|
|
|
| |
| | | |
VIII. 1863. 24 jaar. - te Amsterdam.
Leiden 6 Januarij 1863.
AMICE!
Hartelijk dank voor uwe lieve wenschen. Ook ik koester in mijn hart
alles goeds, voorspoedigs en voordeeligs voor u. Ik zou u vooreerst weer
volkomen hersteld willen zien, opgeruimd en het leven moedig te gemoet gaande.
Daarbij kon een beetje opgang geen kwaad, dat tevens de beurs zou vullen. Moge
de verwezenlijking van dit alles in den loop dezes jaars uw geluk en ook het
mijne bevorderen! Moge tevens onze toenadering inniger worden en gij, althans
voor mij, alle stroefheid en terughouding meer en meer afleggen! Dat gij den
professor gesproken hebt, geeft mij | | | | rust. Doch blijf, wat ook
gezegd worde, uwe borst ontzien! het is een verraderlijk orgaan. Het is eene
uitmuntende zaak, dat gij u voor goed bij uwen vader hebt ingekwartierd. Gij
handelt wèl met stilletjes te huis te blijven en geduld te oefenen.
Het is misschien een gelukkig denkbeeld van u, eens een Winter te
willen schilderen. Een Maneschijn ware ook niet kwaad. Maar het zal niet lekker
te Oosterbeek zijn, en gij moogt altijd wel een beetje met eerbied voor de
verkoudheid bezield zijn.
Onlangs naar Gouda rijdende, dacht ik, dat die leelijke
en ongastvrije oorden om en bij Hazerswoude mogelijk wel iets voor
u zouden opleveren. Vlak bij ligt Koukerk, waar Rembrandts
landschap en zijn toon nog herkenbaar zijn.
| |
Leiden 18 Januarij 1863.
WAARDE GERARD!
Hoe gaat het met u? Altijd hetzelfde, denk ik. Van het lenteweder
zult gij, nu het zoo guur en onstuimig is, voornamelijk beterschap moeten
wachten, en wel dubbel blij zijn bij uwen vader te zijn ingekwartierd. Kunt gij
aldaar nu nog al redelijk voortwerken? en hoe is het met de slapeloosheid? Ook
deze zal, vrees ik, | | | | niet veel verbeteren, naar mate gij veel te
huis moet zitten.
| |
Leiden 3 Februarij 1863.
WAARDE GERARD!
Hoe blij ben ik u eens gezien te hebben! Ik maakte inderdaad bij u
een allerpleizierigste visite, die het mij wel speet niet langer te kunnen
rekken.
Gisteren werd een drama van Kiehl opgevoerd; de comedie moet
stampvol zijn geweest, ik zou er gaarne naar toe zijn gegaan, maar gaf de
voorkeur aan eene lezing van
Cremer. Een kabinetstukje! Eene
onbeduidende intrigue, maar details, fijne trekken en eene voordragt!... Gij,
die dat van hem kent, stelt het u voor. En o, dat liefelijke loopen der Linge
langs hare oevers, getooid met malsch gras, malsch vee en rijke hofsteden; een
Pottertje met een greintje humour. Cremer en
de Genestet zijn de eenige letterkundige
verschijningen der tien laatste jaren, met Intimis van
Pierson, dat naast de sentimental journey
staat. Men hoort niets schooners te Parijs dan Cremer in zijne bekoorlijke en
geacheveerde oorspronkelijkheid.
Wat bijgaande boeken betreft, hoop ik maar, dat gij ze nog niet
kent. De mémoires de Fleury zijn voor drie kwart apokrief, voorts
meesterstukken van | | | | stijl en wezenlijke tours de force om wat niet
zegbaar is aannemelijk te maken. Ze zijn nog al scabreux, en men moet met een
half woord weten te verstaan, maar dol amusant. Gil Blas kent gij mogelijk,
anders moet gij hem lezen: Gavarni heeft hem onlangs wonderfully
geïllustreerd. Verder voeg ik nog bij de bezending een reisje van Gauthier
door Spanje, eene idylle van Sand en den klassieken Charles XII van Voltaire.
Adieu. Ik heb geen tijd meer.
Welk een heerlijke aanleg was dat gezigt achter de kerk!
| |
Amsterdam 5 Februarij 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Hierbij zend ik u mijne vertaling tot bladzijde 240. Ik heb de
cahiers van binnen genommerd.
Ik dank u zeer voor de gezondene boeken. Uitgenomen Vollaires
Charles XII en tra los Montes, zijn de andere mij geheel nieuw, want Gil Blas
had ik wel eens ingezien, doch nooit gelezen. Zoo als u zegt, zijn de
mémoires van Fleury razend amusant, levendig en geestig.
Sedert u hier was, heb ik drie of vier dagen lang weder hoestbuijen
gehad, zoo als men die waarnemen kan bij arme menschen op hoeken van straten,
en die | | | | eerst met hun leven eindigen. Dat laatste evenwel zal bij
mij minder het geval zijn, daar het ergste weder geleden is, en ik alleen des
nachts nog erge buijen kan hebben. 't Is niets dan eene verkoudheid hier in
huis ergens gevat; waar en wanneer weten alleen de mij vijandige goden.
Ik hoop, dat mijne vertaling u niet al te zeer zal tegenvallen, daar
ik er eene eer in stel een goeden naam bij u te maken en om honderd andere
redenen van ijdelheid, eerzucht en naijver, maar vooral ook, omdat ik er voor
dit oogenblik een verzoek, eene soort van eigen rouwbeklag, op gronden moet. 't
Is weer eene oude koe, die ik al duizend maal uit de sloot heb gehaald, te
weten de bodemlooze mand. Ik heb geen cent meer. Zou u mij, nu de helft der
vertaling af is, ook de helft van het honorarium willen voorschieten? Ik weet
inderdaad niet meer hoe ik mij ooit uit mijne financiële moeijelijkheden
zal redden. De oogenschijnlijke windstilte der drie laatste maanden van het
jaar verandert in een sloopenden storm, zoo spoedig de eerste maand van een
nieuw jaar is aangebroken.
Op een middag bragt mijn vader, die aan mijn atelier was geweest,
mij letterlijk een handvol rekeningen mede. Ik heb ze kalm en toch angstig op
zijde gelegd met de woorden: - ik kan daar niet aan doen - even zoo als men een
bedelaar afwijst. Oude, zeer oude, nieuwe, hooge, middelsoort, lage, allerlei,
in alle vormen en grootten, 't is om te wanhopen! menschen | | | | die
wissels willen trekken en daar reeds meer dan twee jaren regt op hebben! Welk
een geschrijf om goede vrienden te blijven! Verbeeld u, dat ik niets meer
verkocht heb, sedert ik u, toen in Engeland, dat voorschot op mijne schilderij
in Arti vroeg!
Niemand moest schilder worden zonder eene water- en vuurzaak, een
schaftkelder, een garen en bandwinkel of iets nederigs van dien aard tot
broodwinning er bij. 't Is eene levenslange worsteling; levenslang zeg ik, want
mijn vader voert haar reeds sedert dertig jaren en is niet verder dan ik nu.
