terug  begin  verderprepost

4

Amersfoort.

Zaterdag 9 Maart 1912.

 

Beste Aart.

Hartelijk bedankt èn voor je overdrukjes èn voor de gunstige opinie omtrent mijn verzen.

Laat ik eerst iets zeggen - of beter: trachten te zeggen over je verzen in den Gids.13 (Die in de Beweging had ik al gelezen, want daar ben ik op geäbonnerd: mocht je dus dit overdrukje nog noodig hebben, dan kun je het terug krijgen).14 Om je te zeggen, hoe mooi ik die vind, moet ik mijn toevlucht tot omschrijvingen nemen, want ik kan wel zeggen, dat ik ze verschrikkelijk mooi vind, en dit woord nog eens een paar malen onderstreepen en beaccentueeren, maar dat geeft toch niets. Als ik een vers geweldig mooi vind, brengt het me in een gevoel van verrukking, onverschillig wat de inhoud er van is. Maar ik heb dit maar hoogst zelden. Enkele

[p. 20]

verzen van Ronsard, Baudelaire, de Régnier,15 George, Keats, Wordsworth, Swinburne, Christina Rosetti vermogen dat.16 In 't Hollandsch Vondel en Hooft en van de lateren de tegenwoordige dichters bedoel ik niemand zoo zeer als de dichter van Liederen en Balladen. Dit compliment had ik je nog niet gemaakt, omdat dergelijke dingen meest misplaatst zijn, maar hier moet het mij van het hart, omdat het hier op zijn plaats is. Er is maar een dichter, die bij, maar toch nog onder, jou staat in mijn appreciatie: Jan Prins.17

In schoonheid vind ik dat je 4 Gids-verzen aldus op elkaar volgen: Heer, waarheen enz.; Boodschap v/d D.; J. Droom; L. Liedje.

Ik zeide je reeds mijn bewondering voor het eerste vers, toen ik bij je was. Het brengt mij nog steeds in vervoering - en dat gebeurt mij heusch niet licht.

De twee volgende verzen zijn ook prachtig, zij komen zóó dicht bij het eerste als men zoo'n hoogte nog kan naderen. Het vierde is een variatie op Blijheid uit je bundel.18 Het is een uitstekend vers, dat alleen dit nadeel heeft, dat het bij 3 zulke schitterende verzen staat, waarmee het niet kan concurreeren.

Ik heb bepaald een gevoel van dankbaarheid jegens je voor het schrijven van dergelijke verzen. Ik sleep die overdruk overal mee als een kat zijn jongen en lees en herlees ze voortdurend.

[p. 21]

Prachtig vind ik o.a. de regel

 
Wind klinkt onsterfelijk door zijn stem.19

Maar waar is het einde, als ik mooie regels ga citeeren?

Ik bracht gisterenmiddag het overdrukje aan Thomson. Hij zal je wel spoedig schrijven, denk ik.

Het verheugt mij zeer, dat ik je van den zomer hier zal zien, als voetreizende. Je gaat dan zeker eens met mij mee naar Hoogland om de Thomsons op te zoeken? Wat nu mijn indolentie betreft, ik geloof dat dit een te mooi woord is voor mijn dichterlijke armoede. En of ik die ooit zal bezingen?

Ik geloof dat dit, althans voorloopig, buiten mijn bereik ligt. Maar de poëzie is een raar iets, en je kunt het nooit weten. En dan: zou ik nu nog eens de lotos gaan verhapstukken nadat Tennyson en jij dat op zoo supérieure wijze hebt gedaan?20 Ik meldde je reeds, dat ik sinds October niets meer had geschreven. Maar er doen zich nu teekenen voor, die misschien op betere tijden wijzen. Evenwel: het gaat bij mij altijd zeer raar en de mislukkingen zijn legio. Laten wij evenwel het beste hopen.21

