terug  begin  verderprepost

11

Amf. Dond. 27 Febr. '13.

 

Is there - is there balm in Gilead? - tell me - tell me, I implore.

 

(The Raven).42

 

Beste Aart.

Is er vergiffenis in Voorburg? Daar slaat het, misschien niet zeer toepasselijke, motto op. Ik heb n.l. er in 't geheel niet aan denkende dat jij niet het bewegelijke

[p. 35]

tijdschrift bent geäbonneerd [sic], geen overdrukjes aangevraagd, zooals ik nooit van mijn kritische artikelen heb gedaan. Ik kan je dus tot mijn grooten spijt geen overdr. zenden, maar alleen mijn excuses. Aangezien ik je nooit als een leeuw of een wolf tegenover mij heb bevonden, vertrouw ik er op, dat je deze wel zult willen aannemen. Je hebt het stuk trouwens zeker al wel op de K.B. gelezen. Tot mijn groote verwondering heeft Johan de Meester er een stuk uit aangehaald in de Rotterdammer.43 Als dit zoo door blijft gaan ben ik over eenige jaren net zoo beroemd als Adama van Scheltema en de schrijver van Nick Carter.44

In de volgende afl. van de Bew. komen nog twee stukken over rhetoriek, het eene van Labberton, het andere van v. Eyck.45 Het wordt bepaald een pandemonium van kunsttheorieën. Schrijf mij eens, als je ook deze 2 stukken gelezen hebt, wat jij er nu van denkt. Ik heb nog niets van Verwey gehoord over mijn stukje, en ook niet over een paar verzen, die ik hem zond.46

Het deed mij erg veel genoegen, te hooren, dat je weer aan 't werk bent. Het boek met jeugdherinneringen zal dus wel dit najaar kunnen verschijnen. Ik ben er hoogst verlangend naar.47

Hoe maken Toos, Joh en jij het? Wordt je nog behandeld of ben je geheel hersteld? Ik heb in 't begin van deze maand nog een paar dagen bij v. Schendel gelogeerd. Erg gezellig. Wat een wonderlijk man is hij toch, maar iemand, dien ik hoe langer hoe sympathieker ga vinden. En zijn vrouw is ook zoo lief. Toch intimideert hij mij altijd nog eenigszins, hoewel reeds veel minder. Wij zaten tot laat in den nacht te praten, en hij was dan bizonder onderhoudend, dikwijls over zijn eerste tijden als literator, anecdoten uit de eerste Nieuwe Gidstijd.

Wanneer begin je je zomer-wanderschaft weer? Wij rekenen dan op een bezoek, en hopen op geen déboires als de laatste maal.48

Ik schreef nog maar een klein versje, maakte er een af, en ben nog aan een bezig. Een poovere oogst. Behalve allerlei vage plannen zit ik nog met 3 langere gedichten in mijn maag, op Anteüs, Palinurus en Amsterdam.49 Maar zij willen er maar

[p. 36]

niet uitkomen. Mijn stériliteit is werkelijk onrustbarend. En ik moet ze af hebben voor mijn bundel, anders kan die in 't najaar niet verschijnen.50 - Misschien komt dit deels, doordat ik nooit den tijd heb om rustig te werken. Ik moet zoo dikwijls naar Utrecht of ergens anders heen, heb daarbij voortdurend geld- en andere zorgen, behalve nog de ook dikwijls onrustig makende verlangens, die mij uit hoofde van mijn aard bewegen. Je weet niet, hoezeer ik verlang, er eens uit te zijn, en eens geheel alleen voor mijzelf te leven. Ik bedoel dit niet als een uiting van egoïsme - maar je begrijpt natuurlijk heel best hoe.

Nu adieu. Vergeef mij dit zelfbeklag, maar het doet mij goed, mij zoo nu en dan eens te uiten. Ik wensch je een vruchtbare période en aan je drieën het beste toe en blijf

 

als steeds je vriend

Jacques

42Bloem citeert hier uit het beroemde gedicht The raven van Poe; de uitspraak gaat terug op Jer. 8:22 ‘Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet genezen?’.
43In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 6 februari 1913 (Avondblad A) bracht Johan de Meester de bespreking van Bloem van Uitzichten ter sprake; deze recensie vervulde een belangrijke rol in het debat over de retoriek (zie noot 40).
44Nick Carter was de hoofdpersoon uit destijds zeer populaire goedkope misdaadromans, die in wekelijkse afleveringen verschenen.
45Zie noot 40.
46Met mijn stukje wordt de bespreking van Uitzichten bedoeld; ik heb niet kunnen vaststellen welke verzen Bloem aan Verwey gezonden had.
47Het boek met jeugdherinneringen is Kinderland, dat in 1914 bij W. Versluys verscheen.
48déboire: bittere teleurstelling.
49Met een klein versje bedoelt Bloem Vogelvrij, dat 15 januari 1913 is geschreven; het vers dat Bloem afmaakte is waarschijnlijk De stem der steden, dat ontstond tussen 1 december 1912 en 20 januari 1913; het was dus nog niet voltooid toen Bloem zijn vorige brief aan Van der Leeuw schreef (10 januari 1913). Naar alle waarschijnlijkheid was Bloem bezig met Voorjaarsavond, waar hij eind februari 1913 een begin mee maakte en dat hij 18 maart 1913 voltooide. Dit vers is gepubliceerd in Het jaar der dichters 1914, p. 1-3 en herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 64-65. Zie ook noot 41. De 3 langere gedichten zijn nooit afgekomen. Met het vers op Palinurus was Bloem al langer bezig, getuige zijn brief van 17 mei 1912 aan Van Eyck, waarin hij schreef: ‘Dat ik je in zoo lang niet schreef, komt, omdat ik steeds zoo'n gevoel in mijn verzen-uterus heb alsof ik Palinurus zal afmaken. Aangezien het evenwel nogmaar niet verder komt ga ik toch maar tot een brief over [...]’. Palinurus is de naam van een stormachtig gebergte ten zuiden van Paestum, dat zo genoemd is naar de stuurman van Aeneas, die op deze plaats over boord viel (Aen. 5, 833 ev.). Antaeus is de naam van de Griekse reus die verslagen werd toen hij het sterkende contact met de moederaarde verloor.
50De eerste verzenbundel van Bloem, Het verlangen, zou eerst 8 jaar later, in 1921, verschijnen bij P.N. van Kampen & Zoon in Amsterdam; zie voor de langdurige wordingsgeschiedenis van deze bundel Over de dichter Bloem, p. 27-29.
prepostterug  begin  verder