Amersfoort 1/5/'14
Beste Aart.
Hartelijk, hartelijk dank voor je vriendelijke brief; het is altijd zoo heerlijk weer eens te merken - ook al weet men het best - dat men goede vrienden heeft, die aan je denken en zich je lot aantrekken.
Wat het eerste punt betreft - daarin blijf ik het nog steeds met je oneens; maar wat betreft het tweede, daarin geef ik je volmondig gelijk. Toen ik je indertijd ook zeide, dat ik niet anders zou willen zijn dan ik ben, was dat eigenlijk ook meer een lyrische uiting, omdat je eigen zelf per slot van rekening aan een ieder, en zeker aan een dichter, dierbaar is; maar ik weet heel goed, dat er aan mij heel wat te verbeteren is. Mijn indolentie is inderdaad een zeer slechte eigenschap, die mij niet alleen op maatschappelijk, maar ook op dichterlijk gebied dikwijls heeft genekt, nekt en naar alle waarschijnlijkheid nog nekken zal. Mais que veux tu? Ik ben nu trouwens geregeld aan 't werk, al is het nog niet zoo veel, en zal nog wel veel meer gaan werken als ik weer in Utrecht ben. Maandag ga ik daar weer

Kaart door Jan Greshoff aan Aart van der Leeuw; op de
achterzijde schreef Bloem aan Van der Leeuw, d.d. 1 mei 1914
voor goed naar toe. (Ik heb je toch geschreven, dat mijn adres in Utr. is: 33. Korte Nieuwstraat?). Het deed mij genoegen te hooren, dat Toos het weer goed maakt. Ik verheug mij geweldig op je komst hier, maar had wel graag, dat je, als dat tenminste met je plannen uitkomt, die tot een der allerlaatste dagen van deze maand of begin Juni uitstelde, aangezien ik in Mei nog twee privatissima voor burgerlijk recht heb, die mij altijd geweldig in de maag zitten. Maar, als het niet gaat, dan kom je maar nu, evenwel niet op een Dinsdag. - Hoe kom je toch aan dat afschuwelijke woord beaarding; is dat geen germanisme?
Excuseer me, dat ik je geen langeren brief schrijf, maar daartoe ontbreken mij zoowel tijd als lust. En nu adieu, doe mijn hartelijke groeten aan Toos en Joh en geloof mij met een stevigen handdruk als steeds
je vriend
Jacques