In een brief van ongeveer 10 juli meldt Catharina dat Van der Linden, die de crediteurszaken voor Bilderdijk behartigt, meent dat het niet eerlijk is om boeken buiten de boedelverkoop te houden, die plaats zal vinden om de crediteurs te kunnen betalen. Ze beklaagt zich bitter over haar omstandigheden en over Bilderdijks vader, die haar niet helpt: ‘moet ik dan met Elius gebrek hebben en dat door je eigen vader is hij dan geen mens’. Ze verwijt Bilderdijk dat hij nog geen betrekking heeft gevonden en meent dat hij niets meer te verwachten heeft van het hof: ‘zou het niet beter zijn dat jij je probeerde te vestigen voor je eigen rekening-het hof heeft je immers altijd ondankbaar behandeld en zullen zij jou of mij brood geven geloof dat niet en de hovelingen gebruiken je omdat je de prins kent en maken indruk met jouw verstand wat is toch de grootheid’. Zij doelt hiermee op activiteiten waar Bilderdijk inderdaad ten behoeve van Willem v mee bezig is. In Osnabrück worden er troepen verzameld om met hulp van Engeland Holland aan te vallen. Het tekent de wanrodelijke situatie dat ook Pruisen militairen werft onder het mom van Oranje. Bovendien worden er ook voor Engelse troepen soldaten aangetrokken, maar die lopen grote kans in Frankrijk ingezet te worden in de opstandige Vendée, waar nog steeds een sterke antirevolutionaire beweging is. Bilderdijk werft voor een korps dat zeker in Holland zou opereren. Catharina ziet deze gevaarlijke actie met lede ogen aan. Zij voelt niet veel voor een hereniging en in haar brief volgt een stortvloed van verwijten: ‘ik heb tien jaar in jouw echt gekwijnd en ongelukkig geweest omdat jij de liefde niet kende en nooit kennen zult ik heb dit harde noodlot gevoeld en gedragen op een manier die mij nooit zal doen blozen van een schuldig geweten-God bestiert alles en jouw donders ratelen niet meer boven mijn hoofd wees gelukkig en ik zal nog voor jou kunnen bidden-voor jou die mijzelf de eeuwige verdoemenis hebt toegewenst en mij de ongelukkigste vrouw van de wereld gemaakt hebt-die mij zelfs geen stuk brood nalaat voor mij of jouw kinderen die ons nooit aanzag dan om ons een afgrijselijke blik toe te werpen een blik van verachting maar ik zal zwijgen opdat ik niet spreken zal van mishandelingen in mijn zwangerschap bedreven-geloof alleen dat er tussen ons nooit hereniging kan of zal plaatshebben’.
Lieve!
De heer Van der Linden heeft gelijk, maar omdat ik niets van het arrangement met de crediteuren wist, kon ik niet weten dat ik er geen recht op had om over mijn boeken te beschikken. Nu heb ik het gezien, en het is goed. Ik heb hem ook daarover geschreven. - Wat jezelf en Elius betreft verwijs ik voorlopig naar mijn vorige brief, waarvan ik niet aannemen kan dat die bij het schrijven van jouw brief al aangekomen was, hoewel ik iets dergelijks nooit anders dan half kan nagaan, omdat je altijd verzuimt de datum bij je brieven te zetten. - Voor het overige doe je er slecht aan in die brieven te schrijven zoals je schrift, omdat je wel begrijpen kunt dat ik je op alles wat daarin voorkomt niet antwoorden kan, en er werkelijk zoveel wezenlijks te schrijven zou zijn, voor ons van oneindig belang, waarover ik geen letter vind. Je klachten over mij komen wel op een heel ongelukkig moment: of ik slecht of goed gehandeld heb, is tussen God en mij, en Hij mag je het ongenoegen van je hart vergeven waaraan je je overgeeft, en de overspanning van je ziel waar je in opgaat om je ongeluk nog dieper te voelen. Ik heb je niet ongelukkig gemaakt, maar mij aan jouw ongeluk onderworpen om jou gelukkig te maken, en om met