tot dat geval schijnt B. eindelijk te vinden in het ongeduld van Adolf om zelf aan de regering te komen en in de boosheid van zijne moeder: waarlijk het lag veel dieper, in de zwakheid namelijk van Arnoud en in het verlangen der landzaten (edelen en vooral steden) om

[p. 181]

deel aan de regering te hebben. Van daar onophoudelijke worsteling van twee partijen (liberalen en conservativen), eerst met mond en pen, daarna met de wapenen; eerst onder zich alleen, daarna met inroeping van Bourgondië; tot dat de eersten, door den op Gelderland loerenden Filips gesterkt, den vurigen zoon van den flaauwen Vorst aan hun hoofd stellen en dien aanzetten en helpen om den vader gevangen te nemen. Maar Karel volgde eene andere staatkunde: hij omhelsde (zeker met gehuichelde vriendschap) de partij van den gevangen, ellendigen Arnold, ontbood dezen en zijn zoon vóór zich en deed, zoo als bijna vierdehalve eeuw later Napoleon met den Koning en den Prins van Spanje. Gij ziet, de zaak krijgt op deze wijs een geheel ander aanzien. De gronden voor deze beschouwing zijn uitvoerig ontwikkeld en gestaafd in deel IV van mijn Gedenkw. en daarom meen ik mij van de aanwijzing te mogen onthouden van de vele bijzonderheden, waarin ik van het gestelde bij B. deel I. bl. 240, 241; deel IV. bl. 203-206; deel V. bl. 192, 193 moet verschillen.

‘Maar enkele punten moet ik toch afzonderlijk aanroeren. 1) B. noemt, deel I. bl. 240, Adolf van Bergen en Gulik, moet zijn: Adolf Hertog van den Berg; 2) “Keizer Sigismund begunstigde zijn (namelijk Adolfs) mededinger.” - Neen, de Keizer beleende Adolf den 24 Mei 1425. - 3) “Arnoud werd in 1433 in den rijksban gedaan” - neen, dit had plaats den 17 Julij 1481. - 4) “Frederic geeft in 1458 het verlei aan Gebhard den neef van Adolf” - neen, Sigismund had Gerhard (niet Gebhard) Hertog van Gulik, broederszoon van Adolf, den 13 September 1437 met het Hertogdom Gelre en Graafschap Zutphen beleend; dit deed ook Keizer Frederik in Julij 1442 en kort daarop zond Arnoud zijne gemagtigden op den rijksdag te Frankfort. - Deel IV. bl. 205. Arnoud verkoopt - neen verpandt - “ten overstaan van verscheiden Vorsten die den koop vrijwaren” - hiervan blijkt niets - “voor 92,000 gouden florijns” - neen voor 800,000 gouden Rijnsche guldens. -

[p. 182]

Dat Adolf op het kapittel der Orde van het Guldenvlies tot eeuwige gevangenis veroordeeld en de handeling van zijn vader met Hertog Karel gewettigd werd,’ zegt B. (verv. bl. 362); maar uit de procesverbalen van de vergaderingen der Orde door reiffenberg uitgegeven, blijkt alleen, dat Adolf, schoon gevangen, opgeroepen werd om het kapittel in Mei 1473 bij te wonen of zich daar te doen vertegenwoordigen; dat hij (natuurlijk) in gebreke bleef hieraan te voldoen, en dat dit bij besluit van het kapittel geconstateerd werd. Hij bleef Karels gevangene, maar niet volgens een vonnis van het kapittel, hetgeen ook niet behoefde; en behield zijn plaats en rang in de Orde tot aan zijnen dood. - Deze laatste aanmerking betreft ook deel IV. bl. 362, waar reg. 13 Adolf wel een drukfout zal zijn voor Arnold; - ald. bl. 229. ‘Weldra werd Graaf Frederik in Meurs’ enz. neen, dit had veel vroeger plaats, namelijk in 1472.

‘Eindelijk moet ik u nog doen opmerken, dat de geslachtlijst door B. Deel V. bl. 192 medegedeeld, geheel foutief is. - De zaak was aldus:



illustratie

‘Het onderscheid is groot, en de redenering door B. op zijne genealogiën gebouwd, verliest dus haren grondslag: zoo ook op bl. 106.’ - Dus verre de Heer i.a.n.

 

Wat er verder in de latere jaren geschreven is over de vroegere en latere Geschiedenis en regeering van Gelderland, is te vinden of vermeld in de Bydragen van den Heer nijhoff. Doch in het bijzonder moet ik, met ge-

[p. 183]

noegen en dank, opmerkzaam maken op den vlijtigen en verdienstelijken arbeid van Mr. g.a. de meester te Harderwijk: De Staten van Gelderland, onder het licht der Geschiedenis: ‘waarover eene verhandeling in zeven afdeelingen, die achtereenvolgelijk in de Nederl. Jaarboeken voor Regtsgeleerdheid en Wetgeving, Deel VIII tot XII (1845-1849) opgenomen zijn.’ z. nijhoff's Bijdragen VII D. (3 st.) Aankond. bl. 117. - Jammer evenwel, dat dit doorwrocht en nuttig werk verspreid ligt in zeven stukken van vijf jaren van een kostbaar Tijdschrift - en dat althans dat Tijdschrift niet is dat van den Heer N., bepaaldelijk aan de Nederlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde gewijd.

Een schat van zaken tot de Geschiedenis van Oudheden van Gelderland (doch ook van zulke die tot de Palts betrekking hebben) is opgeteekend in ‘roberti keuchenii, Scriptoris Arnhemiensis, Gelria illustrata, sive rerum in Gelria memorabilium, ut et civitatum, arcium, dominiorum, monumentorum, coenobiorum, pagorumque nobilium descriptio poëtico-historica (etc.)’ twee deelen of portefeuilles in folio-formaat, waarvan aan mij, in het j. 1825, de inzage beleefdelijk is vergund geweest door den toenmaligen Agent van Kerkelijke zaken, keuchenius in 's Gravenhage. - Over robertus keuchenius, den poëtico-historicus, in zijnen tijd een geacht Geleerde doch jong gestorven; kan men zien saxe, Onom. P. V. p. 89, 90; hoeufft, Parn. poët. p. 188; en d.j. van lennep, Ill. Athen. Amstel. memorab. p. 155-157 en de Schrijvers bij hen aang. Z. ook bouman, Gesch. der Geldersche Hoogeschool, IIe D. bl. 22. - De Gelria illustrata MS. is ook gezien door Prof. d.j. van lennep, die zegt p. 156: ‘in quo opere historica equidem praeferenda censcam poëticis.’ - Onze Bibliotheek der Maatschappij van Nederl. Letterk. bezit er ook een afschrift van. Z. Catal. Ie D. bl. 74.

[p. 184]

Gelijk voor de Vereenigde Nederlanden in het algemeen, zoo mede in het bijzonder voor die van Gelderland, heeft de Bibliotheek der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde, te Leiden, een niet onaanzienlijken voorraad van bouwstoffen; bruikbaarder dan die van andere welligt rijker verzamelingen, om dat van deze boekerij een zeer naauwkeurige systematische Catalogus voorhanden is, en de boeken zelve in het locaal in die orde gerangschikt zijn. Zoo zie men in dien Catalogus (Leiden, bij Luchtmans, 1847) over de Geschiedenis en Oudheden, het Staatsrecht en Staatsbestuur enz. der Vereenigde Nederlanden in het algemeen, IIe D. bl. 25-105 en bl. 569-587: en over Gelderland in het bijzonder, ald. bl. 109-117 en bl. 287 en v.

Utrecht. (Bladz. 244-248).

Over dit gewest heb ik tot aanvulling voornamelijk slechts te verwijzen naar de zorgvuldig bewerkte Geschiedkundige beschouwing van het oude Handelsverkeer der stad Utrecht, van de vroegste tijden af tot aan de XIVde Eeuw, door Jr. Mr. h.m.a.j. van asch van wyck, Utr. 1838-1842, drie stukken; en tot de rijke verzamelingen van bouwstoffen voor het oudere, in het Archief voor Kerkelijke en Wereldsche Geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, uitgeg. door j.j. dodt van Flensburg, te Utr. 1838 en vervolgens, 10 Deelen in quarto; en voor het vroegere en latere beide, tot het Tijdschrift voor Geschiedenis, Oudheden en Statistiek van Utrecht, door en bij n. van der monde, Utr. 1835-1843, jaarlijks één Deel; daarna, onder eenigzins weidscher titel, voortgezet door Dr. p.j. vermeulen, Archivarius der Provincie. Ik mag er bijvoegen den Utrechtschen Volksalmanak onder de kundige redactie van den Uitgever-zelf, l.e. bosch. - Veel meerdere vindt men genoemd in den Catalogus der Maatsch. v. Nederl. Letterk.

