terug  begin  verderprepost

29

Amf. 21 Sept. '15

 

Beste Aart. Hartelijk dank voor het overdrukje. Ik herlas het ‘geboortestad’ met het grootste genoegen en herinnerde mij den middag, waarop je het mij voorlas.134 Tevens moet ik je mijn hulde betuigen voor de prachtige verzen in de laatste afl. v/d Bew. (behalve het eerste, dat dan ook bizonder leelijk was).135 Wat hebben zij mij weer doen genieten: ik heb nu juist zoo'n behoefte aan jouw werk. Ik lig n.l. nog steeds in bed: ik moet nog gedurende eenigen tijd een rustkuur doen, wat nooit plezierig is, maar allerminst als men reeds 10 weken in het zwoele nest heeft doorgebracht. Enfin, er is niets aan te doen, ik moet mij maar schikken, het is in elk geval beter heelemaal te genezen dan zoo te blijven kwakkelen: pleuris is een buitengewoon langdradige ziekte en men moet later oppassen: het is zoo dicht bij de longen. Aangezien de familie thuis in de volle verhuisdrukte is, ben ik in het ziekenhuis hier ondergebracht, en dat vind ik misschien nog wel het akeligste van alles. Mijn moeder was toch misschien nog meer bedroefd dan ik, zij heeft mij al die weken zoo trouw opgepast en vond het zoo naar, dat zij het nu niet meer doen kan. En ik vind zoo'n ziekenhuis ook een ramp, vooral omdat ik mij, althans wanneer ik te bed lig, volmaakt normaal gevoel. Daarbij mis ik mijn familie erg, je weet niet hoe onbeschrijfelijk lief mijn ouders voor mij zijn geweest. Gelukkig ga ik naar alle waarschijnlijkheid in de loop v/d volgende week over naar Almelo (Ootmarsumsche weg 103).

En hoe maak jij het, mijn beste? Ben je weer heelemaal beter? En schrijf je alweer? Ik verlang er zoo naar, weer iets nieuws van je te lezen. Deze verzen kende ik nog geen van allen. Heb je er nog meer gemaakt? En hoe maken Toos en Joh het? Goed hoop ik. Nu heb ik nog een verzoek aan je, Piet van Eyck (Pension Chiusarelli, Siena) vroeg mij om hem precies op te geven het citaat uit een der kerkvaders, waarin de vrouw wordt afgemaakt (sacrus stereorum etc.) Het is te vin-

[p. 78]

den in het eerste groote hoofdstuk van de Gourmond's Latin Mystique.136 Nu zijn, en blijven voorloopig, mijn boeken ingepakt, en ik kan hem er dus niet aan helpen. Zou jij nu zoo goed willen zijn het voor hem op te zoeken (heb je het zelf niet, dan is het boek in elk geval in de K.B.) en het hem even te schrijven? Bij voorbaat mijn hartelijke dank voor de te nemen moeite.

En nu adieu, mijn beste. Groet T. en J. allerhartelijkst van mij en geloof mij

 

als steeds je vriend

Jacques

134Zie noot 81.
135In De Beweging, dl. 11, III (1915), p. 181-184 publiceerde Van der Leeuw de verzen Natuur en de diensknecht, Droomen in het lommer, Het woord, Lied van den waterzoeker en Bede voor den wedzang; op het eerste vers na zijn de gedichten gebundeld in Verzamelde gedichten, p. 161, 163, 157 en 162.
136In 1915 publiceerde Rémy de Gourmont (1858-1915) Le latin mystique. Het bedoelde citaat, enigszins veranderd weergegeven door Bloem, is te vinden op p. 12, waar Odon van Cluny een analyse van de lichamelijke schoonheid geeft: ‘Et si nec extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum stercoris saccum amplecti desideramus’ (‘En wij, die er een afkeer van hebben zelfs maar met onze vingertoppen braaksel of mest aan te raken, hoe zouden wij ernaar kunnen verlangen een zak vol uitwerpselen in onze armen te klemmen?’).
prepostterug  begin  verder