|
|
|
| |
[vervolg Nalezing]
Thans ga ik, ingevolge mijn gezegde bov. bl. 96, 97, over om, zoo veel noodig -
en voor zoo veel ik vermoge - toe te lichten en aan te vullen, hetgene bilderdijk op bladz. 235-288 van dit Eerste Deel, tot
inleiding en overgang zijner beschouwing en behandeling van de geschiedenis des
Vaderlands in het algemeen, gezegd heeft over de politische geschiedenis van de
bijzondere Gewesten onder de Grafelijke regeering. Doch ik moet erkennen, dat
het door B. kortelijk en zoo veel hij voor zijn bepaald doel noodig achtte (z.
bov. bl. 84, 89, 93) over de meeste der Provinciën gezegde, veelal oppervlakkig
en onvolledig is en terechtwijzing vereischt. Als enkel uitgever van B's arbeid heb ik mij noch verplicht, noch ook aangematigd,
al zijn geschrevene, hier of elders in dit werk, critisch na te gaan: - evenwel
heb ik, om de beoefenaars der geschiedenis te gemoet te komen, mijne aandacht
nader en bepaaldelijk op dit gedeelte gevestigd, en zoo veel ik in de
gelegenheid was over elk Gewest de voorlichting ingeroepen van eenig kundig
Vriend in dat gewest.
| | | | | |
Gelderland. (Bladz. 237-243).
van den Heer Archivarius i.a. nijhoff.
Dezen raadpleegde ik reeds in het jaar 1833; en volgens zijne vergunning van
1849, geef ik hier 1) wat hij mij toen antwoordde (voor zoo ver het niet
later door hem, in het straks volgend No. 2, breeder
uitgewerkt is). Hij schreef mij d. 25 Mei 1833:
‘Met de toezending van het Tweede Deel van bilderdijk.
doet Gij mij de eer, eene opgave te vragen van datgene, waarin die
Schrijver, in 't eerste deel ten opzigte der Geldersche historie, successie
enz. faalt. Wacht dit echter niet van mij. Gaarne zal ik
U, naar mijn vermogen, trachten op te geven, waarin hij van den alles
navorschenden van spaen
verschilt. Het blijve dan aan Uw oordeel overgelaten, te
beslissen, aan wiens zijde de feilen zijn. Trouwens, wanneer ik, in de
school van v. spaen anders geleerd hebbende, met de pen
in de hand wilde corrigeren en zeggen: “Neen bilderdijk!
dat is fout, glad fout!” - dan zou ik doen als een Schoolmeester, die, nooit
anders dan van de Siegenbeeksche spelling gehoord hebbende, die van B. wilde
berispen, niet bedenkende, dat deze voor zijne afwijkingen de in diepste
geleerdheid gegronde redenen had. - Maar, ter zake.’
[Het toen volgende heeft de Heer N. de goedheid gehad nog nader uit een te
zetten].
| 2) | ‘Kort overzigt der stellingen van den Heer
w.a. van spaen
in zijne Oordeelkundige Inleiding tot de Geschiedenis
van Gelderland, ten aanzien van den oorsprong der
Geldersche Graven en derzelver opvolging. |
‘Men stelt gemeenlijk, dat zeven erfelijke voogden of praefecti, achtereenvolgelijk van het jaar 879 tot 1061 in | | | | Gelderland geregeerd hebben. De bewijzen hiervoor ontbreken ten eenemale
en het strijdt bovendien tegen het toenmalig staatsgestel. Zeker zijn ook in
deze streken door de Keizers praefecti aangesteld; maar
zij waren krijgsbevelhebbers en alles behalve erfelijk. Er kunnen bestaan
hebben kerkvoogden, advocati ecclesiae Gelre; Heeren van
Pont kunnen die advocatie bezeten hebben; omstreeks 1079, in welk jaar men
de oprigting van het graafschap plagt te stellen, kunnen zij den eigendom of
het beneficium van de curtis Gelre
verkregen en zich sedert nobilis of comes de
Gelre genoemd hebben. Dit alles is overeenkomstig het toenmalig
staatsgestel; maar geene zekere bescheiden zijn er van voorhanden.
Volgens het oude gevoelen zou Mengo of Megengoos de vijfde der voogden geweest zijn. Deze is de eerste,
van wien iets met zekerheid bekend is. Hij komt voor als nobilis vir en als comes, stichtte het klooster
Villich vóór 983 en liet alleen dochters na. Dus zou (volgens het gemeen
gevoelen) de voogdy nog wel erfelijk zijn geweest in de vrouwelijke linie;
hetgeen ten eenemale ongerijmd is. Misschien was hij voor de kerk van Keulen
advocatus te Gelre. Zijn dood wordt gesteld op 1001 of
1004.
Van Wiking of Widichen, die de zesde voogd zou geweest zijn, wordt nergens
eenige melding gemaakt.
Wichard, wien men den zevenden voogd stelt, was mogelijk Graaf van Gelre;
maar zijn bestaan berust louter op onzekere overleveringen en kronijken.
Men stelt wijders, dat Otto van Nassau met Wichards erfdochter Adelheid
trouwde; dat deze hem de voogdy Gelre ten huwelijk bragt, en dat hij bij
haar eenen zoon verwekte, Gerhard genoemd, die hem opvolgde. Voorts, dat hij
naderhand trouwde met Sophia erfdochter van Wichman Graaf van Zutphen; dat
Gerlach, de zoon uit dezen echt, in het graafschap Zutphen opvolgde, maar,
kinderloos overleden zijnde, hetzelve aan zijn' halven broeder Gerhard
naliet; eindelijk, dat Otto door den Keizer in 1079 tot Graaf aangesteld is.
| | | |
Het bestaan van Otto van Nassau als Graaf van Gelre is een hersenschim. Men
heeft hem verward met Otto van Zutphen. Wat men van den Zutphenschen weet,
is op den Gelderschen toegepast, en van dezen is buiten
dat hoegenaamd niets te vinden. Stelt men ook, dat Otto van Gelre en Otto
van Zutphen één persoon geweest zij, dan zou Gerhard, die stellig in en na
1094 als Graaf voorkomt, zijn zoon geweest zijn, of niet - en in beide
gevallen stuit men op onoverkomelijke zwarigheden. Zeker is Otto niet uit
het huis van Nassau gesproten. Dit huis was nog niet aanwezig en in het jaar
1159 komen de Graven van Nassau het eerst onder dien naam voor. In de
archieven van Dillenburg en van Weilburg wordt niets gevonden, wat op de
afstamming der Geldersche Graven uit dit huis betrekking heeft, en de oudste
Schrijvers zwijgen er geheel van, ook zelfs van berchem,
wiens gezag wel eens tot staving der Nassausche afstamming aangehaald is. -
Volgens Pontanus hadden de oude voogden van Gelre of Heeren van Pont drie
mispelbloemen in hun wapen, en nam Otto, in plaats daarvan, den Nassauschen
leeuw aan. Van berchem stelt, dat het Otto III was, die
zulks deed. Maar ziet: vóór het einde der twaalfde eeuw vindt men geene
bepaalde teekens op de schilden der Vorsten, Graven en Heeren; veel min
erfelijke wapens bij hunne ministeriales; in de twaalfde
eeuw was dit gebruik nog persoonlijk en eerst in de dertiende eeuw werden de
wapens erfelijk. Maar daarenboven is van Graaf Otto (volgens van spaen Otto I.), van dien Graaf Otto, welke van 1182 tot 1207
regeerde, een zegel voorhanden van 1203 (afgebeeld bij bondam bl. 285. tab. I. No. 1 en 2), waarop men
duidelijk nog de mispelbloemen ziet; zoo ook van Graaf Gerard, zoon en
opvolger van Otto, van het jaar 1224 (ald. tab. II. No.
1). De zoon van dezen, ook Otto genoemd [volgens van
spaen Otto II.], die van 1229 tot 1271 regeerde, nam eene leeuw in zijn
wapen. Maar dit bewijst geen stamgenootschap met de Graven van Nassau, want
a) de gemeenschappelijke geslacht- | | | | wapens
werden uitgevonden lang nadat de scheiding der beide takken zou plaats gehad
hebben; b) zoo als Otto II. dien voerde, was het niet de
Nassausche leeuw, want daaraan ontbraken de klossen of blokken, die dezen
kenmerken. - Van waar dan die leeuw? Van het algemeen gebruik in dien tijd,
en misschien behoorde Otto tot het Leeuwenverbond, toen
aan den Rijn zeer magtig. - Eerst Reinald I vermeerderde het wapen met de
klossen of blokken, en Reinald II behield die, tot dat hij, Hertog geworden,
dezelve verwierp en eenen leeuw aannam met een kroon en dubbele staart. (Zie
de afbeeld. in bondam en in nijhoff,
Gedenkwaardigh. Deel I).
Niets bewijst alzoo deze geschiedenis der wapens voor de afstamming uit het
huis van Nassau, en het laat zich denken, dat dit sprookje uitgevonden is,
eene eeuw na het uitsterven van het eerste huis van Gelre, toen dit gewest
in handen van de Bourgondische Vorsten geraakt was en toen deze Adolf Graaf
van Nassau tot hunnen algemeenen Stedehouder aldaar aangesteld hadden.
Misschien geschiedde het om dezen te vleijen, en hij zelf kan geheime
drijfveren gehad hebben, om het niet ongaarne te zien. De blokken, door
Reinald I bij het wapen gevoegd, schoon daarna weêr achterwege gelaten,
kwamen hierbij regt te stade.
Dit tot weêrlegging van het oude gevoelen aangaande het bestaan van de zeven
erfelijke voogden en van Otto van Nassau, als eersten Graaf van Gelre. Een
oorspronkelijk handschrift uit het midden der twaalfde eeuw, afkomstig uit
de abdy van Kloosterrade, welks stichter stamgenoot was der Geldersche
Graven, geeft aanleiding om in plaats daarvan te stellen, dat een Graaf Gerard, in Vlaanderen, door overmagt aangevallen, zich
genoodzaakt zag te wijken, zich onder de gehoorzaamheid des Keizers begaf,
en door dezen met de opengevallen leenen van den in 1001 of 1004 overleden
praefectus Mengo of Megengoos, daaronder ook met
Wassenberg, beleend werd. Zeker is het, dat de nakomelingen van dien
Vlaamschen Graaf Gerhard Graven van | | | | Gelre waren en soms den
naam van Graven van Gelre gevoerd hebben; zeker is het ook, dat zij, schoon
een deel van Mengo's goederen verkregen hebbende, niet van hem afstamden.
Verbeurd verklaarde eigengoederen, opengevallen leenen (bij voorb. van den
beruchten Balderik in de Betuwe en in Teisterbant), ook graaflijk bewind
door opdragt van den Keizer, waarvan de sporen niet onduidelijk zijn, zullen
de eerste oorsprong zijn geweest der bezittingen van het Geldersche huis in
de Nederkwartieren. Deze Gerhard nu komt tusschen 1094 en 1117, in
verscheiden brieven, nu als Graaf van Gelre, dan als Graaf van Wassenberg, voor. In een' derzelve staat Henrik
Graaf van Zutphen als zijn getuige: dus waren toen die beide graafschappen
nog niet gescheiden, en reeds hiermede vervalt alles wat men aangaande Otto
van Nassau en zijne twee vrouwen verhaald heeft.
Hij werd opgevolgd door zijnen zoon Gerhard II, die
voorkomt van 1118 tot 1131. Deze huwde met Ermgard erfvrouw van Zutphen
(niet met eene dochter van Graaf Floris II van Holland), dochter van een'
Graaf Otto. - Hun zoon Henrik erfde Gelre van zijnen
vader, de heerschap Zutphen van zijne moeder. De vrouw van dezen heette
Agnes. Uit welk huis zij gesproten zij, weet men niet; maar men mag
veronderstellen, dat zij de Veluwe ten huwelijk bekwam als leen van Braband.
Henrik wordt het laatst genoemd in 1182. Zijn oudste zoon Gerhard, schoon
vóór den vader gestorven, komt echter voor als Graaf; dus niet van Gelre,
maar van de Veluwe, die hij van zijne moeder zal geërfd hebben, en waarover
hij ook, in 1178 of 1189, met den Bisschop van Utrecht verschil had. (Verg.
bild. II. bl. 62, 63.)
Otto I volgde onmiddellijk op zijnen vader Henrik in 1182.
De oorlog met den Bisschop, ter zake van de Veluwe, duurde nog voort, en hij
zelf had zich, als erfgenaam van zijnen broeder, in het bezit van dat
landschap gesteld, waarin hij door de uitspraak des Keizers Ao. 1196 (niet 1191) | | | | bevestigd werd, behoudens de
leenpligt aan Braband en achterleenmanschap aan Utrecht. Deze Otto huwde met
Richardis, waarschijnlijk dochter van Robert Graaf van Nassau. Hij stierf in
1206 of 1207. (Hij wordt ten onregte, door bild. Deel II.
bl. 69, Hertog genoemd.)