Men leeft, maar in welke angstige zorgen! Vergeef mij mijn ongeduld! ik kan het
somtijds niet meer verhelen.
| |
Amsterdam Februarij 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Hierbij zend ik u eenige schetsjes.
Meer dan eens heeft mevrouw mij de eer gedaan, haar genoegen aan den
dag te leggen over mijne studies naar de natuur. Nevensgaande schetsen nu heb
ik getrouw gevolgd naar krabbels, die ik in mijne schetsboeken had en mevrouw,
geloof ik, nog niet zag. Ik heb er niets aan veranderd en zooveel mogelijk
precies mijne studies gecopieerd; ze zien er daarom ook hier en daar wel wat
erg ruw uit.
| | | |
De gunst nu, welke ik u verzoeken wilde, is, ze uit
mijn naam mevrouw aan te bieden als een bewijs van, ja, van alles goeds, waar
ik maar bewijs van kan geven. Zoo u het goedkeurt en mij dit genoegen wil doen,
en mevrouw die blaadjes wil aannemen voor wat zij zijn, zal ik mij zeer vereerd
en gelukkig gevoelen. Ik moet eene verontschuldiging maken voor het blaadje met
de koeijenkoppen. Het ziet er niet overal even presentabel uit; omdat ik er
naar heb willen etsen, zijn er hier en daar vlekjes van rood-aard of rood krijt
op gekomen. Ik heb ze er ook alleen durven bijvoegen, omdat ik ze houd voor het
beste, dat ik ooit met de pen geteekend heb. Ik zend alles te zamen maar los
bij elkaar en onopgezet, opdat mevrouw er naar welgevallen mede kunne handelen
en eene enkele er van misschien een plaatsje vinde in een of ander album of
portefeuille.
Altijd nog hoesten, en onlangs heb ik weder een weinigje bloed
opgegeven, maar gering. O, de lucht, de lucht! Ik kan er bijna niet langer
buiten, ik heb altijd hoofdpijn.
| |
Amsterdam 11 Februarij 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Gisteren heeft een bediende der Heeren van Vloten en de Gijselaar
mij het bewijs gebragt uwer goedheid | | | | en der vervulling van den
wensch, welken ik u had te kennen gegeven. Ik dank er u hartelijk voor.
Ook Julian Home heb ik ontvangen en mij maar op nieuw aan het
vertalen gezet.
Ik begin geweldig en razend naar het schilderen te verlangen en
vooral naar mijn grooten Namiddag. Ik heb de gelukkige inbeelding, dat
iedere penseelslag, welke ik in mijne aanstaande gulden eeuw, den tijd mijner
verlossing uit de Babylonische gevangenis, zal gaan doen, raak zal wezen. Ik
verteeder nu reeds mijn hart en denk aan de schoone zomeravonden van voorheen
aan schoone oogenblikken in een van kwalen vrije toekomst; ik zou mijn gansche
hart en al wat er in omgaat in eene avondlucht kunnen uitstorten. Hoe gelukkig,
dat men zich van te voren altijd wat pleizierigs kan voorstellen! Want als ik
in werkelijkheid voor mijn doek sta, strijdend met kremser wit, gele oker of
kadmium, dan lossen vele mooije bespiegelingen zich wel eens op in een vuilen
toon.
Maar de schilderkunst is geen vak meer; zij zal weder rein kunst
gaan worden, als hare dienaars menschen zijn, enkel bestaande uit geest,
zonder eetlust en zonder maag. Op enkele uitzonderingen na is er bijna geene
hoop, geen vooruitzigt meer. Ja, ik moet bekennen, dat, als het mij nog lang
moest gaan zoo als tegenwoordig, ik geen raad zou weten, hoe het vol te houden,
daar ik nu alweder hoe vele maanden leef van u en van mijn vader. Maar ik ben
voor al het andere bedorven, en hoewel wat lui in de uitvoering, | | | |
voel ik mij toch schilder in mijn hart, al blijkt het niet uit de deugd van
mijn arbeid.
| |
Amsterdam 26 Maart 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Ik kon het niet langer uithouden; ik moest schilderen, en sedert
eenige dagen breng ik mijn tijd tot vier uren weder op mijn atelier door en
voor mijn schilderezel, altijd natuurlijk met toestemming van den medicus. En,
o wonder! ik heb nog geene verkoudheid opgedaan, hetgeen mij de bon augure
schijnt. Hoewel het weder niet zoo zacht of mooi is, dat het verlangens naar
buiten kan opwekken, zijn die begeerten bij mij toch reeds ontwaakt en denk ik
er onophoudelijk aan, en zulks met het meeste genot. Maar 't is niet vreemd.
Mevrouw had mij reeds in haren brief over Oosterbeek geschreven en
mij zelfs de eer gedaan er bij te voegen, dat ik mij dan eens onder haar
toezigt en hare zorgen moest plaatsen, een woord, dat mij innig trof en
oneindig genoegen deed. Hier zijnde, heeft u zelf ook over Oosterbeek
gesproken, en deze zijn de zonnestralen, welke die gedachten aan buiten zoo
spoedig bij mij hebben doen ontspruiten. Wanneer ik nu alles bij elkander
reken, èn professor Schneevoogts gunstig oordeel èn de woorden
van | | | | mevrouw en u, dan zal u begrijpen, hoe het komt, dat ik met
mijne denkbeelden reeds midden in den schoonen zomer ben en de maanden, die er
mij nog van scheiden, reeds wenschte achter den rug te hebben.
| |
Amsterdam 26 Maart 1863.
MEVROUW,
Sedert ik UWEd. brief heb ontvangen heeft steeds deze gedachte mij
bezig gehouden, hoe ik UEd. mijnen dank daarvoor genoegzaam zou kunnen
uitdrukken. Ik heb echter gezien, dat het onmogelijk is en het gemoed indrukken
ontvangt om welke mede te deelen men oneindig beter ter sprake moet zijn dan
ik.
Mij blijft dus niets over dan te erkennen, dat ik zeer diep
getroffen ben door de vele blijken van ware welwillendheid en goedheid, welke
UEd. mij gegeven heeft.
Hoe aangenaam was het mij, dat UEd. die kleine schetsjes wel wilde
aannemen, dat ze UEd. mogten bevallen, UWEd. goedkeuring wegdragen; hoe vleide
mij UWEd. zeer gunstige beoordeeling, niettegenstaande ik duidelijk gevoelde,
dat hier de recensie oneindig meer de benaming van mooi verdiende dan hare
voorwerpen. Maar wat mij bovenal trof, het was wat UEd. mij zegt en aanraadt
met betrekking tot een aanstaand | | | | verblijf te
Oosterbeek. Waarlijk, er bestaat voor mij niets schooners dan
Oosterbeek met de zon aan den hemel en met den Hemelschenberg, mijn schoonste
gesternte, wier stralen mij leven, vreugde en hoop brengen. Van nu af aan denk
ik voortdurend aan het geluk, dat mij dezen zomer te wachten staat, want niets
kan mij meer welkom wezen, niets zal ik liever doen dan mij overgeven aan UWEd.
leiding, mij stellen onder UWEd. bescherming, en zeker zal ik geene uwer
geboden overtreden.
