Op de onstuimige brief van Bilderdijk antwoordt Wilhelmina: ‘Hoe is het mogelijk, mijn te zeer beminde vriend, dat je mij vragen kunt je te onthullen wat ik mijzelf niet zou durven onthullen?’ Ze vreest dat de liefdesverklaring die hij van haar vraagt zijn achting voor haar zou wegnemen. Maar, zo vervolgt ze, ‘als ik duizend zorgen heb om iemands geluk, als iedere zucht van hem er duizend aan dit hart ontrukt, als het geluk slechts bestaat in zijn aanwezigheid, als men duizendmaal wil sterven omwille van zijn geluk, als dit alles ondubbelzinnige aanwijzingen zijn voor wat je vraagt, ach, wees dan zo eerlijk om medelijden met haar te hebben in plaats van de ongelukkige te verachten’.
Mijn meisje,
Nee, mijn aanbiddelijke! ik wil je hart niet kwellen, dat niet voor wreedheid is gemaakt maar voor tederheid en zachtaardigheid; ik wil het niet kwellen door aan te dringen op iets wat je zoveel moeite zou kosten om het mij te onthullen. De fijngevoeligheid van de ziel is onscheidbaar verbonden met de ware hartstocht en zal nooit door mij beledigd of veronachtzaamd worden. Nee, ziel van mijn leven, ik ben overgelukkig als het mij gegund is te raden wat er in je omgaat en ik me mag vleien met de zoete hoop dat je het slachtoffer niet afwijst, niet volledig minacht. Wie zich werpt in het onweerstaanbare vuur van je mooie ogen, beklaagt zich niet en weent niet, als zijn offer maar niet afgewezen wordt door de godheid aan wie het opgedragen is. Ik heb je tranen zien plengen, je al te kostbare, al te hoogstaande tranen, die ik werkelijk onwaardig ben, en ik verlang mijn leven en mijn geluk niet voor een dergelijke prijs te kopen. Nee, mijn godin, ik geloof niet dat je helemaal ongevoelig bent voor mijn lijden, ik voel het. Maar als je bang bent je hart voor mij te openen en mij de bodem daarvan te onthullen, waarom doe je dan zoveel moeite om mij ieder teken en elke wenk te weigeren die mij in mijn zeer bittere smarten zou kunnen verzekeren van je medelijden? Waarom weiger je de onschuldige kussen die mijn trillende lippen soms, zij het zelden, zich verwaardigden op je aanbeden hand te drukken? Waarom weiger je mijn wonde te genezen, althans de hevige pijnen ervan te stillen met je zoete adem? Waarom wend
je ook je lieftallige ogen af, bronnen van mijn leven en glanzende fakkels van mijn verlangens, waarvan al mijn heil afhangt? Helaas! is dit dan niet wreed: heimelijk mededogen hebben met andermans leed, en met het medelijden opgesloten in het hart zich dan hard en onbuigzaam en onvermurwbaar voordoen aan de ongelukkige, die daar dan dubbel onder lijdt? - En waarvoor ben je dan bang? O mijn godheid, jij die leest in mijn hart, in mijn gedachten, die er het enige onderwerp, het enige idool van bent en aan wie al mijn gevoelens bekend zijn! Kun je er mij dan van verdenken zo'n zwarte ziel te hebben dat ik voor de vreselijkste ondankbaarheid ontvankelijk zou zijn? Ach, geloof dat niet! Als ik je nu bemin, als ik je aanbid, als ik, terneergeworpen aan je voeten, de afdrukken ervan kus, als ik je ongevoeligheid vereer, aanbid; wat zou ik niet allemaal doen als jij, geroerd door wat ik onderga, erin zou toestemmen mij te behandelen met die goddelijke goedheid, met die welwillendheid die én jou waardig is én de zuiverheid (mag ik zeggen) van mijn brandende liefde! als je erin zou toestemmen mij enige tederheid terug te geven, als jij mij enkele vonken zou tonen van hetzelfde vuur dat mij verteert! Ach waarom moet ik mezelf geweld aandoen als het toch waar is dat ik me niet hoef te beklagen over je hart? Als het medelijden dat je voor me voelt werkelijk niet gehuicheld en niet geveinsd is? Als het meer betekent dan koude erbarming die zelfs de wreedheid in eigen persoon niet zou kunnen weerstaan wanneer die zo'n lijden van een medeschepsel zag? Als het medelijden uit tederheid is, van een zoete en liefdevolle aard, die gemaakt is om mij te troosten, om mijn wonde te helen, o maak mij dan de gelukkigste man van de wereld, en nooit zal de dag komen dat ik jouw zoete, jouw aanbiddelijke ketenen af zal werpen, of dat ik, onderworpen slaaf en toegewijd aanbidder, zal ophouden mijn bron van onderdanigheid en verering te beminnen! Open (smeek ik je) je hart voor mij, aarzel niet, mijn beminnelijk meisje! Heb medelijden, toon dat met de onbevangenheid die past bij de zuiverheid van je onvergelijkelijk hart, en geef toe dat je instemt met de verering die ik je zal geven tot ik er niet meer zal zijn.
Door je goedheid, mijn meisje, je hartstochtelijke dienaar
Bilderdijk
Londen, 27 juli 1796