jou, verenigd voor de eeuwigheid, God te danken. Ik heb je ontvangen als een gave van God, mij door God toegezonden, en mijn hele hart aan jou gekoppeld, wat ik nog doe. Maar jouw eindeloze misnoegen en ontevredenheid over Gods beschikkingen en over alles wat je omringt, het meest over dat wat het dichtst bij je is, hebben én jou én mij ongelukkig doen leven. Zo werd ik gedwongen het vertrouwen dat ik je gegeven had, op te schorten en de zaken zo te arrangeren als ik het met mijn afgematte hersens het best kon. God heeft ons gezegend, aanhoudend gezegend, maar jouw ontevredenheid en ondankbaarheid hebben die zegeningen vergald, en de glans eraan ontnomen en mijn hele verstand en humeur omgekeerd. Ziedaar wat de oorzaak is geweest van alles wat er te klagen valt. Mijn ziel, mijn hart is helemaal liefde, brandende liefde voor jou, en voor jou alleen, maar jij hebt mijn liefde versmaad en gehoond. Je hebt gemeend dat je mij liefde kon beantwoorden met een zekere dienstvaardigheid zoals een vriendin, zus of dienstmeid die ook kan opbrengen. Dit heb ik vanaf het eerste begin ondervonden, en met zoveel ernst en drift verfoeid en moeten verfoeien. Je bent
onbekwaam geweest om te beminnen, omdat je niet vatbaar was voor zelfopoffering, zelfs niet voor God, en je hebt de zaligheid die God aan het huwelijk verbonden heeft, met voeten getreden en versmaad. Je spreekt van plichten alsof het doen van een bevolen daad de vervulling van plichten zou zijn. Nee, Liefde en uit Liefde, uit brandende en vurige Liefde te handelen, dat is wat het wezen van de plicht inhoudt: dat eist God voor zichzelf en dat eist hij in het Huwelijk. Zonder Liefde is de mooiste daad, namelijk de vervulling van wat Hij gebiedt, niet beter dan afgoderij en heiligschennis, maar met Liefde is alles te vergeven. Maar jij hebt nooit (dit wijt ik aan je opvoeding) enig idee van godsdienst in het praktische leven gehad en vandaar de gruwelijke godslasteringen waaraan je je in koelen bloede en misschien zonder het te weten meer dan eens schuldig gemaakt hebt, en die mij buiten mijzelf deden raken. Ten slotte heeft een neiging naar het slechte je naar omgang met mensen gesleept die je nog verder naar beneden moest trekken. In één woord, je hebt je hart opengesteld voor alles wat tegen God en tegen mij is, en daar komt alles door. - Niet echter dat ik je dit verwijt! Nee, ondanks alles ben jij me het dierbaarste op aarde en in de eeuwigheid en het enige op aarde wat mij vasthoudt. Maar verdiep je in jezelf en verhard je hart niet voor God. Hij heeft me zeker wel voorspeld dat ik met jou een kruis aanvaardde (de bewijzen zijn er), maar Hij heeft het mij gewillig doen aanvaarden om jou te bezitten, te behouden en tot hem te leiden. Nooit heb ik, noch voor noch na ons trouwen (drie of vier van de eerste brieven misschien uitgezonderd) een brief van je gekregen die niet vol stond met klachten die God onwelgevallig zijn, en nu eens over het een, dan weer over het ander gaan. Zelden heb ik het middag- of het avondeten met je gebruikt, of je viel me lastig met klachten en ontevredenheid over Gods bestel. In godsnaam ten slotte, houd hiermee op, wees eens tevreden onder Gods hand, en waardeer wat Hij geeft, niet wat Hij je niet geeft. En brengt Hij ons bij elkaar (wat ik Hem smeek, want een man als ik kan niet van een hap brood genieten of enige zielsrust vinden waaruit tevredenheid kan opbloeien, behalve samen met zijn wederhelft), dan beginnen wij een nieuw leven om Hem te danken en van zijn gaven te genieten. Als dit de vrucht van het ongeluk moet zijn, dan betalen wij er niet te veel voor.