Ik herhaal het, UWEd. goedheid heeft mij diep getroffen; ik gevoel
volkomen hare groote waarde, en al mijn streven wil ik daarop rigten, geen
onwaardige te zijn tegenover mijn onverhoopt, maar ook onverdiend geluk.
Ik bid UEd. mijn warmen dank aan te nemen en te gelooven, dat die
dag mij bijzonder lief zal wezen, waarop ik UEd. mijne erkentelijkheid
mondeling zal kunnen betuigen.
Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn,
UEd. Dw. Dienaar,
A.G.B.
| | | | | |
Amsterdam 2 April 1863.
HOOGGEACHTE HEER,
Hiernevens zend ik u Gil Blas in dank terug. Het is sterk op
Cervantes geïnspireerd, maar don Quixote, hoeveel schooner kunststuk!
De tentoonstelling van teekeningen in Arti is sedert Zondag geopend;
er zijn vele teekeningen, en nog al goede. Ik ben ontevreden op mijzelven, dat
ik nooit de pogingen, die ik aangewend heb om te leeren aquarelleren, heb
doorgezet. Maar nu heb ik toch weder een papier opgezet en eene schets
geteekend, en zal het weder eens proberen. Het is tegenwoordig ook nog al eene
bron van geld; de menschen koopen waarlijk veel teekeningen, maar schilderijen
geene enkele. Verbeeld u eens, dat mijn laatste verkoop nog altijd is die op
Arti omstreeks 15 September. Dat is dus nu bijna zeven maanden geleden! Wat
moet dat geven?
| |
Amsterdam 17 April 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Eindelijk heb ik de sprong door de ton gewaagd en ben begonnen te
aquarelleren. Maar, waarlijk, ik fa- | | | | briceer horreurs, en tot nog
toe zijn zij ook; voor dat er de naam onder geschreven werd, eene prooi der
vlammen geworden. Ik heb er nu echter eene onder handen, die ik eens zal
afmaken en niet verscheuren, maar ik bid u, niet te gelooven, dat ik ze sparen
wil om hare schoonheid of goede hoedanigheden. Het zal wezen met voorbedachten
rade. Ik durf u bijna niet bekennen, dat ik Julian Home nog altijd niet af heb.
Er ontbreekt slechts één hoofdstuk aan, natuurlijk het laatste,
waarin ze elkander krijgen.
Wat is het overheerlijk weder en wat zal u het te Oosterbeek
treffen, als het zoo blijft! Maar als eenmaal ook de regenbuijen loskomen, die
reeds gevallen moesten zijn, dan kunnen de Oosterbekers in hunne papieren
huizen zich met potten en emmers wapenen om het te veel der liefelijke
meiregentjes op te vangen. Ik heb de zaligste herinneringen van zulke wanhopend
drukke oogenblikken, die een reiziger door de Sahara mogten doen watertanden.
Maar in papieren huizen of niet, 't is benijdenswaardig daar thans te zijn en
te leven onder die lentezon en dat lentegroen.
| | | | | |
Leiden 19 April 1863.
LIEVE BESTE GERARD!
Dat uwe gezondheid vordert, doet mij genoegen. Daardoor heb ik veel
hoop u bij ons te zien. Evenwel is het nu nog te vroeg en te koud. Het mooie
weer van Mei, onze lente met hare scherpe N. O. winden, die het jonge groen en
de teêre bloesems plegen te verwelkomen, lijken u niet. We moeten Junij
afwachten, dan spreken wij elkander nader.
Misschien moet ik in den loop dezer maand nog wel te Amsterdam zijn.
Dan ga ik stellig de expositie op Arti zien. Laat gij u maar niet ontmoedigen
en aquarelleer er maar stoutweg op toe! Wat is er van uwe vooruitzigten in
Engeland geworden? Schort nu uw ongeduld naar de natuur nog maar wat op en denk
maar: ieder heeft zijn kruis te dragen, ik heb het mijne, gij hebt het uwe.
Mogen nog eens betere dagen voor u aanbreken! Ik draag er zooveel ik kan toe
bij om die gelukkige uitkomst te helpen bewerken. Blijf steeds van mijne
hartelijke genegenheid verzekerd en geloof mij,
Uw toegenegen,
J.K.
| | | | | |
Amsterdam 28 April 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Hierbij zend ik u het overige der vertaling. Ik herhaal mijn wensch,
dat u er zoo weinig mogelijk aan te doen moge vinden. Ik heb er evenwel geene
hoop op, daar ik al te zeer overtuigd hen van het gebrekkige van mijn werk. Ik
moet alweder met de onbescheidene vraag voor den dag komen, of u nog eens weder
de groote goedheid zou willen hebben mij het overige geld der vertaling te
geven. Het doet mij leed, dat ik op nieuw en altijd vragen moet; het geeft mij
eene zeer kleine gedachte van mijzelven, dat ik, bijna vijf en twintig jaren
oud, met al mijn schilderen en mijne honderden van studies, niet meer in staat
ben eene schilderij te verkoopen, al is de prijs ook nog zoo gering. Is mijn
talent, hoewel klein, niets meer waard of schuilt er iets anders achter? Kan er
sprake zijn van een zeker noodlot, dat over een mensch, over eene familie ligt.
Aan dat laatste geloof ik ongaarne; ik schrijf het liever op rekening van mijne
geringe bekwaamheden en van den smaak van het publiek.
De treurige eentoonigheid van het leven - altijd dezelfde
moeijelijkheden, altijd dezelfde ziekte - heeft mij tot een halven idioot
gemaakt. Ik ben zoo dof, dat ik somtijds geen woord kan spreken, en de eenige
beweging in mijn geest is die eener opstijging van | | | | ongeduld of
weerspannigheid. Er schijnen oogenblikken in het leven te zijn, waarin alles,
zelfs de kleinste zaken, die, waarbij men zou zeggen, dat van geen
mislukken of teleurgesteld worden sprake kan zijn, zoodanig tegenloopen, zulk
een stroom van onweerstaanbaren tegenspoed vormen, dat men versuft en verslagen
staat, geene poging tot verzet meer doet, maar de handen in elkaar vouwt en
zucht: wat is toch dat alles? welke duistere wolk is er op mij nedergedaald?
hoe kan zelfs dat, hetgeen mij een geluk scheen, eensklaps het masker afwerpen
en een ramp blijken?