Zijn zoon en opvolger Gerhard III overleed in 1229. De
vrouw van dezen was Margaretha, dochter van Henrik Hertog van Braband.
Zijn zoon Otto II volgde hem op. Deze was het, die eenigen
tijd de voogdij bekleedde over Floris V Graaf van Holland. Hij vergrootte
zijn gebied aanmerkelijk, onder anderen door den burg van Nijmegen met
deszelfs aanhoorigheden van het Rijk in pand te nemen. Hij gaf in Gelderland
de eerste stedelijke regten. Hij was het, die het eerst, in plaats van de
mispelbloemen, den leeuw (ongekroond en zonder blokjes) in zijn wapen
voerde. Hij overleed in 1271, opgevolgd door den eenigen zoon uit zijn
tweede huwelijk,
Reinald I, na wiens tijd de opvolging genoeg bekend en aan
geen twijfelingen onderhevig is.
3) Vervolg van den brief van den Heer
i.a.n. 25 Mei 1833. (z. bl. 173).
‘De veelomvattendheid der wetenschap van B. in aanmerking genomen, durf ik
haast niet vooronderstellen, dat hij het werk van v.
spaen niet gekend heeft. Ik zou het anders daaruit vermoeden, dat hij
blootelijk den ouden dreun van pontanus opgeeft, zonder
zelfs v. sp. te noemen of tegen te spreken. Nog een ander
punt is er, dat mij ligtelijk in dit vermoeden zou bevestigen. B. zegt
namelijk, dat Drusus een dijk legde langs den Rijn (bl. 29). Van spaen legt dit (Inl. III. bl. 24 sqq.) geheel anders - mag ik
zeggen: beter? - uit. Drusus had het bekende kanaal gegraven. Maar nu moest
hij de rivier dwingen, om minder water door de Waal af te voeren en meer
water op den Beneden Rijn en dat kanaal te brengen. Hij leide daartoe | | | | een dam of kribwerk in de Waal, bij de scheiding der
riviertakken, even zoo als men in de voorgaande eeuw in den mond van het
Pannerdsche kanaal gedaan heeft. Civilis wierp naderhand dien moles omver. Zeer natuurlijk. Te Zantes geslagen nam hij eerst
naar Opp. Bat. (Nijmegen) de vlugt; maar door Cerialis op
de hielen gevolgd, stak hij die plaats in brand en vlugtte op het eiland.
Toen vernielde hij dat werk van Drusus en bewerkte daardoor dat de rivier
naar de Gallische zijde meer water trok, en dat Cerialis den overtogt moest
opgeven: in Rijn en IJssel verminderde het water en daar het midden in den
zomer was, kreeg de stroom dáár de gedaante van vast land. Alles letterlijk
volgens tacitus. Neemt men het oude gevoelen, van een
dijk, dan is alles onverstaanbaar(1).’
‘Veel heb ik uit dat eerste Deel geleerd; en niet minder genoegen deed liet
mij, op meer dan eene plaats te bemerken, dat B. dezelfde resultaten had
bekomen, b.v. ten aanzien van de leenen, de eigenhoorigheden en
diergelijken, waartoe ik zelf door de Charters, die onder mijn bereik zijn,
gebragt was, of die mij ten minste daaruit donker voor den geest zweefden.’
[Op latere en definitive aanvrage en aanzoek van mij, schreef de Heer N.d. 6
November 1849, mij nog het volgende:]
‘Zoo als ik in Mei 1833 geschreven heb, zou ik het nòg doen; en zoo gij
begrijpt dat het zijn nut kan hebben, dan | | | | mag ik lijden, dat
van bijgaanden brief gebruikt gemaakt wordt. Alleen verzoek ik, dat daarbij
de inleiding of aanhef niet over het hoofd gezien worde, waaruit blijkt, dat
ik niet als bediller of teregtwijzer van B. wilde optreden, maar mij alleen
tot referent stelde der woorden van van spaen.
‘Maar om de zaak nu niet ten halve afgedaan te laten, meen ik u ook te moeten
aanwijzen, waar ik in de beschouwing der latere geschiedenis van Gelderland,
op grond van oorspronkelijke bescheiden en onwraakbare getuigen, van B. moet
verschillen. Ook hierbij intusschen protesteer ik vooraf tegen de
beschuldiging van bedilzucht of pedanterie, want het is mij te wèl bekend,
1) dat B. bepaaldelijk de geschiedenis van Holland op het oog had en zich
aan die van Gelderland alleen even als ter loops liet gelegen zijn, en 2)
dat pontanus en slichtenhorst zijn
gidsen waren en hij blindelings volgen moest, waar die hem verkozen te
leiden.
‘Ter zake. - Volgens deel IV. bl. 203(1), kocht Karel van
Bourgondië het Hertogdom Gelre en Graafschap Zutphen van Hertog Arnold; deel
V. bl. 192 wordt nogmaals van dien koop gesproken en wel consentiente Imperatore cum agnatis: het was echter een
pand-overschrijving, maar waarvan ik meen in mijn Gedenkw.
deel IV. bl. cxxiii, het onbillijke, onregtvaardige en
krachtelooze aangetoond te hebben, - De aanleiding tot dat geval schijnt B.
eindelijk te vinden in het ongeduld van Adolf om zelf aan de regering te
komen en in de boosheid van zijne moeder: waarlijk het lag veel dieper, in
de zwakheid namelijk van Arnoud en in het verlangen der landzaten (edelen en
vooral steden) om | | | | deel aan de regering te hebben. Van daar
onophoudelijke worsteling van twee partijen (liberalen en
conservativen), eerst met mond en pen, daarna met de
wapenen; eerst onder zich alleen, daarna met inroeping van Bourgondië; tot
dat de eersten, door den op Gelderland loerenden Filips gesterkt, den
vurigen zoon van den flaauwen Vorst aan hun hoofd stellen en dien aanzetten
en helpen om den vader gevangen te nemen. Maar Karel volgde eene andere
staatkunde: hij omhelsde (zeker met gehuichelde vriendschap) de partij van
den gevangen, ellendigen Arnold, ontbood dezen en zijn zoon vóór zich en
deed, zoo als bijna vierdehalve eeuw later Napoleon met den Koning en den
Prins van Spanje. Gij ziet, de zaak krijgt op deze wijs een geheel ander
aanzien. De gronden voor deze beschouwing zijn uitvoerig ontwikkeld en
gestaafd in deel IV van mijn Gedenkw. en daarom meen ik
mij van de aanwijzing te mogen onthouden van de vele bijzonderheden, waarin
ik van het gestelde bij B. deel I. bl. 240, 241; deel IV. bl. 203-206; deel
V. bl. 192, 193 moet verschillen.
‘Maar enkele punten moet ik toch afzonderlijk aanroeren. 1) B. noemt, deel I.
bl. 240, Adolf van Bergen en Gulik, moet zijn: Adolf Hertog van den Berg; 2) “Keizer Sigismund
begunstigde zijn (namelijk Adolfs) mededinger.” - Neen, de Keizer beleende
Adolf den 24 Mei 1425. - 3) “Arnoud werd in 1433 in
den rijksban gedaan” - neen, dit had plaats den 17 Julij 1481. - 4)
“Frederic geeft in 1458 het verlei aan Gebhard den neef van Adolf” - neen,
Sigismund had Gerhard (niet Gebhard) Hertog van Gulik, broederszoon van
Adolf, den 13 September 1437 met het Hertogdom Gelre en Graafschap Zutphen
beleend; dit deed ook Keizer Frederik in Julij 1442 en kort daarop zond
Arnoud zijne gemagtigden op den rijksdag te Frankfort. - Deel IV. bl. 205.
Arnoud verkoopt - neen verpandt - “ten
overstaan van verscheiden Vorsten die den koop vrijwaren” - hiervan blijkt
niets - “voor 92,000 gouden florijns” - neen voor 800,000 gouden Rijnsche
guldens. - | | | | Dat Adolf op het kapittel der Orde van het
Guldenvlies tot eeuwige gevangenis veroordeeld en de handeling van zijn
vader met Hertog Karel gewettigd werd,’ zegt B. (verv. bl. 362); maar uit de
procesverbalen van de vergaderingen der Orde door reiffenberg uitgegeven, blijkt alleen, dat Adolf, schoon gevangen,
opgeroepen werd om het kapittel in Mei 1473 bij te wonen of zich daar te
doen vertegenwoordigen; dat hij (natuurlijk) in gebreke bleef hieraan te
voldoen, en dat dit bij besluit van het kapittel geconstateerd werd. Hij
bleef Karels gevangene, maar niet volgens een vonnis van het kapittel,
hetgeen ook niet behoefde; en behield zijn plaats en rang in de Orde tot aan
zijnen dood. - Deze laatste aanmerking betreft ook deel IV. bl. 362, waar
reg. 13 Adolf wel een drukfout zal zijn voor Arnold; - ald. bl. 229. ‘Weldra werd Graaf Frederik in Meurs’ enz.
neen, dit had veel vroeger plaats, namelijk in 1472.
‘Eindelijk moet ik u nog doen opmerken, dat de geslachtlijst door B. Deel V.
bl. 192 medegedeeld, geheel foutief is. - De zaak was aldus:
‘Het onderscheid is groot, en de redenering door B. op zijne genealogiën
gebouwd, verliest dus haren grondslag: zoo ook op bl. 106.’ - Dus verre de
Heer i.a.n.
Wat er verder in de latere jaren geschreven is over de vroegere en latere
Geschiedenis en regeering van Gelderland, is te vinden of vermeld in de Bydragen van den Heer nijhoff. Doch in
het bijzonder moet ik, met ge- | | | | noegen en dank, opmerkzaam maken
op den vlijtigen en verdienstelijken arbeid van Mr. g.a. de meester te Harderwijk: De Staten van
Gelderland, onder het licht der Geschiedenis: ‘waarover eene
verhandeling in zeven afdeelingen, die achtereenvolgelijk in de Nederl. Jaarboeken voor Regtsgeleerdheid en Wetgeving, Deel VIII
tot XII (1845-1849) opgenomen zijn.’ z. nijhoff's
Bijdragen VII D. (3 st.) Aankond. bl.
117. - Jammer evenwel, dat dit doorwrocht en nuttig werk verspreid ligt in
zeven stukken van vijf jaren van een kostbaar Tijdschrift - en dat althans
dat Tijdschrift niet is dat van den Heer N., bepaaldelijk aan de
Nederlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde gewijd.
Een schat van zaken tot de Geschiedenis van Oudheden van Gelderland (doch ook
van zulke die tot de Palts betrekking hebben) is
opgeteekend in ‘roberti keuchenii, Scriptoris Arnhemiensis, Gelria illustrata, sive rerum in Gelria
memorabilium, ut et civitatum, arcium, dominiorum, monumentorum,
coenobiorum, pagorumque nobilium descriptio poëtico-historica
(etc.)’ twee deelen of portefeuilles in folio-formaat, waarvan aan mij, in
het j. 1825, de inzage beleefdelijk is vergund geweest door den toenmaligen
Agent van Kerkelijke zaken, keuchenius in 's Gravenhage.
- Over robertus keuchenius, den poëtico-historicus, in
zijnen tijd een geacht Geleerde doch jong gestorven; kan men zien saxe, Onom. P. V. p. 89, 90; hoeufft, Parn. poët. p. 188; en d.j. van lennep, Ill. Athen. Amstel.
memorab. p. 155-157 en de Schrijvers bij hen aang. Z. ook bouman, Gesch. der Geldersche
Hoogeschool, IIe D. bl. 22. - De Gelria illustrata MS. is ook gezien door Prof. d.j.
van lennep, die zegt p. 156: ‘in quo opere historica
equidem praeferenda censcam poëticis.’ - Onze Bibliotheek der
Maatschappij van Nederl. Letterk. bezit er ook een afschrift van. Z. Catal. Ie D. bl. 74.
| | | |
Gelijk voor de Vereenigde Nederlanden in het algemeen, zoo mede in het
bijzonder voor die van Gelderland, heeft de Bibliotheek
der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde, te Leiden, een niet
onaanzienlijken voorraad van bouwstoffen; bruikbaarder dan die van andere
welligt rijker verzamelingen, om dat van deze boekerij een zeer naauwkeurige
systematische Catalogus voorhanden is, en de boeken
zelve in het locaal in die orde gerangschikt zijn. Zoo zie men in dien
Catalogus (Leiden, bij Luchtmans, 1847)
over de Geschiedenis en Oudheden, het Staatsrecht en Staatsbestuur enz. der
Vereenigde Nederlanden in het algemeen, IIe D. bl.
25-105 en bl. 569-587: en over Gelderland in het
bijzonder, ald. bl. 109-117 en bl. 287 en v.
| |
Utrecht. (Bladz. 244-248).
Over dit gewest heb ik tot aanvulling voornamelijk slechts te verwijzen naar
de zorgvuldig bewerkte Geschiedkundige beschouwing van het oude
Handelsverkeer der stad Utrecht, van de vroegste tijden af tot aan de
XIVde Eeuw, door Jr.
