terug  begin  verderprepost
[p. 37]

Schaakmat

[p. 38]
 
Is dit de zwaarte
 
van mijn nuchter-zijn,
 
is het de napijn
 
van die lange nachten?
 
Mijn krachten
 
zijn verstard,
 
de kuisheid
 
licht ontstoken,
 
ik heb,
 
gedoken
 
in deze stille ramp,
 
de zachtheid
 
van uw beeld
 
verhard;
 
 
 
uw beeld
 
mijn levenloos bezit
 
waardoor de wit-
 
gewassen droom
 
versleten is;
 
uw beeld
 
het lang gemis
 
aan een tweesprong
 
die kort te meten is.
 
De dood is van u
[p. 39]
 
weggespoeld,
 
verkoeld
 
zwerft nu op mij
 
de duisternis.
 
Het overspel
 
dat aan uw wil
 
zich bindt,
 
vindt,
 
als het ongeboren
 
kind,
 
de warme koestering
 
op zich gericht?
 
Waar is nu
 
het ver gezicht,
 
waar de hand
 
die tastend naar mijn
 
weemoed grijpt?
 
Rijpt
 
de hoogmoed in
 
mijn brein?
 
Is dit weerloos
 
nuchter-zijn
 
het eind of het begin?
 
 
 
De laatste zet
 
weegt zwaar
 
op het altaar van
 
de zuiverheid.
[p. 40]
 
Ook mijn kansen
 
zijn vastgeankerd
 
aan de stille
 
strijd.
 
 
 
Ik tuur
 
met panter-ogen
 
naar de omheining
 
van mijn
 
eenzaamheid,
 
naar het redeloos
 
spel
 
van licht en schaduw,
 
naar het kort duel
 
van hel
 
en hemel
 
die openstaan
 
voor de eeuwigheid.
 
 
 
Het nuchter-zijn
 
wordt uitgezogen,
 
de napijn
 
uitgediept,
 
 
 
en ik,
 
ik staar met panter-ogen
 
op het veld
 
van mijn verlies.
prepostterug  begin  verder