Wat dunkt u van het plan om een nieuw algemeen museum te Amsterdam
te bouwen, waarin de schilderijen van het Trippenhuis, die van van der Hoops
verzameling en vervolgens de vele schilderijen in de verschillende
stadsgebouwen verspreid, zullen vereenigd worden? Hoe mooi zou dat kunnen zijn!
welk eene prachtige galerij worden! Hoe heerlijk,
Rembrandt en
van der Helst voor het eerst te kunnen
zien in eene geschikte zaal met goed licht! Het zou zeker eene van de schoonste
aanwinsten zijn, die de stad kon doen. Het nieuwe museum Fodor zal u nog wel
niet gezien hebben, ten minste niet als eigendom der stad en zoo als het huis
thans verbouwd en ingerigt is. Het moet bijzonder netjes en in de puntjes, maar
wel wat kleingeestig zijn, althans naar men mij verteld heeft. En ik geloof
het; het is de onverdelgbare hollandsche kwaal: netjes, maar kinderachtig. Maar
de collectie | | | | zelve is uitmuntend, er zijn heerlijke schilderijen
bij; ook de teekeningen-verzameling moet zeer schoon zijn. Den eersten dag, dat
ik weder uit ga, zal ik besteden, om dat alles eens te gaan zien. Ik ben er
zeer nieuwsgierig naar. Het is razend jammer, dat de Heer Fodor niet eenige
jaren langer geleefd heeft, al ware het alleen maar om zulk eene kostbare
verzameling nog vollediger te maken, want ik geloof, dat hij geene uitgaven
ontzag.
Ik zou wel eens willen weten, hoeveel vellen echt Whatman ik nog zal
moeten vol aquarelleren voor ik eene teekening kan maken, die gezien mag worden
en waarin men die scherpe randen, die al wat ik er opsmeer ontsieren, niet
ziet. Misschien zal het mij helpen, als ik dezen zomer wat naar de natuur
tracht te waterverwen. Er behoort veel behandeling, veel slag, veel
ondervinding bij. Het is iets geheel anders dan olieverw; men moet langs geheel
verschillende wegen en door geheel verschillende procédés tot
dezelfde kleur komen. En eer men al die kennis heeft opgedaan! Behendige
aquarellisten zeggen, dat het tijd en geduld vereischt.
| | | | | |
Hemelscheberg 3 Mei 1863.
WAARDE GERARD,
Gij zijt neerslagtig en mismoedig. Ach! ieder heeft zijn kruis te
dragen. Zeker geloof ik, dat gij er beter aan toe zoudt zijn, hadt gij niet het
penseel opgevat, maar voor verandering ten dezen is het thans te laat; ook is
het uwe vrije keuze geweest. Daarbij voegt zich uwe voortdurende ongesteldheid.
Ondertusschen hebt gij niet stil gezeten, uwen tijd niet verloren. Gij hebt f
200 verdiend; de helft van die som gaat, volgens uw verlangen, hierbij. En
werkelijk verdiend, want de vertaling is zeer goed; slechts zeldzaam is het,
dat gij den regten zin niet gevat hebt, en mijne veranderingen zijn alleen van
aesthetischen aard. Nu hoop ik maar, dat gij met eenigen lust aan dezen arbeid
zijt bezig geweest. Is dit zoo en juicht ge niet, dat deze last eindelijk van
uwe schouders is afgegleden, dan zou het wel kunnen gebeuren, dat gij u later
met ander vertaalwerk, dat gemakkelijker is, liet belasten.
| | | | | |
Amsterdam 5 Mei 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Ik dank u hartelijk voor uwen brief en voor de ƒ 100 daarbij
ingesloten. Ik kan u niet genoeg zeggen hoeveel genoegen het mij doet, dat ik,
volgens uwe verklaring het geld aan de vertaling verdiend heb. Ik heb er altijd
voor gevreesd, dat het tegendeel het geval mogt wezen, en voor u het boek
geheel ten einde is, zal u hier en daar ook nog wel eens een hoofdstuk vinden,
waaraan het duidelijk te zien valt, dat ik er mede in heb gezeten. Ik stel er
veel belang in te weten of uw oordeel, dat nu zoo gunstig is, tot het einde toe
hetzelfde is gebleven. Dan had ik ten minste het geluk, eens iets gedaan te
hebben, waarover ik tevreden kan zijn.
Ik heb onlangs op een mooijen dag het museum Fodor gezien en moet
zeggen, dat het mij gefrappeerd heeft. De zalen zijn keurig en fijn afgewerkt,
en het arrangement van het geheel zou, dunkt mij, niet beter kunnen. Men
ontvangt er geheel den indruk van hetgeen het is. Er is niets vervelend
museumachtigs aan dan alleen de stereotype verveling der oppassers, en men moet
zeggen, dat het tot in alle bijzonderheden netjes en uit eene breede beurs is.
De meeste schilderijen kende ik, maar onder die, welke ik niet kende, trof mij
voornamelijk een schilderijtje van Marilhat, | | | | een landschap uit
Algerie, denk ik, met kameelen gestoffeerd. Er is een luchtje boven dat
landschap, zoo brillant, zoo zonnig, zoo waar, als ik, dunkt mij, nog nooit
eene lucht op eene schilderij gezien heb. Als u de collectie eens gaat zien,
kan ik u dat stukje bijzonder ter bezigtiging aanbevelen. Behalve de turksche
school van Decamps, zijn er ook nog andere van dien meester, waaronder vooral
een turksch stadje als een juweel schittert. Het sterke Oostersche zonlicht is
daarin tot op eene ongeloofelijke hoogte uitgedrukt, en het is van eene
schildering, eene factuur, zoo volmaakt, dat ik niet begrijp, hoe men het
zoover brengen kan.
Met het volle bewustzijn mijner zwakheid op nieuw ontwaakt, ben ik
ook weder aan het schilderen gegaan en zal trachten, als het kan, iets beters
te leveren dan ik tot nu toe gedaan heb. Ik wil daartoe ook vooral hopen op wat
gezondheid en goeden moed. Voor de Haagsche expositie zijn alweder veel meer
schilderijen ingezonden dan gewoonlijk. Welk eene overproductie moet er toch
niet zijn! Al die teekeningen en al die schilderijen, en overal exposities!
Parijs en Brussel ook dit jaar! Hoe slechter het
gaat, des te lustiger wordt er gewerkt. De koning en de koningin hebben, zoo
als gewoonlijk, Arti met een bezoek vereerd; het getal onverkochte teekeningen
is er evenwel niet door verminderd.
| | | | | |
Amsterdam 21 Mei 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Het wordt tijd, dat ik u weder iets van mij laat hooren, en het doet
mij genoegen u te kunnen zeggen, dat ik mij dagelijks beter begin te gevoelen.
Ik kom met die verklaring zoo maar in eens uit den hoek, dewijl mijne
gezondheid of ziekte, zoo als men het noemen wil, toch in al mijne gedachten en
overdenkingen voorop staat. Ik heb in alles mijn gewone leven van voorheen
weder aangenomen, dat zeggen wil, alles angstig vermijdende, hetgeen mij op
eene of andere wijze nadeelig zou kunnen zijn.
