terug  begin  verderprepost

25

Amf. Zond. 7 Febr. '15

 

Beste Aart.

Gisterenmorgen ontving ik van Versluys je Kinderland, en ik wil niet wachten met je er hartelijk voor te bedanken. Ook Mees kreeg het zijne, en reeds gisterenmiddag kwam een briefkaart van hem om mij te vragen of ik jou zijn hartelijken dank wilde overbrengen. Mees is een buitengewoon liefhebber van zulk soort proza, en een boekje als het jouwe is geknipt voor hem.105 Ik denk, dat ik het boekje ook zeer spoedig zal lezen, niettegenstaande mijn eigenschap tegenover het proza, die je kent. Het trekt mij bizonder aan. Ik zou er eigenlijk vandaag al wel aan willen beginnen, maar ik moet eerst een paar andere dingen uitlezen om niet een al te groote ophooping van ten deele gelezen werken te krijgen.

Hoe gaat het met jelui drieën? Ik hoop, dat de diverse kwalen over zullen zijn. Het deed mij genoegen, dat de oude de Brune zoo in je smaak valt; als ik het ergens voor een zacht prijsje op den kop kan tikken zal ik je niet vergeten.106 Ik heb mijn examen weer tot de volgende maand uitgesteld, maar dit is onherroepelijk het laatste uitstel. Je zult dit langzamerhand wel niet meer gelooven, maar het is toch zoo, niet zoozeer dankzij mijzelf, wat mij betreft ik zou wel aan het uitstellen blijven, maar dankzij mijn Vader. - Wanneer ik een datum heb, meld ik je dien natuurlijk wel.

En nu adieu, mijn beste. Nogmaals wel bedankt, hartelijke groeten aan Toos en Joh en voor jezelf van

 

je vriend Jacques

105R.T.A. Mees, clubgenoot van Bloem, aan wie de beschouwing Over het verlangen is opgedragen; zie voor een karakteristiek van hem de volgende brief.
106Joan de Brune (1589-1658) werd de oude genoemd ter onderscheiding van zijn neef Jan de Brune (1616-1649), die de jonge genoemd werd; Van der Leeuw waardeerde vooral zijn Bancket-werk van goede gedachten . (Zie Briefwisseling Van Eyck-Van der Leeuw, p. 55).
prepostterug  begin  verder