terug  begin  verderprepost

22

Amersfoort

Dinsdag

13 October 1914

 

Beste Aart.

Eindelijk, eindelijk! Hoe dikwijls heb ik je al willen schrijven, of liever: heb ik er mij een verwijt van gemaakt, dat ik je nog niet geschreven had. Het heeft nu dit voor, dat ik op 't oogenblik ervan overtuigd ben dat de bondgenooten zullen winnen, hetgeen mij weer clementer tegenover Duitschland maakt, hetgeen weer maakt, dat ik je oorlogsbeschouwingen meer aequo animo kan beantwoorden.

Je beschouwingen over den oorlog zijn heel mooi, en 't is niet onmogelijk, dat je in verre toekomst gelijk zult krijgen, hoewel ik dit niet zeker zou durven beweren. Wie kan met zekerheid de toekomst voorspellen? Nu is het waar, dat het zeer mooi is om de dingen sub specie aeternitatis te beschouwen. Vandaar ook dat jouw oorlogsbeschouwing mooi is.

De Moffen het jonge, groeiende ras, de Romanen de verrotten, de wederstrevenden in levensreactionnairheid verstard, de ten slotte toch ten gronde gedoemden. Prachtig. Maar laten we het zaakje eens wat nuchterder en wat meer van dichtbij bekijken. Wat zijn de Moffen dan? Een volk, bij het gezicht waarvan je hart, darmen, longen, lever, nieren, alles wat je maar in 't veege lichaam hebt, uitkotst van walging, ook al heeft dat gezicht maar een onderdeel van een seconde geduurd. Een ras van spreekwoordelijke poenen, van over gansch den aardkloot notoire arrogantelingen, met smoelen en manieren, kortom geheel den habitus, zoo alle grenzen te buiten gaand afstootelijk als nog nooit ter aarde, vermoed ik, een volk heeft gehad, zeker op 't oogenblik geen ander heeft, en, hoop ik, nooit meer een hebben zal. Een volk, oneindig veel erger dan Barbaren. Want Barbaren hebben een lagere cultuur, zoodat men daar ook niet van verwacht wat men heden ten dage van Europeeërs verwachten mag. Ik kan niet aannemen, mijn voortreffelijke Aart, dat je je hieraan nooit geërgerd hebt. Neen, ik schaar mij van ganscher harte bij het meerendeel van ons volk, dat geweldig anti Duitsch is, en laat alle geleerde Pangermanistische betoogen maar aan de geleerden, en dan liefst aan de Moffrikaansche geleerden over. Dit laatste is voor mij ook een sterk anti Duitsch argument: dat het meerendeel van ons volk, althans geheel het lagere volk zoo denkt. Ik geloof, dat een volk als geheel het altijd bij het rechte eind heeft. Bij de plebs althans werkt nog de intuïtie, een godin tot wie ik in de verhouding van een erotomaan sta, vooral als ik haar vergelijk met het verstand, waarvoor ik iets van minachting, en op sommige oogenblikken zelfs haat gevoel, hoewel ik zijn nut voor het alledaagsche geenszins ontken.

Ik hoop, lieber Aart von der Löwe, je met deze beschouwingen niet te zullen hebben ontstemd. Ik ben werkelijk op 't oogenblik nog lang niet zoo tegen de Moffen als ik geweest ben. Hun geest van orde kan ik, zij 't ook niet in mijn hart, wel koel waardeeren. En hun strijdeigenschappen zijn uitnemend, zij het ook van een lagere

[p. 60]

orde dan persoonlijke moed v/d Franschen. [sic] Laat ik je overigens nog zeggen, dat ik de allergrootste schurken de Engelschen vind, al ga ik persoonlijk liever met een Engelschman dan met een Mof om. Het perfide Albion heeft zich ook ditmaal niet verloochend. Alleen het feit, dat zij tenminste met de Franschen en Belgen strijden maakt dat ik ze nog eenigszins welwillend bezie. - Wat nu de Russen betreft, al die aantijgingen van barbaarschheid lijken mij onzin. Juist het Russische volk lijkt mij een jong, opkomend volk. Het zit nu helaas wel onder die smerige Grootvorsten kliek, maar als die er maar eens uitgetrapt is - en dat zal heusch zoo lang niet meer duren, die eene onderdrukte revolutie van eenige jaren geleden zal heusch niet de laatste zijn - geloof ik dat het een groote toekomst tegemoet gaat. En nu nog twee dingen: 1e vergeet niet, hoeveel het Pruisische militairisme tot het ontstaan van dezen oorlog heeft bijgedragen, en 2e vergeet ook niet, dat Duitschland het land is, wat wij zoowel economisch als militair het meest te vreezen hebben.90

En nu over wat anders. Antwoord mij eens op deze beschouwingen. Mijn vader is gisteren benoemd tot burgemeester van Stad-Hardenberg in Overijssel. Wij zijn zeer blij hiermee, dat spreekt. De familie verhuist evenwel pas met Mei daarheen, aangezien er geen huis te krijgen is. Je zult dus wel niet meer bij ons in Amersfoort logeeren, maar ik hoop dat je spoedig eens in H. zult komen. Immers in Mei of Juni pleeg je je tochten te beginnen, niet?