[p. 185]

IIe D. bl. 144-150, en bl. 594. - Er ontbroekt nog, de verdienstelijke Academische Verhandeling de Potestatis Civilis Episcoporum praecipue Trajectinorum in regno Francorum initiis atque incrementis, van m. de kock, Traj. ad Rh. 1838, pagg. 197, 8o. - Het merkwaardig Verslag aangaande de Archieven der Provincie en der voormalige Vijf Kapittelen te Utrecht, gedaan aan de HH. Gedeputeerde Staten van dit Gewest, door den Archivarius, Dr. p.j. vermeulen, Utr. 1850, 77 bl. gr. 8o. kon nog niet vermeld worden. aant.

Overijssel. (Bladz. 248, 249.)

Ook hierover handelt, wat aangaat het geographische, de doorwrochte Academische Prijsverhandeling - waarvan men ook moet zeggen: coup d'essai, coup de maître - van den Heer j. van doorninck (thans Archivarius der Provincie), de antiquis Frisiae terminis; van welke de Heer i.a.n. een goed verslag heeft gegeven in het Eerste Deel zijner Bijdragen, in de Aankondigingen enz. bl. 57-78. Ook onderscheidene verhandelingen in den Overijsselschen Almanak voor Oudheid en Letteren, 1826 en vervolgens; en wat er verder vermeld is in den aangeh. Catal. der Maatsch. v. Nederl. Letterk. IIe D. bl. 157-160 en 595. Ook nog de Diss. inaug. de regimine Provinciae Transisalaniae, L.B. 1817, van l. Grave van rechteren en Limpurg, (in den Index van dodt's Repertorium verkeerdelijk geplaatst op de L.)

Drenthe. (Bladz. 249.)

Hieromtrent heeft zich in de laatste jaren vooral verdienstelijk gemaakt de Archivarius der Provincie, j.s. magnin, door zijn Geschiedkundig Overzigt van de Besturen die, vóór de herstelling van Nederland in 1814, elkander in Drenthe zijn opgevolgd; - de voormalige Kloosters in Drenthe, geschiedkundig beschouwd; enz. Ook zijn er Oud-

[p. 186]

heid- en Geschiedkundige bijdragen in den Drentschen Volks-Almanak. Z. verder Catal. Maatsch. v. Letterk. IIe D. bl. 168, 169 en 596. - en nu zeg ik met bilderdijk: ‘Zie voorts Groningen.’

Groningen. (Bladz. 250, v.)

Monumenta Groningana veteris acvi inedita, of Verzameling van onuitgegevene oude Charters en Stukken betreffende de Provincie Groningen (enz.) door Mr. r.k. driessen, te Gron. 1822-1830, vier stukken gr. 8o. - n. westendorp, Jaarboek van en voor de Provincie Groningen, 2 stukken, Gron. 1829, 1832, gr. 8o; tot het j. 1493. - Prof. a. ypey en Mr. h.o. feith, Oudheden van het Goorecht en Groningen, (enz.) Gron. 1836. zie i.a.n. in zijne Bijdragen Ie D. Aankond. bl. 113-127.) - Groninger Volks-Almanak, sedert 1837 - en andere in den Catal. Bibl. Maatsch. v. Letterk. IIe D. bl. 160-167 en bl. 596. - Voorts Dr. r. westerhoff, de Kwelderkwestie nader toegelicht. Gron. 1844 (enz.)

Friesland. (Bladz. 251-256.)

bilderdijk vermeldt in dit werk niets van de oude Friesche verhalen van ocko scarlensis, vlytarpius, en andreas cornelius, aangaande het Heidensche en mythische tijdperk der Friesche Geschiedenis. Intusschen heeft de Heer arend een goed werk gedaan, met ook daarvan een kort overzicht te geven in zijne Alg. Geschiedenis des Vaderlands, Ie D. bl. 309-318. Hij zegt te recht, bladz. 308, ‘dat hij meende aan zulk een overzicht een plaats te moeten inruimen, dewijl velen aan deze verhalen een onbepaald geloof gehecht hebben, en anderen daaraan niet volstrekt alle geschiedkundige waarheid, ofschoon in verdichtselen bedol-

[p. 187]

ven, wilden betwisten(1). Zij verdienen daarenboven, evenzeer opgenomen te worden in de Geschiedenis van Friesland, als de fabel- of heldeneeuwen der Hellenen in die van Griekenland.’

Hierboven bl. 109 had ik gezegd, over den beruchten vrijheidsbrief der Friezen, toegeschreven aan Karel den Groote, en in allen gevalle, 't zij dan gelegitimeerd of geadopteerd door Graaf Willem II als Roomsch Koning (z. bl. 154) nog iets te zullen bijvoegen. Liefst doe ik dit met de woorden van den geleerden Frieschen Geschiedvorscher hettema, (wien ik reeds boven bl. 109 vermeldde) in een schrijven, aan mij van d. 23 November 1849.

‘Omtrent het overzigt van bild. over de Friesche zaken en over den vrijheidsbrief, weet ik niet beter te doen dan UEdnaar mijne Ms. Verh. over den Upstalboom [z. bl. 109] en naar die over de Friesche vrijheid, geplaatst in den Frieschen Volks-Almanak voor 1847, te verwijzen. Ik wil UEd. evenwel gaarne deze mijne algemeene beschouwing mededeelen.

‘De Friezen hebben zich reeds vóór de Saksers aan Karel onderworpen, en het contract door de Saksers met Karel gemaakt (ik meen in 801) is, zoo ik onze oude Friesche wetten inzie, gemodeleerd op het toen reeds bestaande Friesche.

‘De Friezen hebben Karel onder de voorwaarden, in die oude wetten te vinden, als hunnen Heer aangenomen. Hij mogt op zekere tijden zijne Gerentes of Graven daarnaar toe-

[p. 188]

zenden om de Huslocha en de boeten in te nemen en verder de onafgedane verschillen te behandelen, voor zoo verre zij dit niet onderling hadden kunnen doen. Dab tijdstip was, eenmaal, van Paschen tot Pinksteren, de Graaf moest dan van de zuidzijde inkomen O.F.W. II. § 1. Het Charterb. I, 136 heeft ‘door het water Suitvinde genoemd’ (d.i. de Zuidelijke bocht) bij Staveren, doch men lette er op, dat dit het Graafschap Staveren, en niet Oostergo en Westergo betrof: want de reis van daar naar Franeker wordt daar verder opgegeven en gaat zuidwaarts en waarom? in tegenoverstelling van de nordera grimma Lerna, de noordsche macht, de Noordkoning.

‘Deze Graaf mocht niet in Friesland wonen; en de ambtenaren, zoo als de Schout, Azega en Frane, moesten Friezen zijn en hunnen eed voor den Koning, d.i. den Heer, den Keizer, eerst gezworen hebben, nadat zij eerst door het volk gekozen waren. Toen nu de Keizer zijne Graven zond, begonnen deze met ter tijd naar meer aanzien te streven en wilden meer regt, dan hun toekwam, uitoefenen: doch dit werd altijd door de Friezen zoo veel mogelijk te keer gegaan; en hetwelk het Graafschap Oostergo en Westergo - want dit zijn twee goën in één Graafschap - het langst heeft volgehouden; terwijl dat van Staveren, voor zooverre het toen door de Zuiderzee van het tegenwoordige West-Friesland was afgescheiden, doch te zamen het Graafschap Staveren uitmakende, zich vroeger meer genegen toonde en uit nood moest onderwerpen.

Bild. schijnt dit verband niet gekend te hebben; want hij spreekt van Stavorendeel, dat nergens bekend is, of geweest is: het was wel een deel van het Graafschap Stavoren, waarin de stad Stavoren lag, waarnaar het schijnt genoemd te zijn geworden.

Het ontstaan der Zuiderzee schijnt aan dit gedeelte van dat Graafschap aanleiding gegeven te hebben om zich zoo veel mogelijk aan de Graven van Holland te onttrekken en zich nader aan Oostergo en Westergo aan te sluiten; doch

[p. 189]

zij onderwierpen zich telkens wanneer de Graven hun een bezoek brachten(1).

