Het is maar al te waar, mijn alleraanbiddelijkste, dit gevoelige en gekwelde hart is niet tot rust gekomen, het kan niet rustig zijn. Ach, als het dat zou zijn, zou het je niet beminnen zoals het nu doet. Het maakt je verdrietig dat ik aan je liefde twijfel. Nee, mijn ziel, ik twijfel niet; althans, ik twijfel er niet aan dat jijzelf gelooft in de liefde die je me verzekert. Maar helaas! terwijl je mij deze zoete, deze heilige genegenheid garandeert, zoek ik tevergeefs naar de tekenen, de kenmerken ervan. Je spreekt me over de roem, over mijn reputatie, over... wat nog meer? Ach, de wereld kent me te goed om niet blindelings mijn gedrag goed te keuren en als zij het ooit zou wagen mijn daden te veroordelen, dan zou het onwaardig zijn als ik me daarvan iets zou aantrekken. Men kan en mag niet aannemen dat een daad van mij voor wie dan ook twijfelachtig zou kunnen zijn. Maar hoe dan ook, zou je je ergens zorgen om moeten maken, om datgene te verwaarlozen wat het als enige waard is om van een verliefd hart de aandacht te krijgen? Offer dan mijn leven op, en nog erger, offer mijn verstand op, wat zeg ik, offer diezelfde reputatie die jou zo kostbaar lijkt maar op aan het spookbeeld dat je je in je hoofd haalt. Want het is wel zeker dat ik binnen weinige dagen mijn volledige verstand, evenals dit ellendige leven, verloren zal hebben als de toe-
stand blijft zoals hij is. Je houdt dus niet van mij, vergeef me dat ik het zeg, maar het is nodig dat ik het zeg: je houdt niet van me, je houdt slechts van een ijdel denkbeeld, van een lichtzinnig idee van de mensen, dat beneden jouw en beneden mijn gedachten is. Ach, hij die verliefd is, kan in zijn gedachten, zijn ogen en zijn gevoel alleen maar liefde hebben en dat wat de liefde eist, maar hij is niet in staat om met jouw angstvalligheid te overwegen wat het oordeel van een menigte zal zijn, die even onwetend als onstandvastig in haar mening is. Voor minnaars is er slechts één theater, en dat is dat van hun hart: en niets interesseert hen dan de gevoelens die de een voor de ander koestert. Dat is de liefde, mijn beminde! Zo hou ik van jou. De liefde is een brandend vuur, een vlam die onstuimig oplaait om alles wat zich tegen zijn geweld verzet te verteren. Ach, hoe ver staat dit beeld af van wat jij in je brieven, in je gedrag toont. Je huilt, mijn aanbiddelijke! je huilt, en deze tranen doorboren mijn hart, ze vergroten mijn smart, ze doen mij een leed aan dat iedere verbeelding te boven gaat. Je vleit jezelf met de hoop op een meer gelukkige dag, maar waar is die dag? Hij zal nooit komen voor de ongelukkige die zijn dood voelt naderen, die alle woede, alle hevigheid van de liefdesdorst ondergaat, aan wie je de bron van herstel weigert, maar die niet gemaakt is om zich tevreden te stellen met een vage hoop die hem voorgehouden wordt, meer om hem te misleiden dan om hem een waarachtige en duurzame troost te schenken. O zoete, o aanbeden godheid van mijn ziel! Verontschuldig, vergeef mijn ongeduld, maar hij kan slechts leven, slechts ademen in het licht van jouw ogen, in de lucht die jij uitademt. Jij bent alles voor mij, je bent de zon die mij verlicht, de adem waarvan ik leef. Ik verwijt je niets. Liever zal ik duizendmaal ten onder gaan dan jou verdrietig maken, maar wat moet ik doen? Laat me tenminste sterven, maar laat me alléén sterven en laat mij de troost mee in het graf nemen dat je van me gehouden zou hebben als je de moed daarvoor gehad zou hebben, dat je in je hart om me weent, dat je de herinnering aan mij zult bewaren en dat deze je dierbaarder zal zijn dan de ongelukkige zelf, die het leven verlaat omwille van jouw gemoedsrust, die je vergiffenis vraagt omdat hij je in verwarring gebracht heeft, en die zijn enige roem en zijn enige gelukkige uur zal vinden in de dood, die hij omhelzen zal met meer
vuur dan zelfs de meest hartstochtelijke minnaar ooit getoond heeft. Adieu, mijn allerliefste! Adieu. Ontvang de vurige kus die ik op dit papier druk. Adieu!
Vrijdag.
4 november 1796.