terug  begin  verderprepost

5
tot enveloppe samengevouwen vel

poststempel

Amersfoort Station

15-6-12

 

Amersfoort. Zaterdag 15/6/'12.

 

B.A. Hartelijk dank voor de toezending van je stuk uit N[ieuwe] G[ids]. Ik

[p. 22]



illustratie
Verzen van Aart van der Leeuw in De Gids van maart 1912, p. 548-551

[p. 23]



illustratie

[p. 24]



illustratie

[p. 25]



illustratie

[p. 26]

las er nog slechts een paar pagina's van, maar die vond ik zeer mooi èn... zij boeiden mij ook, wat ik anders bij niet-realistisch proza haast nooit heb. Niet dat ik zoo dol op realistisch proza ben, maar het andere is haast nooit zoo goed, behalve bijv. van Schendel. ‘Voor een venster’ ken ik inderdaad niet, maar kan ik wel van een vriend leenen, dus dat komt wel terecht.22

Maar nu nog over je voetreis. Ik vind het ontzettend gezellig, dat je van plan bent hier te komen. Natuurlijk kun je bij ons logeeren, zoolang als je wilt, ik verheug mij zeer op je komst. Maar wil je me nu nog even melden, wanneer je denkt te komen, want dan waarschuw ik Thomson vooruit, anders mocht hij je eens misloopen; en ik weet, dat hem dat ontzettend zou spijten. Ik help je om een mooien zomer bidden, ten eerste om de mooie verzen, die je ons dan zult schenken; ten tweede omdat ik zoo van het mooie weer houd, al heeft het ook geen invloed op mijn productie. Ik heb inderdaad nog 4 of 5 verzen geschreven, maar sinds dien is de stroom weer hoopeloos verzand. Ik ben inderdaad het type van een stériel poëet, maar er valt niets aan te doen.23

Maakt Toos het goed? Wil je haar mijn hartelijke groeten doen? Komt zij niet mee op de reis? Wil je me dus nog even schrijven wanneer en geloof mij

 

steeds tt

Jacques

22In De Nieuwe Gids publiceerde Van der Leeuw Het vergif (dl. 27, I, 1912). In een noot wordt verwezen naar Voor een venster, dat verscheen in De Nieuwe Gids, dl. 25, II (1910), p. 335-356. Later zouden beide prozafragmenten verschijnen als respectievelijk hoofdstuk II en I van Kinderland, dat in 1914 door Versluys uitgegeven werd.
23Bloem doelt hier op de verzen die hij in maart en april 1912 schreef: Aan een vriend, De jonggestorven dichter, Herfstdroomen II: Het zieke meisje en Koning Cophetua en het bedelmeisje. Het laatste gedicht verscheen in Het jaar der dichters 1913, p. 64-69 en in Vox Studiosorum dl. 49. VII (1913); het is herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 54-55: zie verder noot 24.
prepostterug  begin  verder