‘Omtrent den Giftbrief zie men de Verh. over de vrijheid der Friezen en vooral wiarda daar aangehaald, die dit alles zeer uitvoerig behandeld heeft. De hulp die de Friezen aan Karel en den zijnen in de oorlogen bewezen hebben, hunne ligging met betrekking tot de invallen der Noormannen in Karels Rijk, hunne vroegste naauwe betrekkingen tot die Noormannen, schijnen veel te hebben bijgedragen om aan hen eene zoo vrije regeeringsvorm toe te staan.’

Doch om nog vollediger te zijn, en tevens blijk te geven van onpartijdigheid, voeg ik hier nog in het volgend opstel uit het Mengelwerk van de Leeuwarder Courant, d. 25 Junij 1833, aldaar geteekend v.H. Ik vond het onder mijnen apparatus; en den Schrijver ligtelijk gissende, vroeg ik Mr. a. van halmael jr., of hij er sedert ook ergens elders gebruik van gemaakt had; en of hij anders er ook tegen had, dat ik het nog in mijne Nalezingen opnam? Hij antwoordde mij (d. 16 October 1849): ‘het bewuste stuk is nergens anders gedrukt, en zeker zou het mij zeer aangenaam zijn, indien gij het in uwe Nalezingen op het werk van B. geliefde op nieuw te doen afdrukken, wanneer gij het daartoe van genoegzaam belang keurt.’ - Inmiddels is de kundige en vlijtige man overleden - en zij deze plaatsing tevens een gering blijk mijner hoogachting voor hem.

Waren ooit de Graven van Holland, rechtens Heeren van Friesland?

't Zal den Lezer bekend zijn, dat wij bereids in twee der Jaarboekjes, uitgegeven door het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, te weten: in die voor

[p. 190]

1831 en 1833, aangevangen hebben een kort Overzicht van de geschiedenis van Friesland te leveren, hetgeen wij hopen allengskens voort te zetten, zoo de Hemel ons tijd en krachten geeft. In § 5 van het tweede tijdvak (Jierb. f. 1833, XV, XVI,) zeiden wij: dat het eene fabel is, dat de Friezen Keizer karel den Grooten Rome hebben helpen innemen; eene fabel, even valsch als de welbekende Bulle van dien Keizer en de daarin vervatte instelling van het Potestaatschap; dat evenwel die Bulle scheen versierd te zijn geworden vóór den tijd van den Graaf van Holland, willem ii, Roomsch-Koning, aan wien zij door de Friezen als een echt stuk is aangeboden geworden, en die haar, benevens de daarin vervatte voorrechten, bekrachtigd heeft. - En (voegden wij er bij) sedert die bekrachtiging, hebben de Friezen zich met recht (dunkt ons), ten einde hunne vrijheden staande te houden, op haar beroepen, ofschoon dan ook willem den Brief van karel niet in den zijnen heeft laten invloeijen.

Wij konden dáár de bewijzen, voor hetgeen wij er stelden ten opzichte van het aanbieden der Bulle aan den Roomsch-Koning enz., niet geven, evenmin als wij die, voor eenige hoegenaamde andere stelling in ons Overzicht, aanbieden mochten. Dat ware met den aard en de bedoeling van ons Overzicht strijdig geweest. Hier echter willen wij dit met een enkel woord doen.

Wij beroepen ons dan, in de eerste plaats, op den kundigen en ijverigen van wijn, in zijne Bijvoegsels en Aanmerkingen op de Vaderlandsche Historie van j. wagenaar, 1e stuk, bladz. 107 en volgende; en, in de tweede plaats, op den niet minder kundigen a. kluit, die, in zijne Historie der Hollandsche Staatsregering, tot aan het jaar 1795, Ve Deel, bladz. 52 en volgg., het, zoo niet zeker, toch hoogst waarschijnlijk gemaakt heeft, dat voorzegde Bulle is bekend geweest aan den Dichter en Geschiedschrijver maerlant, den tijdgenoot van den bekenden melis stoke, (de eerste een Vlaming, de tweede een Hollander,) en alzoo vóór 1300 bestond.

De Bevestigingsbrief van den Roomsch-Koning is van het uiterste belang, omdat dezelve Roomsch-Koning ook Graaf van Holland was, en alzoo, in de eerstgenoemde waardigheid, zijne eigene rechten en aanspraken als Graaf van Holland, voor zooverre die niet met de Bulle van karel (of liever met het hem aangeboden - echt of onecht - stuk) overeenkwamen, te niet deed, zoo voor zich (natuurlijk) als voor zijne

[p. 191]

opvolgers. Wij herhalen dus ook nu: sedert 1248 hebben de Graven van Holland geen het minste recht op de heerschappij over Friesland meer gehad, tenzij de Friezen hen, of een hunner, vrijwillig tot Potestaat hadden willen kiezen, of gekozen hebben.

Maar hoe brengt men dien Voorrechtsbrief van willem overeen met den brief van sicke sjaerdama, te vinden in de Chronijck van winsemius, fol. 169?

Wij mogten, eerstelijk, antwoorden: daar die brief een valsch stuk schijnt, is er geene overeenbrenging noodig; merkende wij echter aan: dat de valschheid van dat stuk niet volgt uit de jaarteekening bij winsemius, duysent twee hondert negen en dertich, - daar het, uit het op den anderen kant der aangehaalde bladzijde gestelde jaartal 1248, genoegzaam blijkt, dat derticht eene drukfeil is en dat men veertich lezen moet; iets, dat (voor zooverre wij weten) tot nog toe door niemand, die van dezen brief gewag gemaakt heeft, is opgemerkt geworden; ook niet door den voortreflijken a. ypey, in zijne Geschiedenis der Nederlandsche Taal, in 't onlangs uitgekomen tweede deel, bl. 318.

Ten tweede, vragen wij: kon de Roomsch-Koning den brief, op welken die van sjaerdama (zoo hij echt is) een antwoord is, niet geschreven hebben in de hoop dat de Friezen, schoon daartoe onverplicht, hem, door bemiddeling van sjaerdama, en behoudens vergoeding door hem aan dezen en aan zijne nakomelingen te schenken, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen?

Ten derde, vragen wij: kunnen beide brieven niet gezien hebben op de Noord-Hollanders of op eenigen hunner? - Deze Noord-Hollanders toch kon en mocht willem als zijne onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn Voorrechtsbrief alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of altoos slechts die Friezen, welke ten westen door het Flie begrensd werden,) betrof; en sjaerdama kon evenzeer die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en der Hollandsche heerschappij zich niet onderwerpen wilden.

Maar vóór 1248? hoe is het daarmede?

Wilden wij de meening omhelzen van den uitmuntenden bilderdijk, dan zouden wij kunnen zeggen: dat, ofschoon de Bulle van karel den Grooten onecht is, de overleveringen toch genoegzaam bewijzen, dat die Vorst uitstekende voorrechten aan de Friezen verleend heeft; en zelfs, aller-

[p. 192]

waarschijnlijkst, hun het recht, om zich door niemand te laten beheeren, dan door den genen dien zij zelve daartoe kozen, heeft toegekend; zie hem, in zijne Geschiedenis des Vaderlands, inzonderheid I, 88 en volgg. Maar dit behoeft niet en wij gelooven het niet. Wij ontkennen niet, gelijk bilderdijk zegt (I, 205) dat de Friezen doen, ('t geen hem trouwens zou te bewijzen staan,) dat Friesland van ouds door Graven is bestuurd geworden. Wij hebben integendeel, in ons Overzicht (Jierb. f. 1833, § 4, IX,) gezegd: dat het ons toescheen, dat ons tegenwoordig Friesland, waartoe toenmaals (naar onze meening) de beide Stellingwerven niet behoorden, door karel den Grooten in drie Graafschappen was verdeeld geworden; en wat wij daar, van de macht dier onderscheidene Graven, van hunnen onderlingen rang, en van hun onderworpen zijn aan éénen Hertog gezegd hebben, mag men, des verkiezende, nalezen. Maar die Graven waren geene Heeren van Friesland, gelijk de Hollandsche Graven het van Holland waren. Op zijn vroegst heeft in 863 (bilderd., I, 191,) Holland zijnen eersten Graaf bekomen. Werd die Graaf (dirk i) ook met Friesland tusschen het Flie en de Lauwers begiftigd of beleend? Om deze vraag met ja te beantwoorden, neemt bilderdijk, (wiens Geschiedenis des Vaderlands - alleen tot dit ons geschrijf aanleiding gegeven heeft,) zich op zijne aardrijkskundige hypothesen niet verlatende, zijne toevlucht tot zekeren Graaf gerolf, die, in het jaar 839, van Keizer lodewijk den Vromen (bij hem lodewijk de Godvruchtige genoemd) goederen in Westra-cha (d.i. Westergoo, - wat wij aannemen willen,) verkregen had; en daar deze gerolf ook vrij waarschijnlijk voor een der Graven van Holland, en voor een van de voorvaderen der latere Graven uit het Hollandsche Huis te houden is, hebben zijne nazaten dus altijd Friesland als het hunne beschouwd (I, 204 en 205.) Doch, zoo de waarschijnlijkheid voor zekerheid gelden kan, en zoo derhalve de Graven van Holland zich voor Heeren van Friesland, door erfrecht, gehouden hebben, (Graaf dirk v wendde het over eenen anderen boeg, en zweeg van gerolf,) moet die gift aan gerolf toch rechtmatig geweest zijn; en dat zij dit geweest is, ontkennen wij. - Wij ontkennen het niet alleen, omdat dat wegschenken van Landen, of het beleenen van Grooten met Landen, welke aan niemand dan aan den Duitschen Keizer onmiddelijk onderworpen waren, (en die Keizer liet ze door zijne Graven slechts besturen,) strijdig met het Recht