Ik heb een paar romans gelezen van een schrijver, die mij nog geheel
vreemd was, van
George Elliot. Hoe hebben Adam Bede en
Silas Marner mij bevallen! hoeveel waarheid en natuur! hoeveel diepe kennis van
het menschelijk hart wordt daarin getoond! hoe heerlijk is het zieleleven der
verschillende personen daarin voorgesteld en tot in de kleinste bijzonderheden
nagegaan! Al die menschen hebben eene geheime smart, eene geheime schuld, die
op hunne handelingen inwerkt en er eene bepaalde rigting aan geeft, precies zoo
als in de werkelijkheid het geval is. De karakters worden schoon ontwikkeld en
gewijzigd door de ondervinding, door de onvermijdelijke, natuurlijke gevolgen
der feiten en handelingen, door moeite en | | | | lijden, door het leven
in één woord. En hoeveel mooije plekjes, hoeveel lieve
landschappen zijn er in Adam Bede te vinden! Die stille, zoete natuur, die maar
altijd even kalm en gestadig voortgaat en voortwerkt, terwijl de menschen, te
midden van al die bloemen en zonneschijn, dikwijls zoo disharmonisch mogelijk
optreden en zich allerlei zonden en lijden op den hals halen!
Ik ben druk bezig met schilderen, schilderijen maken zou men het
kunnen noemen, maar het slag of talent eene schilderij d'un jet op het doek te
tooveren ontbreekt mij nog geheel. Ik geloof ook niet, dat ik die vlugheid ooit
krijg. Ik heb veel pleizier in het schilderen; ik denk, dat het komt, omdat ik
er den ganschen winter nagenoeg niets aan gedaan heb. Als er nu ook maar iets
verkocht werd! maar dat wil maar volstrekt niet. Wat dat betreft, is de
toekomst eene Egyptische duisternis. Ik kan mij het verkoopen van eene
schilderij niet meer voorstellen; ik maak mij dan ook met het denkbeeld
gemeenzaam van betrekkelijke armoede - ik kon er dat verzachtende betrekkelijk
wel aflaten - al mijne beteren hebben daarin geleefd en zijn voor het grootste
gedeelte daarin ook gestorven. Ik zie duidelijk de dwaasheid in van mijne
vroegere droomen van welslagen; ze zijn tot de laatste verdwenen, en nu ik mij
een zuiverder begrip van de werkelijkheid heb gevormd, die ik wel een beetje in
den vorm van een vreeselijk gedrogt langzaam, maar zeker en onverbiddelijk, op
mij zie aankomen, verbeeld ik mij, | | | | dat ik ze minder vrees en de
gedachte, dat men niet voor zijn pleizier op de wereld is, iets wat ik nooit
gelooven wilde en er niet bij mij in woû, mij minder onverdragelijk
wordt.
Ik heb nog vergeten te zeggen, dat ik al zoover op de levensladder
geklommen ben, dat ik weldra schutter zal wezen. Ik heb mij ten minste daarvoor
aangegeven, en eene schoone vaderlandsche roeping is het, des Zondags te mogen
exerceren op de Beurs, het gepeupel te bedwingen bij een brand en overal als
een held en een man van gewigt vooraan te gaan en vooraan te staan.
De tentoonstelling te 's Gravenhage moet zeer mooi zijn; de
Hollanders schijnen hun best gedaan te hebben. Ik weet nog niet of ik er wel
naar toe zal gaan; de finantiën gedoogen geene reizen, en misschien zou ik
ook maar eene verkoudheid oploopen of eene reeds opgeloopene verergeren en
bovendien tot mijne spijt bemerken, dat mijne schilderij eene slechte figuur
maakt en met een zwaar hoofd en hart te Amsterdam terugkomen.
| |
Amsterdam 27 Junij 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Ik heb een zeer schuldig gevoel over mij, een gevoel, alsof mijn
laatste brief al te brutale kenmerken | | | | droeg mijner langdurige
worsteling met den boozen geest der moerassen, een gevoel van mij bezondigd te
hebben aan een onleesbaren, duffen, verkouden menschen-brief
1. Vergeving! dat ik u heb durven
schrijven in een toestand, waarin men niet schrijven kan, zonder gevaar te
loopen van dengenen, tot wien men zich rigt, het alles doodende gevoel van een
rhûme de cerveau mede te deelen.
Wat zegt u van de Haagsche tentoonstelling? Ik heb er vele en
velerlei berigten van gehad, mondelinge en gedrukte. Men heeft mij verhaald van
eenige geniale pogingen in mijn genre, door zekeren Marits - er zijn drie
schilders van dien naam, broeders, geloof ik, alle jongens van talent. Wat
heeft u bijzonder aangetrokken, aangesproken? Heeft u ook de uiterlijke
teekenen kunnen bespeuren van den kooplust der liefhebbers? Naar men zegt, is
en wordt er weinig gedaan. In zeker opzigt spijt het mij wel, dat ik niets van
die tentoonstelling heb gezien, al was het alleen maar om eenigzins op de
hoogte te blijven van wat en hoe mijne collega's schilderen.
Ik zelf heb in de laatste dagen een fellen strijd gevoerd tegen eene
kleine schilderij, waaraan ik meer met mijn scheermes dan met mijne penseelen
heb gewerkt. Maar ik heb dien strijd nu voor geëindigd verklaard, en al
afkrabbend en afvegend en weder be- | | | | schilderend, het eindelijk zoo
ver gebragt eene suffe en vermoeide schilderij te maken, maar die,
niettegenstaande die gebreken, toch niet zoo afzigtelijk is als ze aanvankelijk
dreigde te worden. Ook zwoeg ik weder in de allergrootste benaauwdheid op
teekeningen. Het zijn barensweeën, maar het welgeschapen kind komt niet.
Ik kan er op mijn woord nog niets van maken. En behalve al het kwellende, dat
er in gelegen is, iets wat men kunnen moest niet te kunnen, is het ditmaal nog
bovendien eene Tantalus-straf, daar ik zeker weet, dat ik voor eene goede
teekening eenige guldens zou kunnen krijgen. Ik zie die knagend-noodige
zilveren munten bij dezen of genen voor mij gereed liggen, als ik maar met eene
presentabele teekening voor den dag kom. En die mijnheer deze of gene is
volstrekt geen ingebeelde kooper, geen liefhebber, dien ik enkel door
zinsbegoogcheling zie, zoo als eigenlijk al mijne kunstaanbidders zijn; neen,
het is onze Neville Hart, de kleedermaker, die mij gezegd heeft eene aquarelle
van mij te willen hebben, als ik eens eene aardige gereed had. En nu kan ik er
geene maken, met den besten wil niet! Die arme Tantalus had goden-geheimen
verklapt
1, maar als ik
de goddelijke geheimen van Aurora eens aan de nieuwsgierige wereld vertellen
kon, dan zouden b. v. Hart en une foule d'autres curieux mij niet straffen en
laten hunkeren. Meer dan ƒ 25 zou ik er wel niet mede bemagtigen, maar
| | | | ik heb voor die som tegenwoordig meer respekt dan vroeger voor
het viervoudige. Dit brengt mij de schilderij in de gedachte, waarvan u
spreekt, die te Bordeaux door de Société des amis des beaux-arts
is aangekocht. Het was eene schilderij van mij; Bilders Junior stond er ten
minste in het kunstblad. Maar welke schilderij het is en aan wie ze behoorde
weet ik niet; zeker is het, dat ze het mij niet meer deed. Echter ben ik
daardoor op het idée gekomen, bij gelegenheid te Bordeaux eens te
exposeren. Men weet niet wat het geven kan.