Mr. h.m.a.j. van asch van wyck,
Utr. 1838-1842, drie stukken; en tot de rijke
verzamelingen van bouwstoffen voor het oudere, in het Archief
voor Kerkelijke en Wereldsche Geschiedenissen, inzonderheid van
Utrecht, uitgeg. door j.j. dodt
van Flensburg, te Utr. 1838 en
vervolgens, 10 Deelen in quarto; en voor het vroegere en latere beide, tot
het Tijdschrift voor Geschiedenis, Oudheden en Statistiek van
Utrecht, door en bij n. van der monde, Utr.
1835-1843, jaarlijks één Deel; daarna, onder eenigzins weidscher titel,
voortgezet door Dr. p.j. vermeulen,
Archivarius der Provincie. Ik mag er bijvoegen den Utrechtschen Volksalmanak onder de kundige redactie van
den Uitgever-zelf, l.e. bosch. - Veel meerdere vindt men
genoemd in den Catalogus der Maatsch. v. Nederl. Letterk.
| | | | IIe D. bl. 144-150, en bl. 594. - Er
ontbroekt nog, de verdienstelijke Academische Verhandeling de
Potestatis Civilis Episcoporum praecipue Trajectinorum in regno
Francorum initiis atque incrementis, van m. de
kock, Traj. ad Rh. 1838, pagg. 197, 8o. - Het merkwaardig Verslag aangaande de Archieven der
Provincie en der voormalige Vijf Kapittelen te Utrecht, gedaan aan de
HH. Gedeputeerde Staten van dit Gewest, door den Archivarius, Dr. p.j.
vermeulen, Utr. 1850, 77 bl. gr. 8o. kon nog niet
vermeld worden. aant.
| |
Overijssel. (Bladz. 248, 249.)
Ook hierover handelt, wat aangaat het geographische, de doorwrochte
Academische Prijsverhandeling - waarvan men ook moet zeggen: coup d'essai, coup de maître - van den Heer j. van
doorninck (thans Archivarius der Provincie), de
antiquis Frisiae terminis; van welke de Heer i.a.n. een goed verslag heeft gegeven in het Eerste Deel zijner Bijdragen, in de Aankondigingen enz. bl.
57-78. Ook onderscheidene verhandelingen in den Overijsselschen
Almanak voor Oudheid en Letteren, 1826 en vervolgens; en wat er
verder vermeld is in den aangeh. Catal. der Maatsch. v. Nederl.
Letterk. IIe D. bl. 157-160 en 595. Ook nog de
Diss. inaug. de regimine Provinciae Transisalaniae, L.B.
1817, van l. Grave van rechteren en
Limpurg, (in den Index van dodt's
Repertorium verkeerdelijk geplaatst op de L.)
| |
Drenthe. (Bladz. 249.)
Hieromtrent heeft zich in de laatste jaren vooral verdienstelijk gemaakt de
Archivarius der Provincie, j.s. magnin, door zijn Geschiedkundig Overzigt van de Besturen die, vóór de
herstelling van Nederland in 1814, elkander in Drenthe
zijn opgevolgd; - de voormalige Kloosters in Drenthe, geschiedkundig
beschouwd; enz. Ook zijn er Oud- | | | | heid- en
Geschiedkundige bijdragen in den Drentschen Volks-Almanak. Z. verder Catal. Maatsch. v. Letterk. IIe D. bl.
168, 169 en 596. - en nu zeg ik met bilderdijk: ‘Zie
voorts Groningen.’
| |
Groningen. (Bladz. 250, v.)
Monumenta Groningana veteris acvi inedita, of Verzameling van
onuitgegevene oude Charters en Stukken betreffende de Provincie
Groningen (enz.) door Mr. r.k.
driessen, te Gron. 1822-1830, vier stukken gr.
8o. - n. westendorp, Jaarboek van en voor de Provincie Groningen, 2 stukken, Gron. 1829, 1832, gr. 8o; tot het j.
1493. - Prof.
a. ypey en Mr. h.o.
feith, Oudheden van het Goorecht en Groningen,
(enz.) Gron. 1836. zie i.a.n. in zijne Bijdragen Ie D. Aankond. bl.
113-127.) - Groninger Volks-Almanak, sedert 1837 - en andere in den Catal. Bibl. Maatsch. v. Letterk. IIe
D. bl. 160-167 en bl. 596. - Voorts Dr. r.
westerhoff, de Kwelderkwestie nader toegelicht.
Gron. 1844 (enz.)
| |
Friesland. (Bladz. 251-256.)
bilderdijk vermeldt in dit werk niets van de oude Friesche
verhalen van ocko scarlensis, vlytarpius, en andreas cornelius, aangaande het Heidensche en mythische
tijdperk der Friesche Geschiedenis. Intusschen heeft de Heer arend een goed werk gedaan, met ook daarvan een kort overzicht te
geven in zijne Alg. Geschiedenis des Vaderlands, Ie D. bl. 309-318. Hij zegt te recht, bladz. 308, ‘dat hij meende aan zulk een overzicht een plaats te
moeten inruimen, dewijl velen aan deze verhalen een onbepaald geloof gehecht
hebben, en anderen daaraan niet volstrekt alle
geschiedkundige waarheid, ofschoon in verdichtselen bedol- | | | | ven,
wilden betwisten(1). Zij verdienen daarenboven,
evenzeer opgenomen te worden in de Geschiedenis van Friesland, als de fabel-
of heldeneeuwen der Hellenen in die van Griekenland.’
Hierboven bl. 109 had ik gezegd, over den beruchten vrijheidsbrief der
Friezen, toegeschreven aan Karel den Groote, en in allen gevalle, 't zij dan
gelegitimeerd of geadopteerd door Graaf Willem II als Roomsch Koning (z. bl.
154) nog iets te zullen bijvoegen. Liefst doe ik dit met de woorden van den
geleerden Frieschen Geschiedvorscher hettema, (wien ik
reeds boven bl. 109 vermeldde) in een schrijven, aan mij van d. 23 November
1849.
‘Omtrent het overzigt van bild. over de Friesche zaken en
over den vrijheidsbrief, weet ik niet beter te doen dan UEdnaar mijne Ms.
Verh. over den Upstalboom [z. bl. 109] en naar die over de Friesche
vrijheid, geplaatst in den Frieschen Volks-Almanak voor 1847, te verwijzen.
Ik wil UEd. evenwel gaarne deze mijne algemeene beschouwing mededeelen.
‘De Friezen hebben zich reeds vóór de Saksers aan Karel onderworpen, en het
contract door de Saksers met Karel gemaakt (ik meen in 801) is, zoo ik onze
oude Friesche wetten inzie, gemodeleerd op het toen reeds bestaande
Friesche.
‘De Friezen hebben Karel onder de voorwaarden, in die oude wetten te vinden,
als hunnen Heer aangenomen. Hij mogt op zekere tijden zijne Gerentes of
Graven daarnaar toe- | | | | zenden om de Huslocha en de boeten in te
nemen en verder de onafgedane verschillen te behandelen, voor zoo verre zij
dit niet onderling hadden kunnen doen. Dab tijdstip was, eenmaal, van
Paschen tot Pinksteren, de Graaf moest dan van de zuidzijde inkomen O.F.W.
II. § 1. Het Charterb. I, 136 heeft ‘door het water Suitvinde genoemd’ (d.i.
de Zuidelijke bocht) bij Staveren, doch men lette er op, dat dit het
Graafschap Staveren, en niet Oostergo en Westergo betrof: want de reis van
daar naar Franeker wordt daar verder opgegeven en gaat zuidwaarts en waarom?
in tegenoverstelling van de nordera grimma Lerna, de
noordsche macht, de Noordkoning.
‘Deze Graaf mocht niet in Friesland wonen; en de ambtenaren, zoo als de
Schout, Azega en Frane, moesten Friezen zijn en hunnen eed voor den Koning,
d.i. den Heer, den Keizer, eerst gezworen hebben, nadat zij eerst door het
volk gekozen waren. Toen nu de Keizer zijne Graven zond, begonnen deze met
ter tijd naar meer aanzien te streven en wilden meer regt, dan hun toekwam,
uitoefenen: doch dit werd altijd door de Friezen zoo veel mogelijk te keer
gegaan; en hetwelk het Graafschap Oostergo en Westergo - want dit zijn twee
goën in één Graafschap - het langst heeft volgehouden; terwijl dat van
Staveren, voor zooverre het toen door de Zuiderzee van het tegenwoordige
West-Friesland was afgescheiden, doch te zamen het Graafschap Staveren
uitmakende, zich vroeger meer genegen toonde en uit nood moest onderwerpen.
‘Bild. schijnt dit verband niet gekend te hebben; want hij
spreekt van Stavorendeel, dat nergens bekend is, of
geweest is: het was wel een deel van het Graafschap Stavoren, waarin de stad
Stavoren lag, waarnaar het schijnt genoemd te zijn geworden.
Het ontstaan der Zuiderzee schijnt aan dit gedeelte van dat Graafschap
aanleiding gegeven te hebben om zich zoo veel mogelijk aan de Graven van
Holland te onttrekken en zich nader aan Oostergo en Westergo aan te sluiten;
doch | | | | zij onderwierpen zich telkens wanneer de Graven hun een
bezoek brachten(1).
‘Omtrent den Giftbrief zie men de Verh. over de vrijheid der Friezen en
vooral wiarda daar aangehaald, die dit alles zeer
uitvoerig behandeld heeft. De hulp die de Friezen aan Karel en den zijnen in
de oorlogen bewezen hebben, hunne ligging met betrekking tot de invallen der
Noormannen in Karels Rijk, hunne vroegste naauwe betrekkingen tot die
Noormannen, schijnen veel te hebben bijgedragen om aan hen eene zoo vrije
regeeringsvorm toe te staan.’
Doch om nog vollediger te zijn, en tevens blijk te geven van onpartijdigheid,
voeg ik hier nog in het volgend opstel uit het Mengelwerk van de Leeuwarder Courant, d. 25 Junij 1833, aldaar geteekend
v.H. Ik vond het onder mijnen apparatus; en den Schrijver
ligtelijk gissende, vroeg ik Mr. a. van
halmael jr., of hij er sedert ook ergens elders
gebruik van gemaakt had; en of hij anders er ook tegen had, dat ik het nog
in mijne Nalezingen opnam? Hij antwoordde mij (d. 16 October 1849): ‘het
bewuste stuk is nergens anders gedrukt, en zeker zou het mij zeer aangenaam
zijn, indien gij het in uwe Nalezingen op het werk van B. geliefde op nieuw
te doen afdrukken, wanneer gij het daartoe van genoegzaam belang keurt.’ -
Inmiddels is de kundige en vlijtige man overleden - en zij deze plaatsing
tevens een gering blijk mijner hoogachting voor hem.
Waren ooit de Graven van Holland, rechtens Heeren van
Friesland?
't Zal den Lezer bekend zijn, dat wij bereids in twee der Jaarboekjes,
uitgegeven door het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en
Taalkunde, te weten: in die voor | | | | 1831 en 1833, aangevangen
hebben een kort Overzicht van de geschiedenis van Friesland te leveren, hetgeen wij hopen allengskens voort te zetten,
zoo de Hemel ons tijd en krachten geeft. In § 5 van het tweede tijdvak (Jierb. f. 1833, XV, XVI,) zeiden wij:
dat het eene fabel is, dat de Friezen Keizer karel
den Grooten Rome hebben helpen innemen; eene fabel, even
valsch als de welbekende Bulle van dien Keizer en de daarin vervatte
instelling van het Potestaatschap; dat evenwel die Bulle scheen versierd te
zijn geworden vóór den tijd van den Graaf van Holland, willem ii, Roomsch-Koning, aan wien zij door de Friezen als een echt stuk is aangeboden geworden, en die
haar, benevens de daarin vervatte voorrechten, bekrachtigd heeft. - En
(voegden wij er bij) sedert die bekrachtiging, hebben de Friezen zich met recht (dunkt ons), ten einde hunne vrijheden
staande te houden, op haar beroepen, ofschoon dan ook willem den Brief van karel niet in den zijnen heeft
laten invloeijen.
Wij konden dáár de bewijzen, voor hetgeen wij er stelden ten opzichte van het
aanbieden der Bulle aan den Roomsch-Koning enz., niet geven, evenmin als wij
die, voor eenige hoegenaamde andere stelling in ons Overzicht, aanbieden
mochten. Dat ware met den aard en de bedoeling van ons Overzicht strijdig
geweest. Hier echter willen wij dit met een enkel woord doen.
