Amf. Vrijd. 6 Febr. '14
Beste Aart.
Hartelijk dank voor je vriendelijke brief; ik vind het verbazend aardig van je, dat je zoo aan mij blijft denken. Ik zal dus voorloopig naar een andere kostwinning moeten uitzien.
Het deed mij zeer veel genoegen te hooren, dat T. en J. weer beter zijn. En, aangezien je van je eigen gezondheid niet rept, vermoed ik, dat deze in orde is. - Mijn kin is vrijwel genezen d.w.z.: het zal nog wel maanden duren, voor het geheel normaal is. En dan zegt de dokter nog, dat hij nog nooit een patient zoo gauw daarvan heeft zien genezen! Zoo ongelooflijk hardnekkig zijn meestal dergelijke infecties. Maar pijn heb ik er in 't geheel niet aan, trouwens niet gehad ook: het was de behandeling, het epileeren, dat zoo gruwelijk pijnlijk was.
Is Jan [Greshoff] weer terug? Je schreef mij, dat je van hem van mij hoorde.70 Ik ben werkelijk eenigszins aan het werk, maar het vlot toch nog niet erg. Wat is het wetten [?] toch beestachtig taai! Ik schreef ook nog een paar verzen, maar zij zijn nog niet allen af. Als ik er nu voor de zomer nog een stuk of 5, die ik in mijn hoofd heb, schrijf, kan mijn bundel in 't najaar uitkomen.71 Moge ik dan doctorandus zijn!72 Het zal toch zeker nog wel April of Mei worden, eer er iets van mij in de Beweging verschijnt.73
Wie die Russische grootvorstin uit de vorige afl. is, weet ik absoluut niet. Haar proza deelde bij mij het lot van veler proza n.l. dat ik het niet las. Maar ik zal mij er toch eens aan zetten.74
Ik verlang zeer naar je boek, waarvoor ik mijn traagheid tegenover het proza eens zal overwinnen. Toch nog meer naar je Herscheppingen. Ik vind het meer dan erg, dat daar weer een jaar zal moeten voorbijgaan, voor dat letterbanket mijn
geestelijk palet zal streelen.75
Het doet mij genoegen, dat je de verzen van Jooske den Beer Poortugael goed vindt.
De meesten, waaronder ook ik, vonden Nacht het beste (Verwey, geloof ik, ook). 't Is daarom aardig van de zijde des natuurdichters eens een andere appreciatie te hooren.76
Deze lyrische uiting vloeit mij uit de pen. Ik had van v. S[chendel]'s reis al gehoord, toen ik bij hem logeerde. Hij was toen reeds aan 't plannen maken ervoor. Het verwondert mij, dat je door v. Eyck's eminente stuk over Maeterlinck nog niet bent bekeerd.78 Maar ik kan het mij wel verklaren: jij ziet hem nog, zooals je hem vroeger zag. Er zijn wel meer auteurs, die je als knaap mooi vindt, en later niet meer. Een enkele maal blijft zoo'n oude appreciatie evenwel ten onrechte bestaan. De vergelijking met Kloos is onjuist, althans m.i.79 Er zijn wel meer auteurs die dégringoleeren, maar v. E[yck] is er allerminst de man naar, om daardoor de qualiteiten van hun oude werk te miskennen.80 Mondeling hierover meer, als ik weer eens het genoegen heb je te zien.
Dinsdagmorgen om 5 uur ben ik, na een nacht bij een kennis te hebben zitten praten, met de eerste trein naar Amsterdam gegaan om het daar licht te zien wor-

P.N. van Eyck
den. Het was schitterend, jammer dat men na zoo'n nacht van veel praten en rooken en drinken altijd ietwat suf is, hoewel ik in dat opzicht nogal taai ben. Toen ik den Nieuwendijk afkwam, bij de Korte Prinsengracht, was er een wolk van licht boven het Centraal Station, werkelijk meer dan heerlijk. Ik zag de scharen menschen naar hun werk gaan. Bij zulke gelegenheden leef ik weer eens op. Hoe heerlijk dat je in een zoo vruchtbare periode ben, dat het eene werk het andere haast verdringt. Ik benijd je. Ben je al aan de Delftsche historische vertelling bezig?81
Nu adieu, mijn beste. Doe mijn hartelijke groeten aan T. en J. en geloof mij, je allen een voortdurende welstand toewenschend,
als steeds je vriend
Jacques
P.S. Heb je het nieuwe boek van St. George al: Der Stern des Bundes? Het is niet zoo mooi als de vorigen, haast te ijl en te hoog, maar natuurlijk nog hoogst belangrijk en onaantastbaar volmaakt.82