Vergeef mij, dat ik u de boeken nog niet gezonden heb: ik ben de
gansche week maar half levend geweest, de verkoudheid maakte mij buitengemeen
suf en droomerig.
| |
Amsterdam 20 Junij 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Wat Oosterbeek aangaat, ik geloof niet, dat ik dezen
zomer het genoegen zal hebben u aldaar te komen zien en eenigen tijd in uwe
nabijheid door te brengen, want ik ben gisteren op eens weder zoo
verschrikkelijk verkouden geworden, dat ik er letterlijk ziek van ben; met die
plotselinge verkoudheid is ook mijn hoest teruggekomen.
Ik zou razend gaarne zien, dat er voor mij nog | | | | eens
mogelijkheid kwam, schilderijen in Engeland te verkoopen. Hartelijk dank voor
uwe bemoeijingen! Ik zou niet duur zijn. In mijn hoofd suist en prikkelt de
verkoudheid zoodanig, dat ik wezenlijk moet afbreken.
| |
Amsterdam Julij 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Vele dagen lang heb ik elken morgen een brief van u op mijn ontbijt
verwacht, maar elken morgen werd mijne verwachting teleurgesteld. Elken avond,
als ik tegen acht ure t'huis kom, heb ik dezelfde hoop, maar telkens blijkt ze
ijdel. Ik heb nagedacht, ik heb mij verwonderd, ik heb mij ongerust gemaakt,
eindelijk ben ik in die onzekerheid ongeduldig geworden en schrijf u, want ik
gevoel mij zeer verlaten en eenzaam, als ik in langen tijd niets van u
verneem.
Langzamerhand zijn al mijne vrienden en kennissen op den achtergrond
getreden en is het een vreemd verschijnsel, als ik op eene of andere wijze door
zigtbare teekenen aan hun bestaan herinnerd word. En nieuwe vrienden! Men moet
vele jaren lang in eene stad wonen eer men er geheel te huis is en er menschen
gevonden heeft in wie men belang stelt en die belang in u stellen. De
vriendschap van jongeluî heeft zich nog niet van hare schoone, dikwijls
zoo roman- | | | | tisch geschetste zijde, aan mij vertoond. Ik heb
opgemerkt, dat vriendschap veelal niets is dan eene soort van
Beijersch-bier-verbond en slechts zoolang duurt als men in alles van de partij
kan wezen. Wordt dit om eene of andere reden onmogelijk, dan vindt men zich
weldra op zijne kamer alleen gelaten.
Die teekeningen! Ze zijn nog niet zoo uitgevallen, dat ik ze heb
durven laten zien. Welk een drukkende last is het gevoel van onbekwaamheid! Ik
ben volstrekt niet vrij van eerzuchtige gedachten en zoo jaloersch als eene
vrouw op ieder, die eene goede aquarelle maakt. Niemand echter mag van mijne
afgunst weten en ik bid om geheimhouding.
Ik kan u niets nieuws melden. Amsterdam is zoo'n droomerige stad! ik
geloof, dat er nooit iets nieuws gebeurt, noch ook ooit weêr gebeuren
zal.
Nog even moet ik, uit louter kwade gewoonte, mijn stokpaard
bestijgen. Ik ben zeer arm, zeer ontevreden, ligchamelijk nog nagenoeg
dezelfde, en geestelijk onderga ik al die veranderingen, welke een mensch
ondergaan kan, die in niets zijn zin krijgt. Ik vecht met mijzelven, met het
leven, somtijds ook een beetje met den hemel, maar die is zoo goddelijk blaauw,
zoo vriendelijk verwijtend, dat ik bij een enkelen blik het smartelijkste
berouw over mijn verzet gevoel en over mijne aanklagten tegen het eeuwig
schoone en goede.
| | | | | |
Amsterdam Julij 1863.
HOOGGEACHTE HEER,
Ik had al vroeger geschreven en dadelijk na het ontvangen van uwen
voorlaatsten brief, zoo ik juist omstreeks dien tijd niet geplaagd was geworden
met mijn zwart humeur, en ik zeker wist, dat ik in zulke oogenblikken zoo vol
nonsense ben, dat mijne brieven een te groot deel daarvan in zich zouden
opnemen; het is beter, dat ik de verbazende domheden, die dan in mijn hoofd aan
't gisten zijn, maar eerst stilletjes laat uitrazen. Brieven uit zulke momenten
en die nooit verzonden werden, vond ik later wel eens terug: dan stond ik
waarlijk verbaasd over de schrikkelijke dingen, die ik gedacht en geschreven
had, en was blijde, dat ik ze ten minste niet op den post had gedaan.
U vraagt mij, of ik met lust werk. Ik kan er geen volmondig ja op
antwoorden. Ik werk bêtement, meer om iets te doen dan omdat ik er
pleizier in heb of er mij toe geroepen voel. Ik heb volstrekt geen geestdrift
meer; ik ben op mijn atelier versuft. Maar in het teekenen heb ik eene kleine
overwinning behaald. Drie kleine teekeningen, die ik in den laatstent tijd
gemaakt heb, zond ik voor een paar dagen aan Caramelli ter bezigtiging, en hij
heeft er eene van behouden voor ƒ 20. Dat sommetje op zichzelf betee- | | | | kent
even weinig als een druppel water aan eene emmer en is mij van
niet de allergeringste hulp in den diepen poel van schulden, enz. waarin ik
langzamerhand gezonken ben en iederen dag dieper zink. Helaas! ik weet zeker,
dat ik in de laatste jaren de grondslagen heb gelegd voor gestadige onrust van
dien kant in mijn volgend leven. Maar ik kon niet anders. Nu troost ik mij met
de volgende stelling: dat schulden, ofschoon zij iemand op allerlei wijzen tot
een slaaf maken en zijne vrijheid ontnemen, van den anderen kant ook weder een
prikkel tot werken zijn en aanleiding kunnen geven tot een ijverig gebruik van
den tijd, al ware 't slechts om aan zijne crediteuren te kunnen zeggen: - Ziet!
ik werk - maar, ach! het geluk werkt niet met mij mede. Doch ik beken tegelijk,
dat zulk een systema niet anders is dan onteerende zweepslagen voor een luijen
neger.
Om tot mijne teekeningen terug te keeren, ik ben nu daarmede ten
minste en train en durf ze te laten zien. Het was een eerste stap op een
nieuwen weg en als zoodanig een moeijelijke.
