terug  begin  verderprepost
[p. 15]

De brieven van J.C. Bloem aan Aart van der Leeuw

[p. 17]

1

Amersfoort

Zaterdag 19 Nov. '11

 

Hooggeachte heer v.d. Leeuw.

Meenende dat U misschien belang stelt in de kritieken over uw bundel zend ik U hierbij een exemplaar van de Minerva, waarin ik uw boekje besprak.1

Ik verzoek U, bij het lezen er van mée het volgende in het oog te willen houden: ik had uw bundel aan Versluys ter recensie aangevraagd en moest dien dus bespreken.2 Ik stelde dit evenwel wat lang uit en toen verscheen de kritiek van Verwey in de Beweging. Ik was toen vrijwel uitgepraat zonder mijn mond opengedaan te hebben, anders gezegd: het gras was mij door een - veel bekwamer, natuurlijk - maaier voor de voeten weggemaaid. Ik kon toen vrijwel niets doen dan wat Verwey geschreven had, op slappere wijze na te praten.3 Jan Greshoff had er ook al goed over geschreven en mij bleef dus werkelijk niets dan herkauwen over.4 Ik verzoek U dus beleefd om van het stukje niet meer te eischen dan wat het wil zijn: een uiting van groote5 bewondering voor uw werk en een aanprijzing voor de - hoe weinige, helaas! - verzen-koopende Minerva-lezers. Verder is het stukje niets waard, maar dat weet ik zelf het beste, en U zult mij hierover daarom wel geen verwijt willen maken.

Ik had het U al eerder gestuurd, maar hoorde van Jan [Greshoff] dat U in Parijs waart. Hebt U baat gevonden bij uw behandeling? Ik hoop het van ganscher

[p. 18]

harte.6 Omstreeks Kerstmis kom ik weer in den Haag logeeren en hoop, dat U mij dan nog eens zult willen ontvangen. Gelooft U mij met beleefde groeten aan Mevrouw

 

g.d.u.

J.C. Bloem

1Bloem besprak Liederen en balladen in Minerva, Algemeen Nederlandsch Studenten-weekblad (3 november 1911), waarvan hij in 1911 acht maanden redacteur was. In deze recensie, waarin hij de hieronder genoemde bespreking van Verwey vermeldde, formuleerde hij het verschil tussen Van der Leeuw en andere dichters als volgt: ‘[...] het is niet te ontkennen, dat bij bijna alle moderne dichters het hoofdzakelijk alleen de stem des harten is, die zingt. En de aarde is meestal slechts achtergrond, of hoogstens steun. Niet alzoo bij v.d. Leeuw. Er is in zijn werk een innigheid tot die aarde, als bij geen tweede hedendaagsch dichter’.
2De uitgever W. Versluys te Amsterdam gaf voornamelijk litteraire werken uit, met name van de Tachtigers. Hij was de oorspronkelijke uitgever van De Nieuwe Gids en verzorgde enkele jaren de uitgave van De Beweging. Behalve Liederen en balladen verschenen bij hem ook Kinderland en Herscheppingen . Zie voor de werken van Bloem en Van der Leeuw ook de lijst van afzonderlijke publicaties (Bijlage I).
3De recensie van Verwey verscheen in De Beweging, dl. 7, III (1911), p. 204-214 (herdrukt in Albert Verwey, Proza IV . Amsterdam, 1921; verder aangehaald als Proza). Hij merkte hierin onder meer op: ‘Dit is voorloopig zijn eerste karaktertrek: zijn vrijheid openbaart zich als bij uitstek melodisch, en wie hem niet allereerst in zijn melodieën volgt, zal hem niet kunnen begrijpen. [...] Dit is zijn tweede kenmerk: de liefde voor afgeronde beelden’. (Het citaat op p. 207).
4In Vragen van den Dag, dl. 26 (1911), p. 581-589 stelde Greshoff P.N. van Eyck en Van der Leeuw tegenover elkaar en zei hij van de laatste: ‘Voor hem dan is het dichterschap een groot en grenzenloos Geven: een breed uitstroomen, een opgaan in allen en alles, om dan in al het bestaande het zelf verreind en geheiligd weer te vinden’. (Het citaat op p. 583).
5groote is twee maal onderstreept.
6Van der Leeuw had zijn hele leven te kampen met een zwakke gezondheid; op latere leeftijd kwam daar een steeds verergerende doofheid bij. Ook zijn vrouw, Toos van der Leeuw-Kipp, moest zich regelmatig onder doktersbehandeling stellen.
prepostterug  begin  verder