terug  begin  verderprepost
[p. 52]

18

Amf. Vrijd. 6 Febr. '14

 

Beste Aart.

Hartelijk dank voor je vriendelijke brief; ik vind het verbazend aardig van je, dat je zoo aan mij blijft denken. Ik zal dus voorloopig naar een andere kostwinning moeten uitzien.

Het deed mij zeer veel genoegen te hooren, dat T. en J. weer beter zijn. En, aangezien je van je eigen gezondheid niet rept, vermoed ik, dat deze in orde is. - Mijn kin is vrijwel genezen d.w.z.: het zal nog wel maanden duren, voor het geheel normaal is. En dan zegt de dokter nog, dat hij nog nooit een patient zoo gauw daarvan heeft zien genezen! Zoo ongelooflijk hardnekkig zijn meestal dergelijke infecties. Maar pijn heb ik er in 't geheel niet aan, trouwens niet gehad ook: het was de behandeling, het epileeren, dat zoo gruwelijk pijnlijk was.

Is Jan [Greshoff] weer terug? Je schreef mij, dat je van hem van mij hoorde.70 Ik ben werkelijk eenigszins aan het werk, maar het vlot toch nog niet erg. Wat is het wetten [?] toch beestachtig taai! Ik schreef ook nog een paar verzen, maar zij zijn nog niet allen af. Als ik er nu voor de zomer nog een stuk of 5, die ik in mijn hoofd heb, schrijf, kan mijn bundel in 't najaar uitkomen.71 Moge ik dan doctorandus zijn!72 Het zal toch zeker nog wel April of Mei worden, eer er iets van mij in de Beweging verschijnt.73

Wie die Russische grootvorstin uit de vorige afl. is, weet ik absoluut niet. Haar proza deelde bij mij het lot van veler proza n.l. dat ik het niet las. Maar ik zal mij er toch eens aan zetten.74

Ik verlang zeer naar je boek, waarvoor ik mijn traagheid tegenover het proza eens zal overwinnen. Toch nog meer naar je Herscheppingen. Ik vind het meer dan erg, dat daar weer een jaar zal moeten voorbijgaan, voor dat letterbanket mijn

[p. 53]

geestelijk palet zal streelen.75

Het doet mij genoegen, dat je de verzen van Jooske den Beer Poortugael goed vindt.

De meesten, waaronder ook ik, vonden Nacht het beste (Verwey, geloof ik, ook). 't Is daarom aardig van de zijde des natuurdichters eens een andere appreciatie te hooren.76

 
O gij, die, door de Muzen zelf geleerd,
 
In big en boom U metamorphoseert,
 
Gezwegen nog van andere escapaden.
 
Dichter der schoonste Liedren en Balladen,
 
Blijf gij maar wone' aan uw gehoonde sloot,
 
En laat v. Schendel zich verbroedren met den jood.77

Deze lyrische uiting vloeit mij uit de pen. Ik had van v. S[chendel]'s reis al gehoord, toen ik bij hem logeerde. Hij was toen reeds aan 't plannen maken ervoor. Het verwondert mij, dat je door v. Eyck's eminente stuk over Maeterlinck nog niet bent bekeerd.78 Maar ik kan het mij wel verklaren: jij ziet hem nog, zooals je hem vroeger zag. Er zijn wel meer auteurs, die je als knaap mooi vindt, en later niet meer. Een enkele maal blijft zoo'n oude appreciatie evenwel ten onrechte bestaan. De vergelijking met Kloos is onjuist, althans m.i.79 Er zijn wel meer auteurs die dégringoleeren, maar v. E[yck] is er allerminst de man naar, om daardoor de qualiteiten van hun oude werk te miskennen.80 Mondeling hierover meer, als ik weer eens het genoegen heb je te zien.

Dinsdagmorgen om 5 uur ben ik, na een nacht bij een kennis te hebben zitten praten, met de eerste trein naar Amsterdam gegaan om het daar licht te zien wor-

[p. 54]



illustratie
P.N. van Eyck

[p. 55]

den. Het was schitterend, jammer dat men na zoo'n nacht van veel praten en rooken en drinken altijd ietwat suf is, hoewel ik in dat opzicht nogal taai ben. Toen ik den Nieuwendijk afkwam, bij de Korte Prinsengracht, was er een wolk van licht boven het Centraal Station, werkelijk meer dan heerlijk. Ik zag de scharen menschen naar hun werk gaan. Bij zulke gelegenheden leef ik weer eens op. Hoe heerlijk dat je in een zoo vruchtbare periode ben, dat het eene werk het andere haast verdringt. Ik benijd je. Ben je al aan de Delftsche historische vertelling bezig?81