Wij beroepen ons dan, in de eerste plaats, op den kundigen en ijverigen van wijn, in zijne Bijvoegsels en
Aanmerkingen op de Vaderlandsche Historie van
j. wagenaar, 1e stuk, bladz. 107 en
volgende; en, in de tweede plaats, op den niet minder kundigen a. kluit, die, in zijne Historie der Hollandsche
Staatsregering, tot aan het jaar 1795, Ve Deel,
bladz. 52 en volgg., het, zoo niet zeker, toch hoogst waarschijnlijk gemaakt
heeft, dat voorzegde Bulle is bekend geweest aan den Dichter en
Geschiedschrijver maerlant, den tijdgenoot van den
bekenden melis stoke, (de eerste een Vlaming, de tweede een Hollander,) en alzoo vóór
1300 bestond.
De Bevestigingsbrief van den Roomsch-Koning is van het uiterste belang, omdat
dezelve Roomsch-Koning ook Graaf van Holland was, en
alzoo, in de eerstgenoemde waardigheid, zijne eigene rechten en aanspraken
als Graaf van Holland, voor zooverre die niet met de Bulle
van karel (of liever met het hem aangeboden - echt of
onecht - stuk) overeenkwamen, te niet deed, zoo voor zich (natuurlijk) als
voor zijne | | | | opvolgers. Wij herhalen dus ook nu: sedert 1248
hebben de Graven van Holland geen het minste recht op de
heerschappij over Friesland meer gehad, tenzij de Friezen hen, of een hunner, vrijwillig tot Potestaat
hadden willen kiezen, of gekozen hebben.
Maar hoe brengt men dien Voorrechtsbrief van willem
overeen met den brief van sicke sjaerdama, te vinden in
de Chronijck van winsemius, fol. 169?
Wij mogten, eerstelijk, antwoorden: daar die brief een valsch stuk schijnt,
is er geene overeenbrenging noodig; merkende wij echter aan: dat de
valschheid van dat stuk niet volgt uit de jaarteekening bij winsemius, duysent twee hondert negen en dertich, - daar het, uit
het op den anderen kant der aangehaalde bladzijde gestelde jaartal 1248,
genoegzaam blijkt, dat derticht eene drukfeil is en dat
men veertich lezen moet; iets, dat (voor zooverre wij
weten) tot nog toe door niemand, die van dezen brief gewag gemaakt heeft, is
opgemerkt geworden; ook niet door den voortreflijken a.
ypey, in zijne Geschiedenis der Nederlandsche Taal,
in 't onlangs uitgekomen tweede deel, bl. 318.
Ten tweede, vragen wij: kon de Roomsch-Koning den brief, op welken die van
sjaerdama (zoo hij echt is) een antwoord is, niet
geschreven hebben in de hoop dat de Friezen, schoon
daartoe onverplicht, hem, door bemiddeling van sjaerdama,
en behoudens vergoeding door hem aan dezen en aan zijne nakomelingen te
schenken, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen?
Ten derde, vragen wij: kunnen beide brieven niet gezien hebben op de Noord-Hollanders of op eenigen hunner? - Deze Noord-Hollanders toch kon en mocht willem als
zijne onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn Voorrechtsbrief
alleen de Friezen tusschen het Flie en
de Lauwers (of altoos slechts die Friezen, welke ten westen door het Flie begrensd
werden,) betrof; en sjaerdama kon evenzeer die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende,
aanmerken, daar zij toch van oudsher Friezen geweest
waren, en der Hollandsche heerschappij zich niet onderwerpen wilden.
Maar vóór 1248? hoe is het daarmede?
Wilden wij de meening omhelzen van den uitmuntenden bilderdijk, dan zouden wij kunnen zeggen: dat, ofschoon de Bulle van
karel
den Grooten onecht is, de overleveringen toch genoegzaam
bewijzen, dat die Vorst uitstekende voorrechten aan de Friezen verleend heeft; en zelfs, aller- | | | | waarschijnlijkst,
hun het recht, om zich door niemand te laten beheeren, dan door den genen
dien zij zelve daartoe kozen, heeft toegekend; zie hem, in zijne Geschiedenis des Vaderlands, inzonderheid I, 88 en volgg.
Maar dit behoeft niet en wij gelooven het niet. Wij ontkennen niet, gelijk
bilderdijk zegt (I, 205) dat de Friezen doen, ('t geen hem trouwens zou te bewijzen staan,) dat Friesland van ouds door Graven is bestuurd geworden. Wij
hebben integendeel, in ons Overzicht (Jierb. f. 1833, § 4,
IX,) gezegd: dat het ons toescheen, dat ons tegenwoordig Friesland, waartoe toenmaals (naar onze meening) de beide Stellingwerven niet behoorden, door karel
den Grooten in drie Graafschappen was verdeeld geworden;
en wat wij daar, van de macht dier onderscheidene Graven, van hunnen
onderlingen rang, en van hun onderworpen zijn aan éénen Hertog gezegd
hebben, mag men, des verkiezende, nalezen. Maar die Graven waren geene
Heeren van Friesland, gelijk de Hollandsche Graven het van
Holland waren. Op zijn vroegst heeft in 863 (bilderd., I, 191,) Holland zijnen
eersten Graaf bekomen. Werd die Graaf (dirk i) ook met
Friesland tusschen het Flie en de
Lauwers begiftigd of beleend? Om deze vraag met ja te
beantwoorden, neemt bilderdijk, (wiens Geschiedenis des Vaderlands - alleen tot dit ons geschrijf
aanleiding gegeven heeft,) zich op zijne aardrijkskundige hypothesen niet verlatende, zijne toevlucht tot zekeren Graaf gerolf, die, in het jaar 839, van Keizer lodewijk
den Vromen (bij hem lodewijk
de Godvruchtige genoemd) goederen in Westra-cha (d.i. Westergoo, - wat wij aannemen
willen,) verkregen had; en daar deze gerolf ook vrij
waarschijnlijk voor een der Graven van Holland, en voor
een van de voorvaderen der latere Graven uit het Hollandsche Huis te houden
is, hebben zijne nazaten dus altijd Friesland als het
hunne beschouwd (I, 204 en 205.) Doch, zoo de waarschijnlijkheid voor
zekerheid gelden kan, en zoo derhalve de Graven van Holland zich voor Heeren van Friesland, door
erfrecht, gehouden hebben, (Graaf dirk v wendde het over
eenen anderen boeg, en zweeg van gerolf,) moet die gift
aan gerolf toch rechtmatig geweest zijn; en dat zij dit
geweest is, ontkennen wij. - Wij ontkennen het niet alleen, omdat dat
wegschenken van Landen, of het beleenen van Grooten met Landen, welke aan
niemand dan aan den Duitschen Keizer onmiddelijk onderworpen waren, (en die
Keizer liet ze door zijne Graven slechts besturen,)
strijdig met het Recht | | | | der Natuur en der Volkeren is; - om dat
het geheele Leenrecht eene uitvinding en aanmatiging der dwingelandij is,
waarom ook de Friezen, in het algemeen, zich daaraan nooit
hebben willen onderwerpen; - maar ook om dat het recht van karel
den Grooten-zelven en dat van zijne Opvolgers, op Friesland, nooit iets anders geweest is dan een recht der
overwinning (jus victoriae), gelijk bilderdijk dan ook eindelijk (I, 235,) te kennen geeft, dat het
eigenlijk dat recht is, waarop zich de aanspraken der Graven van Holland gegrond hebben.
Maar eilieve! of ook soms een gedeelte van Friesland (ja,
het mocht geheel Friesland zijn) door de Graven van Holland is veroverd geworden, ook vóór den tijd van willem ii; vernietigde dat veroveren, de grond van het
recht der overwinning, het recht der overwonnenen van het hun opgelegde juk
wederom af te werpen, zoo zij 't vermochten? Niemand zal ja zeggen durven -
al waar het alleen om der gevolgen wille - of kunnen. Alzoo hadden van den
tijd van karel
den Grooten, die Friesland overwon, en
daarop alléén zijn recht op Friesland grondde, af, de Friezen liet recht, van de hun opgedrongen heerschappij te
verzaken, (meenen wij,) even als de Grieken die van den
Despoot van Constantinopolen, en wij in 1813 dat van den
nog grooteren Despoot napoleon; 't geen te bewijzen was.
-(1)
Er is, na het herstel des Vaderlands, en vooral ook na het herstel van de
zelfstandigheid van Noord-Nederland, bij de Friezen een loffelijke geest
ontwaakt, van nationaliteit voor hunne land-eigene Taal-
en Letterkunde en vooral ook Geschiedenis en Oudheidkunde. Loffelijk ook
vooral, omdat hij niet leidt tot bekrompen provincialismus, en niet te kort doet aan hunne (bij verre de meesten)
vrijzinnige denkwijs en levendigen Staatsburgerzin als Nederlanders. Het
Friesch Genootschap collectif, en velen van deszelfs
leden, maken zich verdienstelijk, door afzonderlijk in het licht bezorgen
van | | | | oudere werken, en door min of meer uitgewerkte
verhandelingen in het Tijdschrift de Vrije Fries en de
Friesche Jaarboekjes en Volks-Almanakken.
Voorts zie men wat de Bibliotheek der Maatschappij van Nederl. Letterkunde
ten deze aanbiedt, in haar Catalogus II D. bl. 150-157 en bl. 594, 595.
| |
Zeeland. (Bladz. 256-282.)
Met Zeeland ben ik minder gelukkig geweest, dan met Gelderland. Mijn
doorkundige Vriend, wiens vrijmoedige critiek en, waar 't noodig was,
terechtwijzing van B., ik had ingeroepen, ontschuldigde zich, wegens gebrek
aan tijd bij veelvuldige bezigheden, en daartegen het uitgebreide van de
taak. ‘Zes en twintig bladzijden druks; en wat staat er niet al op die
bladzijden, in letters en in zaken! Bijna alle de punten, die duister en
voor verschillende inzigten vatbaar zijn, worden er in aangeroerd; en
hetgeen eigenlijk de moeilijkheid maakt, is het onbestemde van vele van B.'s
redeneringen over een aantal Geographische, Historische en Politische
punten, die meestal zonder tijdsorde of zigtbaar verband onder elkander
behandeld zijn. Het zijn dan ook meer schetsen en pro
memoria's, 't zij tot breedere mondelinge voordragt of tot nadere
overweging, dan uitgewerkte punten. Zoo als het daar staat, valt er niet
veel bij op te teekenen of tegen te spreken zonder telkens in opzettelijke
behandeling van het aangegevene punt te treden.’ - Ik moet mij dan bepalen
tot hetgeen ik vind in de meermalen aangehaalde Beoordeelingen van de HH.
de wind en dresselhuis.
| |
Bladz. 257. ‘Zeeland is een bloot nomen appellativum, even als bergland’ (enz.)
Hiermede schijnt de Heer dresselhuis, in den Vriend des Vaderl. VII D. (1833) bl. 295, zich te kunnen ver- | | | | eenigen, mits er bij in aanmerking kome het verwante denkbeeld
van zieden, sale, zout (wat uit zeewater bereid wordt);
‘gelijk ook het zoutzieden, voorheen in Zeeland zoo sterk gedreven, eeuwen lang onder den naam van sel-neering bekend was.’
| |
Bladz. 281, 282. ‘'t Leen van Zeeland - geen Graven van
Walcheren meer.’
Ik kan hier slechts in het algemeen verwijzen naar de zorgvuldige
ontwikkeling dezer stellingen door den Heer dresselhuis,
in den Vriend d. Vaderl. 1833 bl. 861-868; (alwaar ook nog
over Sunnemere en Fortrappe - bov. bl.
124, v.) Doch men z. ook de wind, in de Letteroef. 1833. bl. 390.
| |
Bladz. 281. r. 11. v. ond. ‘Kluit deraisonneert hier.’
Elk wie er belang in stelt, de verwikkelde middeleeuwsche leenbetrekkingen
van Zeeland met Vlaanderen, Holland, enz. na te gaan, maakt dankbaar gebruik
van kluit's doorwrochten arbeid in zijne beide Excursus bij de Hist. Crit. Com. Holl. et
Zeel. T. I. Exc. IV. de Walacriae infeudatione
(p. 56-69) en vooral Exc. VII. cle nexu feudali inter
Flandriam [et Holl.] et Zelandiam
(p. 100-394), (terwijl aan kluit voorgearbeid was door
p. paulus, Diss. de origine, progressu
et solutione nexus feudalis Flandriam inter et Zelandiam. Lugd.
