terug  begin  verderprepost

24

Amf. 5 Dec. '14

Ode
a.d. a.s. ‘Wirklicher geheimer Oberpoesierat’
Dr. Jur. A. van der Leeuw.
 
Treflijk dichter, maar verrader,
 
Ja verrader van uw vader-
 
land, en vaderlandschen plicht,
 
Die, vol Mofsche sympathieën,
 
Daaglijks, nachtlijks op de knieën
 
Voor 't portret des Kaisers ligt; -
 
 
 
Gij, Apollos liefste zoon, wiens
 
Groot verlangen met den Kronprinz *
 
Zoekt gemeenschap van den geest; -
 
Wien het bloed vol vreugd door de aderen
 
Klotst, wanneer hij denkt aan Zabern -97
 
Die de Kreuzzeitung trouw leest; -98
[p. 64]
 
Die de Franschen laffe pronkers
 
Vindt, maar Brandenburgsche jonkers
 
Goden in een sterflijk kleed;
 
Vrije geesten scheldt als zwakken,
 
Doch soldaten en klabakken
 
Geestelijke heerschers heet; -
 
 
 
Die geen schoon meer uit de blâren
 
Van Regnier puurt, dien Verhaeren,
 
Jammes noch Samain bekoort;
 
Maar in vuur raakt door gezemel:
 
Otto Ernst en Richard Dehmel,
 
Werner, Marlitt, enzoovoort; -99
 
 
 
Zing uw Liedren en Balladen
 
Thans als dichterlijke aubaden
 
Voor von Hindenburg z'n huis;
 
Smeek, dat eens uw borst geniete
 
Van de orde: Pour le Mérite,100
 
Of wel van het IJzren Kruis.
 
 
 
Wenscht uw aandrift nieuwe banen,
 
Neem dan dienst bij de Albanen,
 
Voor geen enkle daad bevreesd.
 
Belze vrouwen te schoffeeren,
 
Kathedralen bombardeeren,
 
Gott im Himmel, wat een feest.
[p. 65]
 
Dichterlijkste der spionnen,
 
Plaats maar, listig en bezonnen,
 
Een betonvloer in uw tuin -
 
Na de zege der verbonden
 
Legers is uw lef verzwonden,**
 
Ligt geheel uw hoop in puin.

Jacques Bloem

Amersfoort.

3 Dec. '14

* Je vergat nog, onder alles wat je aan Duitschland geestelijk verschuldigd bent, op te noemen het vermaarde werk: uit mijn jacht-dagboek, dat nu zeker wel bovenaan prijkt op je Sinterklaas-verlanglijst.101
** geen germanisme: zie de Vries en te Winkel.

B.A.

Hartelijk dank voor je langen brief, en voor de terugzending der boeken. Ja, 't is een beroerd iets, dat examen, maar 't zal toch wel eens uit zijn.

Ik stuur je hierbij een Ode, waarvan ik hoop, dat hij je toch minstens èèn glimlachje zal ontrukken, tenzij je een kerngesundes, [...] prefereert.

Verder een boek, dat ik indertijd voor een dubbeltje op de markt heb gekocht, en eigenlijk beter in de bibliotheek v/e natuurdichter als jij op zijn plaats vind, dan in de mijne, reden waarom ik het je bij wijze van - een weinig kostbaar - Sinterklaas-cadeautje aanbied. Als ik weer eens bij jelui kom, zal ik de boeken van Hardy voor je mee brengen; dat is lectuur, die je dezer dagen nog noodig hebt.102 De opmerking van Verwey was volmaakt juist; maar de jouwe is er faliekant naast, zooals ik je mondeling hoop aan te toonen.

