Amersfoort. Dinsdag 25 Mei 1915
Beste Aart.
Hoewel ik niet vermoed het op zeer amusante wijze te zullen doen omdat ik hetzelfde reeds aan v. Eyck en aan Gossaert deed, zoo wil ik je toch gaarne nog enkele bizonderheden melden aangaande den Verwey-dag, die allergenoegelijkst verliep.114 Ik ben blijven eten. Jacob Israël [de Haan]115 (hoe vondt je hem, tusschen 2 haakjes?) was naar Amsterdam teruggegaan en Jan [Greshoff] naar den Haag. Het was toch nog een groote tafel. De familie V.zelf al negen personen, dan Verster en zijn vrouw,116 Karsen,117, Berlage,118 de Vooys,119 Uyldert,120 Mevr. Gutteling,121 Nine v.d. Schaaf,122 Cronheim123 en ik (als ik niemand heb vergeten). Heb jij die journalisten nog gezien? Om je rot te lachen. V. was erg blij met het stukje van v. Schendel.124 Ik zat aan tafel tusschen Mea Verwey en Nine v/d Schaaf. 'S avonds reisde ik met Uyldert en Cronheim naar Amsterdam terug,
waar ik nog een paar allergezelligste dagen bij de Haan doorbracht. Gisteren en eergisteren was ik weer in mijn geliefde stad, waar ik menig genoegelijk uur doorbracht op Zeedijk en elders. Er gaat toch niets boven Amsterdam. (voor mij!)
Aan den natuurdichter Aart van der Leeuw
Toch schijnt jouw systeem beter te zijn, gezien jouw productiviteit en mijn steriliteit. Maar wat zul je eraan doen? Ik vind het gezegde van Mevr. Holst heel aardig, als ze het tenminste niet uit beleefdheid zei. Ik kan mij n.l. er nooit indenken dat er iemand is, buiten mijn speciale vrienden, die mijn verzen wel eens gelezen heeft. Al tracht ik mij verstandelijk te overtuigen, dat dit toch in enkele gevallen wel mogelijk kan zijn, mijn gevoel laat zich niet overtuigen. - Ik heb Vrijdagavond nog geprobeerd iets te schrijven, maar het lukte niet.
Ik zie nog de verwaten, Duitsche lach, waarmee je mij ter aarde wierp, toen wij het telegram v/d ontslagaanvrage v. Salandra lazen.126 Nu is de beurt aan mij, en ik grijns, en wrijf mij de handen. Weer een land, dat zich tegen het tyrannenvolk, dat zijn spionnen eert, verzet. Het gaat eronder - en wie weet of dan het Duitschland, dat Labberton en jij je droomen en dat op 't oogenblik (sinds 1870) niet bestaat, niet zal geboren worden. Dat hoop zelfs ik.127
Nu adieu, [...] vriend. Hart. gr. aan Toos en Joh en geloof me
als steeds je vriend
Jacques
Leest:
Léon Daudet.
L' avant - guerre.
Etudes et documents sur l' espionnage Juif-allemand en France.
depuis l' affaire Dreyfus.
30ième édition.128

J' accuse.
von einem Deutschen
(zie oude Groene: v. Eeden)129
In Amsterdam zingen de straatzangers tegenwoordig een lied, dat begint:
(op de ondergang v/d Lusitania)130
Zooals Labberton zoo verwaand schreef: ons volk verbeeldt zich, vooral in de lagere standen, anti-Duitsch te moeten zijn. Maar men verbeeldt het zich niet, men is het. En deze intuïtie is minstens even waardevol als de intuïtie van anti-Engelschheid v/h Duitsche volk, dat in de brochure van Labberton natuurlijk opeens weer heel goed wordt gevonden - zoo onzinnig partijdig is hij.131