Nu adieu, mijn beste. Doe mijn hartelijke groeten aan T. en J. en geloof mij, je allen een voortdurende welstand toewenschend,

 

als steeds je vriend

Jacques

 

P.S. Heb je het nieuwe boek van St. George al: Der Stern des Bundes? Het is niet zoo mooi als de vorigen, haast te ijl en te hoog, maar natuurlijk nog hoogst belangrijk en onaantastbaar volmaakt.82

70Tussen 1911 en 1914 reisde Greshoff bijna onophoudelijk; het is mogelijk dat Bloem hier doelt op de reis die Greshoff in 1913 samen met Emile Verhaeren maakte naar München en Keulen.
71Bloem schrijft hier waarschijnlijk over het ongepubliceerd gebleven Henen, dat hij half januari 1914 schreef en waarvan hij het manuscript zond aan Van Eyck op 20 augustus 1914. In februari 1914 maakte hij een begin met twee verzen, die hij in april van datzelfde jaar zou voltooien: Zomernacht en De zanger. Het eerste vers werd opgenomen in De Beweging, dl. 10, IV (1914), p. 68-71 en in Het jaar der dichters 1915, p. 20-21; het is herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 74-75. De zanger verscheen in De Ploeg, dl. 7 (1914-1915), p. 185-186; vanaf de vierde druk is het niet meer opgenomen in de Verzamelde gedichten.
72Op 10 mei 1916 zou Bloem met succes zijn examen afleggen; op 30 november van datzelfde jaar vond de promotie plaats op stellingen van Van Eyck. Deze, bij juristen gebruikelijke, vorm van promoveren op stellingen verklaart dat Bloem in latere brieven zijn promotie slechts als een formaliteit beschouwt.
73Het zou oktober worden voordat Bloem weer gedichten in De Beweging publiceerde: Zomernacht, Eenzaamheid en Circusmuziek (p. 68-72); zie de noten 41 en 71.
74die Russische grootvorstin is Anastasia Ismailowna, die de novelle Octobernacht publiceerde in De Beweging, dl. 10, I (1914), p. 45-51.
75Met het prozawerk bedoelt Bloem Kinderland (1914); Herscheppingen zou pas in 1916 verschijnen. Met mijn geestelijk palet zinspeelt hij op het Franse palais, dat gehemelte betekent.
76Jooske den Beer Poortugael publiceerde in De Beweging, dl. 10, I (1914), p. 77-82 vier gedichten: De kaartspelers, Nacht, Opgang en Liedje; naar welk vers de voorkeur van Van der Leeuw uitging heb ik niet kunnen nagaan.
77In dit versje zinspeelt Bloem op een aantal kenmerken van de poëzie van Van der Leeuw; metamorphoseert slaat op de titel van Van der Leeuws tweede verzenbundel: Herscheppingen. In het gedicht Morgenwandeling (Verzamelde gedichten, p. 55-62) wijdt Van der Leeuw enkele strofen aan varkens; in Bij een herlezen, De bloesemboom en Wensch (Verzamelde gedichten, p. 119, 147-148 en 177) identificeert de dichter zich met een boom. Het verbroedren met den jood van Van Schendel heeft betrekking op een reis die Van Schendel in het voorjaar van 1914 maakte naar Palestina; over zijn ervaringen, die hij gedurende deze reis opdeed, schreef hij in De mensch van Nazareth (1916). Met de sloot bedoelt Bloem De Vliet.
78Van Eyck publiceerde in De Beweging, dl. 10, I (1914), p. 83-92 het artikel Kunst en geest in literatuur. Maeterlincks Marie Magdeleine. (herdrukt in Verzameld werk III, p. 482-492). Hij merkte hierin onder meer op: ‘Maeterlinck is geen groot man, naar mijn gevoel is zijn werk typische tijdskunst, wier cultuur-historische waarde in later tijden wellicht grooter zal zijn dan haar kunstwaarde’. (Het citaat op p. 91).
79De vergelijking met Kloos is waarschijnlijk gemaakt door Van der Leeuw in zijn brief; Van Eyck spreekt in elk geval in zijn artikel niet over deze auteur, noch over diens werk.
80dégringoler: aftakelen.
81De Delftsche historische vertelling is de novelle Geboortestad, die verscheen in Groot Nederland, dl. 13, II (1915), p. 260-268; herdrukt in Sint Veit en andere vertellingen .
82Stern des Bundes van Stefan George kwam uit in 1914; in 1933 zou Bloem over deze bundel schrijven: ‘Deze rijmlooze gedichten maken den indruk van een zekere dorheid en een zekere, ik wil niet zeggen pompeuze, maar dan toch opzettelijke, Hölderlin-achtigheid’. (Verzamelde beschouwingen, p. 39-44; het citaat op p. 42).
prepostterug  begin  verder