[p. 193]

der Natuur en der Volkeren is; - om dat het geheele Leenrecht eene uitvinding en aanmatiging der dwingelandij is, waarom ook de Friezen, in het algemeen, zich daaraan nooit hebben willen onderwerpen; - maar ook om dat het recht van karel den Grooten-zelven en dat van zijne Opvolgers, op Friesland, nooit iets anders geweest is dan een recht der overwinning (jus victoriae), gelijk bilderdijk dan ook eindelijk (I, 235,) te kennen geeft, dat het eigenlijk dat recht is, waarop zich de aanspraken der Graven van Holland gegrond hebben.

Maar eilieve! of ook soms een gedeelte van Friesland (ja, het mocht geheel Friesland zijn) door de Graven van Holland is veroverd geworden, ook vóór den tijd van willem ii; vernietigde dat veroveren, de grond van het recht der overwinning, het recht der overwonnenen van het hun opgelegde juk wederom af te werpen, zoo zij 't vermochten? Niemand zal ja zeggen durven - al waar het alleen om der gevolgen wille - of kunnen. Alzoo hadden van den tijd van karel den Grooten, die Friesland overwon, en daarop alléén zijn recht op Friesland grondde, af, de Friezen liet recht, van de hun opgedrongen heerschappij te verzaken, (meenen wij,) even als de Grieken die van den Despoot van Constantinopolen, en wij in 1813 dat van den nog grooteren Despoot napoleon; 't geen te bewijzen was. -(1)

 

Er is, na het herstel des Vaderlands, en vooral ook na het herstel van de zelfstandigheid van Noord-Nederland, bij de Friezen een loffelijke geest ontwaakt, van nationaliteit voor hunne land-eigene Taal- en Letterkunde en vooral ook Geschiedenis en Oudheidkunde. Loffelijk ook vooral, omdat hij niet leidt tot bekrompen provincialismus, en niet te kort doet aan hunne (bij verre de meesten) vrijzinnige denkwijs en levendigen Staatsburgerzin als Nederlanders. Het Friesch Genootschap collectif, en velen van deszelfs leden, maken zich verdienstelijk, door afzonderlijk in het licht bezorgen van

[p. 194]

oudere werken, en door min of meer uitgewerkte verhandelingen in het Tijdschrift de Vrije Fries en de Friesche Jaarboekjes en Volks-Almanakken.

Voorts zie men wat de Bibliotheek der Maatschappij van Nederl. Letterkunde ten deze aanbiedt, in haar Catalogus II D. bl. 150-157 en bl. 594, 595.

Zeeland. (Bladz. 256-282.)

Met Zeeland ben ik minder gelukkig geweest, dan met Gelderland. Mijn doorkundige Vriend, wiens vrijmoedige critiek en, waar 't noodig was, terechtwijzing van B., ik had ingeroepen, ontschuldigde zich, wegens gebrek aan tijd bij veelvuldige bezigheden, en daartegen het uitgebreide van de taak. ‘Zes en twintig bladzijden druks; en wat staat er niet al op die bladzijden, in letters en in zaken! Bijna alle de punten, die duister en voor verschillende inzigten vatbaar zijn, worden er in aangeroerd; en hetgeen eigenlijk de moeilijkheid maakt, is het onbestemde van vele van B.'s redeneringen over een aantal Geographische, Historische en Politische punten, die meestal zonder tijdsorde of zigtbaar verband onder elkander behandeld zijn. Het zijn dan ook meer schetsen en pro memoria's, 't zij tot breedere mondelinge voordragt of tot nadere overweging, dan uitgewerkte punten. Zoo als het daar staat, valt er niet veel bij op te teekenen of tegen te spreken zonder telkens in opzettelijke behandeling van het aangegevene punt te treden.’ - Ik moet mij dan bepalen tot hetgeen ik vind in de meermalen aangehaalde Beoordeelingen van de HH. de wind en dresselhuis.

Bladz. 257. ‘Zeeland is een bloot nomen appellativum, even als bergland’ (enz.)

Hiermede schijnt de Heer dresselhuis, in den Vriend des Vaderl. VII D. (1833) bl. 295, zich te kunnen ver-

[p. 195]

eenigen, mits er bij in aanmerking kome het verwante denkbeeld van zieden, sale, zout (wat uit zeewater bereid wordt); ‘gelijk ook het zoutzieden, voorheen in Zeeland zoo sterk gedreven, eeuwen lang onder den naam van sel-neering bekend was.’

Bladz. 281, 282. ‘'t Leen van Zeeland - geen Graven van Walcheren meer.’

Ik kan hier slechts in het algemeen verwijzen naar de zorgvuldige ontwikkeling dezer stellingen door den Heer dresselhuis, in den Vriend d. Vaderl. 1833 bl. 861-868; (alwaar ook nog over Sunnemere en Fortrappe - bov. bl. 124, v.) Doch men z. ook de wind, in de Letteroef. 1833. bl. 390.

Bladz. 281. r. 11. v. ond. ‘Kluit deraisonneert hier.’

Elk wie er belang in stelt, de verwikkelde middeleeuwsche leenbetrekkingen van Zeeland met Vlaanderen, Holland, enz. na te gaan, maakt dankbaar gebruik van kluit's doorwrochten arbeid in zijne beide Excursus bij de Hist. Crit. Com. Holl. et Zeel. T. I. Exc. IV. de Walacriae infeudatione (p. 56-69) en vooral Exc. VII. cle nexu feudali inter Flandriam [et Holl.] et Zelandiam (p. 100-394), (terwijl aan kluit voorgearbeid was door p. paulus, Diss. de origine, progressu et solutione nexus feudalis Flandriam inter et Zelandiam. Lugd. Bat. 1775). Zoo mede bild., gelijk uit menige aanhaling blijkt. Een scherpe uitval van B. tegen kluit moge onhoffelijk zijn; doch men moet in het oog houden, dat B. geen leerling van kluit was, maar van pestel, tusschen wien en wiens intime school aemulatie - ja wel iets meer - bestond tegen kluit, die in 1779 naar Leiden beroepen was, ‘ter bekleeding van den nieuw opgerigten leerstoel der Vaderlandsche Oud-

[p. 196]

heden en Geschiedenis, in 't bijzonder der Diplomatische, voor de Vereenigde Nederlanden’(1). Pestel, sedert 1763 hier het Jus Publicum onderwijzende en, gelijk menige grondig bewerkte Academische Verhandeling sedert dat jaar aantoont, het Nederlandsche Staatsrecht (in onscheidbaar verband met de Staatkundige Geschiedenis) geenzins verwaarloozende, moest natuurlijk het toewijzen van dat bijzonder vak aan kluit, aanmerken als een demembrement en defalcatie van zijn terrein. Bilderdijk zegt ook ergens, de lessen van kluit niet gehoord te hebben. Kluit, hoe geleerd en ijverig ook, was geen Jurist: Bilderdijk had onder pestel bijzonder ook het leenrecht vlijtig beoefend. Ook na en ondanks de aankomst van kluit, gaf pestel het Vaderlandsche Staatsrecht geenzins op: getuige zijne voor dien tijd hoogst verdienstelijke Commentarii de Republica Batava(2), en verscheidene Academische verhandelingen. Weshalve het zooveel te noodiger is, bij de veelvuldige, veelal zeer uitgewerkte Dissertatiën over de vroegere en latere Nederlandsche

[p. 197]

Staatsgesteldheid en Staatsrecht, aan de Leidsche Academie, te onderscheiden, welke uit de resp. scholen van pestel en van kluit zijn. Gelukkig, dat dit zeer gemaklijk te onderkennen is; alzoo kluit zelf, kort voor zijn treurig omkomen, eene lijst van al de Academische Dissertatiën, die hij erkende als onder zijne leiding en in zijnen geest geschreven, in druk gegeven heeft in den Recensent o.d. Rec. 1806, bl. 553-556; welke lijst nu mede te vinden is in nijhoff's Bijdragen, D. II. bl. 196-200.