Bat. 1775). Zoo mede bild., gelijk uit menige aanhaling
blijkt. Een scherpe uitval van B. tegen kluit moge
onhoffelijk zijn; doch men moet in het oog houden, dat B. geen leerling van
kluit was, maar van pestel,
tusschen wien en wiens intime school aemulatie - ja wel
iets meer - bestond tegen kluit, die in 1779 naar Leiden
beroepen was, ‘ter bekleeding van den nieuw opgerigten leerstoel der
Vaderlandsche Oud- | | | | heden en Geschiedenis, in 't bijzonder der
Diplomatische, voor de Vereenigde Nederlanden’(1). Pestel, sedert 1763 hier het Jus
Publicum onderwijzende en, gelijk menige grondig bewerkte Academische
Verhandeling sedert dat jaar aantoont, het Nederlandsche Staatsrecht (in
onscheidbaar verband met de Staatkundige Geschiedenis) geenzins
verwaarloozende, moest natuurlijk het toewijzen van dat bijzonder vak aan
kluit, aanmerken als een demembrement en defalcatie van zijn terrein. Bilderdijk zegt ook ergens, de lessen van kluit niet gehoord te hebben. Kluit, hoe
geleerd en ijverig ook, was geen Jurist: Bilderdijk had
onder pestel bijzonder ook het leenrecht vlijtig
beoefend. Ook na en ondanks de aankomst van kluit, gaf
pestel het Vaderlandsche Staatsrecht geenzins op:
getuige zijne voor dien tijd hoogst verdienstelijke Commentarii
de Republica Batava(2), en verscheidene
Academische verhandelingen. Weshalve het zooveel te noodiger is, bij de
veelvuldige, veelal zeer uitgewerkte Dissertatiën over de
vroegere en latere Nederlandsche | | | | Staatsgesteldheid en
Staatsrecht, aan de Leidsche Academie, te onderscheiden, welke uit de resp. scholen van pestel en van kluit zijn. Gelukkig, dat dit zeer gemaklijk te
onderkennen is; alzoo kluit zelf, kort voor zijn treurig
omkomen, eene lijst van al de Academische Dissertatiën, die hij erkende als
onder zijne leiding en in zijnen geest geschreven, in druk gegeven heeft in
den Recensent o.d. Rec. 1806, bl. 553-556; welke lijst nu
mede te vinden is in nijhoff's
Bijdragen, D. II. bl. 196-200.
Over Zeeland in het algemeen, en deszelfs bijzondere
deelen, zie men de literatuur in den Catalogus van de Bibl. der
Maatsch. v. Nederl. Letterk. II. bl. 139-144 en 593.
| |
Brabant [en Antwerpen] (bl. 282-286), Limburg, Luxemburg, Artois
(bl. 287), Namen, Luikerland (bl. 288).
Over al deze gewesten heb ik slechts (gelijk ik bij de vorige gedaan heb) de
literatuur op te geven uit het Geschiedkundig gedeelte van de Bibliotheek
der Maatschappij van Nederl. Letterkunde.
Men zie dan in dien Catalogus, over Braband, inzonderheid
Noordbraband, Deel II. bl. 106-109, 587 v. - [Over Drenthe, bl. 168, 169.] - Over Nederl. Limburg, bl. 170, 596 v. - Over Belgisch Limburg, bl. 600. - Over de Belgische Nederlanden in het algemeen, bl.
175-177, 596. - Over Zuid-Braband en Antwerpen, bl. 177 v. 598. - Over Vlaanderen,
bl. 179-182, 599 v. - Over Henegouwen, bl. 182. - Over Luik, bl. 183.
Doch neen! - Eerst onder het schrijven dezer Nalezingen heb ik ter hand
genomen de Aloude Geschiedenis der Belgen of
Nederduitschers, door Mr. p. blommaert, uitgegeven
te Gent, 1849, VIII. en 450 bladz. gr. 8o; en dit werk
zoo belangrijk bevonden, vooral ook voor hetgene | | | | als algemeene
inleiding der Nederlandsche Geschiedenis door bilderdijk
in de daad te kort behandeld was, dat ik mij gehouden rekene de aandacht der
Noord-Nederlandsche beoefenaars en beminnaars onzer Lands- en
Volksgeschiedenis met aandrang op dit kortbondig werk te vestigen. Vooral
ook op hetgeene zij hier bl. 50-99 zullen vinden ‘over de Oud-Nederduitsche
volkerschappen, en de landverdeeling onder de Romeinen en vóór en tijdens de
Kaerlingen’; - en op bl. 425-446 over de bijzondere gewesten van Henegouwen, Braband, Namen, Luxemburg, Limburg, Luik en
Gelderen (Kleve en Gulick), Holland,
Vlaanderen, zeer tot aanvulling strekkende van B.'s karig bescheid
over de Zuid-Nederlandsche.
__________
Hiermede is dit Eerste Deel in zoo ver afgehandeld; doch terwijl de druk,
eindelijk eenmaal aangevangen, wegens onderscheidene niet geheel van mij
afkomende belemmeringen langzaam voortgaat, heb ik aanleiding gekregen tot
eene na-Nalezing van het reeds geschrevene en gedrukte; en
liever dan met de uitgave daarvan te wachten tot het einde van al de nadere
Bijvoegselen op de XII Deelen, geve ik ze hier vooraf; daarbij invlechtende,
gemerkt met ( ), een paar nadere, mij nog voorgekomene aanmerkingen bij den
text van B. zelf.
Derhalve -
| |
Hierboven (D. XIII) bl. 78. reg. 19, achter ‘af:’ - claudatur parenthesis!
Bl. 82. reg. 2 v. onder. ‘wijdloopige aanmerkingen op
een gedeelte daarvan.’
Ik heb die naderhand nog nagegaan, of ik er iets uit bijbrengen kon - doch ik
vond slechts allerlei berispingen en uitvallen, van luttel of geen
historische beteekenis.
| |
| | | |
Bladz. 88. ond. aan: ‘eene prijsvraag - ondergaan had.’
Eene prijsstof van gelijken aart is door de Tweede Klasse van het Kon.
Nederl. Instituut in 1822, en daarna herhaaldelijk opgegeven; doch is niet,
of niet ten genoege, beantwoord. Zie het Verslag van de
openbare Vergadering der Tweede Klasse van het K.N.I. 13 Nov. 1828.
bl. 20 en v.
| |
Bl. 90. r. 2, 3. ‘Oproeping.’
Waaraan, gelijk de Heer v.d. B. mij betuigt, door niemand
gehoor is verleend(1).
| |
Bladz. 94. ‘Janssen's Redevoering:’
Thans op nieuw afgedrukt in nijhoff's
Bijdragen D. VIII. 1ste St. bl.
5-26(2).
| |
| | | |
(Bilderdijk, I D. bl. 24. ‘gelukkig Holland - meê te
verzinken.’
Klachten over het te vroeg bedijken werden reeds geuit in de zestiende, en
herhaald in de zeventiende en achttiende eeuw. In de quaestie zelve kan ik
mij geenzins inlaten, en wilde hier slechts aanhalen d'escury, Hollands roem VI D. 2 St. bl. 624 en v. en s. de wind, in den Zeeuwschen Volks-Almanak 1838, bl. 98-101.)
| |
Bladz. 99. r. 8. ‘De Cimbrische Vloed.’
Vergelijk ook de Kimbren en hunne lotgevallen door j.m. schrant, te Leiden, 1850. 113 bl.
in klein 8o (en daarover het verslag van Dr. j.t. bergman in den Alg. Kunst en
Letterbode 1851. No. 3).
| |
Ald. ‘de gracht van Otto.’
Deze gracht, onlangs geschiedkundig gedempt door de Heeren de
bast en dresselhuis, is hersteld door de H.H.
warnkönig en de wind. Zie dezes
Verhandeling over het Leen van het Graafschap Holland
(aangeh. boven bl. 156) bladz. 38 aant. Ook blommaert
heeft die gracht; Al. Gesch. bl. 422.
| |
Ald. r. 4 v. onder, vóór ‘Bl.’ in te
voegen
Bladz. 100. aant. I. r. 8. ‘voor den kenner,’ l. tot de
kennis.
(Bild. bladz. 30. Kaninefaten. - Bladz. 231. Kaninesati.
Duinzaten. Zie B.'s aanteekeningen op de Gedichten van joh. antonides v.d. goes; Leiden, 1836. bl. 14).
| |
Bladz. 101. ‘Nehalennia.’
Eene menigte citaten over haar zijn verzameld te vinden bij arend, Algem. Gesch. d. Vaderl. I. bl. 229.
| |
| | | |
Ald. reg. 13. v. ond. ‘bl. 96’ - lees: bl. 95 en 96; en
voeg er bij, Janssen's aangeh. Redevoering.
Bladz. 107 bij Bild. D. I. bl. 62, 63: de
Warners.
De Warners, en met hen hunne wetten, zijn uit het aan Leiden palend Warmond naar het land van Voorne
verplaatst; door birnbaum in een geleerde Verhandeling
über einige noch unbenützte Hülfmittel zur Auslegung der
Carolina, nebst Beiträge zur Geschichte ihrer Entstehung, in het
neues Archiv des Criminalrechts. B. XII. S. 419: en
zegt hij S. 420: ‘Nach meiner Ansicht gehört darum auch
die Lex Werinorum den früheren Bewohneren des Landes von
Voorne an.’ - Van de Lex Angliorum et Werinorum
hoc est Thuringorum, heeft onlangs mijn Ambtgenoot en
vriend j. de wal eene nieuwe critische uitgave ‘in discipulorum usum’ bezorgd, nevens die van de Lex Frisionum, Amst. et Lugd. Bat. 1850. pag. 48-58.(1)
| |
(Bilderdijk, D. I. bladz. 51, 57. 't Woud
zonder genade.’
Eene oude historische overlevering, naar 't schijnt, die men niet recht weet
t' huis te brengen en toch niet wil opgeven. Bild.
plaatst, als men ziet, stellig dit woud in Vlaanderen. De Heer nyhoff in zijne Beschouwing der omstreken van
Arnhem, bl. 144 (5de druk 1836) wilde hiertoe
betrekkelijk maken het ‘Onzalige bosch’ achter Dieren op de Veluwe. De Heer
d'escury, Holl. Roem, D. VI. bl.
570 zoekt het in het ‘Schakenbosch,’ bij of onder Voorburg (nabij den Haag).
Doch hij grondt zich enkel op merula
over de Wildernissen bl. 49; en wie merula naziet, zal bemerken hoe los en onbestemd bij | | | | hem
de traditie, of wel opinie van anderen, en zijne eigen argumentatie is. Dus
ik zeer genegen ben om met wagenaar, D. I. bl. 249, en
van loon, Al. Hist. I. 215, wien
hij aanhaalt, de verhalen van ‘het Wilde Woud zonder Genade’ voorloopig
onder de verdichtsels te rangschikken.)
| |
(Bild. bladz. 94. ‘Karel de Groote.’
Ik heb mij zorgvuldig gewacht, mij in de literatuur over dezen waarlijk
grooten, mythisch-heroïsch-historischen Vorst, in te laten: doch ik mag niet
nalaten te vermelden, de Proeve eener Lofrede op Karel den
Grooten, door Mr. g.w.
vreede; omdat die verscholen ligt in mijne groote en gevariëerde
verzameling, Mnemosyne, D. XVIII. (8o
der Tweede reeks) 1828.)
| |
Bladz. 112. Aant. I. r. 1. ‘Deze opheldering is
geschied.’
O ja, maar het was door een dwaallicht. Doch hierover - om niet nog meer te
brokkelen - hieronder bij bl. 126 (bild. bl. 207) - z.
straks bl. 206, 207.
| |
Bladz. 118. ‘De Salische Wetten.’
Latere literatuur tot 1846 toe (dus ook g. waitz, das alte Recht der Salischen Franken, Kiel, 1846) wordt
opgegeven door Dr. julius grimm, in
zijn merkwaardig boekje: de Historia legis Salicae, Bonn
1848, pag. 44, 8o, mij gedienstig aangewezen door mijn'
geachten ambtgenoot en vriend de wal. Nog later is, de
Lex Salica, herausgegeben von
johannes merkel
mit einer Vorrede (over de Malbergsche Glossen, 88 bladz.)
von jacob grimm, Berl. 1850, gr. 8o.
Kritische uitgave, doch in afwachting van die komen moet van pertz, in de Monumenta Germanica.
| |
| | | |
Bladz. 119. ‘Montesquieu.’
(Bij de aanhaling uit de wind achter aan te voegen): ‘de
uitval dien de Heer d.W. daarop volgen laat tegen B.'s
uitval tegen Hendrik IV als “heerschzuchtig,” is misschien
wat te gestreng. Hendrik's, eerst na zijnen dood openbaar geworden plan van
ligue tegen het Oostenrijksche Huis, moest toch van zelf, hij welslagen, hem
evenzeer, ja nog meer, tot Oppervorst van Europa en der Aarde maken, als Napoleon zich immer kon voorstellen. Want H. had noch in
Rusland, noch in Engeland, dat tegenwicht te vinden, waaronder N. eindelijk
bezweek.’
Bilberdijk's uitvalletje hier (D. I. bl. 136) tegen montesquieu, is honigzoet in vergelijking met den
barschen heftigen uitval in zijn' pestel, bl. 17, die
eindigt met den liefelijken wensch: ‘de vereenigde vloek des menschdoms
ruste op den naam van dien Helgeest en die hem gelijken.’
| |
Bladz. 126. (bij bild. bl. 207) ‘over Durfos bij het Tweede Deel.’