Geloof mij met de beste groeten aan Toos

 

steeds tt

Jacques

13Zie noot 7.
14In De Beweging, dl. 8, I (1912), p. 60-64 verschenen van Van der Leeuw de verzen Ballade in zon gezongen, Verder, Orpheus' geheim en Een doode. Alleen Verder is onder de titel Pan's tuin en de rozestruik herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 173.
15De Franse dichter en prozaïst Henri de Régnier (1864-1936), één van de grote dichters uit de nabloei van het symbolisme, werd door Bloem en Van der Leeuw zeer bewonderd. Bloem bracht zijn bewondering voor de man, die een opleving van het retorische in de poëzie bewerkstelligde, onder woorden in zijn bespreking van Le miroir des heures in De Beweging, dl. 7, III (1911), p. 215-225. Van der Leeuw beschouwde ‘[...] het werk van een vereerde als de Regnier [...] als een voorbeeld [van] wat op dit gebied [nl. van “vorming en verenging”] bereikt kan worden’. Zie Briefwisseling Van Eyck - Van der Leeuw, p. 44.
16Veertig jaar later, in Terugblik op de afgelegde weg. Amsterdam, 19562 (vrijwel ongewijzigde tekst van een lezing uit 1953; verder aangehaald als Terugblik) noemde Bloem als de grootste dichters: Wordsworth, Shelley, Keats, Tennyson, Browning, [Dante Gabriël] Rossetti, Swinburne, Hölderlin, C.F. Meyer en Victor Hugo. Het is opvallend hoevelen van hen in deze opsomming en in de overige brieven reeds in bewonderende zin ter sprake komen.
17Jan Prins (1876-1948; pseudoniem van C.L. Schepp) werd tot de wijde kring van De Beweging gerekend; hij maakte ook gebruik van het pseudoniem J.P. Born. In 1932 zou Bloem een beschouwing aan hem wijden, die werd herdrukt in Verzamelde beschouwingen . 's-Gravenhage, 1950, p. 53-56 (verder aangehaald als Verzamelde beschouwingen).
18Zie noot 7. Blijheid verscheen aanvankelijk in De Beweging, dl. 7, I (1911), p. 202 en werd herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 54. De overeenkomst tussen beide verzen bestaat in de oproep (respectievelijk aan de kind'ren en aan de broeder) het leed te vergeten, omdat het eens tòch plaats zal maken voor vreugde:
 
‘Vrees niet met juichgefluit
 
Uw zwijgend leed te ontwijden;
 
Het valt tóch eens ten buit
 
Aan 't alverwinnend blijde’.
 
(derde strofe van Blijheid)
19Deze regel is afkomstig uit de zesde strofe van De boodschap van den dood, die luidt:
 
‘Zijn sluier maakt de boomen oud,
 
Wind klinkt onsterflijk door zijn stem,
 
En zoo zij lip aan lippen vouwt
 
Zoent ze in den blinden minnaar hém’.
20Alfred Tennyson (1809-1892), opvolger van Wordsworth als Poet Laureate, is de schrijver van The Lotos-Eaters, dat in 1833 in de bundel Poems verscheen. Van der Leeuw bezong de lotos indirect in De legende van Eludoor (Verzamelde gedichten, p. 6-36). Hij maakte hier gebruik van de symbolische betekenis van de lotos: wie van de lotos eet, vergeet zijn vaderland en wil niet terugkeren. (Odyssee, IX, 94-95).
21In oktober 1911 schreef Bloem drie verzen, De dwaze maagd, De boosaardige faun en Herfstzang. In maart 1912 zou hij voor het eerst weer gedichten schrijven: Aan een vriend (27 maart 1912) en De jonggestorven dichter (31 maart 1912). De boosaardige faun is nooit gepubliceerd, Herfstzang verscheen in Utrechtsche Studentenalmanak 1912, p. 447 onder het pseudoniem E.F. [Ego Flos], maar werd niet gebundeld; de overige verzen zijn opgenomen in Verzamelde gedichten, p. 41-47. Zie ook noot 24.
prepostterug  begin  verder