Over Zeeland in het algemeen, en deszelfs bijzondere deelen, zie men de literatuur in den Catalogus van de Bibl. der Maatsch. v. Nederl. Letterk. II. bl. 139-144 en 593.

Brabant [en Antwerpen] (bl. 282-286), Limburg, Luxemburg, Artois (bl. 287), Namen, Luikerland (bl. 288).

Over al deze gewesten heb ik slechts (gelijk ik bij de vorige gedaan heb) de literatuur op te geven uit het Geschiedkundig gedeelte van de Bibliotheek der Maatschappij van Nederl. Letterkunde.

Men zie dan in dien Catalogus, over Braband, inzonderheid Noordbraband, Deel II. bl. 106-109, 587 v. - [Over Drenthe, bl. 168, 169.] - Over Nederl. Limburg, bl. 170, 596 v. - Over Belgisch Limburg, bl. 600. - Over de Belgische Nederlanden in het algemeen, bl. 175-177, 596. - Over Zuid-Braband en Antwerpen, bl. 177 v. 598. - Over Vlaanderen, bl. 179-182, 599 v. - Over Henegouwen, bl. 182. - Over Luik, bl. 183.

Doch neen! - Eerst onder het schrijven dezer Nalezingen heb ik ter hand genomen de Aloude Geschiedenis der Belgen of Nederduitschers, door Mr. p. blommaert, uitgegeven te Gent, 1849, VIII. en 450 bladz. gr. 8o; en dit werk zoo belangrijk bevonden, vooral ook voor hetgene

[p. 198]

als algemeene inleiding der Nederlandsche Geschiedenis door bilderdijk in de daad te kort behandeld was, dat ik mij gehouden rekene de aandacht der Noord-Nederlandsche beoefenaars en beminnaars onzer Lands- en Volksgeschiedenis met aandrang op dit kortbondig werk te vestigen. Vooral ook op hetgeene zij hier bl. 50-99 zullen vinden ‘over de Oud-Nederduitsche volkerschappen, en de landverdeeling onder de Romeinen en vóór en tijdens de Kaerlingen’; - en op bl. 425-446 over de bijzondere gewesten van Henegouwen, Braband, Namen, Luxemburg, Limburg, Luik en Gelderen (Kleve en Gulick), Holland, Vlaanderen, zeer tot aanvulling strekkende van B.'s karig bescheid over de Zuid-Nederlandsche.

__________

Hiermede is dit Eerste Deel in zoo ver afgehandeld; doch terwijl de druk, eindelijk eenmaal aangevangen, wegens onderscheidene niet geheel van mij afkomende belemmeringen langzaam voortgaat, heb ik aanleiding gekregen tot eene na-Nalezing van het reeds geschrevene en gedrukte; en liever dan met de uitgave daarvan te wachten tot het einde van al de nadere Bijvoegselen op de XII Deelen, geve ik ze hier vooraf; daarbij invlechtende, gemerkt met ( ), een paar nadere, mij nog voorgekomene aanmerkingen bij den text van B. zelf.

 

Derhalve -

Hierboven (D. XIII) bl. 78. reg. 19, achter ‘af:’ - claudatur parenthesis!

Bl. 82. reg. 2 v. onder. ‘wijdloopige aanmerkingen op een gedeelte daarvan.’

Ik heb die naderhand nog nagegaan, of ik er iets uit bijbrengen kon - doch ik vond slechts allerlei berispingen en uitvallen, van luttel of geen historische beteekenis.

[p. 199]

Bladz. 88. ond. aan: ‘eene prijsvraag - ondergaan had.’

Eene prijsstof van gelijken aart is door de Tweede Klasse van het Kon. Nederl. Instituut in 1822, en daarna herhaaldelijk opgegeven; doch is niet, of niet ten genoege, beantwoord. Zie het Verslag van de openbare Vergadering der Tweede Klasse van het K.N.I. 13 Nov. 1828. bl. 20 en v.

Bl. 90. r. 2, 3. ‘Oproeping.’

Waaraan, gelijk de Heer v.d. B. mij betuigt, door niemand gehoor is verleend(1).

Bladz. 94. ‘Janssen's Redevoering:’

Thans op nieuw afgedrukt in nijhoff's Bijdragen D. VIII. 1ste St. bl. 5-26(2).

[p. 200]

(Bilderdijk, I D. bl. 24. ‘gelukkig Holland - meê te verzinken.’

Klachten over het te vroeg bedijken werden reeds geuit in de zestiende, en herhaald in de zeventiende en achttiende eeuw. In de quaestie zelve kan ik mij geenzins inlaten, en wilde hier slechts aanhalen d'escury, Hollands roem VI D. 2 St. bl. 624 en v. en s. de wind, in den Zeeuwschen Volks-Almanak 1838, bl. 98-101.)

Bladz. 99. r. 8. ‘De Cimbrische Vloed.’

Vergelijk ook de Kimbren en hunne lotgevallen door j.m. schrant, te Leiden, 1850. 113 bl. in klein 8o (en daarover het verslag van Dr. j.t. bergman in den Alg. Kunst en Letterbode 1851. No. 3).

Ald. ‘de gracht van Otto.’

Deze gracht, onlangs geschiedkundig gedempt door de Heeren de bast en dresselhuis, is hersteld door de H.H. warnkönig en de wind. Zie dezes Verhandeling over het Leen van het Graafschap Holland (aangeh. boven bl. 156) bladz. 38 aant. Ook blommaert heeft die gracht; Al. Gesch. bl. 422.

Ald. r. 4 v. onder, vóór ‘Bl.’ in te voegen

Bladz. 100. aant. I. r. 8. ‘voor den kenner,’ l. tot de kennis.

(Bild. bladz. 30. Kaninefaten. - Bladz. 231. Kaninesati.

Duinzaten. Zie B.'s aanteekeningen op de Gedichten van joh. antonides v.d. goes; Leiden, 1836. bl. 14).

Bladz. 101. ‘Nehalennia.’

Eene menigte citaten over haar zijn verzameld te vinden bij arend, Algem. Gesch. d. Vaderl. I. bl. 229.

[p. 201]

Ald. reg. 13. v. ond. ‘bl. 96’ - lees: bl. 95 en 96; en voeg er bij, Janssen's aangeh. Redevoering.

Bladz. 107 bij Bild. D. I. bl. 62, 63: de Warners.

De Warners, en met hen hunne wetten, zijn uit het aan Leiden palend Warmond naar het land van Voorne verplaatst; door birnbaum in een geleerde Verhandeling über einige noch unbenützte Hülfmittel zur Auslegung der Carolina, nebst Beiträge zur Geschichte ihrer Entstehung, in het neues Archiv des Criminalrechts. B. XII. S. 419: en zegt hij S. 420: ‘Nach meiner Ansicht gehört darum auch die Lex Werinorum den früheren Bewohneren des Landes von Voorne an.’ - Van de Lex Angliorum et Werinorum hoc est Thuringorum, heeft onlangs mijn Ambtgenoot en vriend j. de wal eene nieuwe critische uitgave ‘in discipulorum usum’ bezorgd, nevens die van de Lex Frisionum, Amst. et Lugd. Bat. 1850. pag. 48-58.(1)

(Bilderdijk, D. I. bladz. 51, 57. 't Woud zonder genade.’

Eene oude historische overlevering, naar 't schijnt, die men niet recht weet t' huis te brengen en toch niet wil opgeven. Bild. plaatst, als men ziet, stellig dit woud in Vlaanderen. De Heer nyhoff in zijne Beschouwing der omstreken van Arnhem, bl. 144 (5de druk 1836) wilde hiertoe betrekkelijk maken het ‘Onzalige bosch’ achter Dieren op de Veluwe. De Heer d'escury, Holl. Roem, D. VI. bl. 570 zoekt het in het ‘Schakenbosch,’ bij of onder Voorburg (nabij den Haag). Doch hij grondt zich enkel op merula over de Wildernissen bl. 49; en wie merula naziet, zal bemerken hoe los en onbestemd bij

[p. 202]

hem de traditie, of wel opinie van anderen, en zijne eigen argumentatie is. Dus ik zeer genegen ben om met wagenaar, D. I. bl. 249, en van loon, Al. Hist. I. 215, wien hij aanhaalt, de verhalen van ‘het Wilde Woud zonder Genade’ voorloopig onder de verdichtsels te rangschikken.)