Heb je het uitstekende stuk v. Uyldert in de laatste Beweging gelezen? En ben je nu nog niet bekeerd, ellendige?103

[p. 66]

In mijn stukje, dat eigenlijk: De lafheid van Duitschland heette, zijn alle al te grove heftigheden door Verwey geschrapt; waarschijnlijk zeer wijselijk.104

Nu adieu, ik heb groote haast. Geloof mij met heel veel hartelijke groeten aan Toos en Joh, en mijn beste wenschen voor een gezelligen Sinterklaasavond

 

steeds je vriend

Jacques

97In Zabern (Duitse naam voor de Franse stad Saverne) vond in 1913 een incident plaats tussen Fransgezinde Elzassers en een Duitse luitenant, hetgeen de Frans-Duitse betrekkingen zeer bemoeilijkte.
98Kreuzzeitung was de gangbare benaming (ontleend aan het zwarte kruis van Pruisen op de voorpagina) voor de Neue Preussische Zeitung; dit blad werd in 1848 opgericht en ontwikkelde zich al snel tot het orgaan van de conservatieve richting in Pruisen.
99Bloem stelt hier een aantal Franse schrijvers tegenover een stel Duitse schrijvers, waarbij het duidelijk is waarnaar zijn voorkeur uitgaat. De Franse auteurs hebben allen op enigerlei wijze te maken met het symbolisme, beter: met de nabloei van het symbolisme, waarmee Bloem zich verwant voelde. De Régnier (zie noot 15) keerde na een symbolistische periode terug tot de strakke vormen van het classicisme, evenals Francis Jammes (1868-1938), die tegenover de cerebrale poëzie van het symbolisme een simpele, zuivere ‘naturistische’ poëzie stelde. Albert Samain (1858-1900) paste de symbolistische verworvenheden toe in zijn overigens traditionele poëzie. Emile Verhaeren (1855-1916) was een Belgisch representant van het symbolisme. De Duitse schrijvers zijn litterair gesproken geen van allen van hoog niveau. Otto Ernst (1862-1926; pseudoniem van Otto Ernst Schmidt) is vooral bekend door zijn moraliserende, naturalistische toneelstukken. Richard Dehmel (1863-1920) neigde naar de mystiek en kondigde door de vorm èn inhoud van zijn poëzie het expressionisme aan, een stroming, waar Bloem niet veel affiniteit mee had. Elisabeth Werner (1838-1918; pseudoniem van Elisabeth Bürstenbinder) en Eugenie Marlitt (1825-1887; pseudoniem van Eugenie John) schreven beiden oppervlakkige, ‘romantische’ romans, die zich meestal afspelen in aristocratische milieus.
100De orde Pour le mérite is - in tegenstelling tot wat de naam ervan doet vermoeden - een Duitse orde van Pruisische oorsprong.
101Ik ben er niet in geslaagd vast te stellen welk boek Bloem op het oog heeft met Uit mijn jacht-dagboek.
102Bloem had grote bewondering voor de Engelse romanschrijver en dichter Thomas Hardy (1840-1928); hoewel hij zijn romans waardeerde vond hij hem vooral onderschat als dichter. In Terugblik, p. 30 typeert hij Hardy's ‘levensgevoel’ als ‘[...] het gevoel van onmacht van den mensch tegenover het blinde lot, waardoor zij, de menschen, worden tot Time's laughing-stocks, zooals de titel van een van zijn dichtbundels luidt’.
103In het artikel Rusland en Duitsland (De Beweging, dl. 10, IV (1914), p. 197-202) beweerde Uyldert onder meer: ‘Ieder die het politieke en morele leven van Duitsland in de laatste kwart eeuw heeft gadegeslagen weet hoe ondragelik de militaire kaste, ook voor de demokratiese en geestelijke elementen in Duitsland zelf, allengs geworden was, hoe verderfelik de invloed daarvan op het moreel van het volk bleek.’
104In de rubriek Varia verscheen van Bloem het artikel Onnoodige tweeslachtigheid (De Beweging, dl. 10, IV (1914), p. 252-254), waarin hij onder meer opmerkte: ‘[...] wat mij in de houding der Duitschers veel meer heeft tegengestaan dan hun vandalisme [is] [...] de tweeslachtigheid, waarmee zij dit vandalisme bekennen en toch weer niet bekennen, aanvaarden en toch weer niet aanvaarden’ (het citaat op p. 4).
prepostterug  begin  verder