Want aldaar, bladz. 9 en 319, had B. zich over den zamenhang van Durfos en Dordrecht, wat plaats en naam betreft,
stellig uitgelaten. Doch alzoo hij aan het einde van dit Ie Deel Dordrecht reeds vermeldt; en ik reeds hier
over de plaats uit de Chronijk van St. Bavo te Gent,
waaruit men de oudheid van Dordt bewijzen wil, gesproken en nog meer er over
te zeggen heb - en ik niet weet, wanneer ik deze nadere Aanteekeningen zal
kunnen vervolgen - wil ik liever de geheele zaak hier op- en bijëen-vatten.
Derhalve 1o) eerst wat Durfos betreft:
want a. dit zou aan Dordt voorafgegaan zijn; en b. dit kan, naar mij dunkt, spoedig afgehandeld worden.
Immers, hoe gaarne | | | | ook de geleerde Dortenaars en
Dordtbeschrijvers, smits en schotel
(D. I. bl. 175-178), hier met bilderdijk's
appui der reeds zeer oude gissingen hun profijt wilden
doen, zijn zij toch te waarheidlievend, om niet eindelijk er bij te voegen
(bl. 178): ‘Latere en opzettelijke nasporingen naar dit twijfelachtige punt
in onze Vaderlandsche Geschiedenis hebben tot geheel andere uitkomsten
geleid. Van Bolhuis... wederlegt onzes bedunkens, ten
volle de stellingen van wagenaar en bilderdijk;’ en geven zij dan verder een kort uittreksel uit de
verhandeling van j.h. van bolhuis: Heette
Dordrecht vroeger Durfos? in nijhoff's
Bijdragen D. I. (1835); onveranderd opgenomen in zijn' Verspreide Letterarbeid, Utrecht, 1846. bl. 298-308. En in
de daad houde ik door zijne wederlegging de zaak voor uitgemaakt en de
gissing voor het vervolg opgeruimd(1).
Wat betreft 2o) de oudheid en oorsprong van Dordrecht: hiermede laat ik mij niet verder in dan tot opruiming van het oudste spoor van het bestaan der
geboortestad,’ dat de Heeren S. en S. meenen - bepaaldelijk de Heer smits meent - gevonden te hebben in de Chronica Castri et Coenobii Bavonis Gandensis, op het jaar 837,
alwaar ‘gewag wordt gemaakt van een togt der Noormannen,
op welken zij, na in Walcheren geland te zijn, Antwerpen,
Witlam en Dordtrecht verwoestten.’ Bl. 174, 175.
- En hier moot ik mij zelven beschuldigen van onachtzaamheid, in zoo ver ik,
boven bl. 111, 112, van dien | | | | rooftocht sprekende en over de
lezing van Dordracum of Dorestatum in de
gemelde Chronijk, alleen gebruik maakte van het geschrevene door den Heer
smits in de Bijdragen t.B. en M.
kennis, 1833, en zijne nadere inlichtingen, in November 1849 en
September 1850 mij per brief beleefdelijk gegeven; doch verzuimde er op na
te zien de eigenlijke Beschrijving van Dordrecht, wier
Eerste Deel reeds in 1844 voltooid was. Want dan zou ik hier, en vooral bov.
bl. 159, sprekende over den ouderdom en waarde der Baafsch-Gentsche
Chronijk, gereleveerd hebben, wat er staat in die Beschr. v. Dordr. I. bl. 175: ‘de Commissie van Geleerden,
aan welke de uitgave der ongedrukte belangrijke Belgische Archieven is
opgedragen, heeft Dordracum en niet Dorestatum gelezen, blijkens hare uitgave van het Chronicon;’ en bladz. 186: de Kronijk eindigt met het jaar 1152,
en is, volgens het gevoelen der Belgische Commissie, nog in het laatst dier
eeuw opgesteld, ofschoon het bewaarde afschrift van de XVe eeuw is. Men vindt een uitvoerig verslag nopens hetzelve in Compte rendu des séances de la commission royale d'Hist.
1835. en in den Messager des Sciences et des Arts. p.
421.’
Dit schreven de Heeren S. en S. in 1843 of 1844, toen de Chronijk in 1837
reeds uitgegeven was (z. bov. bl. 158). Doch nu vergunne men mij, minder er
aan te hechten, wat ‘eene Commissie’ - vroeger, in de beide werken door hen
aangehaald, - er van zeide, dan wat het Lid dat de uitgave bewerkstelligd
had, over het stuk oordeelt: en dit oordeel, dat zonder te onderscheiden
tusschen opstel en afschrift, de
Chronijk terug zet tot in de XVe eeuw, heb ik boven bl.
159 woordelijk opgenomen. Dáár evenwel gold het de autoriteit der Chronijk,
waar ze op het j. 863, melding maakt van Holland: - wat
betreft de lezing, op het j. 837, van Dordracum of Dorestadum, geve | | | | ik, na de uitgave door de smet bezorgd, en het fac-simile van
de plaats der Chronijk, door wijlen den Heer willems
gedienstig verstrekt, door mij boven bl. 112 vermeld (en wat reeds vroeger
in de Beschr. van Dordt, Deel I bij bl. 186 gefacsimileerd uitgegeven was), gaaf en volkomen toe, dat er
gedrukt moest worden, gelijk er geschreven staat, en dat in het MS. staat
Dordracum en niet Dorestadum.
En evenwel zeide ik, Na-Nal. bij bl. 112 (zie hier bl. 202)
dat die, den Heeren Dortenaren zoo gewenschte en zoo aangename opheldering,
slechts ‘een dwaallicht geweest was.’
Namelijk: de lezing Dordracum is de echte
authentieke, naar de uitwendige kritiek: maar het is
daarom nog niet de ware lezing. Want nu komt de inwendige kritiek, werpt Dordracum uit,
en zet Dorestatum in de plaats.
Immers, de Baafsch-Gentsche Chronijk neemt veelal woordelijk over uit de Annales van sigebertus gemblacensis
(de Gemblours)(1), en zoo ook te dezer plaatse.
Atqui, op de corresponderende plaats bij sigebertus, in de Rerum Germanicarum Scriptores
verzameld en uitgegeven door pistorius, en wederom door
struvius, staat Dorestadum, zonder
eenige varians lectio van Dordracum.
Dit bracht mij terstond tot het vermoeden, dat de Gentsche - het zij dan
schrijver of kopyïst der Kronijk - (en het zij in de 12e
of in de 15e eeuw) - wien het bloeijende Dordrecht even bekend, als het lang vervallen Duurstede onbekend was; - en het zij argeloos en in gedachten, of
wel uit de bij halfkundigen gewone emendatiezucht van wat men niet verstaat
- voor Dorestadum geschreven had Dordracum. Ik deelde dit vermoeden mede aan Mr. s. de
wind (wien de HH. S. en S. even | | | | gaarn als ik, voor
kundig, oordeelkundig en bezadigd, en in dezen geheel onbevangen, zullen
erkennen) en ik had het genoegen dat hij, bij brief van 12 October 1850, met
mijne meening niet slechts instemde, maar ook met nieuwe redenen mij er in
versterkte.
Doch ook mijzelven, de zaak nog hooger opsporende, is het gebleken, dat sigebertus, door den Baafschen Kronijkist nagevolgd, zelf
in blijkbaar verband stond - hetzij rechtstreeks, of door een, mij nog niet
verschenen tusschen-Kronykist (zie pertz p. 340) - met de
alleroudste en hier gelijktijdige bron, in het Incerti auctoris
Chronicon, eerst uitgegeven door p. pithoeus,
Annalium et Historiae Francorum ab anno Christi
DCCVIII ad annum DCCCCXC scriptores
coaetanei XII, Paris. (1589) - door marqu. freherus
gedoopt Annales Fuldenses, en nu door pertz aan 't licht gebracht als erhardi
Annales Fuldenses. Aldaar, bij pertz,
Monum. Germ. Histor. T. I. p. 360, 361, vindt men het
verwoesten door de Noormannen van Antwerpen, Witlam en Dorestadum, en de eenige varians lectio
daarop, Dorestatum. (Men zie over de Annales
Fuldenses, pertz T. I. p. 336-342).
Heb ik aldus de geleerde Dordtenaren moeten bedroeven, door hunne
geboortestad niet zoo oud te verklaren als het j. 835 - en wie weet hoe jong
ze nu wordt - ik kan hen troosten met de verklaring dat de Dordsche Maagd de gepersonifiëerde Wijsheid is.
Niet, dat ik dit zeg, maar er zijn twee getuigen voor:
Palladis arx Heberi dialecto Dorda vocatur,
Hinc Belgis Dord est Batavûm Caput; atque
reservat
Urbs sibi Palladium -
zegt de Dordtsche Rector (Gymnasiarcha) sam.
munkerus(1)
| | | | en dirk heringa vertaalt het aldus:
In oud' Hebreeuwsche Taal is dorda wijsheids Woonplaats:
Hierom hied dord hij ons ook Neerlands oudste Hoofd-stad
Die het Palladium bewaardt in haare maagd(1)
| | | |
De geleerde Dordbeschrijvers zwijgen geheel van deze Hebreeuwsche
naamsafleiding. Misschien versmaden ze die wel met de andere onnutte
geleerdheid, waarvan ze in 't algemeen spreken bl. 217: maar onder die
‘oude, vergetene autheuren’ behoorde toch wel de geleerde Rector S.M. niet.
Wat betreft hunne eigen afleiding en verklaring van den naam hunner stad,
spijt het mij van hen te moeten verschillen. Doch het is een niet minder
geleerde Dordtenaar, met wien ik instem, janus
rutgersius: wien zij geen recht doen; in wiens gevoelen, ik het simplex sigillum veri vind; al zeg ik niet zoo schamper -
met hem (tegen hen): - ‘quod Drecht interpretantur Forum, ingens patriae linguae
ignorantia est.’
Doch ik voorbehoude mij, dit elders te ontwikkelen; thans mag ik den Lezer en
mij zelven hierbij niet langer ophouden.
| |
Bladz. 144 r. 10. ‘Kap. XXIV.’
Lastige en zinstorende drukfout: men leze XXVI. (twee regels vroeger en later
is XXIV goed).
| |
Bladz. 152. r. 8: ‘Catalogus bon. Eccl.
Ultraj.’
Mijn geleerde vriend van den bergh, door gedienstigheid
van den Utrechtschen Archivarius vermeulen een
naauwkeurig afschrift van dezen Catalogus gekregen, en dit
zorgvuldig nagegaan hebbende, is van oordeel, dat die lijst van niet vroeger
dan de tiende eeuw kan zijn.
| |
Bladz. 163. (Teisterbant).
Over de ligging, grootte en grenzen van het aloude Graafschap Teisterbant, z.
nu ook Mr. e.d. rink, Beschr. der stad
Tiel, 1836, bl. 7 en 8.
| |
| | | |
(Bild. bladz. 231. ‘Baduhenna.’
Woud of Godes? - Zie Mr. j. de wal, Bijdragen
tot de Geschiedenis en Oudheden van Drenthe. Gron. 1842. bl. 134,
135 en de Schrijvers ald. aang.)
| |
Bladz. 185. r. 9: Over Utrecht - bij
te voegen:
Den naam der stad Utrecht verklaart bilderdijk, bij huyghens, VI D. bl. 30, als oud-trecht
(trajectum vetus). Dit behaagt mij beter, dan de oude-markt van de HH. smits en schotel. Dordr. I. bl. 228.
| |
Bladz. 185. Overijssel.
Uit den Catal. van de Bibl. der Maatschappij van Letterk. had ik ook nog
moeten aanhalen (D. II. bl. 202) het nog steeds merkwaardig opstel: Verslag van onuitgegeven stukken betrekkelijk tot de historie
van Overijssel, door Mr. g. dumbar (geplaatst in
het II D. 2 St. van de Verhandelingen dier Maatschappij, 1818).
| |
Bladz. 187. (Friesland). Aant. 1.
Vooral evenwel had mogen vermeld worden de hervatte verdediging der deplorate
zaak door den onwrikbaren stam-Fries Mr. d. fockema: doch
de titels zijner werken bevinden zich in den aangeh. Catal. D. II. bl. 152.
| |
Bladz. 189. Aant. 1.
Bij het aanhalen dezer verhandeling van den Heer hettema
(zijne vroegere over de Friesche Vrijheid, in den Frieschen Volks-Almanak voor het jaar 1847, bl. 127-169,
vermeldt hij zelf) hier bov. bl. 187, had ik niet moeten vergeten zijne Wenken voor hen die zich met eene nieuwe bewerking van de
geschiedenis van Friesland willen bezig houden, in dien Almanak
voor het j. 1850. bl. 1-28. - | | | | En ik moet deze verhandeling te
meer aanhalen, om nog plaats to geven aan eene edelmoedige retractatie, en
aan eene merkwaardige gissing des geleerden schrijvers, beide uit denzelfden
brief van 23 Nov. 1849 waaruit ik boven bl. 187-189 veel had medegedeeld.
‘Wat den Wendeldijk betreft moet ik u opmerken, dat ik later het II Deel bl.