Laat voor het overige alles hierbij blijven. Want waarom ons zorgen maken? Het verleden is voorbij, en niets is van belang dan de toekomst. Daarvoor te zorgen is mijn plicht en ik vervul die voorzover ik kan door pogingen om mij hier een bestaan te verschaffen, maar hierover nader!
Je schrijft me dat het hof mij altijd ondankbaar behandeld heeft en dat is waar, maar kan dit mij ontslaan van de plicht om het, als het kan, te dienen? Zeker niet, en mijn gevoel ontslaat er me nooit van. Wat grootheid is, is de kwestie niet, maar waar God ons toe roept! Zijn wenk te volgen is onze plicht, en die te betrachten zal nooit spijt veroorzaken, al zou alles tegenlopen. Aan Hem is het om voor een zeker bestaan te zorgen, dat Hij zich verwaardigt mij aan te wijzen. - Bidden wij Hem niet (zoals jij zegt) voor mij, dit is weer een hatelijkheid! Nooit heb ik tot God voor mijzelf gebeden, of het was om jou en mijn kinderen, maar bidden wij voor ons, voor onze lieve spruiten, en dat Hij bij dat wat Hij geeft een nieuw hart geeft dat erkennen en genieten kan, en dat Hij ons bevrijdt van alle zelfoverschatting en eigendunk.
De soldaten en officieren die bij ons komen, worden geëngageerd in dienst van Engeland, maar om voor de Prins te gebruiken. Hun uniform is bij ons blauw met oranje kragen, opslagen &c. en de officieren hebben een zwarte pluimbos op de helm met oranje daarbovenop. Men geeft geld, en als er een compagnie bijeen is, begint de gage te lopen. - De commandant van deze werving is de luitenant-kolonel Van der Maesen, een braaf commandant, en bij de troepen welbekend. Hij is in Osnabrück.
Maar de mensen moeten voorzichtig zijn dat ze niet in verkeerde handen vallen, want de Pruisen werven wat zij maar kunnen, en gebruiken daarom mensen met oranje kokardes, die de lui alles wijsmaken tot zij ze in hun greep hebben. Ook werft men voor Engeland meer korpsen, waarin Fransen en van alles aangenomen worden. Wie daarin komt, loopt gevaar om naar de Vendée gestuurd te worden. - Maar ons korps, waarvoor ik me inzet, is voor de Prins, en daar sta ik voor in, en het zal niet naar Frankrijk gaan. Ik zal immers onze landgenoten niet verleiden ten behoeve van de Fransen, dus kunnen ze mij wel vertrouwen. De kolonel Van der Maesen is de commandant, maar het korps van Damas is voor Franse emigrés en om elders gebruikt te worden.
Vandaag (als hij gisteren niet al vertrokken is) gaat iemand vanhier die geld bij zich heeft voor de werving. Hij zal met een brief van mij bij jou komen en hem kun je in dat opzicht vertrouwen. Franck noch Box kan ik hier aanstellen.
Groet alle vrienden van mij, en ontvang mijn groeten met een hart vol liefde, werkelijke liefde. Maar jij hebt het verdrietig gemaakt en aan het bloeden gebracht. Ik wacht op je antwoord op mijn vorige, houd in de tussentijd hoop en moed. Vaarwel, en hou van mij zoals ik van jou hou.
Hamburg, 23 juli 1795.
p.s. Wees toch vooral voorzichtig met het onderwerp van de werving, dat je je daarover niet uitlaat bij mensen die gevaarlijk kunnen zijn. Het punt is te teer, en men zou in staat zijn jou daarom in hechtenis te nemen, en God weet wat nog meer.
Zie toch dat je alle moeite doet om mij de kranten te bezorgen waarin de brief van Amsterdam en die van Leiden over de eed staat, of de brieven zelf. Ik heb ze absoluut nodig. Misschien ziet de heer G. er wel kans toe.
Wil de inliggende brieven bezorgen. Van die voor de heer E. en mevrouw Van H. hangt veel af. Waar de eerste woont weet ik niet, maar jij zult dit gemakkelijk kunnen achterhalen, maar wees voorzichtig dat de brief niet onderschept wordt.
Vaarwel, lieve, vaarwel!