terug  begin  verderprepost

Bilderdijk aan zijn geliefde. Londen, 14 november 1796

Fantastisch! Dat ontbrak nog aan mijn verdriet, dat je zou weigeren een klein geschenk aan te nemen dat voor jou een symbool moet zijn van mijn leed. Aan wie anders kan ik mijn lijden opdragen dan aan jou, voor wie ik dit verdraag en die er het waardige en aanbeden object van is? Ga! als je er het hart toe hebt, wijs mijn lijden af, drijf het op de spits, tot het uiterste: reeds sta ik aan de rand van de afgrond, er is geen grote inspanning voor nodig mij hier voor altijd in te storten. - Ja, mijn godin, het doet me goed om althans het weinige dat ik besparen kan aan jou op te offeren, ook omdat ik geen hap door mijn keel kan krijgen, want het eten zou me de keel dichtsnoeren. Vergun mij dat de onthou-

[p. 148]

ding waartoe ik door mijn verdriet gedwongen wordt, niet helemaal voor niets is geweest. Denk intussen niet dat ik honger zou lijden uit ijdel vertoon of om mij dat als verdienste aan te rekenen. Nee, ik lunch soms met mijn neef, ik verslind enkele kruimels, maar die zijn nat door mijn tranen, die ik toch niet kan onderdrukken, hoewel ik me inspan ze te verbergen. - Het is een feest voor mij wanneer ik de maaltijd kan vermijden, die zo bitter voor me is en mijn afschuw opwekt. Wat ik je aangeboden heb, is het resultaat van deze dagen vol liefdesverlangen, waarin ik vrij was om de ingevingen van mijn bedroefde hart, dat iedere troost zonder jou afwijst, op te volgen. - Ach mijn leven! wat zou mij kunnen troosten als ik jou verloren heb? Wat betekent heel de wereld als ik jou mis? Ach, er bestaat geen eten, er bestaat niets voor mij wat ik niet verafschuw, waarvoor ik geen afkeer voel zonder jou. Helaas, ook tot God kan ik mijn toevlucht niet nemen; ik kan niet bidden sinds jij me ontroofd bent. En om wat anders zou ik bidden dan om wraak... Maar dat zal ik niet doen: deze onmensen, deze barbaren die mij doden, die mij kruisigen met de meest verfijnde kwellingen, zijn jou dierbaar; en ik heb het hart niet mij te wreken of wraak over hen af te smeken. Ach, ach! zij zijn jou dierbaar! mijn moordenaars! Zij daar, die mij meer dan duizend vuistslagen toedienen op het kloppend hart, waarin jij leeft! Ach, als ik denk aan wat ik nu zeg, hoe kan ik dan geloven dat jij houdt van dit ellendig slachtoffer van een wreedheid die jij zo lijdzaam toestaat? - Vergeef mij, o mijn ziel! ik ben niet meer bij zinnen, je ziet het; ik ijl en ik weet van mijzelf niet wat ik zeg of wat ik doe. Maar jij, zoet leven van mijn ziel! het is aan jou mij een milde en welwillende hand te reiken, mij tot mijzelf te brengen, door je over te geven aan mijn liefde. Ik strek mijn armen naar je uit, smekend om je hulp en bijstand: kom dichter bij me, kom in mijn armen, zodat ik je met mijn tranen doorweek, zodat ik met een zucht aan je voeten sterf! O jij, mijn enige troost, voer me niet tot de uiterste wanhoop! Mijn toestand verdraagt geen uitstel; zorg dat ik je zie, dat ik je spreek; het is het leven dat ik je vraag, het leven zelf; want zonder deze gunst sterf ik. Vaarwel meest aanbedene van de wereld! Vaarwel!

[p. 149]

middernacht. Maandag.

 

Ook vanmorgen heb ik met mijn neef ontbeten, wees dus gerust, mijn lief! het gaat beter met me, althans niet slechter. Maar waar dient dat voor, als ik jou verlies? - Jouw mooie en lieve hand zal me troosten in deze verschrikkingen, maar vergun me je te zien, als je niet wilt dat mijn leven ophoudt! - Adieu!

 

Maandag, 10 uur.

prepostterug  begin  verder