(Bild. bladz. 94. ‘Karel de Groote.’

Ik heb mij zorgvuldig gewacht, mij in de literatuur over dezen waarlijk grooten, mythisch-heroïsch-historischen Vorst, in te laten: doch ik mag niet nalaten te vermelden, de Proeve eener Lofrede op Karel den Grooten, door Mr. g.w. vreede; omdat die verscholen ligt in mijne groote en gevariëerde verzameling, Mnemosyne, D. XVIII. (8o der Tweede reeks) 1828.)

Bladz. 112. Aant. I. r. 1. ‘Deze opheldering is geschied.’

O ja, maar het was door een dwaallicht. Doch hierover - om niet nog meer te brokkelen - hieronder bij bl. 126 (bild. bl. 207) - z. straks bl. 206, 207.

Bladz. 118. ‘De Salische Wetten.’

Latere literatuur tot 1846 toe (dus ook g. waitz, das alte Recht der Salischen Franken, Kiel, 1846) wordt opgegeven door Dr. julius grimm, in zijn merkwaardig boekje: de Historia legis Salicae, Bonn 1848, pag. 44, 8o, mij gedienstig aangewezen door mijn' geachten ambtgenoot en vriend de wal. Nog later is, de Lex Salica, herausgegeben von johannes merkel mit einer Vorrede (over de Malbergsche Glossen, 88 bladz.) von jacob grimm, Berl. 1850, gr. 8o. Kritische uitgave, doch in afwachting van die komen moet van pertz, in de Monumenta Germanica.

[p. 203]

Bladz. 119. ‘Montesquieu.’

(Bij de aanhaling uit de wind achter aan te voegen): ‘de uitval dien de Heer d.W. daarop volgen laat tegen B.'s uitval tegen Hendrik IV als “heerschzuchtig,” is misschien wat te gestreng. Hendrik's, eerst na zijnen dood openbaar geworden plan van ligue tegen het Oostenrijksche Huis, moest toch van zelf, hij welslagen, hem evenzeer, ja nog meer, tot Oppervorst van Europa en der Aarde maken, als Napoleon zich immer kon voorstellen. Want H. had noch in Rusland, noch in Engeland, dat tegenwicht te vinden, waaronder N. eindelijk bezweek.’

Bilberdijk's uitvalletje hier (D. I. bl. 136) tegen montesquieu, is honigzoet in vergelijking met den barschen heftigen uitval in zijn' pestel, bl. 17, die eindigt met den liefelijken wensch: ‘de vereenigde vloek des menschdoms ruste op den naam van dien Helgeest en die hem gelijken.’

Bladz. 126. (bij bild. bl. 207) ‘over Durfos bij het Tweede Deel.’

Want aldaar, bladz. 9 en 319, had B. zich over den zamenhang van Durfos en Dordrecht, wat plaats en naam betreft, stellig uitgelaten. Doch alzoo hij aan het einde van dit Ie Deel Dordrecht reeds vermeldt; en ik reeds hier over de plaats uit de Chronijk van St. Bavo te Gent, waaruit men de oudheid van Dordt bewijzen wil, gesproken en nog meer er over te zeggen heb - en ik niet weet, wanneer ik deze nadere Aanteekeningen zal kunnen vervolgen - wil ik liever de geheele zaak hier op- en bijëen-vatten.

Derhalve 1o) eerst wat Durfos betreft: want a. dit zou aan Dordt voorafgegaan zijn; en b. dit kan, naar mij dunkt, spoedig afgehandeld worden. Immers, hoe gaarne

[p. 204]

ook de geleerde Dortenaars en Dordtbeschrijvers, smits en schotel (D. I. bl. 175-178), hier met bilderdijk's appui der reeds zeer oude gissingen hun profijt wilden doen, zijn zij toch te waarheidlievend, om niet eindelijk er bij te voegen (bl. 178): ‘Latere en opzettelijke nasporingen naar dit twijfelachtige punt in onze Vaderlandsche Geschiedenis hebben tot geheel andere uitkomsten geleid. Van Bolhuis... wederlegt onzes bedunkens, ten volle de stellingen van wagenaar en bilderdijk;’ en geven zij dan verder een kort uittreksel uit de verhandeling van j.h. van bolhuis: Heette Dordrecht vroeger Durfos? in nijhoff's Bijdragen D. I. (1835); onveranderd opgenomen in zijn' Verspreide Letterarbeid, Utrecht, 1846. bl. 298-308. En in de daad houde ik door zijne wederlegging de zaak voor uitgemaakt en de gissing voor het vervolg opgeruimd(1).

Wat betreft 2o) de oudheid en oorsprong van Dordrecht: hiermede laat ik mij niet verder in dan tot opruiming van het oudste spoor van het bestaan der geboortestad,’ dat de Heeren S. en S. meenen - bepaaldelijk de Heer smits meent - gevonden te hebben in de Chronica Castri et Coenobii Bavonis Gandensis, op het jaar 837, alwaar ‘gewag wordt gemaakt van een togt der Noormannen, op welken zij, na in Walcheren geland te zijn, Antwerpen, Witlam en Dordtrecht verwoestten.’ Bl. 174, 175. - En hier moot ik mij zelven beschuldigen van onachtzaamheid, in zoo ver ik, boven bl. 111, 112, van dien

[p. 205]

rooftocht sprekende en over de lezing van Dordracum of Dorestatum in de gemelde Chronijk, alleen gebruik maakte van het geschrevene door den Heer smits in de Bijdragen t.B. en M. kennis, 1833, en zijne nadere inlichtingen, in November 1849 en September 1850 mij per brief beleefdelijk gegeven; doch verzuimde er op na te zien de eigenlijke Beschrijving van Dordrecht, wier Eerste Deel reeds in 1844 voltooid was. Want dan zou ik hier, en vooral bov. bl. 159, sprekende over den ouderdom en waarde der Baafsch-Gentsche Chronijk, gereleveerd hebben, wat er staat in die Beschr. v. Dordr. I. bl. 175: ‘de Commissie van Geleerden, aan welke de uitgave der ongedrukte belangrijke Belgische Archieven is opgedragen, heeft Dordracum en niet Dorestatum gelezen, blijkens hare uitgave van het Chronicon;’ en bladz. 186: de Kronijk eindigt met het jaar 1152, en is, volgens het gevoelen der Belgische Commissie, nog in het laatst dier eeuw opgesteld, ofschoon het bewaarde afschrift van de XVe eeuw is. Men vindt een uitvoerig verslag nopens hetzelve in Compte rendu des séances de la commission royale d'Hist. 1835. en in den Messager des Sciences et des Arts. p. 421.’

Dit schreven de Heeren S. en S. in 1843 of 1844, toen de Chronijk in 1837 reeds uitgegeven was (z. bov. bl. 158). Doch nu vergunne men mij, minder er aan te hechten, wat ‘eene Commissie’ - vroeger, in de beide werken door hen aangehaald, - er van zeide, dan wat het Lid dat de uitgave bewerkstelligd had, over het stuk oordeelt: en dit oordeel, dat zonder te onderscheiden tusschen opstel en afschrift, de Chronijk terug zet tot in de XVe eeuw, heb ik boven bl. 159 woordelijk opgenomen. Dáár evenwel gold het de autoriteit der Chronijk, waar ze op het j. 863, melding maakt van Holland: - wat betreft de lezing, op het j. 837, van Dordracum of Dorestadum, geve

[p. 206]

ik, na de uitgave door de smet bezorgd, en het fac-simile van de plaats der Chronijk, door wijlen den Heer willems gedienstig verstrekt, door mij boven bl. 112 vermeld (en wat reeds vroeger in de Beschr. van Dordt, Deel I bij bl. 186 gefacsimileerd uitgegeven was), gaaf en volkomen toe, dat er gedrukt moest worden, gelijk er geschreven staat, en dat in het MS. staat Dordracum en niet Dorestadum.

En evenwel zeide ik, Na-Nal. bij bl. 112 (zie hier bl. 202) dat die, den Heeren Dortenaren zoo gewenschte en zoo aangename opheldering, slechts ‘een dwaallicht geweest was.’

Namelijk: de lezing Dordracum is de echte authentieke, naar de uitwendige kritiek: maar het is daarom nog niet de ware lezing. Want nu komt de inwendige kritiek, werpt Dordracum uit, en zet Dorestatum in de plaats.