Verder wil ik je bedanken voor je overdrukje. Ik heb 't nog niet gelezen, maar het leek mij heel mooi. Je gedicht in de Bew. kon mij op 't eerst minder bekoren, maar ik moet mij misschien eerst gewennen aan je eigenaardige nieuwe rhythme, hetgeen ik ook met je laatste verzen daarvoor in de Bew. had. Ik geef dit voorloopige oordeel, dat ik nog niet kon herzien, daar ik de afl. uitleende, onder groot voorbehoud.91

[p. 61]

Het is hier in Amersfoort zeer interessant. Er zijn hier 12.000 Belgische soldaten en 135 officieren geïnterneerd. De laatsten loopen rond door de stad, op eerewoord. De soldaten moeten in de kazerne blijven, maar men mag van ze spreken door het hek heen. [sic] Ik heb al geweldig veel verhalen gehoord. Het zijn over 't algemeen zeer geschikte lui. Zij krijgen hier van alles en nog wat. Het Hollandsche volk laat zich in deze dagen wel van zijn gunstigste zijde zien. Het is werkelijk ongeloofelijk, hoe de allerarmste menschen nog wat over hebben voor de soldaten, en voor de vluchtelingen, waarvan er hier ook een heele hoop zijn.92

Ik had eerst in October examen willen doen, maar door die oorlog ben ik zoo gehandicapt - indien men dit nog mag zeggen van iemand van mijn minimale juridische kennis, dat ik het moest uitstellen. Ik doe het evenwel begin December, zonder de minste kans op slagen, haast ik mij er bij te voegen.

De brief is nu lang genoeg, en ik heb geen zin om hem in jeremiades te doen eindigen, anders zou ik je eens een boekje open doen over mijn financieele toestand, die deplorabeler dan ooit - en dat wil veel zeggen - is. Misschien schrijf ik je daarover een volgende keer.

Doe mijn zeer hartelijke groeten aan Toos en Joh en geloof mij met een fermen handdruk

 

als steeds je vriend

Jacques

90Van der Leeuw heeft zich zelden publiekelijk uitgesproken over zijn standpunt inzake de eerste wereldoorlog. Van Heerikhuizen verklaart de houding van Van der Leeuw, die in deze brief van Bloem duidelijk geïllustreerd wordt, als volgt: ‘De oorlog wekte [...] in hem het, voor die tijd met zijn scherpe scheidingen zo karakteristieke, gevoel dat er nu toch eens eindelijk “iets groots” gebeurde’. (De strijd van Van der Leeuw, p. 63, noot 1). Uyldert legde een uitspraak van Van der Leeuw over de Duitsers vast (januari 1915): ‘Is het werkelijk aan te nemen dat het de roeping der Duitsers is een nieuwe geest over de wereld te brengen, dan dunkt mij is het ook met hun rechtsverkrachtingen niet zo nauw te nemen’. (Maurits Uyldert, Naar de voltooiing. Uit het leven van Albert Verwey III . Amsterdam, 1959, p. 25; verder aangehaald als Uit het leven van Verwey).
91Van der Leeuw publiceerde Joost de wandelaar in De Nieuwe Gids, dl. 29, II (1914), p. 535-544; herdrukt in Sint Veit en andere vertellingen . Het vers dat Bloem minder kon bekoren is Storm, een zangspel; verschenen in De Beweging, dl. 10, IV (1914), p. 9-15, herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 361-365. Daarvoor waren in De Beweging, dl. 10, I (1914), p. 26-32 de volgende gedichten van Van der Leeuw verschenen (herdrukt in Verzamelde gedichten, p. 158-160, 180 (onder de titel Opgang), 164-165 en 143): Roepen over het water, Ben ik gestorven, Een afscheid en Oud en nieuw lied. Opvallend in deze verzen zijn de korte regels, waaruit de onregelmatig gebouwde strofen zijn samengesteld. De eerste strofe van Roepen over het water luidt bijvoorbeeld:
 
‘Aheu! - Hohei!
 
Waarheen? - Voorbij!’
92In Nederland werden gedurende de eerste wereldoorlog een aantal vluchtelingenkampen voor Belgische evacué's ingericht, onder andere in Amersfoort en Nunspeet.
prepostterug  begin  verder