55 en 119 van bild.
Vaderl. Gesch. lezende, mij overtuigd heb, dat mijne
gissing omtrent Swadenburg als Swartsluis ongegrond was, daar dit niet verre van Bodegraven ligt
1) - en waarbij dan mijns
oordeels de Wendeldijk mede zal behooren en moeten liggen.
Ik zoude het keerdijk noemen, van wenden,
keeren, en hem niet laten draaijen zoo als bild.
doet.’ 2)
‘Wat de Wendelzee betreft, ik geloof dat B. regt heeft; en
wordt hierin versterkt door bosworth
Anglosax. Dict. in voce Wendelsea: Vindelicum
sive Adriaticum mare:
orosius. Mare Mediterraneum, speciatim vero
Tyrrhenum. Angl. Chronicle 885. boëthius 38. I.
3).
‘Vergun mij op te merken, dat ik Teisterband, de
eisterband, d.i. de waterband, Aquitania, zoude
willen noemen. De kaart van bild. en het MS. Geneal.
Culemb. zeggen mij dit. Het MS.: “Dit Graafschap van Teisterband was, dat nu
Tielre en de Bommelrewaerdt, 't lant van Hoesden, Altena, Boesingchem,
Zoelen en de Avezaet is.” - Diest is eene rivier in
Belgiën. Opmerkelijk is het, dat de Graven van Teisterband gezegd worden van
de Hertogen van Aquitaniën aftestammen. Zie MS. bl. 10. 4).’
Waarbij nu eenige aanteekeningen:
1) De Heer H. had in die Verhandeling bl. 19
gegist, dat Zwadenburg, voorkomende in de verdragen
tusschen de Hollandsche Graven en Utrechtsche Bisschoppen, kon | | | | zijn Zwartsluis (in-Overijssel, nabij Friesland). Over
Zwadenburg als Swammerdam, volledig Swadenburgerdam, zie ook wagenaar D. II. bl. 247. Het verdrag van 1225 door den Heer H.
vermeld, uit het Charterb. v. Vriesl. I. 78 (moet zijn,
88) slaat op een vroeger van 1204, en dit hangt weer te zamen met het
bevelschrift van Keizer Frederik I van het jaar 1165, waarover bij wagenaar bl. 246. - bild. Deel II. bl.
54-55.
2) Wat aangaat den naam van Wendeldijk, moet ik aanmerken, dat in het verdrag niet staat ‘in aggere qui dicitur Wendeldijk’ (of Windeldijk), maar
‘in loco qui dicitur W.’ wat meer op één bepaalde
plaats in dien dijk toepasselijk kon schijnen, en in zoover bilderdijk's afleiding te bevestigen. Doch over de plaats der
aanteleggen sluizen, zijn. wagenaar en bilderdijk, en zoo mede d'escury, Holl. Roem D. VI. bl. 607, eenstemmig in verschillend oordeel van
dat van den Heer hettema.
3) De opheldering daarentegen van dien Heer,
nopens de Wendelzee of het Wendelmeer,
vermeld in bilderdijk D. I. bl. 59, 289. II. 120, acht ik
belangrijk en afdoende. Zoo Wendelzee de Middelzee in het algemeen
beteekende, zou ik er bij gedacht hebben aan de Wenden,
Vandalen, die in de vijfde eeuw onzer jaartelling de geheele
Afrikaansche kust der Middellandsche Zee ingenomen en ruim eene eeuw lang
overheerd hebben.
4) Over Teisterband z. boven,
op meerdere plaatsen. Doch het vernoegt mij, dat een kundig man bilderdijk's kaart van Teisterband niet zoo romanesq
vindt, als wel anderen. - Het ‘MS. Geneal. Culenb.’ is een fraai MS. vol met
fraai geteekende geslachtwapenen, door den Heer H. gedienstig mij tot
inzicht of gebruik verleend; het is getieteld: Genealogie van
den edelen Huyze van Cuylenborgh, en begint aldus:
| | | |
‘Van den oorspronck der Graven van Teysterbant: daer die
Doorluchtige Prince van Aquitanien Walgerus aen gehijlickt was, ende
voorts waer van die Princen vun Aquitanien zijn gekomen, ende hoe zij
haer wapenen vuerden, ende Coningen van Vranckrijck zijnde haere wapenen
veranderden.
‘Dic Hertogen van Sicambrien ende daer nae Princen van Aquitanien, waer van
dat Priamus die zoon van Franchion die eerste Hertoch was, ende voerde in
zijn wapen een gulde schilt mit eenen leeuwe van keel dat is root. Ende als
zij die landen in Gallien bemachtigden, ende besaten die stadt Lutetiae, die
men nutertijt noempt Parijs, soe nam Hertoch Priamus aen die wapen dier
Stadt ende landen, ende die wapen van de landen ende vant Coninckrijck dat
nu Vranckrijk heyt was eenen gulde schilt mit drie padden van sabel, ende
dese wapen voerden zij voort tot dat Coninck Clodoveus Kersten was, soo was
in Vranckrijck eenen heremyt van heyligen leven, ende die engel Gods
openbaerde hem ende gaff hem een cleet van lasuer met gulde lelien gesaayt,
dat hij dat den Coninck Clodoveus geven zoude tot zijn wapen, ende van dier
tijts voorts soo voerden die Coningen van Vranckrijck de blauwen schilt met
gulde lelien.’(enz.)
Ditzelfde wordt daarna weer breeder beschreven, waarmede ik mij niet begeer
in te laten: ik voer het alleen aan ter eere van het MS., ofschoon dit eerst
van laat in de 16e eeuw is; - en om de fransche padden;
- en om het zonderlinge te doen opmerken, hoe dezelfde lelie-figuurtjes, nu
eens als padden, dan als halve manen, dan als kroonen, dan als bijen, dan
weer als speerpunten, voorgesteld en uitgelegd worden(1). Wil iemand
door | | | | Aquitanie, en Sicambrie, en Teisterband, ze met
Gelderland en de drie mispelbloemen van het oude Gelderland in verband
brengen, ik mag het lijden.
__________
De drukfouten in den eersten Druk van het Eerste Deel zijn aangewezen bij het
Tweede, (bl. 349, 350) en in den tweeden Druk van dat Deel verbeterd. (De
misstelling I D. bl. 238 is slechts gedeeltelijk aangewezen; doch geheel
verbeterd.) Een gezet gebruik van de tweede oplage van het Eerste Deel heeft
mij dáárin menigen drukfeil doen ontdekken, waarvan ik voor hen die dat Deel
en die oplage gebruiken, hier de aanwijzing moet doen.
Bl. IV r. 13 Boehandelaar lees Boekhandelaar. - Bl. VIII r.
13 v.o. gereprimandeerd l. gereprimendeerd. - Bl. X r. 10
v.o. zijn Vaderstad l. zijne Vaderstad. - Bl. 23 r. 5
Rhenns l. Rhenus. - Bl. 26 bovenaan, staat door drukfeil
het cijfer 36. - Bl. 27 r. 2 zijn Duitsch volk l. een
Duitsch volk. - Bl. 44 r. 9 v.o. ὀλλεμι l. ολλυμι. - Bl.
37 r. 11 v.o. Alvaren l. Avaren. - Bl. 92 r. 14 Engelshen
| | | |
l. Engelschen. - Bl. 126 r. 13 v.o. Tribunis l. Tribunus. - Bl. 151 r. 8 Marr l. Maar. - Bl. 161 r. 3 v.o. uu l. nu. -
Bl. 183 r. 3 v.o. uitgegeven l. uitgeven. - Bl. 250 r. 7
hem l. hun. - Ald. r. 8 v.o. strekten
l. strekte. - Bl. 270 r. 6 vlamingen l. Vlamingen. - Bl. 278 r. 9 v.o. (in den text) 129g
l. 1298. - Bl. 287 r. 9. ½ l. 1/12. - Bl. 299 r. 13.
ff. l. C. - Bl. 316 is het cijfer bovenaan bij abuis
216. - Bl. 332 r. 7, 8 v.o. domamania l. domania. - Bl.
346 in het Register in te vullen Anglen, 40; en Bl. 348 Brabant, 282; en Ald. op de C. Cimbrische vloed, 228 v. - en Bl. 349, droit
Divin 219; en Ald. op de G. oude Gedaante des Lands 18-26.
- Bl. 350 Hofgerichten 206. l. 306. - Bl. 351 Karel de
Groote, 297, l. 296, 297. - Bl. 352 bij Margaretha van
Vlaanderen, te voegen: z. ook Zwarte Margriet. - Ald.
Nehalennia, 293 l. 31. - Bl. 353 achter Slaven, in te
voegen: Sonnemeer z. Zonnemeer. - Bl. 354 bij Utrecht, 235, nog te voegen
244 v. - Bl. 355 Wendel-zee 290 l. 289; en voorts in te
vullen: Woud zonder Genade 51, 57, en op de Z.: Zonnemeer 184 (enz.), en bij
Zwarte Margriet in te vullen het cijfer, 264 en volg.(1). | |
| | | |
Aan den Heer Boekhandelaar
j. de ruijter, te Amsterdam.
Mijnheer en Vriend!
Hiernevens breng ik onder uw oog, het volledig Algemeen Register op de
Twaalf Deelen van bilderdijk's
Geschiedenis des Vaderlands; ten einde 1o. U tot uwe geruststelling te overtuigen, dat het werkelijk
reeds bestaat (behoudens de nog vereischte aanvulling en zuivering,
waarover straks); 2o. van dezen tekst uitgaande,
nader met U over mijn plan aangaande bilderdijk's
werk te kunnen spreken.
1o. Gij ziet, het Register is uit die der twaalf
Deelen tot één gebracht door twee andere handen dan de mijne; daarna ben
ik zelf met de pen in de hand al die twaalf Deelen doorgegaan en heb
vele artikelen aangevuld en uitgewerkt. Maar alzoo zal nu een gedeelte
van het vroeger door anderen opgeschrevene, tot vermijding van
herhalingen moeten vervallen; en, als van zelf spreekt, het Register uit
de nadere Nalezing moeten aangevuld worden.
Maar nu spreekt ook van zelf, dat hoe korter of langer die nadere
Nalezing is, zooveel te meer tijd en moeite die uitbreiding van dat
Register zal vereischen: vooral wanneer men in aanmerking neemt, het
groot verschil tusschen een Register op hetgeen reeds opgesteld en
afgedrukt is, of op hetgeen nog opgezocht en uitgewerkt en geschreven on
gedrukt zou moeten worden. Nu weet gij dat, toen ik vroeg in dit jaar U
sprak, en voorstelde mijn bijgewerkte over het Eerste Deel bij voorraad
afzonderlijk uit te geven als XIIIde Deels 1ste Stuk, Gij mij bepraatte om U te beloven de
Na-Nalezing over de vier Deelen, II-V, er nog bij te werken, om tegen
| | | | Paschen met beter houding een eerste Stuk, gaande over
de kleinere eerste helft des geheelen werks, te kunnen doen verschijnen.
Ik meende dit gemakkelijk te zullen kunnen aannemen, omdat Deel II-V mij
veel minder tijd en moeite zullen kosten, dan hetgeen ik bij dit eerste
Deel, 1o. over bilderdijk en zijn
werk in het algemeen, en 2o. in mijn dispuut over
Graaf Dirk I met den Heer A.-T. heb moeten zeggen. Evenwel hebben eigene
huisselijke en personele omstandigheden veroorzaakt dat ik niet meer heb
kunnen afwerken dan over het Eerste Deel; en deze zullen mij beletten in
de zomermaanden van dit jaar die Nalezing bij te werken; maar zullen mij
niet verhinderen het Register in uitgeefbaren vorm te brengen.
2o. Maar nu begrijpt gij toch ook, dat de band van
het bestaand contract tusschen U en mij, van binnen zóó veel tijds, zóó
veel te moeten afwerken en leveren, voor mij onaangenaam en drukkend is.
En evenwel wil ik zoo min mogelijk verder uw geduld: op den proef
stellen en uw belang verwaarloozen; of ook het billijk ongeduld van en mijne verplichting jogens het
Publiek nog langer, en misschien wel geheel en onherroepelijk te leur
stellen. Want men herinnert mij telkens, mondeling en schriftelijk en
onder allerlei verschillende vormen van meer of minder heuschheid, aan
het zeer lang tijdsverloop na de uitgave van het XIIde Deel, - en aan mijne reeds hooge jaren; - ja heeft soms wel de
beleefdheid van mij te kennen te geven, dat men om het Algemeen Register
zekerder en spoediger te krijgen, mij mijne Na-Nageleerdheid wel zou
willen schenken. En ik moet zeggen: men heeft gelijk; - want het
Register wordt noodzakelijk vereischt om het bestaande werk bruikbaar te
maken, en is dus eene stellige verplichting van mij; terwijl de verdere
Nalezing en Bijvoegselen eene onverplichte toegaaf zijn, ten gevalle van
mij-zelven niet minder dan van het Publiek.
| | | |
Ik heb dus, na rijp overleg en beraad, besloten mijne Nalezing met het
thans reeds afgedrukte over het algemeen gedeelte en dat over bilderdijk's Eerste Deel, bij voorraad te staken; en
straks na het afwerken en afdrukken daarvan, tot het in orde brengen van
het Algemeen Register over te gaan.