Immers, de Baafsch-Gentsche Chronijk neemt veelal woordelijk over uit de Annales van sigebertus gemblacensis (de Gemblours)(1), en zoo ook te dezer plaatse. Atqui, op de corresponderende plaats bij sigebertus, in de Rerum Germanicarum Scriptores verzameld en uitgegeven door pistorius, en wederom door struvius, staat Dorestadum, zonder eenige varians lectio van Dordracum.

Dit bracht mij terstond tot het vermoeden, dat de Gentsche - het zij dan schrijver of kopyïst der Kronijk - (en het zij in de 12e of in de 15e eeuw) - wien het bloeijende Dordrecht even bekend, als het lang vervallen Duurstede onbekend was; - en het zij argeloos en in gedachten, of wel uit de bij halfkundigen gewone emendatiezucht van wat men niet verstaat - voor Dorestadum geschreven had Dordracum. Ik deelde dit vermoeden mede aan Mr. s. de wind (wien de HH. S. en S. even

[p. 207]

gaarn als ik, voor kundig, oordeelkundig en bezadigd, en in dezen geheel onbevangen, zullen erkennen) en ik had het genoegen dat hij, bij brief van 12 October 1850, met mijne meening niet slechts instemde, maar ook met nieuwe redenen mij er in versterkte.

Doch ook mijzelven, de zaak nog hooger opsporende, is het gebleken, dat sigebertus, door den Baafschen Kronijkist nagevolgd, zelf in blijkbaar verband stond - hetzij rechtstreeks, of door een, mij nog niet verschenen tusschen-Kronykist (zie pertz p. 340) - met de alleroudste en hier gelijktijdige bron, in het Incerti auctoris Chronicon, eerst uitgegeven door p. pithoeus, Annalium et Historiae Francorum ab anno Christi DCCVIII ad annum DCCCCXC scriptores coaetanei XII, Paris. (1589) - door marqu. freherus gedoopt Annales Fuldenses, en nu door pertz aan 't licht gebracht als erhardi Annales Fuldenses. Aldaar, bij pertz, Monum. Germ. Histor. T. I. p. 360, 361, vindt men het verwoesten door de Noormannen van Antwerpen, Witlam en Dorestadum, en de eenige varians lectio daarop, Dorestatum. (Men zie over de Annales Fuldenses, pertz T. I. p. 336-342).

 

Heb ik aldus de geleerde Dordtenaren moeten bedroeven, door hunne geboortestad niet zoo oud te verklaren als het j. 835 - en wie weet hoe jong ze nu wordt - ik kan hen troosten met de verklaring dat de Dordsche Maagd de gepersonifiëerde Wijsheid is. Niet, dat ik dit zeg, maar er zijn twee getuigen voor:

Palladis arx Heberi dialecto Dorda vocatur,

Hinc Belgis Dord est Batavûm Caput; atque reservat

Urbs sibi Palladium -

zegt de Dordtsche Rector (Gymnasiarcha) sam. munkerus(1)

[p. 208]

en dirk heringa vertaalt het aldus:

 

In oud' Hebreeuwsche Taal is dorda wijsheids Woonplaats: Hierom hied dord hij ons ook Neerlands oudste Hoofd-stad Die het Palladium bewaardt in haare maagd(1)

[p. 209]

De geleerde Dordbeschrijvers zwijgen geheel van deze Hebreeuwsche naamsafleiding. Misschien versmaden ze die wel met de andere onnutte geleerdheid, waarvan ze in 't algemeen spreken bl. 217: maar onder die ‘oude, vergetene autheuren’ behoorde toch wel de geleerde Rector S.M. niet. Wat betreft hunne eigen afleiding en verklaring van den naam hunner stad, spijt het mij van hen te moeten verschillen. Doch het is een niet minder geleerde Dordtenaar, met wien ik instem, janus rutgersius: wien zij geen recht doen; in wiens gevoelen, ik het simplex sigillum veri vind; al zeg ik niet zoo schamper - met hem (tegen hen): - ‘quod Drecht interpretantur Forum, ingens patriae linguae ignorantia est.’

Doch ik voorbehoude mij, dit elders te ontwikkelen; thans mag ik den Lezer en mij zelven hierbij niet langer ophouden.

Bladz. 144 r. 10. ‘Kap. XXIV.’

Lastige en zinstorende drukfout: men leze XXVI. (twee regels vroeger en later is XXIV goed).

Bladz. 152. r. 8: ‘Catalogus bon. Eccl. Ultraj.

Mijn geleerde vriend van den bergh, door gedienstigheid van den Utrechtschen Archivarius vermeulen een naauwkeurig afschrift van dezen Catalogus gekregen, en dit zorgvuldig nagegaan hebbende, is van oordeel, dat die lijst van niet vroeger dan de tiende eeuw kan zijn.

Bladz. 163. (Teisterbant).

Over de ligging, grootte en grenzen van het aloude Graafschap Teisterbant, z. nu ook Mr. e.d. rink, Beschr. der stad Tiel, 1836, bl. 7 en 8.

[p. 210]

(Bild. bladz. 231. ‘Baduhenna.’

Woud of Godes? - Zie Mr. j. de wal, Bijdragen tot de Geschiedenis en Oudheden van Drenthe. Gron. 1842. bl. 134, 135 en de Schrijvers ald. aang.)

Bladz. 185. r. 9: Over Utrecht - bij te voegen:

Den naam der stad Utrecht verklaart bilderdijk, bij huyghens, VI D. bl. 30, als oud-trecht (trajectum vetus). Dit behaagt mij beter, dan de oude-markt van de HH. smits en schotel. Dordr. I. bl. 228.

Bladz. 185. Overijssel.

Uit den Catal. van de Bibl. der Maatschappij van Letterk. had ik ook nog moeten aanhalen (D. II. bl. 202) het nog steeds merkwaardig opstel: Verslag van onuitgegeven stukken betrekkelijk tot de historie van Overijssel, door Mr. g. dumbar (geplaatst in het II D. 2 St. van de Verhandelingen dier Maatschappij, 1818).

Bladz. 187. (Friesland). Aant. 1.

Vooral evenwel had mogen vermeld worden de hervatte verdediging der deplorate zaak door den onwrikbaren stam-Fries Mr. d. fockema: doch de titels zijner werken bevinden zich in den aangeh. Catal. D. II. bl. 152.

Bladz. 189. Aant. 1.

Bij het aanhalen dezer verhandeling van den Heer hettema (zijne vroegere over de Friesche Vrijheid, in den Frieschen Volks-Almanak voor het jaar 1847, bl. 127-169, vermeldt hij zelf) hier bov. bl. 187, had ik niet moeten vergeten zijne Wenken voor hen die zich met eene nieuwe bewerking van de geschiedenis van Friesland willen bezig houden, in dien Almanak voor het j. 1850. bl. 1-28. -

[p. 211]

En ik moet deze verhandeling te meer aanhalen, om nog plaats to geven aan eene edelmoedige retractatie, en aan eene merkwaardige gissing des geleerden schrijvers, beide uit denzelfden brief van 23 Nov. 1849 waaruit ik boven bl. 187-189 veel had medegedeeld.

‘Wat den Wendeldijk betreft moet ik u opmerken, dat ik later het II Deel bl. 55 en 119 van bild. Vaderl. Gesch. lezende, mij overtuigd heb, dat mijne gissing omtrent Swadenburg als Swartsluis ongegrond was, daar dit niet verre van Bodegraven ligt 1) - en waarbij dan mijns oordeels de Wendeldijk mede zal behooren en moeten liggen. Ik zoude het keerdijk noemen, van wenden, keeren, en hem niet laten draaijen zoo als bild. doet.’ 2)

‘Wat de Wendelzee betreft, ik geloof dat B. regt heeft; en wordt hierin versterkt door bosworth Anglosax. Dict. in voce Wendelsea: Vindelicum sive Adriaticum mare: orosius. Mare Mediterraneum, speciatim vero Tyrrhenum. Angl. Chronicle 885. boëthius 38. I. 3).

‘Vergun mij op te merken, dat ik Teisterband, de eisterband, d.i. de waterband, Aquitania, zoude willen noemen. De kaart van bild. en het MS. Geneal. Culemb. zeggen mij dit. Het MS.: “Dit Graafschap van Teisterband was, dat nu Tielre en de Bommelrewaerdt, 't lant van Hoesden, Altena, Boesingchem, Zoelen en de Avezaet is.” - Diest is eene rivier in Belgiën. Opmerkelijk is het, dat de Graven van Teisterband gezegd worden van de Hertogen van Aquitaniën aftestammen. Zie MS. bl. 10. 4).’