Wat zegt u van de uitspraak der jury, die op de vraag des ministers
geantwoord heeft, dat er zich op de Haagsche tentoonstelling geene enkele
schilderij bevond, waardig om door het gouvernement te worden aangekocht? Er is
een groot gemor onder alle schilders, en zij hebben gelijk, want de jury heeft
bewezen ongeschikt te zijn voor hare roeping door dat vernederend oordeel over
de hollandsche kunst.
| | | |
Wat is er toch van die groote meeting, die in de maand
Augustus te Wolfheze zal plaats hebben? Hoe is dat plan in de wereld gekomen?
Is het eene uitvinding van Ds. Heldring?
| |
Hemelscheberg 29 Julij 1863.
WAARDE GERARD!
Ik heb eene bestelling voor u, namelijk zou ik wenschen, dat door u
werden geschilderd twee dessus de porte voor mijne zaal, voorstellende
Oosterbeeksche landschappen. Ze zouden zonnig, weinig uitvoerig, maar breed en
meer op het effect geschilderd moeten zijn. Wilt gij dit doen? Maar dan zou het
noodig zijn, dat gij hier kwaamt. Vindt gij goed, dat ik u in dat geval eene
kamer bezorg, en mag ik u tevens ƒ 50 op rekening sturen voor de noodzakelijke
verschotten?
Regt verheugd ben ik, dat gij gat begint te zien op het teekenen en
dat gat door een paar tientjes gemaakt is, al leken u ook de kogels erwten in
een brouwketel. Hart moet nu óók dat gat maar door en het bij die
gelegenheid nog wat grooter maken.
Als ik lid van de jury was geweest, zou ik ééne lijn
met haar getrokken hebben. Zij gaf, naar mijn gevoelen, een billijk antwoord,
maar de fout ligt bij den minister, die, misschien niet geheel onopzettelijk,
zijne | | | | eischen zoo overdreven hoog stelde. Aan Zijne Excellentie
de schuld, niet aan de arme jury
1.
Gij vraagt mij naar dat feest te Wolfheze. Hetzelfde
had verleden jaar te Zeist plaats; maar ik hoor, dat de Broeders het daar,
wegens de voorgevallende schandalen, niet meer willen gedoogen, en nu leent
Mevrouw van Brakell er haar bosch toe. Het is een pleizierpartij voor de
vroompjes, en in het bosch zijn vier rustieke en ik moet bekennen
alleraardigste preekstoelen opgerigt. Ik laat strekking, geest, enz. daar en
beschouw de zaak niet van hare ernstige zijde, waarvoor ze niet dan in de oogen
van geestdrijvende en onmenschkundige menschen vatbaar is, maar het zal een
eenig coup-d'oeil zijn, dat schilderachtige bosch, wemelende van menschen en
rijtuigen, en weergalmende van zang en bazuingeschal. Ik ga er stellig heen,
vooral stel ik er mij veel van voor, dat boeltje, gesticht en in den Heere -
zonder sterken drank, die op het feest ongeoorloofd is - te zien inpakken. De
meeting is | | | | een plan van Ds. Buitendijk, die daarvoor Ds. Heldring
in den arm heeft genomen, althans zoo beweert deze; wat Ds. Buitendijk beweert,
weet ik niet. Maar ik moet aan tafel.
Antwoord mij eens gaauw!
| |
Amsterdam 30 Julij 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Indien een spoedig antwoord op uwen brief een der blijken wezen kan
van mijne bijzondere ingenomenheid met uwe plannen en voorslagen, haast ik mij
dat blijk zoo spoedig mogelijk te geven. Ik vind alles wat u mij aanbiedt
heerlijk, en geen brief had mij betere en hoopvoller berigten kunnen brengen.
Ik ben gelukkig met uwe bestelling, gelukkig met uw aanbod, eene kamer voor mij
te Oosterbeek te zoeken, en zal gelukkig wezen met de ƒ 50, welke u mij in
voorschot wil zenden. Ik wil u alleen nog vragen, of ik dan maar zoo spoedig
mogelijk mag komen, want ik zie ongeduldig naar die gelukkige oogenblikken uit;
het is nu heerlijk en warm weder, de goede tijd. Ja, ik heb er veel pleizier in
een paar krachtige, zonnige dingen voor u te schilderen en hoop er een paar
goede sujetten voor te Oosterbeek te vinden.
| | | |
Er is veel te doen over de jury en hare uitspraak.
Vergadering op vergadering; drukte als in een bijenkorf, ook wat het gegons
aangaat. Er wordt veel gehandeld over de eer der Hollandsche kunst, en kunst en
kunstenaars zijn immers onafscheidelijk van elkander?
| |
Hemelscheberg 8 Augustus 1863.
WAARDE GERARD!
Het wemelt hier, naar ik bij het zoeken van een verblijf voor u
ontdek, van gaande en komende kunstenaars. Evenwel zal juffrouw Lamers u gaarne
onder haar gastvrij dak in de natte Steeg huisvesten en in allen geval, daar ik
gezegd heb, dat gij ook nog al eens t'huis zoudt willen schilderen, het atelier
voor u open houden. Gij kunt nu dus komen, zoodra gij maar wilt, dat is hoe eer
hoe beter, en we hopen u bij ons 's middags aan tafel te zien, hoewel dit
juffrouw Lamers minder scheen te bevallen.
Van het feest te Wolfheze hebben de aanleggers de grootste
voldoening. Het was inderdaad indrukwekkend. De schandalen, de jenever, enz.,
waarvan gewauweld was, niets daarvan. Het was stemmig, stil, ordentlijk,
aangenaam, gemoedelijk, wezenlijk stichtelijk, zelfs voor hen, die, zoo als ik,
er in het | | | | eerst niet veel mede op hadden. Er werd goed en mooi
gesproken. De sluiting door Ds. Buitendijk was zoodanig als men zeer zelden
hier iets te lande hoort. Het weêr was in den beginne wel wat nat, maar
over het geheel toch niet ongunstig. Ik was er van 2-4½ en van 6½
tot aan het eind
1.
| |
Amsterdam 28 October 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Hoewel ik niet langer dan ééne week te Amsterdam terug
ben, schijnt het mij toch alsof het reeds veel langer geleden is, dat ik u en
Oosterbeek verliet, en evenwel+ komt het mij nog vreemd voor op glibberige
straatsteenen te loopen, in plaats van het zand en de dorre bladeren onder
mijne voetstappen te hooren kraken. Ik kan mij nog niet goed met de stad
verzoenen, en, geen wonder! wanneer ik de indrukken en herinneringen
naga, pas uit Oosterbeek medegebragt. Nog nooit ben ik daar met zooveel
genoegen geweest als dezen herfst.
| | | |
Met hoeveel pleizier denk ik aan de uren, die ik met u
na het eten in de bibliotheek sleet en later aan de theetafel in gezelschap van
Mevrouw! Ik beklaag mij, dat ik geene studies en daardoor minder indrukken van
de natuur heb medegebragt, maar daarentegen bezit ik nu een ganschen voorraad
van de schoonste, gewaarwordingen en de liefelijkste herinneringen aan het
leven op den Hemelschenberg. Wat ik mij als kunstenaar heb moeten onthouden,
heeft u mij wedergegeven als mensch.