Geeft dan de goede God mij kracht en lust, om ook over de volgende Deelen
van bilderdijk eene nadere Nalezing uit te werken,
dan wordt hierop een ander artikel van het tusschen ons bestaand
contract toepasselijk. Maar ik moet nu met aandrang mijn vroegeren
wensch herhalen, om al het reeds afgewerkte en bijkans afgedrukte, hoe
eer hoe beter, tegen 1o. Junij of Julij, in het
licht te geven, ten einde ik mijne zomer-vacantie kunne nemen.
Ook aan die nadere Nalezing op de Geschiedenis des
Vaderlands zal ik zooveel te vlijtiger werken, omdat ik
buitendien nog aan bilderdijk alleen eene
onafzienbare levens-taak heb.
Immers, behalve de autographie van het Album, waarover
in het nu gedrukte van het XIIIe Deel, bl. 36, 37 en
als afzonderlijk prospectus van uitgave in den Letterbode van dit jaar
No. 15 (4 April), zullen denkelijk uit de
duizenden ‘Octavo blaadjes’ een paar boekdeelen ter
afzonderlijke uitgave kunnen gevormd worden: - voorts zal de Briefwisseling van bilderdijk met
mijn' Vader en mij, een interessant boekdeel geven. - Ook is er dat
vroeger Kort-begrip van Geschiedenis onzes Vaderlands
tot op de Unie van Utrecht, waarvan ik in het reeds afgedrukte van Deel
XIII bl. 13-15, de beschrijving gegeven heb. - En dan zijn er buiten en
boven dit alles, geheel te mijner beschikking nog twee
koffers vol eigenhandige Geschriften van bilderdijk; een nog rijke goudmijn, ondanks wat daaruit in de
Godgeleerde Opstellen, en de | | | | Mengelingen in Prosa, en de
Poëzij, kort na bilderdijk's dood overhaast en
oppervlakkig uitgezocht en bij Immerzeel uitgegeven is, ten einde bij
gebrek van alle andere geldswaardige nalatenschap (behalve de niet
groote boekerij) aan de kinderen, boven de begrafeniskosten, althans
eenig geldelijk voordeel te verschaffen.
Het of, en wanneer, en hoeveel, en hoe van dit alles, hangt geheel
af, aan den eenen kant van mijn leven en lust, aan den anderen kant van
het vinden van een' geschikten, d.i. vriendelijken en soliden Uitgever.
Ik ben (enz.)
H.W. TYDEMAN
Zomerzorg bij Bloemendaal,
d. 15 April 1851.
|
(1)[Mij dunkt, B.
heeft niet kunnen v. spaen
niet-kennen: ook schijnt het hiervoren geplaatste over
Teisterbant (bl. 163 volgg.) mij toe, ouder van
schrift te zijn dan het HS. der Geschiedenis. Maar ik vrees, dat B.v.
Sr. heeft willen ignoreren; uit misnoegen dat deze
niets wilde weten van B's aanspraken van afstamming van de Ursinen, van Elias Grajus, en van de Vorsten
van Cleef en de Heeren van Housden.
z. hier, bl. 168. - doch ik laat gaarn de keus tusschen culpa en dolus en dezen, over aan den
bescheiden Lezer.
h.w.t.]
(1)[Ik plaats
hier dat gedeelte, ofschoon in de eerste plaats gericht tegen stellingen
van R. in D. IV en V der Geschiedenis, om dat, gelijk men straks zien
zal, het zich aansluit aan wederlegging van stellingen in de algemeene
beschouwing, in dit Eerste Deel, voorkomende. Enkele meer bijzondere
aanmerkingen, door den Heer N. in een vroegeren brief mij gedienstig
medegedeeld op bepaalde plaatsen in bild. D. II en
III, beware ik tot dáár.
h.w.t.]
(1)Hierbij had nu vooral mogen
vermeld worden het kunstig en plausibol pleidooi van
M r. j. van lennep, ten
voordeele van die verhalen en kronijken, in de Bijdragen van nijhoff, II e
D. bl. 221-234, en waardoor M r. j.v.l. zich betoont niet min goed Advocaat dan Dichter en
Geschiedkundige te zijn. Men vergel. ook M r. van den bergh's
Naderl. Volksoverleveringen, en mijn kort verslag
daarvan in het I e Deel derzelfde Bijdragen, in de Aankond. bl. 79, 80. Doch
men zie ook bilderdijk in dit I e
D. bl. 94, aant, en bl. 295, v.
noot
aant.
(1)[Men zie ook nog de Verhandeling
van den Heer hettema: het Graafschap
Stavoren en dat van Westergo on Oostergo, in den Frieschen
Volks-Almanak van 1851.
h.w.t.]
noot
aant.
(1)(De Heer v.h. merkt nog
aan, dat hier bij bild. bl. 255 Juwo (Dekama) moest zijn Juw, en dat B. George,
den Zoon van Albrecht van Saxen, tot diens Broeder maakt, en van Hendrik, Albrechts Zoon en
onmiddelijken opvolger, geene melding maakt.)
(1)Siegenb.
Gesch. d. Leids. Hoogesch. D. II. T. en B. bl. 222. -
Hier zegt S. ‘geroepen in 1779:’ In de eigenlijke
Geschiedenis, D. I. bl. 316, brengt hij dit beroep tot 1778. Namelijk:
kluit, - zijne intreê-oratie houdende d. 18
Januarij 1779, was zeker beroepen in 1778, ofschoon
hij eerst in 1779 begon te doceren.
(2)Om deze, - nog steeds
van belang voor de kennis van den algemeenen Staat en dien der
bijzondere gewesten aan het einde der oud-Nederlandsche Republiek -
volledig te hebben, moet men alle drie de uitgaven vereenigen: die van
1782; de Brevis expositio Reipublicae Batavae, 1789;
waarin deze zeer verkort, doch aangevuld door de belangrijke
tusschenjaren; en de derde zeer uitgebreide (zekerlijk uit het voormalig
dictaat), na pestels afzetting,
1795, drie deelen, en toch niet volledige, want ze blijft steken ten
einde van Zeeland. - Het was dan ook in dat jaar van
omwenteling en van versmaden van al het oude, een zonderlinge inval en
voor den uitgever eene ongelukkige speculatie!
(1)Met blijdschap ontfing ik dan,
dit reeds ter drukpers afgegeven zijnde: ‘ Prospectus en
voorwaarden van inteekening op een werk, getiteld: Handboek der
middel-Nederlandsche Geographie, naar de bronnen bewerkt door Mr. l. ph. c. van den bergh, uit te geven
door E.J. Brill te Leyden.’
(2)De geachte Redevoerer begaat een' kleinen
bibliographischen misslag, door in zijn Voorberigt ( ald. bl. 3) te zeggen, dat zijne Redevoering ongenomen was in, en
nu herdrukt werd uit, ‘het Jaarboek der Tweede Klasse van het Kon. Ned. Instituut.’ Zoodanig Jaarboek
toch bestaat niet; maar van wege het geheele Instituut wordt nu
jaarlijks één collectief Jaarboek opgemaakt en in openbaren druk
uitgegeven; doch van wege de onverdiende en onbegrijpelijke
onbelangstelling van het Vaderlandsche Publiek jegens de
Koninglijk-Vaderlandsche Inrigting, weinig verkocht; en het is alzoo
nuttig voor de Wetenschap, dat dit belangrijk opstel straks weder
uitgegeven werd in een meer gelezen werk. Nog vreemder is het, dat
de geleerde Uitgever der Bijdragen, zelf medelid der
Tweede Klasse van het Instituut, deze vergissing van den Heer J. niet
opgemerkt heeft!
(1)(- en gelijktijdig of even later, van de Lex Frisionum, de Heer hettema, in
de oude Friesche Wetten. D. II. 2 St. ( Leeuw. 1851.) bl. 331-378.)
(1)In het algemeen
acht ik in onze Geschiedkunde het aanwijzen en opruimen van dwalingen,
niet minder noodig en verdienstelijk, dan het ontdekken en aan den dag
brengen van nieuwe feiten. ‘Negative aanwinsten voor de Geschiedkunde,’
noemt ze zeer eigenaardig de Heer janssen, in nijhoff's
Bijdragen, D. VIII. St. I. bl. 16, alwaar hij een
merkwaardig voorbeeld er van bijbrengt.
(1)Hij stierf in
1113. Men zie over hem foppens
in v. (op de S.) en saxe, Onom. T. II enz.
(1)Onbekend bij saxe en bij jöcher: doch wijlen mijn vlijtige
Vader had bij zijn jöcher aangeteekend: vrolikhert, Vlissingsche Kerkhemel bl. 367,
en broekhusii
Poëm. p. 113. De eerste vermeldt dat S.M. den 26
Augustus 1097 tot Rector der Latijnsche scholen te Dordrecht aangesteld
werd. ‘Hij was een Friesch, en had eerst te Utregt, daarna te Gouda, en
laatst te Leeuwarden onderwezen.’ In het laatst van November 1697 deed
hij te Dordrecht zijne Intreê-oratie de Literarum, tum in
pace, tum in bello, necessitate (zeer wel gekozen stof: men was
toen in oorlog met Frankrijk, maar onderhandelde te Rijswijk). Hij kan slechts kort gefungeerd hebben, want reeds
d. 8 October 1700 werd ‘de beroemde letterheld joh.
jens zijn opvolger.’ ( Vrolikh. ald.) Inmiddels
had hij den 21 Januarij 1700 (als of toen de eeuw gesloten was) zijn hof
gemaakt bij de Dordsche Burgemeesters met de brochure in mijn tekst
vermeld. - Broekhus.
Poëm. p. 113, 114, is een huwlijksvers voor S.M. doch
zonder melding van jaartal, noch ook van den naam der bruid. Al wat over
hem te vinden is, zal D o. D r.
schotel wel eens opzoeken en vermelden.
(1)Festivitas XVII a Salute parta (etc.) Cal. Jan. representata a
samuele munkero
Gymnasiarcha (eene mythologisch-allegorische plaat,
waarop de Dordtsche Maagd met het Pallas-beeldje op de hand, met
duistere verklaring in Latijnsch Dicht, en een Carmen
saeculare en Coronis, 8 pag. 4 o.) en Onderhoud tusschen Philomusus en Philopragmon over Prent en Gedigt van
den Geleerden en Beroemden Heer
samuel munkerus
op 't jubeljaar 1700 Na de Geboorte onzes
Heilands, als ook omtrent de stigtinge van d'aloude Bataviersche
Moeder-Stad Dordrecht, Opgestelt door
dirk heringa(*), 24 bladz. 4 o. (beide zonder melding van druk, plaats of drukker, doch naar 't
schijnt, bijéén behoorende, en denklijk wel gedrukt te Dordrecht in
1700).
(*)Den
breedsprakigen titel heb ik geheel afgeschreven, met al de onnutte
kapitale letters; doch zie geen kans om de elfderlet verscheidenheid
van letterdruk, en de epigraphische indeeling in
16 regels, hier weder te geven.
(1)Amanly, Abrégé nouveau et
méthodique du Blason, Lyon 1722, p. 195: ‘Les Fleurs du Lys,
selon la commune opinion, furent prises par Clovis Premier Roi chrétien
de France (etc.) ce qu'on a voulu dire des crapaux est surement
fabuleux, de même que des trois couronnes et des trois croissants.’
(Citaat mij nader medegedeeld door den Heer H.) - Moreri, Dict. in v. France, § des Armes de
France, heeft het volgende: ‘L'opinion qui donne à la France trois
erapauds ou trois couronnes pour armes, est fabuleuse, et n'a point
d'autorité; quoiqu'on nous veuille persuader que l'on en voit encore des
marques sur la porte de la ville de Bayonne, et en quelques autres
endroits du Royaume. Quelques uns disent que les armes de Clovis étaient
trois croissants en champ de gueules: ce qui peut avoir quelque
vraisemblance, puisqu'on voit encore aujourd'hui un tombeau des Rois de
France semé de croissants, dans l'église de Soissons; mais pour les
crapauds il y a apparenee que les fleurs de lis paroissant mal formées
dans les vicilles peintures, on les a prises pour ces animaux, à qui
elles ressembloient en quelque façon. On dit que Clovis ayant embrassé
le Christianisme, reçut du Ciel les trois fleurs de lis d'or en champ
d'azur, et s'en servit depuis pour armes;’ (etc.).
(1)Deze invullingen in het Register -
voorloopig te doen, in afwachting van het meer volledige algemeene -
hebben ook betrekking tot den Eersten druk van het Eerst Deel der
Geschiedenis.
|
|