40Bloem doelt hier op het beroemde
debat over
de retoriek, dat in De Beweging gevoerd werd. Deze
discussie begon met een studie van Gossaert over
Swinburne (in:
Mannen en vrouwen van
beteekenis, XLI, afl. 10. (Haarlem, [1910]). Hij beweerde
hierin onder meer: ‘[...] ook in de poëzie schijnt mij een
welbegrepen en zuiver gebruik der classieke beelden verre te
verkiezen boven het thans in zwang zijnde tot elken prijs opjagen van nieuwe
beelden [...]’. Bloem ging, onbekend met deze opvatting van Gossaert, in op
dezelfde kwestie in een bespreking van
Le miroir des
heures van Henri de Régnier in De Beweging, dl. 7, III (1911), p.
215-222. Hij formuleerde daarin de
tradition française als
‘[...] het bezield-rhetorische, of: het levensvolle-vormelijke’. Verwey zette beide standpunten tegen elkaar af in
zijn artikel
De richting van de hedendaagsche poëzie (De
Beweging, dl. 9, I (1913), p. 52-66; herdrukt in
Proza,
II, p. 37-55). Bloem en Gossaert komen overeen omdat zij ‘[beide]
erkennen als poëzie een uiting waarin de dichter met het geijkte beeld
genoegen neemt’. Zij verschillen hierin dat Gossaert ‘[...] van een
“welbegrepen en zuiver gebruik der classieke beelden” spreekt terwijl
[Bloem] te kennen geeft dat de oude vormen zelf bezieling, levensvolheid
kunnen in zich houden’. Verwey constateert dan ‘[...] een terugwijken van
het woord voor de volzin’, want ‘[...] de diepere eenheid van de geest drukt
zich in de volzin uit’. Hij meent dat de oorzaak van Bloems en Gossaerts
beweringen hierin ligt ‘[...] dat bij [de] jongeren de nadruk minder op het
beeld en meer op de beweging wordt gelegd’. In De Beweging, dl. 9, I (1913),
p. 212-224 antwoordde Bloem op deze beschouwingen in een bespreking van de
bundel
Uitzichten
van Van Eyck. Hierin nam hij een fragment uit een brief van Van der
Leeuw op (zie Bijlage II), waarin deze schrijft dat ‘[...] [hij] hier en
daar zooveel als een doodsklokje [hoorde] luiden’. Bloem definieert hier de
‘rhetorische poëzie
in den goeden zin des woords’ als
‘[...] poëzie, die zich bewust vastknoopt aan een traditie’. De goede
retorische dichter is dan ‘[...] hij, die door een zuiver inzicht, ik zou
haast zeggen: instinct, geleid, het oude weet te herhalen en tegelijk te
vernieuwen [...]’ Van Ameide leverde een bijdrage
aan deze discussie met zijn artikel
Een nieuwe rhetoriek?
(De Beweging, dl. 9, I (1913), p. 288-292); hij koos stelling tegen Bloem
door te beweren: ‘[expressionistische] dichtkunst [...] zou ik alleen dan
rhetorisch willen noemen, wanneer het geheel niet als echt en natuurlijk,
doch als valsch aandoet, welke ook de hoedanigheid zij der détails’. In
hetzelfde nummer van De Beweging publiceerde Van Eyck zijn
Aanteekeningen over rhetoriek (p. 298-310, in De Beweging, dl. 9,
II (1913), p. 89-90 gevolgd door een
Naschrift; beide
herdrukt in P.N. van Eyck,
Verzameld werk, III
. Amsterdam, 1959, p. 429-444; verder aangehaald als
Verzameld merk). Hij verzet zich in zijn
Aanteekeningen tegen ‘hokjes-makende termen’ en benadrukt dat het
gaat om ‘het genot van een kunstwerk’, dat ‘[...] wordt verhoogd en
vervolmaakt door zoo diep mogelijke kennis van menschelijkheid’. Bovendien
ontkende hij dat zijn poëzie het predikaat ‘retorisch’ zou verdienen, zoals
Bloem had betoogd. Jaren later - in 1925 - zou hij echter aan Van der Leeuw
schrijven: ‘Ik zag niet
dat mijn werk in die mate
rhetorisch was, en had een hekel aan rhetoriek. Ik zie nu natuurlijk zeer
duidelijk, wat de zwakke rhetorische elementen in dat vroegere werk waren’.
(
Briefwisseling Van Eyck-Van der Leeuw, p. 50).
Bovenstaande teksten kan men vinden in de
Verzamelde
beschouwingen van Bloem, uitgezonderd de studie van Gossaert,
Bloems bespreking van
Le miroir des heures en het
Naschrift van Van Eyck.