Ik hoop, dat uwe gezondheid zoo goed zal wezen als de mijne, want ik
gevoel mij volkomen wel, en ieder, die mij ziet, maakt een compliment aan de
Oosterbeeksche lucht; ik voor mij zou dat compliment meer bepaald willen maken
aan de lucht, die op den Hemelschenberg waait, en aan zekere onwaardeerbare
zorgen, die noch de lucht, noch de zonneschijn voor ons hebben, maar alleen de
goede menschen.
Mijn eerste werk is geweest eene flinke kagchel te laten zetten en
mijn atelier goed droog te stoken. Vervolgens heb ik een paar schilderijen
afgemaakt, die op zeer weinig na reeds gereed waren; dat afmaken bestond alleen
in zekere bijna onmerkbare tikjes, hier en daar aangebragt. En nu zal ik
beginnen met het aanleggen van nieuwe schilderijen, welligt naar oude studies,
door de jongste indrukken zooveel mogelijk verlevendigd.
Mijne gelukjes van den laatsten tijd, die ik u heb verhaald, hebben
den uitgedoofden moed weder opge- | | | | wekt; als u eens wist hoeveel
goede voornemens van veel werken mij bezielen! Maar de ondervinding heeft mij
geleerd, dat goede voornemens eigenlijk onbeteekenende, zotte dingen zijn.
De goede stad Amsterdam is bezig uit haren zomerslaap te ontwaken;
veel beweging, veel geschreeuw, veel slijk, en de huizen op de grachten bedekt
met eene dikke laag najaarsaanslag.
| |
Hemelscheberg 22 November 1863.
WAARDE GERARD!
We vonden, voor een paar uren van Leiden terug komende, inliggende
van Mevrouw de Pourtalès. Gij moet nu weten wat ge doet. Spreek over de
zaak met uwen vader, vooral ook met uwen doctor! Bedenk alles ernstig! bezie
alles van alle kanten en bereken in hoe ver uwe finantiën gedogen de reis
te doen! Wilt gij er in den loop dezer week eens met mij over komen praten, doe
dat dan! Per eersten trein uit Amsterdam gaande, kunt gij er ten negen uren
terug zijn. Gij weet, dat ik u dat verblijf niet zou aangeraden hebben, maar
het dringend aanzoek van Mevrouw de Pourtalès mag niet in den wind
worden geslagen.
| | | | | |
Amsterdam 23 November 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Welk eene beweging! welk een oranje! Men ziet en hoort niets anders,
men denkt, geloof ik, niets anders. Onze gewoonlijk vrij suffe en droomerige
stad is herschapen in eene plaats vol leven en opgewondenheid. De joden dragen
daar niet het minste toe bij; ze vinden allerlei oranje-industrie en
oranje-negotie uit. Appel- en vischwijven weten niet hoe zij zich genoeg met
strikken en linten zullen behangen; kroeg-dichters en straat-minstreels
behandelen in hunne fraaije zangen den grooten Napoleon als een kwajongen. Of
nu al die beweging een zeker nationaal gevoel tot grondslag heeft, of dat het
in de oogen van de massa slechts een pretje is zoo als de kermis of iets
dergelijks, toch is er iets in, dat iemand medesleept en opwindt, en au fond
zijn de Hollanders toch allen Oranje-klanten. Zeker is het, dat wie zondag en
maandag zijn hoed of knoopsgat niet voorziet, groot gevaar loopt van een ferm
pak slaag. Er zullen optogten zijn, waarbij maagden en stedemaagden te pas
komen, en sceptische luî meenen, dat die moeijelijk genoeg zullen te
vinden zijn. Maar bij feesten moet men het zoo naauw niet nemen.
De brief van Pourtalès, die zoo pressée was, bevatte
eigenlijk, dat hij op het punt stond over eenige dagen naar Rome te vertrekken,
alwaar hij den win- | | | | ter en het voorjaar wenschte door te brengen;
dat, hij hoopte, dat ik nog niet naar die stad zou zijn afgereisd; dat hij
gaarne zou weten, wanneer ik meende te gaan, en op les Crénées
een brief of telegram van mij zou afwachten om, in geval ik ging, de reis zamen
te maken. Ik keek vreemd van dat alles op, maar herinnerde mij, dat ik hem vele
maanden geleden zoo losweg eens geschreven had, hoe gaarne ik dien kant uit zou
willen, te meer omdat een kennis van mij toen juist voor eenigen tijd naar Rome
vertrokken was en mij zeer had aangespoord met hem mede te gaan of hem te
volgen. Mijn goede Pourtalès heeft wat al te veel gewigt aan mijne
woorden gehecht en niet genoeg bedacht, dat ik wel, even als honderd anderen,
plannen voor zulk een pelgrimstogt naar het heilige land der artisten maken kan
en altijd maak, maar ze niet even als hij kan ten uitvoer brengen. Daar komt
nog bij, dat ik te veel philister en te weinig waaghals ben, om zoo maar op
eens weg te durven loopen. Ik heb hem natuurlijk dadelijk en duidelijk
geantwoord.
| |
Amsterdam 20 December 1863.
HOOGGEACHTE HEER!
Ik heb mij in den laatsten tijd weder uitgesloofd op aquarelles.
Maar, ach! ik ben overtuigd, dat Dante | | | | nooit met water verw heeft
geteekend, anders zou hij in zijne hel een armen drommel van een schilder
hebben geplaatst, die gedoemd is eeuw in eeuw uit al maar door te aquarelleren,
zonder iets vooruit te komen, en ruimschoots gebruik te maken van de natte
spons. Welk eene duisternis!
|
1Die brief is om het tot vervelens toe herhaalde
onderwerp maar achterwege gebleven.
1Kan Ixion ook gemeend zijn?
1De Minister van Binnenlandsche zaken rigtte aan
de jury ter beoordeeling der kunstwerken benoemd een brief, waarin Zijne
Excellentie aankoop in plaats van eerepenningen voorstelde. Hij sprak toen van
zoodanigen aankoop als van een hoog, nationaal eereblijk, als hoofdvoorwaarde
stellende, dat deze maatregel met groote strengheid zou worden toegepast en het
eene zeer uitnemende schilderij moest zijn, met andere woorden of liever met de
woorden van den jury eene schilderij van den eersten rang. En deze was er niet,
om de eenvoudige reden, dat, gelijk ieder weet, Nederland, niemand te na
gesproken, geene schilderijen van den eersten rang levert. Zie Staats-Courant
van 15 Julij 1863.
1Menig lezer zal zich aan mijne
vooringenomenheid, die ik met vele ernstiger mannen dan ik ben deelde,
geërgerd hebben. Ik aarzelde echter niet ze te laten drukken, wetende dat
mijne uitspraak weldra zoo belangrijk gewijzigd zou worden.
+[Verbeteringen p. 418:] dit ‘evenwel’ doet de redenering mank gaan.
|
|