Nog diezelfde dag reageert Wilhelmina op zijn wanhoopskreet. Ze verwijt hem dat hij haar mee de dood in trekt: ‘Zo het je enige troost kon schenken mij het leven te benemen-zal ik zeggen: zie ik sterf! Maar wat zal daarvan het nut zijn? - en toch, dit zal zeker gebeuren als je je niet in wilt spannen om mij te redden! - Want ik heb mezelf nog nooit zo verslagen gevoeld.’
Wat een verschrikkelijke gedachte! En jij durft die aan mij toe te schrijven! Kun jij geloven dat dit hart in de vreselijkste diepten van de wanhoop jou zou kunnen meetrekken in de verafschuwing van zichzelf? Nee, mijn aanbedene! je kent me niet als dit je mogelijk lijkt. Ik stond op het punt een vervloeking te uiten en werd door mijn hand tegengehouden, maar deze vervloeking kan niet, zal nooit kunnen binnendringen in mijn gedachten. Je zult voor altijd het aanbeden, het vereerde voorwerp zijn waarvoor ik alles in de wereld opoffer. Ach mijn godin, hoe hou ik van je! hoe aanbid ik je! Nee, ik verwijt je niets, ik heb niet de minste intentie om dat te doen, ik vraag je slechts om je mededogen, om je hulp,
en om zoveel moed als nodig is om uit te stijgen boven de alledaagse vooroordelen en zwakheden. Je kunt niet, zeg je mij! het enige wat je kunt is ons in de schande storten.-? Ach, wat zeg je! Ik zou ook de echte schande voor jou verdragen en jij bent zo bang voor een slechte naam dat je me het leven dat me ontglipt niet wilt teruggeven? Herinner je dan de toestand waarin ik verkeer en of ik die verdiend heb door mij te onderwerpen aan jouw wil? Ach! dit is dus de laatste moedigheid, de laatste inspanning van je liefde en dat heet dan van me houden! Maar nee, zoveel vraag ik niet. Sterven, sterven zou ik graag, als het maar in jouw bijzijn, aan jouw voeten is. Sta dat tenminste toe.
Zal ik je misschien kunnen zien, als ik alleen met je spreken wil? Ach, wat zeg je? zal ik daarvoor de kracht hebben? zal ik in staat zijn om mij te houden aan de door jou voorgeschreven grenzen? En wie zal er bij je zijn? Ach, als dat je moeder was! Ik zou je zeker van haar losrukken, ook al zou mij dat het leven kosten. Onwaardig als zij is om je moeder te zijn! Nee, ik zal haar niet kunnen zien zonder buiten mezelf te raken. Heb genade, verbied dat zij met je meekomt! ik beloof je niets, ik zou het niet na kunnen komen.
Ik weet niet wat er met mijn neef gebeurd is. Hij is buiten zichzelf teruggekomen, hij heeft zijn geld verloren, hij zegt dat hij geduelleerd heeft met een Engelse officier, hij is ziek, hij beschuldigt zichzelf ervan kwaad te hebben gedaan, mijn naam en die van mijn leerling in opspraak te hebben gebracht, zichzelf te hebben vernederd, &c. Nu ligt hij bijna buiten kennis in een hoek van de kamer en ik ben gedwongen bij hem te waken. - Waar zal ik de sleutel voor dit raadsel vinden? - Ach, mijn allerliefste, als jij er de reden van weet, hoop ik dat je mij die zult onthullen. Ik weet niet wat ik doen moet, alle dingen spannen samen om mij terneer te slaan. Alles zweert samen om mij het leven te benemen. Ik zou iedereen vergeven en ik zou tevreden sterven, als mijn dood jou de rust zou teruggeven, o mijn ziel, die de ongelukkige hartstocht die je gelukkig had moeten maken, van je geroofd heeft. Vaarwel, mijn ziel, mijn zoete ziel, mijn enig goed! Vaarwel!
Middernacht.
Met mijn neef gaat het beter en ik geloof niet dat de zaak zo belangrijk is. - Als het mogelijk is, zal ik uitgaan om je te zien. Ik heb koorts en ik weet niet wat ik doe. Vaarwel, mijn liefste, houd je goed, wees wat gelukkiger en hou van me! Vaarwel.
Zondag, 10 uur.