Mijn meisje!
Geloof je, mijn alleraanbiddelijkst meisje, dat de liefde soms ondankbaar is? Dit is maar al te waar, en als je er een voorbeeld van wilt, kijk naar mij! Ja, mijn allerbeminnelijkste, ja! Zie hoe ik mezelf beschuldig van de zwartste, de verschrikkelijkste van alle misdaden! Jouw mooie hand heeft mij vereerd met de grootste gunst waarnaar dit hart vroeg, waarnaar het vurig verlangde en toch beklaagt het zich omdat het ontgoocheld is en teleurgesteld in zijn verwachting en in de hoop die jij het gegeven had. Ach! wat een ondankbaarheid! Maar dit moet je tenminste overtuigen, o mijn liefste, dat dankbaarheid en liefde niet hetzelfde zijn en dat betalen met dankbaarheid niet hetzelfde is als liefde beantwoorden. - O even wrede als mooie vrouw! Waarom veins je? Je weet maar al te goed dat alles wat geen liefde is, in het rijk der liefde voor valse munt telt, en dat het brandend hart alleen maar liefde wil ontvangen en alleen daarmee genoegen neemt. Wat moet je nu doen? Hoe kunnen zoveel bekoorlijkheid, zoveel tederheid, zoveel gevoeligheid, zo'n edelmoedige geest samengaan
met zo'n wrede en verregaande trouweloosheid? O jij, mijn liefste, mijn enig goed, mijn godheid! Jij die zegt dat mijn geluk je dierbaar is en dat het voor je telt, je verwaardigt je niet het besluit te nemen de ongelukkige die voor je voeten sterft te redden, terwijl dit je slechts vier onschuldige en tedere woordjes zou kosten. Ik ben die onwaardig, dat weet ik, dat erken ik, en het vuur dat mij verteert heeft het recht niet je medelijkden op te wekken. Maar wees dan, o meedogenloze, ten minste oprecht! heb de moed je hart voor mij te openen en toon mij alle minachting, alle haat en afkeer waarvan het vol is voor deze ongelukkige, die zich jouw overgrote ongenade op de hals gehaald heeft. Verberg het niet achter de doorzichtige sluier van een geveinsd medelijden en van een dankbaarheid die me niet toekomt en die dodelijk voor me is. Graag zal ik sterven, o ziel van mijn leven! graag zal ik sterven, zo wil mijn bitter lot het, en mijn dood is het niet waard dat jouw mooie ogen zich met tranen vullen of je dierbaar hart bedroefd wordt. Maar terwijl ik buiten mezelf ben en smachtend en moeizaam het zwakke leven in tranen en zuchten voortsleep, moet ik verdragen wat ondraaglijk is. Maak dat ik toch mag sterven in het licht van je heldere ogen, begenadigd door een zoete lach, en als je dat niet kunt, verzeker me er dan tenminste van dat je uit medelijden mijn liefde zou willen beantwoorden en de diepe wond genezen die mij het leven kost. - O mijn godheid, mijn godin! vergun mij dit! o! zeg mij dat je van mij houdt (maar het is niet mogelijk dat ik voor zo'n groot geluk geboren zou zijn!) of zeg mij dat je toch de wreedheid van mijn lot verzachten wilt hoewel je niet van mij kunt houden. Zeg dat je mijn hartstocht goedkeurt, zodat die openlijk alle banden mag verbreken die hem tot nu toe beteugeld hebben, maar die door het ongeduld van mijn lijden niet langer vastgehouden kunnen worden! - O mijn onvergelijkbare! ik vraag je het leven of de dood; geef mij het een of het ander, maar wees barmhartig en kwel niet vergeefs het gevoeligste hart dat ooit bestond en dat tot zijn laatste snik altijd zo zal zijn,
van de meest nederige en toegewijde dienaar
van je edele persoon, mijn meisje
Bilderdijk
Londen, 22 juli 1796