 

Waarbij nu eenige aanteekeningen:

 

1) De Heer H. had in die Verhandeling bl. 19 gegist, dat Zwadenburg, voorkomende in de verdragen tusschen de Hollandsche Graven en Utrechtsche Bisschoppen, kon

[p. 212]

zijn Zwartsluis (in-Overijssel, nabij Friesland). Over Zwadenburg als Swammerdam, volledig Swadenburgerdam, zie ook wagenaar D. II. bl. 247. Het verdrag van 1225 door den Heer H. vermeld, uit het Charterb. v. Vriesl. I. 78 (moet zijn, 88) slaat op een vroeger van 1204, en dit hangt weer te zamen met het bevelschrift van Keizer Frederik I van het jaar 1165, waarover bij wagenaar bl. 246. - bild. Deel II. bl. 54-55.

2) Wat aangaat den naam van Wendeldijk, moet ik aanmerken, dat in het verdrag niet staat ‘in aggere qui dicitur Wendeldijk’ (of Windeldijk), maar ‘in loco qui dicitur W.’ wat meer op één bepaalde plaats in dien dijk toepasselijk kon schijnen, en in zoover bilderdijk's afleiding te bevestigen. Doch over de plaats der aanteleggen sluizen, zijn. wagenaar en bilderdijk, en zoo mede d'escury, Holl. Roem D. VI. bl. 607, eenstemmig in verschillend oordeel van dat van den Heer hettema.

3) De opheldering daarentegen van dien Heer, nopens de Wendelzee of het Wendelmeer, vermeld in bilderdijk D. I. bl. 59, 289. II. 120, acht ik belangrijk en afdoende. Zoo Wendelzee de Middelzee in het algemeen beteekende, zou ik er bij gedacht hebben aan de Wenden, Vandalen, die in de vijfde eeuw onzer jaartelling de geheele Afrikaansche kust der Middellandsche Zee ingenomen en ruim eene eeuw lang overheerd hebben.

4) Over Teisterband z. boven, op meerdere plaatsen. Doch het vernoegt mij, dat een kundig man bilderdijk's kaart van Teisterband niet zoo romanesq vindt, als wel anderen. - Het ‘MS. Geneal. Culenb.’ is een fraai MS. vol met fraai geteekende geslachtwapenen, door den Heer H. gedienstig mij tot inzicht of gebruik verleend; het is getieteld: Genealogie van den edelen Huyze van Cuylenborgh, en begint aldus:

[p. 213]

Van den oorspronck der Graven van Teysterbant: daer die Doorluchtige Prince van Aquitanien Walgerus aen gehijlickt was, ende voorts waer van die Princen vun Aquitanien zijn gekomen, ende hoe zij haer wapenen vuerden, ende Coningen van Vranckrijck zijnde haere wapenen veranderden.

 

‘Dic Hertogen van Sicambrien ende daer nae Princen van Aquitanien, waer van dat Priamus die zoon van Franchion die eerste Hertoch was, ende voerde in zijn wapen een gulde schilt mit eenen leeuwe van keel dat is root. Ende als zij die landen in Gallien bemachtigden, ende besaten die stadt Lutetiae, die men nutertijt noempt Parijs, soe nam Hertoch Priamus aen die wapen dier Stadt ende landen, ende die wapen van de landen ende vant Coninckrijck dat nu Vranckrijk heyt was eenen gulde schilt mit drie padden van sabel, ende dese wapen voerden zij voort tot dat Coninck Clodoveus Kersten was, soo was in Vranckrijck eenen heremyt van heyligen leven, ende die engel Gods openbaerde hem ende gaff hem een cleet van lasuer met gulde lelien gesaayt, dat hij dat den Coninck Clodoveus geven zoude tot zijn wapen, ende van dier tijts voorts soo voerden die Coningen van Vranckrijck de blauwen schilt met gulde lelien.’(enz.)

 

Ditzelfde wordt daarna weer breeder beschreven, waarmede ik mij niet begeer in te laten: ik voer het alleen aan ter eere van het MS., ofschoon dit eerst van laat in de 16e eeuw is; - en om de fransche padden; - en om het zonderlinge te doen opmerken, hoe dezelfde lelie-figuurtjes, nu eens als padden, dan als halve manen, dan als kroonen, dan als bijen, dan weer als speerpunten, voorgesteld en uitgelegd worden(1). Wil iemand door

[p. 214]

Aquitanie, en Sicambrie, en Teisterband, ze met Gelderland en de drie mispelbloemen van het oude Gelderland in verband brengen, ik mag het lijden.

__________

De drukfouten in den eersten Druk van het Eerste Deel zijn aangewezen bij het Tweede, (bl. 349, 350) en in den tweeden Druk van dat Deel verbeterd. (De misstelling I D. bl. 238 is slechts gedeeltelijk aangewezen; doch geheel verbeterd.) Een gezet gebruik van de tweede oplage van het Eerste Deel heeft mij dáárin menigen drukfeil doen ontdekken, waarvan ik voor hen die dat Deel en die oplage gebruiken, hier de aanwijzing moet doen.

Bl. IV r. 13 Boehandelaar lees Boekhandelaar. - Bl. VIII r. 13 v.o. gereprimandeerd l. gereprimendeerd. - Bl. X r. 10 v.o. zijn Vaderstad l. zijne Vaderstad. - Bl. 23 r. 5 Rhenns l. Rhenus. - Bl. 26 bovenaan, staat door drukfeil het cijfer 36. - Bl. 27 r. 2 zijn Duitsch volk l. een Duitsch volk. - Bl. 44 r. 9 v.o. ὀλλεμι l. ολλυμι. - Bl. 37 r. 11 v.o. Alvaren l. Avaren. - Bl. 92 r. 14 Engelshen

[p. 215]

l. Engelschen. - Bl. 126 r. 13 v.o. Tribunis l. Tribunus. - Bl. 151 r. 8 Marr l. Maar. - Bl. 161 r. 3 v.o. uu l. nu. - Bl. 183 r. 3 v.o. uitgegeven l. uitgeven. - Bl. 250 r. 7 hem l. hun. - Ald. r. 8 v.o. strekten l. strekte. - Bl. 270 r. 6 vlamingen l. Vlamingen. - Bl. 278 r. 9 v.o. (in den text) 129g l. 1298. - Bl. 287 r. 9. ½ l. 1/12. - Bl. 299 r. 13. ff. l. C. - Bl. 316 is het cijfer bovenaan bij abuis 216. - Bl. 332 r. 7, 8 v.o. domamania l. domania. - Bl. 346 in het Register in te vullen Anglen, 40; en Bl. 348 Brabant, 282; en Ald. op de C. Cimbrische vloed, 228 v. - en Bl. 349, droit Divin 219; en Ald. op de G. oude Gedaante des Lands 18-26. - Bl. 350 Hofgerichten 206. l. 306. - Bl. 351 Karel de Groote, 297, l. 296, 297. - Bl. 352 bij Margaretha van Vlaanderen, te voegen: z. ook Zwarte Margriet. - Ald. Nehalennia, 293 l. 31. - Bl. 353 achter Slaven, in te voegen: Sonnemeer z. Zonnemeer. - Bl. 354 bij Utrecht, 235, nog te voegen 244 v. - Bl. 355 Wendel-zee 290 l. 289; en voorts in te vullen: Woud zonder Genade 51, 57, en op de Z.: Zonnemeer 184 (enz.), en bij Zwarte Margriet in te vullen het cijfer, 264 en volg.(1).

[p. 216]

Aan den Heer Boekhandelaar
j. de ruijter, te Amsterdam.

Mijnheer en Vriend!

Hiernevens breng ik onder uw oog, het volledig Algemeen Register op de Twaalf Deelen van bilderdijk's Geschiedenis des Vaderlands; ten einde 1o. U tot uwe geruststelling te overtuigen, dat het werkelijk reeds bestaat (behoudens de nog vereischte aanvulling en zuivering, waarover straks); 2o. van dezen tekst uitgaande, nader met U over mijn plan aangaande bilderdijk's werk te kunnen spreken.

 

1o. Gij ziet, het Register is uit die der twaalf Deelen tot één gebracht door twee andere handen dan de mijne; daarna ben ik zelf met de pen in de hand al die twaalf Deelen doorgegaan en heb vele artikelen aangevuld en uitgewerkt. Maar alzoo zal nu een gedeelte van het vroeger door anderen opgeschrevene, tot vermijding van herhalingen moeten vervallen; en, als van zelf spreekt, het Register uit de nadere Nalez